direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Buitengebied, Drielse Rijndijk 93, Driel
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1734.BUIT0320drlserd93-ONT1

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Initiatiefnemer is recent eigenaar geworden van het voormalige agrarisch bedrijf aan de Drielse Rijndijk 93. De locatie heeft op grond van het huidige bestemmingsplan 'Buitengebied Overbetuwe' de bestemming 'Agrarisch' met de aanduiding 'intensieve veehouderij'. Op de locatie zijn een bedrijfswoning en bedrijfsbebouwing (stallen) aanwezig. De agrarische bedrijfsactiviteiten zijn echter beëindigd en de aanwezige stallen staan momenteel leeg. Initiatiefnemer wil de locatie herontwikkelen ten behoeve van woningbouw. De voormalige bedrijfswoning wordt omgevormd naar burgerwoning en er worden drie nieuwe woningen gerealiseerd. Voor de realisatie van de nieuwe woningen worden de agrarische bedrijfsgebouwen in het kader van de 'Beleidsregel functieverandering en nieuwvestiging' gesloopt. Er kan niet strikt aan de norm van de sloopmeters uit de beleidsregel worden voldaan. Er is namelijk 1.500 m2 sloop van opstallen vereist om drie woningen te kunnen bouwen, terwijl op locatie 1.460 m2 aan opstallen aanwezig is. Om dit tekort te compenseren, wordt extra geïnvesteerd in landschappelijke inrichtingsmaatregelen. Tevens wordt het rustpunt aan de noordkant van het plangebied behouden, als zodanig bestemd en door de initiatiefnemer in stand gehouden. Daarnaast wordt er met dit plan een intensieve veehouderij op een niet-duurzame locatie wegbestemd. Hierdoor wordt er voldoende kwaliteitsverbetering op de locatie bereikt om het tekort aan sloopmeters te compenseren en te kunnen spreken van een goede ruimtelijke ordening. De gemeente wil onder deze voorwaarden medewerking aan het initiatief verlenen. Een herziening van het bestemmingsplan is daarvoor noodzakelijk.

Dit bestemmingsplan 'Buitengebied, Drielse Rijndijk 93, Driel' voorziet in een nieuw planologisch-juridisch kader om de gewenste ontwikkeling mogelijk te maken.

1.2 Ligging en beschrijving plangebied

Het plangebied ligt in het buitengebied van de gemeente Overbetuwe, ten oosten van Driel en ten zuiden van de Nederrijn. Op afbeelding 1 is de ligging van het plangebied weergegeven. Het plangebied ligt aan de Drielse Rijndijk, een lokale ontsluitingsweg met hoofdzakelijk woningen en agrarische bedrijven. De omgeving wordt verder voornamelijk gekenmerkt als een open agrarisch gebied.

Het plangebied beslaat de gronden behorende bij het perceel Drielse Rijndijk 93. Op de onderste foto in afbeelding 1 is de begrenzing van het plangebied indicatief aangegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.BUIT0320drlserd93-ONT1_0001.png"  
afbeelding "i_NL.IMRO.1734.BUIT0320drlserd93-ONT1_0002.png"  
Afbeelding 1: ligging en indicatieve begrenzing van het plangebied (bron: Bing Maps)  

1.3 Huidig bestemmingsplan

In het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Buitengebied Overbetuwe', dat is vastgesteld op 5 maart 2013. In het plangebied gelden de volgende bestemmingen en aanduidingen:

  • Bestemming 'Agrarisch met waarden' (vrijwel gehele plangebied), met een bouwvlak en functieaanduiding 'intensieve veehouderij'.
  • Dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering' aan de noordkant.
  • Dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologische verwachting 2' en voor een klein gedeelte 'Waarde - Archeologische verwachting 1'.
  • Functieaanduiding 'specifieke vorm van agrarisch met waarden - kleinschaligheid'.

In afbeelding 2 is de begrenzing van het plangebied binnen het huidige bestemmingsplan indicatief aangegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.BUIT0320drlserd93-ONT1_0003.png"  
Afbeelding 2: uitsnede huidig bestemmingsplan 'Buitengebied Overbetuwe' (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)  


Het huidige bestemmingsplan maakt het oprichten van nieuwe woningen in het plangebied niet mogelijk. Het oprichten van nieuwe woningen is in strijd met de gebruiks- en bouwregels op dit perceel. Een herziening van het bestemmingsplan is daarom noodzakelijk.

1.4 Leeswijzer

Deze toelichting is als volgt opgebouwd. Na dit inleidende hoofdstuk, worden in hoofdstukken 2 en 3 respectievelijk de bestaande en de toekomstige situatie in het plangebied beschreven. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op het voor dit bestemmingsplan van toepassing zijnde rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid. In hoofdstuk 5 komen de relevante milieu- en omgevingsaspecten aan de orde. Daarmee wordt inzichtelijk gemaakt of de ontwikkeling in ruimtelijk en milieuhygiënisch opzicht aanvaardbaar en haalbaar is en voldoet aan het vereiste van een goede ruimtelijke ordening. In hoofdstuk 6 is de juridische planopzet beschreven en in hoofdstuk 7 is de financiële toelichting opgenomen. Hoofdstuk 8 gaat in op enkele procedurele aspecten, zoals overleg en inspraak.

Hoofdstuk 2 Bestaande situatie

Het plangebied ziet op het perceel Drielse Rijndijk 93 te Driel met de daarbij behorende gronden en bestaat in de huidige situatie uit een erf met bedrijfswoning, 1.460 m2 aan agrarische bedrijfsgebouwen en de agrarische productiegronden van circa 13 hectare gelegen ten zuiden van het bedrijfsperceel. De huidige bedrijfswoning maakt onderdeel uit van de lintbebouwing aan de Drielse Rijndijk en wordt via twee toegangswegen, die een lus vormen naar een inrit, ontsloten. Naast het erf, aan de oostzijde, ligt het markante Drielse Veergebouw, dat vroeger dienst deed als veerdienstgebouw. De veerpont was lange tijd de enige verbinding tussen de dorpen Driel en Heveadorp en de verbinding met de kerk in Oosterbeek. De veerpont is nog steeds in gebruik, maar het gebouw staat nu leeg. Het heeft lange tijd dienst gedaan als hotel. De historische verbindingsweg langs het Drielse Veergebouw richting het achterland is echter verdwenen. Noordelijk van het plangebied, aan de overzijde van de Drielse Rijndijk, zijn de uiterwaarden bij de Nederrijn gelegen.

Op het erf zijn verschillende stallen, schuren en kapschuren aanwezig. De grote schuur ten oosten van de bedrijfswoning en de kleine stal hebben nog enkele kwaliteit, de overige opstallen van plaatmateriaal beduidend minder. De kaprichting van de bebouwing is overwegend parallel aan de dijk en de rivier. Dit is het beeld bij veel erven langs de Drielse Rijndijk. Er is nu een fraai doorzicht vanaf de dijk tussen de schuren naar de achterliggende fruitboomgaard aanwezig. De rijen in de boomgaard ensceneren het zicht. Aan de voorkant van het erf, langs de dijk, is een rustpunt voor recreanten gemaakt. Een hoge haag schermt het rustpunt af van het erf. Het rustpunt is deels omzoomd met een singel van Gelderseroos. Afgezien van twee notenbomen ten oosten van het erf, is het erf vrij van opgaand groen. Wel is er een privé tuin ten westen van de bedrijfswoning aanwezig met veelal uitheemse beplanting en een grote conifeer. Ten zuiden van de tuin is nog een kleine weide aanwezig. Ten zuiden van het erf begint de fruitboomgaard. Het erf wordt verbonden met de fruitboomgaard door een betonpad, dat tevens de zichtlijn vormt langs de bebouwing en richting het achterliggende landschap.

Onderstaande afbeelding geeft een impressie van de huidige situatie van het plangebied. Van links naar rechts zijn zichtbaar het woonperceel Drielse Rijndijk 91, de bedrijfswoning Drielse Rijndijk 93 en de voormalige agrarische bedrijfsgebouwen met erfverharding, het Drielse Veerhuis (Drielse Rijndijk 95) en de woning Drielse Rijndijk 97.

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.BUIT0320drlserd93-ONT1_0004.png"
afbeelding "i_NL.IMRO.1734.BUIT0320drlserd93-ONT1_0005.png"  
Afbeelding 3: huidige situatie plangebied ingezoomd (boven) en zicht op de bedrijfswoning en rustpunt in het plangebied met daarachter de fruitboomgaard (onder) (bron: Google Maps)  

Hoofdstuk 3 Toekomstige situatie

3.1 Beschrijving toekomstige situatie

Initiatiefnemer wil de agrarische bedrijfsbebouwing slopen en de functie wijzigen naar wonen. In het plangebied worden drie nieuwe woningen gerealiseerd in de vorm van een twee-onder-een-kapwoning en één vrijstaande woning. De bestaande bedrijfswoning blijft gehandhaafd en wordt omgevormd naar een burgerwoning. De agrarische productiegronden ten zuiden van het erf worden grotendeels verkocht. Verder wordt een perceel ten westen van de woning Drielse Rijndijk 97 (perceelnummer 1991) gewijzigd van een agrarische bestemming naar een woonbestemming. Dit stuk grond is door de initiatiefnemer aan de eigenaren van de woning van nr. 97 verkocht ter uitbreiding van hun woonperceel.

De vierkante vorm van het huidige erf vormt de basis voor de nieuwe opzet van de toekomstige situatie en positionering van de woningen. Vanwege de nieuwe functie wonen is het wenselijk de nieuwe bebouwing naar achteren te schuiven. Dit komt de leefbaarheid van de woningen op het erf en de woonkwaliteit ten goede. Een nieuw schuurvolume in de vorm van een twee-onder-een-kapwoning, die naar achteren geplaatst zal worden, zorgt voor een groter erf. Hierdoor is er meer ruimte voor een fraaie erfboom (noot) en informeel parkeren op het erf. Tevens zullen er twee inpandige parkeerplaatsen in de twee-onder-een-kapwoning aanwezig zijn. De andere parkeerplaatsen zullen op een centrale strip van natuurlijke halfverharding met een barcode gesitueerd worden. Het bestaande erf bestaat uit asfalt, waarvan een deel wordt uitgezaagd voor deze centrale strip. Achter de nieuwe vrijstaande woning wordt een paardenbak aangelegd. Het rustpunt voor recreanten aan de noordzijde van het plangebied blijft gehandhaafd en wordt opgewaardeerd.

Het omliggende landschap kent van oudsher een sterke verbondenheid met de rivier de Rijn, het water en de mens hebben het landschap gevormd. Onder andere oude windsingels vormen de verankering met het landschap en versterken de kleinschalige structuur van de stroomrug. Om deze reden is een uitgebreid landschappelijk inrichtingsplan opgesteld (zie Bijlage 1 bij de planregels), waarin de landschappelijke inpassing is beschreven en verantwoord. In paragraaf 4.3 wordt hierop eveneens nader ingegaan. In afbeelding 4 is een uitsnede van de toekomstige situatie van het plangebied en de landschappelijke maatregelen weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.BUIT0320drlserd93-ONT1_0006.png"  
Afbeelding 4: toekomstige inrichting en landschappelijke inpassing in het plangebied (bron: Buro Ontwerp & Omgeving)  

3.2 Beeldkwaliteit

Voor de nieuwe woningen in het plangebied zijn beeldkwaliteitseisen geformuleerd. Deze worden hieronder geformuleerd. De beeldkwaliteitseisen zijn voor zo ver mogelijk (ruimtelijk relevant) vertaald in de juridische regeling van dit bestemmingsplan en vormen daarnaast het kader voor welstandtoetsing van het bouwplan bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor het bouwen.

Onderscheid is gemaakt tussen de twee-onder-een-kapwoningen en de nieuwe vrijstaande woning.

Samenhang
Beide nieuwbouwvolumes krijgen de uitstraling van een schuur, een 'bijgebouw' ten opzichte van de bestaande woning, die tot burgerwoning wordt omgevormd. De bouwmassa's omsluiten, samen met de bestaande woning, het erf.

Twee-onder-een-kapwoningen
De twee-onder-eenkapwoningen worden in een robuust volume gebouwd. De twee woningen zitten in een schuurvormig gebouw, met een rechthoekige footprint, een zadeldak en een lage gootlijn. Het dakvlak is beeldbepalend en gesloten. De maximale dakhelling is 45º. Losse bijgebouwen zijn niet wenselijk. Bergingen zijn onderdeel van het totaalvolume, teneinde de grootschligheid van het volume te versterken. De bouwmassa heeft de uitstraling van één volume, er is geen symmetrie of herhaling te zien.

Samenhang tussen de nieuwe bouwmassa en de bestaande woning dient te blijken uit de onderlinge massaverhouding, de situering ten opzichte van het erf, de kleur dakpannen en de keuze voor baksteen als bouwmateriaal. Bij handhaving van de bestaande woning, is afstemming hierop gewenst.

De uitstraling van de nieuwe bouwmassa kenmerkt zich als: landelijk, stoer, robuust, grote kap, spanten, eenvoud, grote of juist kleine ramen en deuren, eigentijds.

Materiaalgebruik gevel: baksteen, eventueel te combineren met hout. Kleurgebruik in aardse kleuren, af te stemmen op de (baksteen)kleur van de bestaande woning.

Materiaalgebruik kap: gebakken dakpannen, zwart/antraciet, niet glanzend.

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.BUIT0320drlserd93-ONT1_0007.png"  
Afbeelding 5: referentiebeelden architectuur twee-onder-eenkapwoningen (bron: Buro Ontwerp & Omgeving)  

Vrijstaande woning
De vrijstaande woning wordt in een schuurvomig volume met rechthoekige footprint opgericht. Deze woning ligt op een afgeleide positie ten opzichte van het erf en tevens op een verhoging (vloedschuur). In uitstraling en materiaalgebruik mag deze woning anders zijn dan de bestaande woning en twee-onder-een-kapwoningen. De woning krijgt een zadeldak met een maximale dakhelling van 45º en een lage goot.

De uitstraling kenmerkt zich als: landelijk, stoer, robuust, grote kappen, spanten, eenvoud, grote of juist kleine ramen en deuren, eigentijds.

Materiaalgebruik gevel: afwijkend van bestaande woning en twee-onder-een-kapwoningen, bijvoorbeeld door gebruik van hout als hoofdmateriaal.

Materiaalgebruik kap: zwart/antraciet, samenhang met gebouwen aan het erf.

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.BUIT0320drlserd93-ONT1_0008.png"  
Afbeelding 6: referentiebeelden architectuur vrijstaande woning (bron: Buro Ontwerp & Omgeving)  

Hoofdstuk 4 Beleidskader

4.1 Rijksbeleid

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR)
In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte staan de plannen van de Rijksoverheid voor ruimte en mobiliteit. Het Rijk streeft naar een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland. Om dit te bereiken, laat het Rijk de ruimtelijke ordening meer over aan de decentrale overheden (provincie en gemeenten) en komt de gebruiker centraal te staan. Het Rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 13 nationale belangen. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid.

Beoordeling en conclusie
Met dit bestemmingsplan worden drie nieuwe woningen mogelijk gemaakt, na beëindiging van de agrarische bedrijfsactiviteiten en sloop van de opstallen. Het gaat hier om een lokale ontwikkeling, die gezien de aard en omvang van het plan geen relatie met het ruimtelijke ordeningsbeleid op rijksniveau heeft. Er zijn geen nationale belangen in het geding. Het initiatief conflicteert niet met het nationaal ruimtelijke ordeningsbeleid, zoals vastgelegd in de SVIR.

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)
Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft richtlijnen voor de inhoud van ruimtelijke plannen, voor zover het gaat om ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang. De normering uit het Barro werkt zoveel mogelijk direct door op het niveau van de lokale besluitvorming. Bij besluitvorming over ruimtelijke plannen moeten de regels van het Barro worden gerespecteerd.

Beoordeling en conclusie
Het initiatief is een lokale ontwikkeling. Er zijn geen nationale belangen in het geding. Het Barro heeft geen doorwerking naar dit plan.

Ladder voor duurzame verstedelijking
Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen, is per 1 oktober 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening. De ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De ladder is een motiveringsinstrument dat moet worden toegepast bij elk ruimtelijk besluit dat een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling' mogelijk maakt. Wat onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan, is in artikel 1.1.1 Bro bepaald: 'De ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.” Uit de jurisprudentie komt naar voren dat het wel een nieuwe stedelijke ontwikkeling van enige omvang moet zijn (ECLI:NL:RVS:2016:1503).

In een bestemmingsplan moet worden aangegeven dat de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte plus een motivering als de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd: 'De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien”.

Beoordeling en conclusie
Met dit bestemmingsplan worden drie nieuwe woningen mogelijk gemaakt, na beëindiging van de agrarische bedrijfsactiviteiten en sloop van de opstallen. Het bestemmingsplan maakt daarmee, volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, geen nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk. De Ladder voor duurzame verstedelijking hoeft in het kader van dit bestemmingsplan daarom niet doorlopen te worden.

4.2 Provinciaal beleid

Omgevingsvisie Gaaf Gelderland
Provinciale Staten hebben op 19 december 2018 de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland (hierna: de Omgevingsvisie) vastgesteld. Deze is in werking getreden op 1 maart 2019. Het doel van de Omgevingsvisie is: een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland, vanuit het verleden én met het oog op de toekomst. De provincie is als middenbestuur een belangrijke schakel bij het bereiken van deze doelstellingen en wil op een aantal manieren waarde toevoegen:

  • met een brede blik kijken naar de inrichting en kwaliteit van de Gelderse leefomgeving;
  • stimuleren van ontwikkelingen enerzijds en beschermen van waarden anderzijds;
  • focussen op duurzaamheid, onderlinge verbondenheid en een economisch krachtig Gelderland;
  • door middel van 7 ambities verder verdiepen van de focus.

De 7 ambities van de provincie zien op de volgende thema's: energietransitie, klimaatadaptatie, circulaire economie, biodiversiteit, bereikbaarheid, vestigingsklimaat en de woon- en leefomgeving. Per ambitie is de provinciale aanpak beschreven.

Beoordeling en conclusie
De Omgevingsvisie is concreet uitgewerkt in de hierna beschreven Omgevingsverordening Gelderland. Deze verordening bevat concrete regels, waaraan het initiatief wordt getoetst. De Omgevingsvisie zelf bevat geen regels, die voor dit bestemmingsplan direct van belang zijn. Het plan is ook te kleinschalig van aard om een wezenlijke bijdrage aan de provinciale ambities uit de Omgevingsvisie bij te dragen. Wel is er bij de planuitwerking naar gestreefd om waar mogelijk bij te dragen aan duurzaamheid, klimaatadaptatie en biodiversiteit. Concreet betekent dit: een forse reductie van bebouwd en verhard oppervlak in het plangebied en het realiseren van een landschappelijk inpassingsplan met diverse landschappelijke en ecologische maatregelen. Het plan is dan ook in overeenstemming met de Omgevingsvisie.

Omgevingsverordening Gelderland
Provinciale Staten hebben de Omgevingsverordening Gelderland (hierna: de Omgevingsverordening of verordening) vastgesteld op 24 september 2014. De verordening wordt geregeld geactualiseerd. De meest recente actualisatie van de Omgevingsverordening dateert van 19 december 2018.

De regels in de verordening kunnen betrekking hebben op het hele provinciale grondgebied, op delen of op gebiedsgerichte thema's. Gemeenten moeten binnen een bepaalde termijn hun bestemmingsplan afstemmen op de in de verordening opgenomen regels. De regels in de verordening zijn gebaseerd op de provinciale omgevingsvisie en hebben de status van algemeen verbindende voorschriften.

Beoordeling
Het plangebied ligt binnen de volgende aanduidingen:

  • plussenbeleid;
  • tijdelijk verbod nieuwvestiging, uitbreiding en hervestiging glastuinbouw;
  • groene ontwikkelingszone;
  • Romeinse Limes;
  • intrekgebied;

De bovengenoemde aanduidingen met betrekking tot glastuinbouw, het plussenbeleid en intrekgebieden zorgen niet voor belemmeringen. Het plan maakt geen nieuwvestiging, uitbreiding of hervestiging van een glastuinbouwbedrijf mogelijk. Daarnaast is er geen sprake van een veehouderijfunctie. Ten slotte wordt winning van fossiele energie binnen het intrekgebied niet mogelijk gemaakt.

Groene ontwikkelingszone
De regels ten aanzien van de Groene ontwikkelingszone bepalen dat een nieuwe grootschalige ontwikkeling, die tot een significante aantasting van de kernkwaliteiten Groene ontwikkelingszone kan leiden, niet is toegestaan (artikel 2.52 onder 1). Met dit bestemmingsplan wordt een intensieve veehouderij gesaneerd en alle daarbij behorende bedrijfsbebouwing verwijderd. De drie nieuwe woningen worden landschappelijk ingepast, waarbij de oude landschapsstructuren worden hersteld en ecologische waarden worden versterkt. De ontwikkeling tast de kernkwaliteiten van de Groene ontwikkelingszone dan ook niet aan. Er is geen sprake van een grootschalige ontwikkeling. Met de provincie heeft tevens vooroverleg plaatsgevonden over dit aspect.

Romeinse Limes
De regels ten aanzien van de Romeinse Limes bepalen dat nieuwe ontwikkelingen de kernkwaliteiten van de Romeinse Limes niet mogen aantasten (artikel 2.60). In paragraaf 5.12 van dit bestemmingsplan wordt onderbouwd dat de voorgenomen ontwikkeling geen negatieve invloed heeft op de kernkwaliteiten van de Romeinse Limes.

Thema 'wonen'
Vanwege de aard van de ontwikkeling, namelijk toevoeging van drie nieuwe woningen, is tevens het thema 'wonen' van belang. Nieuwe woonlocaties zijn uitsluitend toegestaan, wanneer dit past in het vigerende door Gedeputeerde Staten vastgestelde Kwalitatief Woonprogramma en de door Gedeputeerde Staten vastgestelde kwantitatieve opgave wonen voor de betreffende regio (artikel 2.2.1.1). De gemeente Overbetuwe heeft haar woningbouwprogramma, zowel kwalitatief als kwantitatief, vastgelegd in de Woonagenda 2020.

De ontwikkeling past kwantitatief in het woonprogramma, aangezien er slechts drie woningen worden toegevoegd in het plangebied. Hierdoor is geen sprake van een (grote) woningbouwlocatie. De toe te voegen woningen passen binnen de woningbouwopgave (zie nader paragraaf 4.3). Ook in kwalitatief opzicht is het plangebied een geschikte woonlocatie, vanwege de ligging aan een rustige weg in een bebouwingslint in het buitengebied. Anderzijds is de locatie op korte afstand van Driel en Arnhem gelegen en daarmee goed bereikbaar.

Conclusie
Het bestemmingsplan is in overeenstemming met de Omgevingsverordening Gelderland en de regionale woningbouwafspraken.

4.3 Gemeentelijk beleid

Omgevingsvisie Overbetuwe 2040
Op 1 oktober 2019 heeft de gemeenteraad van Overbetuwe de Omgevingsvisie Overbetuwe 2040 (hierna: Omgevingsvisie) vastgesteld. De Omgevingsvisie geeft de integrale koers en ambities van de gemeente Overbetuwe voor de fysieke leefomgeving voor de periode tot en met 2040 aan. De Omgevingsvisie is er primair op gericht om de kwalitiet van het leefmilieu te behouden en waar mogelijk te versterken. Samenwerking tussen verschillende partijen staat centraal en is noodzakelijk om deze doelen te bereiken. De visie is opgesteld vanuit een brede blik, waarbij ruimtelijke ordening, milieu, economie en bereikbaarheid met elkaar worden verbonden.

De gemeente onderscheidt een aantal kernwaarden die als vertrekpunt en inspiratiebron voor nieuwe ontwikkelingen dienen. Deze kernwaarden zijn ontstaat in het cultuurhistorisch gegroeide Betuwse rivierenlandschap. Kernwaarden zijn beschreven op het gebied van bodem en landschap, netwerk en infrastructuur en occupatie. De verschillende kernen in de gemeente kennen elk een eigen karakteristieke identiteit en waarden. Deze worden eveneens als leidraad voor nieuwe ontwikkelingen gehanteerd. Behoud van de karakteristiek en (specifieke) kwaliteiten van deze kernen en het buitengebied is een speerpunt in het beleid.

In de Omgevingsvisie wordt de focus gelegd op zes opgaven:

  • Vitaal buitengebied in beweging;
  • Innovatieruimte voor ondernemerschap;
  • Samen werken aan energietransitie;
  • Gevarieerde dorpse woonomgeving;
  • Netwerk verbonden met samenleving;
  • Voorzieningen geclusterd.

Per thema wordt de toekomstige ontwikkeling van de Overbetuwse leefomgeving beschreven.

Beoordeling en conclusie
Eén van de centrale opgaven volgens de Omgevingsvisie is het behouden van een vitaal buitengebied. De gemeente wil dit met differentiatie bereiken. In het buitengebied worden zeven deelgebieden onderscheiden, met specifieke ambities per deelgebied, die op concrete situaties worden toegepast.

Het plangebied ligt aan de rand van de uiterwaarden op een karakteristieke landelijke dijkweg, waaraan clusters van woningen en (voormalige) agrarische bedrijven ten zuiden van de weg liggen. Het contrast tussen het omliggende waardevolle open landschap en de bebouwingsclusters is hier duidelijk herkenbaar en het is belangrijk dat dit contrast ten minste wordt behouden.

Het plan maakt de bouw van drie woningen mogelijk. Op deze plek is momenteel een intensieve veehouderij aanwezig. Deze veehouderij wordt beëindigd en de opstallen worden gesloopt. Het toekomstige perceel is kleinschaliger van opzet dan de huidige situatie en sluit in ruimtelijk en landschappelijk oogpunt beter aan op de omgeving. Daarnaast worden extra maatregelen getroffen om de bebouwing goed in het landschap te laten passen, zie hiervoor bijlage 1 bij de regels.

Verder is voor het buitengebied specifiek opgenomen dat extensieve recreatieve functies nabij het netwerk van recreatieve routes worden gestimuleerd. Het plangebied ligt aan één van deze routes. Met het plan wordt een recreatief rustpunt aan de Drielse Rijndijk gecreëerd. Dit past bij de ambitie tot versterking van het recreatieve netwerk in het buitengebied.

Het plan is in overeenstemming met de Omgevingsvisie.

Beleidsregel 'Functiewijziging en nieuwvestiging in het buitengebied'
De beleidsregel 'Functiewijziging en nieuwvestiging in het buitengebied' uit 2008 bestaat uit regels, een toelichting en een gebiedstypenkaart. De beleidsregel bevat het toetsingskader voor concrete verzoeken om functiewijzigingen in het buitengebied.

Beoordeling
Dit bestemmingsplan voorziet in een functiewijziging in het buitengebied, namelijk het omzetten van een intensieve veehouderij met bedrijfswoning (agrarische bestemming) naar vier reguliere woningen. Daarbij worden drie nieuwe woningen toegevoegd en wordt de agrarische bedrijfswoning omgevormd naar een reguliere woning. Het plangebied ligt in het gebiedstype agrarisch gebied. Artikel 7 van de beleidsregel bevat regels voor dit gebiedstype.

Op basis van de beleidsregel kan medewerking worden verleend aan het wijzigen van de agrarische bedrijfsbestemming naar een woonbestemming. Voorwaarde is dat er minimaal 1.500 m² aan agrarische gebouwen wordt gesloopt om drie extra woningen te kunnen oprichten, zoals het voornemen van de initiatiefnemer is. Het plan voorziet in de sloop van de bestaande agrarische bebouwing met een totale oppervlakte van 1.460 m². Hiermee wordt net niet voldaan aan de gestelde sloopeis. Om dit tekort te compenseren, vindt aanvullende verevening plaats. De beleidsregel maakt dit mogelijk. Dit gebeurt door een extra investering in landschappelijke inrichtingsmaatregelen in de vorm van instandhouding en opwaardering van het recreatieve rustpunt aan de voorzijde van het perceel en door de realisatie van in totaal 10 insectenhotels. Daarnaast wordt er met dit plan een intensieve veehouderij op een niet-duurzame locatie wegbestemd. Dit levert eveneens een forse ruimtelijke en milieu-hygiënische verbetering op. Met deze maatregelen in combinatie met sloop van 1.460 m² agrarische bedrijfsgebouwen, wordt voldoende kwaliteitsverbetering op de locatie bereikt. Onder deze voorwaarden is sprake van een goede ruimtelijke ordening en is het initiatief in overeenstemming met de beleidsregel.

Conclusie
De ontwikkeling en de in dit bestemmingsplan vastgelegde randvoorwaarden passen in de met de beleidsregel 'Functiewijziging en nieuwvestiging in het buitengebied' beoogde doelstellingen. Aan de voorwaarden om medewerking te verlenen aan het oprichten van drie nieuwe woningen wordt voldaan.

Landschapsontwikkelingsplan Overbetuwe (LOP)
In het Landschapsontwikkelingsplan (LOP) uit 2009 zijn de (algemene) doelstellingen en gebiedsspecifieke opgaven voor Overbetuwe geformuleerd. De hoofddoelstelling is het ontwikkelen van een sterke samenhangende landschappelijke structuur met een eigen Betuwse identiteit, die tegenwicht biedt aan de verstedelijking en waarbij belangrijke landschappelijke waarden duurzaam in stand worden gehouden. Per deelgebied zijn daarnaast gebiedsspecifieke opgaven opgenomen.

Beoordeling
Met dit bestemmingsplan is er sprake van een functiewijziging van een intensieve veehouderij naar een woonperceel. Er worden drie nieuwe woningen mogelijk gemaakt. Een voorwaarde om medewerking te kunnen verlenen aan deze wijziging is dat een goede landschappelijke inpassing op basis van een inrichtingsplan plaatsvindt. Er is daarom een inrichtingsplan opgesteld (Bijlage 1 bij de regels), waarbij het LOP als belangrijk kader is gebruikt. Voor een uitgebreide toelichting op de gemaakte keuzes, wordt verwezen naar de bijlage.

Het plangebied maakt deel uit van het oeverwallen- en stroomruggenlandschap en ligt nabij de uiterwaarden van de Nederrijn. Het plangebied behoort tot deelgebied 13a, 't Vlot. In dit deelgebied wordt ingezet op onder meer:

  • Behoud en versterking van het bestaande landschap;
  • Open gebied ten westen van Vogelenzangsestraat, waartoe het plangebied behoort, open houden en laagte herkenbaar houden;
  • Versterken infrastructuur door kleinschalige verweving van functies;
  • Laan- en erfbeplanting op lagere oeverwallen ter versterking van halfopen landschap.

Met de ontwikkeling van een woonerf met vier woningen en het verwijderen van alle agrarische bebouwing die minder goed past in het nagestreefde landschapsbeeld, wordt bijgedragen aan versterking van de kleinschaligheid van de omgeving. Het zuidelijk deel van het plangebied wordt bovendien open gehouden, zodat dit lage open gebied herkenbaar blijft. Verder wordt door middel van opwaardering van het recreatieve rustpunt bijgedragen aan de gewenste versterking van de infrastructuur. De versterking van de kleinschaligheid op de oeverwal wordt versterkt door het aanleggen en in standhouden van enkele specifieke landschappelijke elementen, zoals:

  • beukenhagen op perceelsgrens;
  • windsingels;
  • erfbomen (noot);
  • bloemrijk grasland;
  • spuitvrije zone;
  • fruitbomen.

In afbeelding 4 (hoofdstuk 3) en in Bijlage 1 bij de planregels zijn de voorgestelde maatregelen, zoals opgenomen in het inrichtingsplan, aangegeven.

Conclusie
Na realisatie van de beoogde ontwikkeling, inclusief landschappelijke inpassing, ontstaat er een passende verhouding tussen bebouwing, erf en groen, die in duidelijk contrast staat met het omliggende agrarische gebied. De relatie met het open gebied wordt versterkt en de percelen worden passend landschappelijk ingepast met gebiedseigen beplanting, die in deze omgeving wenselijk is. Het plan levert een bijdrage aan meerdere doelstellingen van het LOP en is hiermee dus in overeenstemming.

Hoofdstuk 5 Milieu- en omgevingsaspecten

5.1 Milieueffectrapportage

Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r. gewijzigd. De belangrijkste aanleidingen hiervoor zijn de modernisering van de m.e.r. wetgeving in 2010 en de uitspraak van het Europese Hof van 15 oktober 2009. Uit deze uitspraak volgt dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen m.e.r.(-beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit lijst D zit, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een gevoelig natuurgebied ligt. Gemeenten en provincies moeten daarom vanaf 1 april 2011 ook bij kleine bouwprojecten, zoals het onderhavige, beoordelen of een m.e.r.(-beoordeling) nodig is.

Ook de Implementatiewet 'herziening m.e.r. richtlijn' is relevant. Sinds 16 mei 2017 is deze wet in werking. De richtlijn heeft de procedure en de inhoud van het MER en de m.e.r.-beoordeling, maar ook de vormvrije m.e.r.-beoordeling gewijzigd. Dit heeft gevolgen voor de inhoud en procedure van ruimtelijke plannen. Voor activiteiten, die zijn opgenomen in onderdeel D van de Bijlage bij het Besluit m.e.r. en waarvan de omvang beneden de in kolom 2 genoemde drempel ligt, geldt een vormvrije m.e.r.-beoordeling.

Beoordeling en conclusie
Met dit bestemmingsplan worden drie nieuwe woningen mogelijk gemaakt, na beëindiging van de agrarische bedrijfsactiviteiten (intensieve veehouderij) en sloop van de opstallen. De ontwikkeling behoort niet tot de in lijst D van het Besluit m.e.r. opgenomen categorieën. De ontwikkeling is ook niet aan te merken als een stedelijk ontwikkelingsproject, zoals bedoeld in het Besluit m.e.r., omdat er sprake is van een zeer kleinschalige ontwikkeling.

Er is daarom geen sprake van een m.e.r.-plichtige activiteit in dit plan. Een m.e.r. of een m.e.r.-beoordeling is niet aan de orde.

5.2 Geluid

Op basis van de Wet geluidhinder (artikel 77 Wgh) moet bij een plan een akoestisch onderzoek worden uitgevoerd als het plan mogelijkheden biedt voor:

  • de toevoeging van een nieuwe woning of andere geluidsgevoelige functie binnen de zone van een weg;
  • de aanleg van een nieuwe weg;
  • de reconstructie van een bestaande weg.

De breedte van de zone van een weg is afhankelijk van het aantal rijstroken, het stedelijk gebied en de maximumsnelheid. Alle wegen hebben geluidzones, met uitzondering van wegen die in een als 'woonerf' aangeduid gebied liggen en wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt.

Beoordeling
Met dit bestemmingsplan worden drie nieuwe woningen toegestaan. Daarmee worden drie geluidgevoelige objecten mogelijk gemaakt. Voor het plangebied is uitsluitend het wegverkeerslawaai relevant. De nieuwe woning ligt binnen de geluidzone van de Drielse Rijndijk. Spoorwegen bevinden zich op grote afstand van het plangebied. Ook zijn er geen geluidgezoneerde bedrijven(terreinen) in de omgeving aanwezig.

Een akoestisch onderzoek naar de geluidbelasting vanwege het wegverkeer is noodzakelijk. De onderzoeksrapportage is als Bijlage 1 opgenomen. Op grond van de Wgh geldt een voorkeursgrenswaarde voor de geluidbelasting op de gevels vanwege het wegverkeer van 48 dB (artikel 82 lid 1). Als de geluidbelasting hoger is, moet een nadere afweging plaatsvinden en kan een ontheffing voor een hogere geluidbelasting worden verleend (artikel 82 lid 2). De maximale ontheffingswaarde voor nieuwbouw buiten de bebouwde kom bedraagt 53 dB.

Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat de voorkeursgrenswaarde vanwege het verkeer op de Drielse Rijndijk wordt overschreden. De maximale geluidbelasting is 50 dB. De gemeente Overbetuwe wordt verzocht om hogere grenswaarden voor het plangebied vast te stellen. Er wordt voldaan aan de maximale ontheffingswaarde van de Wgh en aan de maximale norm van het gemeentelijk geluidbeleid (eveneens 53 dB).

Op grond van het Bouwbesluit 2012 moet een akoestische binnenwaarde van 33 dB bij woningen ten gevolge van wegverkeerslawaai gegarandeerd worden. Naar verwachting wordt de binnenwaarde van 33 dB in de nieuwe woningen, gezien de optredende geluidbelasting, gehaald zonder dat er aanvullende geluidsisolerende maatregelen worden getroffen.

Er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en de onderzoeksresultaten geven geen aanleiding tot specifieke maatregelen of nader akoestisch onderzoek in de bouwfase.

Conclusie
Vanuit akoestisch oogpunt zijn er geen belemmeringen voor het oprichten van de nieuwe woningen aanwezig. Vaststelling van een hogere waarde is noodzakelijk. Dit past binnen de wettelijke kaders en het gemeentelijk geluidbeleid. In de woningen is een aanvaardbaar akoestisch woon- en leefklimaat bovendien voldoende gegarandeerd.

5.3 Luchtkwaliteit

De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen zijn opgenomen in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Hierin zijn grenswaarden opgenomen voor luchtvervuilende stoffen. Voor ruimtelijke projecten zijn fijn stof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) de belangrijkste stoffen.

Een project is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;
  • het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;
  • het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging;
  • het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen.

Om te bepalen of een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtkwaliteit, is een algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels zijn vastgelegd. Een project kan in twee situaties NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit:

  • het project behoort tot de lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) die is opgenomen in de Regeling NIBM;
  • het project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO2 en PM10 (1,2ìg/m3).


Beoordeling en conclusie
De ontwikkeling betreft het oprichten drie nieuwe woningen en beëindiging van een intensieve veehouderij. Het toevoegen van drie woningen valt onder de in de regeling NIBM opgenomen lijst met categorieën van gevallen en blijft ruimschoots onder de drempelwaarde. Zeker is dus, dat het initiatief niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Een luchtkwaliteitonderzoek is niet noodzakelijk. Het aspect luchtkwaliteit vormt dan ook geen belemmering voor de ontwikkeling.

5.4 Bedrijven en milieuzonering

Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies, zoals woningen. Bij de planontwikkeling moet rekening worden gehouden met milieuzonering om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren.

Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'. In de publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd. Als bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden).

De richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit, zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype. Een rustige woonwijk of een rustig buitengebied, is ingericht volgens het principe van functiescheiding.

Beoordeling
Dit bestemmingsplan maakt een nieuwe gevoelige functie mogelijk. In de directe omgeving zijn vrijwel geen milieubelastende functies aanwezig. Het gebied kan worden gekenmerkt als 'rustig buitengebied', waarbij de reguliere richtafstanden worden gehanteerd.

Meest nabij gelegen milieubelastende functie is het fruitteeltbedrijf Drielse Rijndijk 89, waarvan het bouwvlak op circa 130 meter afstand van de dichtstbijzijnde nieuwe woning ligt. Op deze locatie zijn uitsluitend grondgebonden agrarische bedrijven toegestaan. De maximale milieucategorie is 3.1, met bijbehorend een richtafstand van 50 meter. Er wordt dan ook voldaan aan de richtafstanden ten opzichte van milieubelastende functies. Ter plaatse van de woning is dus sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het oprichten van de woningen levert geen belemmeringen op voor de agrarische bedrijfslocatie of voor overige functies.

Spuitzones
Ten aanzien van boom- en fruitteeltbedrijven is niet alleen de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' van belang, maar ook spuitzones in verband met het gebruik van bestrijdingsmiddelen bij deze bedrijven. In het bestemmingsplan 'Buitengebied Overbetuwe' is opgenomen dat een afstand van 50 meter tussen gevoelige functies en (glas)tuinbouw, fruit- en boomteelt in acht moet worden genomen (artikel 3.4.1). Deze afstand wordt algemeen aanvaard, maar er kan volgens de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State gemotiveerd worden afgeweken van deze afstand.

Direct ten zuiden van de nieuwe woningen ligt een boomgaard (tevens onderdeel van het plangebied). Deze gronden worden verkocht. De situatie is daarom besproken met de toekomstige eigenaar van de boomgaard. Overeengekomen is dat er een afstand van 50 meter wordt aangehouden van de boomgaard tot de zuidelijke grens van de woonpercelen. De fuitbomen binnen deze zone worden verwijderd, voordat de woonpercelen in gebruik worden genomen. Hiertoe is een regeling opgenomen in de planregels en op de verbeelding.

Binnen de spuitzone komt een 'overgangszone' tussen de fruitteelt en de privétuinen van de woningen in het plangebied. Deze zone krijgt deels de bestemming 'Groen' en behoudt deels een agrarische bestemming. Het noordelijk deel van de overgangszone wordt als gemeenschappelijke tuin ingericht. Deze wordt uitgevoerd met gras (richting fruitbomen) en met kruidhoudend hoger gras en een enkele boom (richting de woningen). De fruitteler zoekt uit welke bomen (denk aan drachtbomen) het beste passen bij de fruitteelt (dus het minste overlast en risico veroorzaken en waarde toevoegen). In overleg met de fruitteler is tevens bepaald dat er in de overgangszone kastjes komen voor metselbijen en oorwormnestjes, naast het valkennest dat nu nog in de fruitteelt getekend staat. Het zuidelijk deel van de zone zal worden ingericht als grasland.

Er zal met de toekomstige inrichting sprake zijn van een brede verweven gemeenschappelijke overgangszone met hoge landschappelijke kwaliteit, en niet van een smalle zone met een harde overgang met windsingels en een sloot. De afstand tussen de bestemmingen 'Wonen' en de fruitteelt is 50 meter. In de planregels is gewaarborgd dat er geen bestrijdingsmiddelen mogen worden gebruikt binnen de spuitzone. De spuitzone vormt met de toekomstige inrichting geen belemmering voor de ontwikkeling.

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.BUIT0320drlserd93-ONT1_0009.png"  
Afbeelding 7: toekomstige inrichting overgangszone tussen woonpercelen en fuitteelt (bron: Buro Ontwerp en Omgeving)  

Conclusie
Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de ontwikkeling in het plangebied. Omliggende functies worden niet belemmerd en is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de nieuwe woningen. Daarnaast is gebleken dat de spuitzone van de boomgaard in het zuidelijk deel van het plangebied geen belemmering vormt op basis van de overeengekomen inrichting van de gemeenschappelijke overgangszone.

5.5 Geurhinder

Voor veehouderijen is de regelgeving ten aanzien van het specifieke aspect geur vastgelegd in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden gekeken naar de aanvaardbaarheid van deze plannen in verband met omliggende geurbronnen, de zogenaamde omgekeerde werking.

Beoordeling
Dit bestemmingsplan voorziet in het oprichten van nieuwe geurgevoelige objecten, namelijk drie woningen. Er wordt een intensieve veehouderij wegbestemd. In het kader van het woon- en leefklimaat voor de nieuwe woningen en voor hinder van de ontwikkelingsmogelijkheden van veehouderijen, is van belang dat in de omgeving van het plangebied geen veehouderijen aanwezig zijn. Het meest nabij gelegen veehouderijbedrijf ligt op circa 710 meter ten zuiden van het plangebied (Vogelzangsestraat 3). Gezien de onderlinge afstand is op voorhand voldoende aannemelijk dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat met betrekking tot geurhinder. Nader onderzoek is niet noodzakelijk.

Conclusie
Er zijn vanuit het aspect geurhinder geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.6 Bodem

De bodemkwaliteit vormt een belangrijk aspect bij bouwontwikkelingen. In het kader van functiewijziging en herinrichting vormt de bodemkwaliteit bij ontwikkeling van ruimtelijke functies een belangrijke afweging. De Bouwverordening bevat een verbod voor het bouwen van woningen op verontreinigde grond.

Beoordeling
Dit bestemmingsplan maakt drie nieuwe woningen mogelijk ter plaatse van een intensieve veehouderij. Dit betekent dat de er een gevoelige functie mogelijk wordt gemaakt, waardoor een onderzoek naar de bodemkwaliteit noodzakelijk is. Daarom is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De rapportage van het onderzoek is opgenomen als bijlage bij dit bestemmingsplan (Bijlage 2).

Uit het onderzoek blijkt dat op de locatie overwegend maximaal licht verhoogde gehalten/concentraties van de onderzochte paramaters in de grond en het grondwater aanwezig zijn. Nader onderzoek naar deze licht verhoogde parameters en naar de gehalten asbest onder de 50 mg/kg ds gewogen wordt niet noodzakelijk geacht.

In de bovengrond ter plaatse van het erf en de tractorstalling zijn echter matig tot sterk verhoogde gehalten metalen aangetoond en ter plaatse van de druppelzone is een sterk verhoogde concentratie asbest aanwezig. Ten behoeve van de gewenste ontwikkeling zal de verontreiniging met metalen gesaneerd moeten worden. Voorafgaand is nader onderzoek noodzakelijk om de omvang van de verontreiniging met metalen in de grond vast te stellen. De sterk met asbest verontreinigde grond, welke zich mogelijk binnen het de verontreinigingscontour van de sterke metalenverontreiniging bevindt, moet eveneens voor de ontwikkeling gesaneerd worden. De verontreiniging is verticaal begrensd door de betonplaat op 0,1 m-mv. Uit onderzoek van LievenseCSO (onderzoek vereenvoudiging aanpak toplaag onder geërodeerde asbestdaken, documentcode 16J069.RAP001. CB.CL, 27 maart 2017) blijkt dat een dergelijke verontreiniging zich beperkt tot een halve meter aan weerszijden van de dakrand. Het uitvoeren van een nader onderzoek asbest in bodem, om hiermee de omvang van de verontreiniging in beeld te krijgen, wordt daarom niet zinvol geacht.

De initiatiefnemer voert een aanvullend bodemonderzoek uit en stelt een plan van aanpak voor de sanering op basis van het nader onderzoek op. Hierover vindt ook overleg met de provincie plaats. Het onderzoeksrapport wordt bij vaststelling van het plan aan het bestemmingsplan toegevoegd, zodat voldoende inzicht in de uitvoerbaarheid van het plan bestaat.

Conclusie
Er zal een nader bodemonderzoek en sanering moeten plaatsvinden. Het nader bodemonderzoek wordt uitgevoerd voor vaststelling van het plan. Ook wordt een plan van aanpak ten aanzien van de noodzakelijke sanering opgesteld. Het onderzoeksrapport wordt bij vaststelling van het plan aan het bestemmingsplan toegevoegd, zodat voldoende inzicht in de uitvoerbaarheid van het plan bestaat.

5.7 Externe veiligheid

Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de veiligheidsrisico's in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze externe veiligheidsrisico's moeten worden beoordeeld voor twee risiconormen, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Voor beide risiconormen geldt dat hoe groter de afstand tussen planontwikkeling en risicobron is, des te kleiner zal de impact van het plan zijn op de hoogte van het risico.

Plaatsgebonden risico
Het plaatsgebonden risico (PR) heeft tot doel om hetzelfde minimale beschermingsniveau te bieden voor iedere burger in Nederland. Het PR beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het PR wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn, etc.), waarbij de 10-6-contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde is.

Groepsrisico
Het groepsrisico (GR) is een afwegingsinstrument dat tot doel heeft een bewuste afweging te stimuleren over het risico op een ongeval met een groot aantal slachtoffers. Het GR beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het GR geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het GR wordt uitgedrukt in een grafiek, waarin de kans op overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1.000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het GR geldt een oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm).

Voor elke verandering van het GR (af- of toename) in het invloedsgebied moet verantwoording worden afgelegd over de wijze waarop de toelaatbaarheid van deze verandering in de besluitvorming is betrokken.

Samen met de hoogte van het GR moeten andere kwalitatieve aspecten worden meegenomen in de beoordeling van het GR. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer.

Beoordeling
Het plan betreft het slopen van agrarische bedrijfsbebouwing en de realisatie van drie woningen. Met het toevoegen van drie woningen worden nieuwe kwetsbare objecten mogelijk gemaakt. Op basis van de risicokaart van de provincie Gelderland is daarom een inventarisatie gemaakt van de risicobronnen in en rondom het plangebied, die een extern veiligheidsrisico kunnen veroorzaken. In afbeelding 8 is een uitsnede opgenomen van de risicokaart.

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.BUIT0320drlserd93-ONT1_0010.png"  
Afbeelding 8: uitsnede risicokaart (bron: http://www.risicokaart.nl), geraadpleegd op 15 maart 2019, met ligging plangebied in zwarte cirkel aangegeven  

De informatie van de provinciale risicokaart levert de volgende inzichten op.

Rondom de planlocatie zijn geen buisleidingen en inrichtingen aanwezig met een extern veiligheidsrisico. Wel ligt de spoorlijn Arnhem-Nijmegen op circa 1.820 meter van het plangebied en de snelweg A50 op circa 3.800 meter. Op basis van de Regeling basisnet is vastgesteld dat de plaatsgebonden risicocontour 10-6 van beide risicobronnen niet over het plangebied ligt.

Ten aanzien van het groepsrisico is het plangebied gelegen binnen het invloedsgebied van de spoorlijn Arnhem – Nijmegen en de snelweg A50 (namelijk 4.000 meter). Ontwikkelingen binnen het invloedsgebied hebben mogelijk invloed op de hoogte van het groepsrisico. Echter is de afstand tussen het plan en beide risicobronnen zo groot (groter dan 200 meter), dat de wetgever heeft aangegeven dat het groepsrisico alleen beperkt verantwoord hoeft te worden. Hierdoor hoeft niet de hoogte van het groepsrisico in beeld gebracht te worden, maar enkel nog de aspecten zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid.

Verantwoording groepsrisico
Het plan ligt in het invloedsgebied groepsrisico van een tweetal risicobronnen. Volgens de huidige wetgeving moet de gemeente hierdoor het groepsrisico verantwoorden. Meer specifiek gaat het om de wettelijke verplichting op grond van Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) artikel 7 en 9, vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over de spoorlijn Arnhem - Nijmegen en de snelweg A50. Doordat het plan op meer dan 200 meter van beide transportroutes ligt hoeft er enkel ingegaan te worden op de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Hierop heeft de Veiligheids en Gezondheidsregio Gelderland Midden (VGGM) op 10 april 2019 (kenmerk: 190410-0029) het volgende geadviseerd: 'Het plan levert mogelijk een kleine wijziging van het aantal aanwezigen. Het ligt in de verwachting dat de personen zich zelf in veiligheid kunnen brengen, mits geïnformeerd en tijdig gewaarschuwd. Binnenshuis schuilen is het te adviseren handelingsperctief. VGGM ziet dan ook geen aanleiding om nader te adviseren in het kader van rampenbestrijding en zelfredzaamheid'.

Hieronder een beschouwing van de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid.

Bestrijdbaarheid
Bij een calamiteit zal de brandweer zich inzetten om de effecten ten gevolge van het incident te beperken. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden dichtbij de bron. De mate van bestrijdbaarheid wordt vooral bepaald door de veiligheidsvoorzieningen en het aantal aanwezigen dichtbij de risicobron. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen.

Zelfredzaamheid
Bij een calamiteit is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij een incident. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS palen) en NL-Alert. Bij een scenario waarin toxische stoffen vrijkomen, is het advies om te schuilen in een gebouw, waarvan ramen, deuren en ventilatie gesloten kunnen worden. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid zijn voldoende.

Conclusie
De planlocatie ligt buiten de plaatsgebonden risicocontour 10-6 van een inrichting, buisleiding en transportroute met een extern veiligheidsrisico. De plaatsgebonden risicocontour van de diverse risicobronnen vormt geen belemmering voor de realisatie van het plan.

Ten aanzien van het groepsrisico ligt het plan in het invloedsgebied van de spoorlijn Arnhem – Nijmegen en de snelweg A50. Op basis van de beperkte verantwoording groepsrisico (zie hierboven) kan worden geconcludeerd dat het ruimtelijke initiatief geen significant effect heeft op het groepsrisico, dan wel de mogelijkheden voor rampenbestrijding en zelfredzaamheid. Daarmee is het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de realisatie van het initiatief.

5.8 Explosieven

De huidige gemeente Overbetuwe en buurgemeente Lingewaard maakten vanaf het begin van de geallieerde luchtlandingsoperatie 'Market Garden' op 17 september 1944 tot aan de bevrijding van Arnhem op 14 april 1945 deel uit van het frontgebied tussen de Duitsers en de Geallieerden. Overbetuwe en Lingewaard werden in hun geheel als oorlogsgebied beschouwd. Er is een gevechtspauze geweest na het oversteken van de brug bij Nijmegen. Het gebied is gedurende acht maanden frontgebied geweest waarbij het volledige eiland (gebied tussen de Rijn en de Waal) geëvacueerd is. Men sprak in die periode ook wel over 'het mannen eiland'. Tevens zijn er in die periode hevige bombardementen uitgevoerd. Tijdens de inventarisatie van oorlogsgegevens zijn 104 vliegtuigcrashes opgetekend en meer dan 1.000 oorlogsgraven. Door de oorlogshandelingen ontstonden er gebieden waarvan de bodem sterk met oorlogsmateriaal werd belast wat op dit moment nog gevaar kan opleveren voor mens en dier. De Explosieven Opruimings Dienst Defensie (EODD) gaat er in 2014 vanuit, dat slechts 35% van de munitie inmiddels uit de grond is verwijderd. Dit betekent dat we de komende decennia nog met deze explosieve erfenis te maken zullen hebben en er kans bestaat dat in het plangebied nog sprake is van onontplofte munitie.

Beoordeling en conclusie
Bij bodemroerende werkzaamheden, zoals het oprichten van gebouwen, graafwerkzaamheden, aanleg van kabels en leidingen en het uitvoeren van bepaalde onderzoeken, is de aanwezigheid van mogelijke niet-gesprongen explosieven (NGE's) van belang. Omdat er na de Tweede Wereldoorlog geen sprake is geweest van bouwactiviteiten in het plangebied, bestaat de kans dat er NGE's aanwezig zijn. Er is sprake van nieuwbouw van gebouwen en de aanleg van landschapselementen. Bovendien is nader bodemonderzoek nodig (zie paragraaf 5.6) Daarom moet voorafgaand aan het uitvoeren van deze werkzaamheden bij de gemeente worden geïnformeerd of een nader onderzoek naar de aanwezigheid van NGE's noodzakelijk is.

5.9 Kabels en leidingen

Het verrichten van werkzaamheden in de nabijheid van hoogspanningsmasten en -kabels en dergelijke, kan gevaar met zich meebrengen. Om dit gevaar zoveel mogelijk te beperken, moet de (leiding)beheerder aangeven onder welke voorwaarden de werkzaamheden veilig plaats kunnen vinden.

Beoordeling en conclusie
In het plangebied en de directe omgeving zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig. Dit aspect levert dan ook geen belemmeringen op voor de realisatie van het plan.

5.10 Waterparagraaf

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder b) moet inzicht worden gegeven in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Daarbij zijn de hierna beschreven beleidsstukken van belang.

Rijksbeleid
Nationaal waterplan
In december 2015 stelde het kabinet het Nationaal Waterplan vast. Dit plan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016-2021 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water, en diverse vormen van gebruik van water. Ook worden de maatregelen genoemd die hiertoe worden genomen.

Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie.

Provinciaal beleid
Provinciaal Waterplan
In het Waterplan Gelderland is het waterbeleid beschreven aan de hand van een aantal thema's, zoals landbouw, wateroverlast, watertekort, natte natuur, grondwaterbescherming en hoogwaterbescherming. Voor deze thema's is beschreven welke doelstellingen voor 2027 en 2015 er liggen. Daarbij is beschreven hoe de provincie voor de planperiode de uitvoering van acties ziet om die doelstellingen te bereiken. Bij sommige thema's gelden aanvullende waterdoelstellingen voor specifieke waterhuishoudkundige functies.

Waterschap Rivierenland
Waterbeheerplan 2016-2021
Dit plan, vastgesteld op 27 november 2015, gaat over het waterbeheer in het hele rivierengebied en het omvat alle watertaken van het waterschap: waterkwantiteit, waterkwaliteit, waterkering en waterketen. In het Waterbeheerplan staat wat Waterschap Rivierenland de komende periode gaat doen om inwoners van het rivierengebied veiligheid en voldoende schoon en mooi water in sloten en plassen te kunnen blijven bieden. Het plan is in samenwerking met onder meer de gemeente Overbetuwe opgesteld.

Keur Waterschap Rivierenland 2014
Voor waterhuishoudkundige ingrepen is de 'Keur Waterschap Rivierenland 2014' van toepassing. De Keur is een waterschapsverordening die gebods- en verbodsbepalingen bevat met betrekking tot ingrepen, die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. Zo is het onder andere verboden om handelingen te verrichten waardoor het onderhoud, aanvoer, afvoer en/of berging van water kan worden belemmerd, zonder een ontheffing van het Waterschap. De wateren en waterkeringen waarop de keur van toepassing is, zijn vastgelegd in de legger wateren.

Realisatie van nieuwe bebouwing en/of verhard oppervlak moet hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. Bij het toevoegen van bebouwing of verharding geldt een compensatieplicht. Er geldt een eenmalige vrijstelling van de compensatieplicht wanneer minder verharding dan 500 m² in stedelijk gebied of minder dan 1.500 m² in landelijk gebied wordt toegevoegd.

Gemeente Overbetuwe
Waterplan Overbetuwe
In 2008 stelde de gemeente Overbetuwe in samenwerking met het Waterschap Rivierenland het Waterplan Overbetuwe vast. Het waterbeheerplan van het waterschap is later geactualiseerd (zie hierboven), ook in samenwerking met onder meer de gemeente Overbetuwe. Beide plannen gelden naast elkaar.

In het Waterplan Overbetuwe wordt het beleidskader geschetst en worden concrete maatregelen voor het watersysteem uitgewerkt. Naast het waterplan wordt parallel een Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) opgesteld waarin de maatregelen voor de riolering (waterketen) worden uitgewerkt.

Met het opstellen van een waterplan wordt inzicht gegeven in de relevante wateropgaven voor de gemeente Overbetuwe, zoals:

  • wateroverlast, het zoeken van oplossingen om wateroverlast tegen te gaan;
  • waterkwaliteit, het onderzoeken van mogelijkheden voor het verbeteren van de waterkwaliteit;
  • grondwater, het inventariseren van grondwateroverlast;
  • beleving van water, burgers betrekken bij water;
  • afspraken en taken van waterschap en gemeente.


Beoordeling (watertoets)
In de huidige situatie is in het plangebied verharding aanwezig in de vorm van een bedrijfswoning, agrarische bedrijfsgebouwen (1.460 m²) en erfverharding. In de toekomstige situatie wordt de agrarische bedrijfsbebouwing geheel gesloopt. In plaats van deze bebouwing worden drie woningen met bijgebouwen opgericht. Er is per saldo sprake van een afname van verhard oppervlak en wordt er geen (relevant) nieuw verhard oppervlak aangebracht. Er is daarom sprake van een hydrologisch gunstige ontwikkeling. Watercompensatie is niet aan de orde. Voor de nieuwe woningen geldt dat op het verhard oppervlak vallend hemelwater gescheiden moet worden afgevoerd van het vuilwater.

De planvorming heeft geen negatieve invloed op oppervlaktewater. De bestaande watergangen in het zuidelijk deel van het plangebied (A-, B- en C-watergangen) blijven behouden en er vinden geen werkzaamheden plaats in of nabij de (beschermingszones van de) watergangen.

Ten slotte is van belang dat de noordelijke zone van het plangebied binnen de beschermingszone van een waterkering ligt (dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering'). De nieuwe woningen worden gerealiseerd buiten de bouwgrens van deze dubbelbestemming. Initiatiefnemer heeft hierover vroegtijdig overleg gevoerd met het Waterschap Rivierenland. Het waterschap heeft daarin bevestigd dat de woningen buiten de bouwgrens liggen en er daarom geen belemmeringen zijn. De dubbelbestemming wordt gehandhaafd.

Conclusie
Waterhuishoudkundig zijn er geen bezwaren verbonden aan dit bestemmingsplan. Het plan heeft een positief effect op de waterhuishouding. De nieuwe woningen worden buiten de bouwgrens van de beschermingszone van de waterkering gerealiseerd.

5.11 Flora en fauna

De bescherming van de natuur is sinds 1 januari 2017 vastgelegd in de Wet Natuurbescherming (Wnb). Deze heeft de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet vervangen. De Wnb geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan moet worden onderzocht of de Wnb de uitvoering van het plan niet in de weg staat in verband met de bescherming van gebieden en dier- en plantsoorten. De provincies zijn het bevoegd gezag voor zowel de gebieds- als de soortenbescherming.

Gebiedsbescherming
In de Wnb is de bescherming opgenomen van Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan moet worden onderzocht of dit plan, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan alleen worden vastgesteld als uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Als deze zekerheid er niet is, kan het plan worden vastgesteld als wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:

  • alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden;
  • het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en
  • de noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.

Het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen: Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones. Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime. Het NNN is op provinciaal niveau uitgewerkt in het Gelders Natuurnetwerk (GNN) met de bijbehorende Groene Ontwikkelingszones (GO). Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen.

Soortenbescherming
In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen:

  • 1. soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn;
  • 2. soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn;
  • 3. de bescherming van overige soorten.

Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag.

Beoordeling
Het plan betreft sloop van agrarische bedrijfsbebouwing en beëindiging van een intensieve veehouderij. In de plaats daarvan worden drie woningen opgericht. De voor de ontwikkeling benodigde ingrepen kunnen mogelijk effecten hebben op beschermde soorten. Daarom is een quickscan flora en fauna uitgevoerd, waarin onderzocht is of er kans is op aanwezigheid van beschermde flora en fauna, of het plan hierop negatieve effecten kan hebben en of er eventueel vervolgstappen (maatregelen, onderzoek) nodig zijn. De rapportage is opgenomen in Bijlage 4 bij de toelichting. Hierna worden de onderzoeksresultaten beschreven.

Resultaten gebiedsbescherming
Het plangebied ligt niet in een Natura 2000-gebied, maar wel op korte afstand van een dergelijk gebied (Veluwe, 588 meter van het plangebied).

Het plan voorziet in beëindiging van een intensieve veehouderij. Daarnaast wordt een deel van de bestaande agrarische gronden met bijbehorende gebruik omgezet naar een woon- of groenbestemming. Deze ontwikkeling leidt tot een aanzienlijke afname van stikstofuitstoot. Het toevoegen van 3 woningen levert op basis van algemene ervaringscijfers slechts een zeer beperkte te verwachten stikstofuitstoot op. De nieuwe woningen komen bovendien niet op kortere afstand tot het Natura 2000-gebied dan het huidige agrarische bouwvlak. Per saldo leidt de ontwikkeling niet tot een toename van stikstofdepositie.

Overige externe effecten, zoals geluidsoverlast of stofhinder zijn tevens uitgesloten vanwege de aard van de toekomstige functie en de afstand tot het gebied. Daarom kan negatieve externe werking op Natura 2000-gebieden worden uitgesloten.

Het plangebied ligt binnen de Groene Ontwikkelingszone van het GNN. De kernkwaliteiten van dit gebied worden niet aangetast. Op dit aspect is in paragraaf 4.2 ingegaan.

Wat betreft gebiedsbescherming zijn er geen belemmeringen voor het plan.

Resultaten soortenbescherming
Het realiseren van de nieuwe woonpercelen met bebouwing en landschappelijke inrichting, kan verstorende effecten hebben op beschermde soorten. Ook is het mogelijk dat er beschermde soorten voorkomen in de te slopen bebouwing. In de quickscan is dit onderzocht.

Plantensoorten
De Wnb wordt voor de soortgroep flora niet overtreden. Nader onderzoek is niet nodig.

Zoogdieren
Het plangebied is voor beschermde zoogdiersoorten niet van belang. Met de ontwikkeling kruidenrijk grasland ter plaatse van bestaand intensief grasland wordt het plangebied deels interessanter voor zoogdieren. Nader onderzoek is niet aan de orde.

Amfibieën
Beschermde amfibiesoorten worden in het plangebied niet verwacht, waardoor nader onderzoek niet nodig is. Bij uitvoering van de werkzaamheden moet worden gewaakt voor het voorkomen van de rugstreeppad, wanneer er losse grond blijft liggen. Als de rugstreeppad zich heeft ingegraven, moeten de werkzaamheden worden gestaakt.

Reptielen
De aanwezigheid van beschermde reptielen wordt in het plangebied niet verwacht. Nader onderzoek is niet nodig.

Ongewervelden
Er zijn geen beschermde ongewervelden in het plangebied aangetroffen of te verwachten. De Wnb wordt niet overtreden en nader onderzoek is niet nodig.

Broedvogels
In en rondom de onderzoekslocatie zijn enkele broedvogelsoorten aangetroffen. De huismus is jaarrond beschermd. Deze is aangetroffen bij de te slopen koelcel/sorteerruimte, in de hagen rondom het erf en bij twee naburige woningen. Nader onderzoek naar de huismus is noodzakelijk om inzicht te krijgen in het belang van de te slopen gebouwen voor deze soort.

Verder is een aantal vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten in de directe omgeving aanwezig, zoals kerkuil en steenuil. Van deze gebouwbewonende soorten zijn geen sporen aangetroffen.

Met uitzondering van de huismus, is er geen sprake van overtreding van de Wnb. Naar de huismus moet nader onderzoek plaatsvinden, voordat met de (sloop)werkzaamheden wordt begonnen.

Vissen
Omdat geen werkzaamheden in/nabij watergangen of ander open water plaatsvinden, is overtreding niet aan de orde.

Vleermuizen
Er heeft uitvoerig onderzoek plaatsgevonden naar de aanwezigheid van vleermuizen in het plangebied. Er gaan geen vaste rust- en verblijfplaatsen voor vleermuizen verloren vanwege het plan. Ook gaat er geen essentieel foerageergebied verloren. In het plangebied zijn bovendien geen vliegroutes voor vleermuizen aanwezig.

De Wnb wordt ten aanzien van vleermuizen dan ook niet overtreden. Nader onderzoek is niet noodzakelijk.

Conclusie
Negatieve effecten op beschermde natuurgebieden zijn op voorhand uit te sluiten. Negatieve effecten op vrijwel alle beschermde soorten zijn eveneens uitgesloten. Wel moet voorafgaand aan de uitvoering van het plan nader onderzoek naar huismussen worden uitgevoerd. Onder deze voorwaarde en met inachtneming van de zorgplicht, zijn er geen belemmeringen voor het plan.

5.12 Archeologie en cultuurhistorie

De bescherming van archeologisch en cultureel erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening moet in het plan rekening worden gehouden met cultuurhistorische waarden.

De gemeente Overbetuwe heeft voor haar gemeentelijk grondgebied een erfgoedplan en een archeologische beleidsadvieskaart gemaakt. Het erfgoedplan beoogt versterking van de plaats en betekenis van cultuurhistorie als factor in het ruimtelijk beleidsproces.

Beoordeling en conclusie
Ter plaatse van het plangebied is volgens de archeologische beleidsadvieskaart deels een hoge archeologische verwachtingswaarde aanwezig en deels een zeer hoge archeologische verwachtingswaarde (ten zuiden van Drielse Rijndijk 97). Voor de gronden met een hoge tot zeer hoge archeologische verwachtingswaarde, is een onderzoek aan de orde als er bodemingrepen met een oppervlakte van minimaal 100 m² respectievelijk 50 m² en dieper dan 0,30 meter worden uitgevoerd. Deze drempelwaarden worden mogelijk overschreden. In dat geval moet een archeologisch onderzoek worden uitgevoerd, voorafgaand aan het uitvoeren van bouw- en andere grondwerkzaamheden. Door middel van de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologische verwachting 1 en 2' wordt het tijdig uitvoeren van onderzoek gewaarborgd.

Romeinse Limes
Het plangebied maakt onderdeel uit van de Romeinse Limes (zie ook paragraaf 4.2). De Romeinse Limes loopt dwars door Nederland, van Katwijk aan Zee in het westen tot aan de Duitse grens in het oosten. Bestemmingsplannen die onderdeel uitmaken van de Romeinse Limes (vertaald: 'grenspad'), mogen geen ontwikkelingen mogelijk maken die de kernkwaliteiten van dit erfgoed aantasten. De kernkwaliteiten van de Romeinse Limes zijn forten, burgerlijke nederzettingen, kampdorpen, grafvelden, de militaire infrastructuur uit de Romeinse tijd, bestaande uit wegen, waterwerken en wachttorens en scheepswrakken (artikel 2.59).

Het plangebied betreft een agrarische bedrijfslocatie, waar diverse agrarische bedrijfsgebouwen aanwezig zijn. Gezien de huidige functie en (perceels)indeling van het plangebied zijn er in de huidige situatie geen elementen van de Romeinse Limes zichtbaar in het plangebied. In de toekomstige situatie is er sprake van vier woningen. De nieuwe woningen worden ter plaatse van het huidige agrarische bouwperceel opgericht. Het plan tast de kernkwaliteiten daarom niet direct aan. Voordat een omgevingsvergunning voor het 'bouwen' wordt verleend, moet een verkennend archeologisch onderzoek worden uitgevoerd. Mocht er sprake zijn van herkenbare archeologisch waardevolle elementen, dan worden deze tijdig in beeld gebracht. De bescherming van de Romeinse Limes is hiermee voldoende gewaarborgd.

5.13 Verkeer en parkeren

Parkeren
Ten behoeve van de in totaal vier woningen in de toekomstige situatie, moeten in de toekomstige situatie voldoende parkeerplaatsen in het plangebied aanwezig zijn. Hierbij moet worden voldaan aan de Nota Parkeernormen gemeente Overbetuwe 2016. Dit betekent dat er per woning ten minste 3 parkeerplaatsen aanwezig moeten zijn. Hiervoor is voldoende ruimte aanwezig. Uit het inrichtingsplan blijkt dat de parkeerplaatsen deels op eigen terrein en deels op een gemeenschappelijk erf, nabij de ontsluiting op de Drielse Rijndijk, worden voorzien. In de planregels is als voorwaarde gesteld dat aan de Nota Parkeernormen wordt voldaan.

Het aspect parkeren zorgt dan ook niet voor belemmeringen.

Verkeer
In de huidige situatie is er in het plangebied sprake van een intensieve veehouderij met een bedrijfswoning. In de toekomstige situatie zijn er vier woningen aanwezig. De wijzigingen zullen per saldo leiden tot een zeer beperkte toename van het aantal verkeersbewegingen. Daar staat tegenover dat zwaarder verkeer niet langer aan de orde is. Alle woningen worden ontsloten via de bestaande lus naar de Drielse Rijndijk.

Voor wat betreft de verkeersafwikkeling zijn er geen belemmeringen te verwachten.

Hoofdstuk 6 Juridische planopzet

6.1 Algemene opzet

Inleiding
Dit hoofdstuk bevat de concrete vertaling van het beleidsgedeelte en het initiatief (voorafgaande hoofdstukken) in het juridisch gedeelte van het bestemmingsplan (de verbeelding en regels).

Het bestemmingsplan 'Buitengebied, Drielse Rijndijk 93, Driel' bestaat uit de volgende onderdelen:

De toelichting
In de toelichting is de ontwikkeling verantwoord, zowel op basis van het beleid, als op basis van milieu-hygiënische aspecten, aangevuld met een toelichting op de juridische opzet.

De bestemmingsregels
De bouw- en gebruiksregels zijn binnen de verschillende bestemmingen opgenomen. Daarnaast zijn waar nodig afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden opgenomen, om het plan de benodigde flexibiliteit te geven.

De verbeelding
Op de verbeelding zijn de bestemmingen 'Wonen', 'Agrarisch met waarden', 'Groen', 'Waarde - Archeologische verwachting 1 en 2' en 'Waterstaat - Waterkering' opgenomen met de daarbij behorende aanduidingen en bouwvlakken. Ook zijn er enkele bouwvlakken en specifieke functie- en bouwaanduidingen opgenomen. Deze worden waar nodig in paragraaf 6.2 toegelicht.

De opzet van het plan
Het bestemmingsplan is een juridisch plan dat bindend is voor de burgers en voor de overheid. Qua systematiek is zoveel mogelijk aangesloten bij het huidige bestemmingsplan 'Buitengebied Overbetuwe'. Op enkele onderdelen is maatwerk voor het initiatief toegepast.

Bouwplan
Als een aanvraag om omgevingsvergunning ingediend wordt, zijn in eerste instantie de bestemming met bijhorende regels van belang. Als het nieuwe en het beoogde gebruik past binnen de toegekende bestemming, dan kan de omgevingsvergunning worden verleend.

6.2 Toelichting op de verbeelding en regels

Op de verbeelding zijn de bestemmingen onderscheiden. De bestemmingen zijn afgeleid uit het gebruik (de aanwezige functies). De bestemmingen vormen het zogenaamde casco van het plan, waarvan in beginsel niet mag worden afgeweken.

Agrarisch
Een aanzienlijk gedeelte van het plangebied behoudt de bestemming 'Agrarisch met waarden', namelijk de gronden buiten het tot woonpercelen om te vormen erf, de spuitzone en het rustpunt/verkooppunt. In tegenstelling tot in de huidige situatie, is binnen de bestemming geen bouwvlak opgenomen. De gronden worden landschappelijk ingericht volgens het inrichtingsplan dat als bijlage bij de planregels opgenomen is. De paardenbak is specifiek aangeduid.

De gronden met de bestemming 'Agrarisch met waarden' zijn met name bestemd voor grondgebonden agrarische bedrijfsvoering, hobbymatig agrarisch grondgebruik, extensieve dagrecreatie, het behoud, de bescherming en het herstel van kleinschalige landschapselementen, alsmede voor water en waterhuishoudkundige voorzieningen. Een glastuinbouwbedrijf of ander niet-grondgebonden agrarisch bedrijf is niet toegestaan.

Er zijn uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan binnen de bestemming. De hoogte daarvan bedraagt in principe maximaal 1 meter. Voor insectenhotels en andere bouwwerken ten dienste van beheer en ontwikkeling van landschaps- en natuurwaarden binnen de aangegeven zone, geldt een maximum bouwhoogte van 3 meter. De paardenbak mag maximaal 1.200 m² groot zijn, waarbij een afscheiding is toegestaan van maximaal 1,75 meter hoog. Lichtmasten zijn niet toegestaan bij de paardenbak.

Groen
Aan de voorzijde van het perceel, aan de Drielse Rijndijk, is de bestemming 'Groen' opgenomen ter plaatse van het in te richten en te behouden rustpunt. Op deze plek is ook een kleinschalig verkooppunt voor ter plaatse geteelde kersen toegestaan. Hiervoor is een specifieke aanduiding opgenomen.

Daarnaast is de overgangszone tussen de woonpercelen en de agrarische bestemming bestemd als 'Groen'. Hier worden de gronden ingericht volgens het inrichtingsplan, met landschappelijke elementen en insectenhotels. Ten behoeve van de insectenhotels is een specifieke aanduiding opgenomen.

Daarnaast zijn de gronden (algemeen) bestemd voor groenvoorzieningen, bermen en beplanting, extensieve dagrecreatie en enkele andere bijbehorende voorzieningen. Binnen de bestemming mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden opgericht, waarbij specifieke bouwregels voor de insectenhotels opgenomen zijn.

Wonen
De woonpercelen worden bestemd als 'Wonen'. De als 'Wonen' bestemde gronden zijn bedoeld voor wonen, de uitoefening van een aan huis gebonden beroeps- of bedrijfsactiviteit (onder voorwaarden) en hobbymatig agrarisch gebruik. Daarbij zijn bijbehorende gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, groenvoorzieningen, voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding, tuinen en erven toegestaan.

In de toekomstige situatie is er sprake van vier woonpercelen: twee vrijstaande woningen en een blok met twee woningen in de vorm twee-aaneengebouwd. Er zijn drie bouwvlakken opgenomen, waarbinnen de woningen moeten worden gebouwd. Per bouwvlak is de maximum goot- en bouwhoogte aangegeven, naast het maximum aantal woningen en de woningtypologie. Buiten de bouwvlakken of de achtererfgebieden (minimaal 3 meter achter de voorgevels) zijn ook aan- en uitbouwen toegestaan, maximaal 30 m² bij de nieuwe woningen en 100 m² bij de huidige bedrijfswoning. Het bijgebouw bij de nieuwe vrijstaande woning is specifiek aangeduid op de verbeelding. Bij de twee-aaneengebouwde woningen zijn geen bijgebouwen toegestaan. Verder zijn specifieke bouwregels voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde opgenomen.

In de gebruiksregels is de voorwaardelijke verplichting opgenomen dat de landschappelijke inrichting, zoals opgenomen in het inrichtingsplan, tijdig wordt gerealiseerd. De inpassing moet na realisatie in stand worden gehouden. Verder is in de planregels opgenomen, dat er voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein aanwezig moet zijn conform de Nota Parkeernormen gemeente Overbetuwe 2016. Verder mogen de nieuwe woningen pas in gebruik worden genomen, nadat alle agrarische bedrijfsgebouwen (1.460 m² in totaal) zijn gesloopt, er minimaal 10 insectenhotels zijn opgericht binnen de bestemming 'Groen' ten zuiden van de woonkavels en er binnen de bestemming 'Groen' aan de noordkant een rustpunt is gerealiseerd. De eenmaal gerealiseerde voorzieningen moeten in stand worden gehouden. Verder moet er voldoende afstand ten opzichte van de spuitzone in acht worden genomen. Dit betekent dat binnen de aanduiding 'milieuzone - spuitzone' geen sprake (meer) mag zijn van (glas)tuinbouw, fruit- en boomteelt, anders dan in de vorm van hobbymatig gebruik.

Waarde - Archeologische verwachting 1 en 2
In het plan is de archeologische beleidskaart vertaald in twee dubbelbestemmingen, ten behoeve van het behoud en de bescherming van archeologische waarden in of nabij het plangebied. Zie hierover ook paragraaf 5.12. Naast de betreffende dubbelbestemming hebben de betrokken gronden altijd nog de betreffende hoofdbestemming. De regels van de hoofdbestemming en de dubbelbestemming zijn beide van toepassing, maar bij strijd tussen deze bepalingen prevaleren de bepalingen van de dubbelbestemming. De reden hiervoor is dat de belangen van de dubbelbestemming zwaarder wegen dan die van de hoofdbestemming. De dubbelbestemmingen bevatten een omgevingsvergunningplicht en plicht tot het doen van archeologisch onderzoek voor bodemingrepen dieper dan 0,3 meter onder het maaiveld en met een omvang groter dan 50 m² respectievelijk 100 m².

Waterstaat - Waterkering
Een zone aan de noordkant van het plangebied ligt binnen de beschermingszone van een waterkering. In deze zone is de huidige dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering' gehandhaafd. Aan bouw- en enkele andere werkzaamheden zijn beperkingen opgelegd. De beheerder van de waterkering moet vooraf om advies worden gevraagd. De nieuwe woningen worden overigens buiten de waterkering opgericht.

Algemene regels
Anti-dubbeltelregel
Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.

Algemene bouwregels
In dit artikel is een regeling voor het ondergronds bouwen opgenomen.

Algemene gebruiksregels
Deze bepaling bevat de vormen van gebruik, die in ieder geval strijdig zijn met de regels van het bestemmingsplan voor alle opgenomen bestemmingen.

Algemene aanduidingsregels
In het plan zijn twee gebiedsaanduidingen opgenomen: 'milieuzone - spuitzone' ter waarborging van voldoende afstand tussen de woonpercelen en gronden waar bestrijdiingsmiddelen worden gebruikt en 'overige zone - ehs verbinding' ter waarborging van het belang van het beschermen en ontwikkelen van de landschappelijke en ecologische kernkwaliteiten en omgevingscondities bij toepassing van een afwijkings- of wijzigingsbevoegdheid uit het plan.

Algemene afwijkingsregels
In dit artikel wordt een opsomming gegeven van de regels waarvan door middel van een omgevingsvergunning afgeweken kan worden van het bestemmingsplan. Het gaat hierbij om de bevoegdheid om door middel van een omgevingsvergunning af te kunnen wijken van de regels die gelden voor alle bestemmingen in het plan. De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven. Opgenomen zijn bevoegdheden voor kleine afwijkingen in maatvoeringen en bouwgrenzen en voor ondergronds bouwen.

Algemene wijzigingsregels
In dit artikel wordt een opsomming gegeven van de regels waarvan door middel van een wijzigingsplan afgeweken kan worden van het bestemmingsplan. Dit betreft kleine wijzigingen van de bestemmingsgrenzen.

Algemene procedureregels
In dit artikel wordt aangegeven op welke wijze de uitvoerbaarheid van een wijzigingsplan, waarbij gebruik wordt gemaakt van een in het plan opgenomen wijzigingsbevoegdheid, in ieder geval moet worden aangetoond.

Overgangs- en slotregels
Overgangsrecht
Het voor alle bestemmingsplannen verplichte overgangsrecht is opgenomen. Bouwwerken, welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een omgevingsvergunning voor het bouwen is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bebouwingsregels. De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen kan worden verleend. Burgemeester en wethouders kunnen in beginsel dus nog gewoon gebruik maken van hun handhavingsbevoegdheid. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan, mag eveneens worden voortgezet.

Slotregel
Dit artikel geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald.

Hoofdstuk 7 Financiële toelichting

Uitgangspunt voor de ontwikkeling is dat deze voor de gemeente budgetneutraal wordt ontwikkeld. Op grond van artikel 6.12 lid 1 Wet ruimtelijke ordening (Wro) is de gemeenteraad van Overbetuwe verplicht om, als sprake is van een bouwplan, de gemeentelijke kosten te verhalen. Dit bestemmingsplan voorziet in een bouwplan, omdat er nieuwe woningen mogen worden opgericht.

De kosten worden verhaald op basis van een met de initiatiefnemer afgesloten anterieure overeenkomst. Met de ontwikkelende eigenaar van de gronden in het plangebied, is tevens een planschadeovereenkomst gesloten. In deze overeenkomst zijn afspraken gemaakt over het verhaal van kosten. Dit is daarin op afdoende wijze vastgelegd.

Met de afgesloten overeenkomsten is het kostenverhaal voldoende verzekerd en is de financiële haalbaarheid in voldoende mate aangetoond.

Hoofdstuk 8 Overleg en inspraak

8.1 Inleiding

De procedures voor vaststelling van een bestemmingsplan zijn door de wetgever geregeld. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties waar nodig overleg over het plan moet worden gevoerd, voordat een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Bovendien kan het noodzakelijk zijn om belanghebbenden de gelegenheid te bieden om hun visie over het plan te kunnen geven. Dit is afhankelijk van de inspraakverordening van de gemeente. Pas daarna kan de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van het plan van start gaan.

8.2 Inspraak

De Wro zelf bevat geen bepalingen over inspraak. Dat neemt niet weg dat het de gemeente vrij staat toch inspraak te verlenen op grond van de gemeentelijke inspraakverordening. In relatie daarmee bepaalt artikel 150 van de Gemeentewet onder meer dat in een gemeentelijke inspraakverordening moet worden geregeld op welke wijze personen en rechtspersonen hun mening kenbaar kunnen maken. Voor dit bestemmingsplan heeft, gezien de aard en kleinschalige omvang van de wijziging, geen inspraak plaatsgevonden.

8.3 Overleg

Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) geeft aan dat het bestuursorgaan, dat belast is met de voorbereiding van een ruimtelijk plan, overleg pleegt met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen. Ook moet overleg worden gepleegd met die diensten van provincie en Rijk, die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of die belast zijn met de behartiging van belangen, welke in het plan in het geding zijn.

Provincie Gelderland
Omdat het plangebied binnen de Groene Ontwikkelingszone ligt (zie ook paragraaf 4.2), heeft vooroverleg met de provincie Gelderland plaatsgevonden. De gemeente heeft toegelicht op welke wijze in het plan rekening is gehouden met de ligging binnen de GO. De provincie heeft een positief advies over het plan afgegeven.

Waterschap Rivierenland
Op een deel van het perceel geldt de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering'. Daarom heeft de initiatiefnemer voortijdig overleg gevoerd met het Waterschap Rivierenland. Het inrichtingsplan is mede op basis van dit vooroverleg tot stand gekomen. De woningen worden opgericht buiten de bouwgrens van de beschermingszone van de waterkering, waardoor er geen belemmeringen zijn.

8.4 Vaststellingsprocedure

De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan vindt plaats volgens artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening. Het ontwerpbestemmingsplan wordt in dit kader gedurende zes weken ter inzage gelegd. Gedurende deze periode kan een ieder zijn zienswijzen kenbaar maken op het plan. Eventuele zienswijzen worden samengevat en van een reactie voorzien. Waar nodig wordt het plan aangepast.

Het plan wordt vervolgens, al dan niet gewijzigd, ter vaststelling aangeboden aan de gemeenteraad van Overbetuwe.

8.5 Beroep

Na vaststelling wordt het bestemmingsplan voor de tweede maal zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking.