direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Zetten, Hessenbergstraat 19
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1734.0300ZTTNhessenbe19-VSG1

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Het plan is om de bestaande garages/loodsen op het perceel Hessenbergstraat 19 te Zetten te slopen en op dit perceel 3 aaneengebouwde woningen te bouwen. Hierbij worden de bestaande ontsluitingsweg, de woning Hessenbergstraat 19 en een bestaand bijgebouw behouden.

Het plan is niet mogelijk binnen de regels van het huidige bestemmingsplan. Om de ontwikkeling mogelijk te maken, is een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk. Dit bestemmingsplan geeft hier invulling aan en geeft de kaders aan waarbinnen de gewenste functies worden toegestaan.

1.2 Ligging en globale begrenzing

Het plangebied ligt aan de Hessenbergstraat 19 te Zetten. Zetten is een dorp in de gemeente Overbetuwe en telt circa 5.000 inwoners. Het perceel Hessenbergstraat 19 ligt in de bebouwde kom van het dorp, ten westen van het centrum. Het perceel wordt ingesloten door omliggende woningen. Aan de oostzijde wordt het perceel ontsloten aan de Hessenbergstraat.

Kadastraal staat het plangebied bekend als de gemeente Zetten, sectie B, perceelnummers 2084 (gedeeltelijk) en 2598. Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 1.494 m2. In figuur 1.1 is de ligging en de globale begrenzing van het plangebied weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0300ZTTNhessenbe19-VSG1_0001.png"  
Figuur 1.1: Ligging en globale begrenzing plangebied  

1.3 Huidig bestemmingsplan

Voor het plangebied is het bestemmingsplan 'Zetten-Hemmen' (d.d. 24 oktober 2017) het geldende bestemmingsplan. In dit bestemmingsplan is het plangebied bestemd als 'Wonen' en geldt voor een groot deel van het terrein de bouwaanduiding 'bijgebouwen'.

Binnen de bestemming 'Wonen' zijn slechts bestaande woningen toegestaan (en herbouw hiervan), met uitzondering van locaties ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden 1', waar één nieuwe woning is toegestaan. Bij de locatie Hessenbergstraat 19 is hiervan geen sprake. Daarnaast ontbreekt op de locatie van de toekomstige woningen een bouwvlak. Om deze redenen is de voorgenomen ontwikkeling niet mogelijk volgens de regels van het huidige bestemmingsplan en is een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk.

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0300ZTTNhessenbe19-VSG1_0002.png"  
Figuur 1.2: Uitsnede verbeelding huidig bestemmingsplan (met ligging plangebied)  

1.4 Leeswijzer

Deze toelichting is als volgt opgebouwd. Na dit inleidende hoofdstuk, worden in hoofdstukken 2 en 3 respectievelijk de bestaande en de toekomstige situatie in het plangebied beschreven. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op het voor dit bestemmingsplan van toepassing zijnde rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid. In hoofdstuk 5 komen de relevante milieu- en omgevingsaspecten aan de orde. Daarmee wordt inzichtelijk gemaakt of de ontwikkeling in ruimtelijk en milieuhygiënisch opzicht aanvaardbaar en haalbaar is en voldoet aan het vereiste van een goede ruimtelijke ordening. In hoofdstuk 6 is de juridische planopzet beschreven en in hoofdstuk 7 is de financiële toelichting opgenomen. Ten slotte is in hoofdstuk 8 de bij de totstandkoming van dit bestemmingsplan gevolgde procedure beschreven.

Hoofdstuk 2 Bestaande situatie

Het perceel Hessenbergstraat 19 ligt in de bebouwde kom van Zetten. Het perceel heeft een oppervlakte van circa 1.494 m2 en is in de huidige situatie vrijwel geheel verhard. Op dit moment staat er een woning met enkele aangebouwde bijgebouwen/loodsen op het perceel. Het woonhuis bevindt zich aan de voorzijde (aan de Hessenbergstraat). De bijgebouwen staan ten westen van het woonhuis doorlopend tot aan de westelijke grens van het perceel. De bijgebouwen hebben een gezamenlijk oppervlakte van circa 400 m2. Het perceel wordt ontsloten aan de oostzijde. Hier sluit het perceel aan op de Hessenbergstraat. In figuur 2.1 is een weergave van de huidige situatie van het plangebied weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0300ZTTNhessenbe19-VSG1_0003.png"  
Figuur 2.1: foto's huidige situatie (ontsluiting terrein: bovenste foto; huidige bebouwing: onderste foto)  

Hoofdstuk 3 Toekomstige situatie

Het plan is om enkele bijgebouwen op het perceel Hettenbergstraat 19 te slopen en aan de achterzijde van het perceel drie aaneengebouwde woningen te realiseren. De bestaande woning blijft hierbij behouden, evenals een deel van het bijgebouw aan de zuidzijde van het perceel. Ook de entree van het perceel blijft gehandhaafd.

De ontwikkeling voorziet in de realisatie van drie aaneengebouwde woningen, waarvan de voorgevels zijn gericht op het noordoosten. De woningen krijgen een bouwhoogte van maximaal 9,5 meter en een goothoogte van maximaal 5 meter. Aan de voor- en zijkant van de woningen wordt ruimte vrijgehouden voor de realisatie van de benodigde parkeerplaatsen. Er worden in totaal 7 parkeerplaatsen gerealiseerd. De in figuur 3.1 ingetekende parkeerplaatsen achter elkaar, bij de bijgebouwen, worden als één parkeerplaats beschouwd volgens de gemeentelijke parkeernota (zie ook paragraaf 5.12). Op het perceel worden daarnaast nog enkele groenstructuren aangelegd. De achtertuinen van de woningen grenzen aan de westzijde aan de naastgelegen woonpercelen. Aan de zuid- en noordzijde wordt ook ruimte vrijgehouden om eventueel nog twee bijgebouwen te plaatsen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0300ZTTNhessenbe19-VSG1_0004.png"
afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0300ZTTNhessenbe19-VSG1_0005.png"  
Figuur 3.1: Inrichtingsplan, inclusief legenda, toekomstige situatie (bron: Huibers Architectuur)  

Hoofdstuk 4 Beleidskader

4.1 Rijksbeleid

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR)
In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte staan de plannen van de Rijksoverheid voor ruimte en mobiliteit. Het Rijk streeft naar een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland. Om dit te bereiken, laat het Rijk de ruimtelijke ordening meer over aan de decentrale overheden (provincie en gemeenten) en komt de gebruiker centraal te staan. Het Rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 13 nationale belangen. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid.

Beoordeling en conclusie
Dit bestemmingsplan maakt, gezien de aard en omvang van de ontwikkeling, geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk waarbij nationale belangen gemoeid zijn. De ontwikkelingen conflicteren niet met het nationaal ruimtelijke ordeningsbeleid, zoals vastgelegd in de SVIR.

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)
Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft richtlijnen voor de inhoud van bestemmingsplannen, voor zover het gaat om ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang. De normering uit het Barro werkt zoveel mogelijk direct door op het niveau van de lokale besluitvorming. Bij besluitvorming over bestemmingsplannen moeten de regels van het Barro worden gerespecteerd.

Beoordeling en conclusie
Er is uitsluitend sprake van een lokale ontwikkeling, waarbij er geen nationale belangen in het geding zijn. Het Barro heeft geen doorwerking naar dit bestemmingsplan.

Ladder voor duurzame verstedelijking
Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen, is per 1 oktober 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening. De ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De ladder is een verplicht motiveringsinstrument, dat moet worden toegepast bij elk ruimtelijk besluit dat een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling' mogelijk maakt. Wat onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan, is in artikel 1.1.1 Bro bepaald: “De ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.” Uit de jurisprudentie komt naar voren dat het een nieuwe stedelijke ontwikkeling van enige omvang moet zijn (ECLI:NL:RVS:2016:1503).

In een bestemmingsplan moet worden aangegeven, dat de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte. Ook moet een motivering worden opgenomen dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd, wanneer een nieuwe stedelijke ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied mogelijk wordt gemaakt: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien”.

Beoordeling en conclusie
Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (zie onder meer ECLI:NL:RVS:2016:1503) blijkt, dat het toevoegen van drie woningen niet gezien kan worden als een stedelijke ontwikkeling. Daarnaast zullen bestaande bijgebouwen/loodsen vervallen, waardoor er per saldo minder bebouwing wordt toegevoegd. Om deze redenen is de ladder voor duurzame verstedelijking niet van toepassing op dit bestemmingsplan.

4.2 Provinciaal en regionaal beleid

Omgevingsvisie Gelderland
Provinciale Staten stelde op 9 juli 2014 de Omgevingsvisie Gelderland (hierna: de Omgevingsvisie) vast. Daarna zijn nog enkele actualisatieplannen vastgesteld. Het actuele beleid is opgenomen in de geconsolideerde versie van januari 2018. De provincie kiest er in de Omgevingsvisie voor om vanuit twee hoofddoelen bij te dragen aan gemeenschappelijke maatschappelijke opgaven. Deze zijn:

  • een duurzame economische structuur(versterking);
  • het borgen van de kwaliteit en veiligheid van onze leefomgeving.


Deze twee hoofddoelen benadrukken de rol en de kerntaken van de provincie als middenbestuur. Zij beïnvloeden elkaar. Economische structuurversterking vraagt om een aantrekkelijk vestigingsklimaat, een goede bereikbaarheid en voldoende vestigingsmogelijkheden. Dit betekent ook een aantrekkelijke woon- en leefomgeving met de unieke kwaliteiten van natuur, water en landschap in Gelderland. De provinciale hoofddoelen zijn uitgewerkt en vertaald in provinciale ambities, die moeten resulteren in een divers, dynamisch en mooi Gelderland.

Beoordeling en conclusie
De Omgevingsvisie is concreet uitgewerkt in de hierna beschreven Omgevingsverordening Gelderland. Deze bevat concrete regels, waaraan het bestemmingsplan wordt getoetst. De Omgevingsvisie zelf bevat geen aanduidingen, die voor dit bestemmingsplan van belang zijn. Het plan is dan ook in overeenstemming met de Omgevingsvisie.

Omgevingsverordening Gelderland
Provinciale Staten hebben de Omgevingsverordening Gelderland (hierna: de verordening of de Omgevingsverordening) vastgesteld op 24 september 2014. De verordening wordt regelmatig geactualiseerd. In januari 2018 is een geconsolideerde versie van de Omgevingsverordening gepubliceerd.

De regels in de verordening kunnen betrekking hebben op het hele provinciale grondgebied, op delen of op gebiedsgerichte thema's. Gemeenten moeten binnen een bepaalde termijn hun bestemmingsplan afstemmen op de in de verordening opgenomen regels. De regels in de verordening zijn gebaseerd op de provinciale omgevingsvisie en hebben de status van algemeen verbindende voorschriften.

Beoordeling
Het plangebied ligt geheel of gedeeltelijk binnen de volgende aanduidingen:

  • Tijdelijk verbod hervestiging/nieuwvestiging/uitbreiding (bestaande) glastuinbouw. Dit thema is niet van toepassing op het plan, omdat er in de huidige en toekomstige situatie geen sprake is van glastuinbouw.
  • Intrekgebied en verbod op winning fossieel brandstoffen. In dit gebied mag geen bestemming mogelijk gemaakt worden, die voorziet in de winning van fossiele energie, zoals aardgas, aardolie, schaliegas en steenkoolgas. Dit bestemmingsplan voorziet hier niet in en is in overeenstemming met deze regels.

Verder is het thema 'wonen' uit de Omgevingsverordening van belang. Nieuwe woonlocaties zijn uitsluitend toegestaan, wanneer dit past in het vigerende door Gedeputeerde Staten vastgestelde Kwalitatief Woonprogramma successievelijk de door Gedeputeerde Staten vastgestelde kwantitatieve opgave wonen voor de betreffende regio (artikel 2.2.1.1). De gemeente Overbetuwe heeft haar woningbouwprogramma, zowel kwalitatief als kwantitatief, vastgelegd in de Woonagenda 2020.

De ontwikkeling past kwantitatief in het woonprogramma, aangezien er slechts drie extra woningen worden toegevoegd op de planlocatie. Hierdoor is geen sprake van een (grote) woningbouwlocatie. De toe te voegen woningen passen binnen de woningbouwopgave (zie nader paragraaf 4.3). Ook in kwalitatief opzicht is het plangebied een geschikte woonlocatie vanwege de ligging dicht bij het centrum en het relatief beperkte ruimtebeslag. De sloop van de bijgebouwen/loodsen en de realisatie van nieuwe woningen draagt daarnaast bij aan de ruimtelijke kwaliteit en de leefbaarheid van de buurt.

Conclusie
Dit bestemmingsplan is in overeenstemming met de Omgevingsverordening Gelderland.

4.3 Gemeentelijk beleid

Toekomstvisie 2020+ Overbetuwe verbindt..
Op 8 september 2009 heeft de gemeenteraad van de Overbetuwe de 'Toekomstvisie 2020, Overbetuwe verbindt..' (hierna: de Toekomstvisie+) vastgesteld. De Toekomstvisie+ van Overbetuwe is het kader voor de ontwikkeling van de gemeente Overbetuwe tot 2020. De visie geeft een richting voor de ruimtelijke, maatschappelijke en economische ontwikkeling. De Toekomstvisie+ omvat het gehele gemeentelijke beleidsterrein. Voor wat betreft de ruimtelijke onderdelen is de Toekomstvisie+ te zien als structuurvisie in de zin van artikel 2.1 Wro voor het grondgebied van de gemeente Overbetuwe. In de Toekomstvisie+ zijn de aspecten leefomgeving, vergrijzing, economische gesteldheid (werk en werkgelegenheid) en duurzaamheid opgenomen om een gewenste identiteit uiteen te zetten.

In de gemeente Overbetuwe zijn 11 kernen van verschillende grootte en met verschillende identiteiten aanwezig. Behoud van de karakteristiek en (specifieke) kwaliteiten van deze kernen is een speerpunt in het beleid.

Een andere belangrijke ontwikkeling is het kleiner worden van huishoudens. Hierdoor zijn, ook bij een gelijk blijvend aantal inwoners, meer woningen nodig en is dus meer ruimte nodig. Ook het toenemende belang van de kwaliteit van de woonomgeving leidt tot een grotere ruimtebehoefte voor wonen. Extra aandacht moet worden besteed aan kwaliteitsaspecten, zoals een attractief, gezond en veilig woonmilieu. Verder moet rekening worden gehouden met de sterker wordende wens om op een herkenbare en 'eigen' plek te wonen. Ten slotte leiden de ontwikkelingen op de woningmarkt tot extra aandacht voor levensloopbestendige woningen.

Beoordeling
Er zijn geen uitgangspunten in de Toekomstvisie+ beschreven, die strijdig zijn met de ontwikkeling van slechts drie woningen op deze locatie. Het initiatief zorgt niet voor aantasting van kwaliteiten of van de omgeving. Er worden daarnaast voldoende parkeervoorzieningen gerealiseerd.


Conclusie
De ontwikkeling die in dit bestemmingsplan wordt toegestaan, is passend binnen de Toekomstvisie+.

Woonagenda Overbetuwe 2020
In de Woonagenda 2020 verwoordt de gemeente Overbetuwe haar doelen en ambities op het gebied van wonen. Als basis voor deze woonagenda is een opgavennotitie opgesteld. Deze woningmarktanalyse geeft zicht op huidige en toekomstige kansen en knelpunten en is het startpunt voor de uitwerking van de woonagenda. De woonagenda bevat geen gedetailleerd uitvoeringsprogramma, maar de koers waarbinnen de komende jaren plannen voor kernen en locaties kunnen worden uitgewerkt. De ontwikkelingen, die de komende jaren afkomen op de gemeente (vergrijzing, gezinsverdunning), vragen om meer variatie in het woonaanbod. Over het algemeen zijn inwoners tevreden over hun woonsituatie. Niet voor iedereen is het echter even makkelijk om een woning naar wens te vinden. De gemeente wil over voldoende woningen met de juiste kwaliteit beschikken om huishoudens de gewenste stappen in hun wooncarrière te laten maken. Dat wil zeggen voor iedere stap in de levensloop een geschikt woonalternatief.

Accentpunten zijn:

  • Aandacht voor urgente huisvestingsnood: inzetten op geschikte woningen voor bijzondere doelgroepen;
  • Betaalbaarheid en beschikbaarheid: meer betaalbare huurwoningen beschikbaar;
  • Wijs omgaan met de bestaande woningvoorraad: inzetten op verduurzaming;
  • Een levensloopvriendelijke gemeente: langer thuis wonen en er op uit;
  • Een gezonde woningmarkt in balans: prioriteren én versnellen van woningbouwplannen.

Het aantal huishoudens binnen de gemeente neemt in de periode 2015-2040 naar verwachting toe met ca. 2.250. Tot 2025 is een uitbreiding van de woningvoorraad met 1.400 woningen nodig voor het oplossen van bestaande tekorten en voor het opvangen van de autonome huishoudengroei.

Beoordeling
Met dit bestemmingplan worden slechts drie woningen toegevoegd aan de bestaande woningvoorraad. Het plangebied ligt in de bebouwde kom van Zetten, ten westen van het centrum. In de Woonagenda heeft de gemeente haar woningbouwprogramma kwantitatief vastgelegd voor de periode tot en met 2020. Dit programma vormt een uitwerking van het door Gedeputeerde Staten van Gelderland vastgesteld Kwalitatief Woonprogramma en de door Gedeputeerde Staten vastgestelde kwantitatieve opgave voor wonen in de regio. Op regionaal niveau zijn afspraken gemaakt met betrekking tot het toevoegen van woningen per gemeente. Uit de woningbouwopgave, die in hoofdstuk 8 van de Woonagenda is vastgelegd, blijkt dat er tot 2020 nog ruimte is om circa 1.000 woningen te realiseren. De (resterende) woningbouwopgave wordt regelmatig geactualiseerd op zowel regionaal als gemeentelijk niveau.

Kwalitatief is de behoefte aan de westkant van de gemeente, waartoe de kern Zetten behoort, onder meer gericht op een toenemende behoefte aan duurdere koop. Variatie in het woningaanbod is een speerpunt voor deze kern. Het project bestaat uit een blok met drie aaneengebouwde woningen in een segment, waaraan in Zetten nog behoefte is. Het paln draagt bij aan een toenemende variatie in het woningaanbod voor de kern Zetten.

Uit de Woonagenda, in samenhang met onder meer de hiervoor beschreven Toekomstvisie+ volgt, dat inbreiding prevaleert boven uitbreiding van bestaand stedelijk gebied. Dit bestemmingsplan heeft betrekking op een inbreidingslocatie binnen de bebouwde kom van Zetten, waarbij gebruik wordt gemaakt van een bouwperceel in een bestaand woongebied. Ook in dit opzicht past de ontwikkeling binnen de uitgangspunten van het (woningbouw)beleid.

Het plangebied is goed bereikbaar en is een geschikte woonlocatie. Door de sloop van de bestaande bebouwing en de beperkte herbouw is er ook sprake van een zorgvuldig ruimtegebruik. Het plan voldoet ook in kwalitatief opzicht aan de uitgangspunten van de Woonagenda Overbetuwe 2020.

Conclusie
Het planvoornemen past in het gemeentelijk woningbeleid, zoals vastgelegd in de Woonagenda Overbetuwe 2020.

Hoofdstuk 5 Milieu- en omgevingsaspecten

5.1 Milieueffectrapportage

Met dit bestemmingsplan worden 3 woningen mogelijk gemaakt. Dit kan leiden tot een m.e.r.(beoordelings)-plicht. Of een m.e.r.-procedure of m.e.r-beoordeling noodzakelijk is, hangt af van het feit of de ontwikkeling (activiteit) is opgenomen in lijst C en D van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). Per 7 juli 2017 is een wijziging van het Besluit m.e.r. in werking getreden. Wanneer de voorgenomen de ontwikkeling (activiteit) is opgenomen in lijst C en D van het Besluit m.e.r. moet getoetst worden of er sprake is van nadelige milieugevolgen en moet wanneer hier sprake van is een vormvrij m.e.r.-beoordelingsbesluit genomen worden.

Beoordeling en conclusie
De voorgenomen activiteit komt niet voor als activiteit in Bijlage C en D van het Besluit m.e.r., omdat er gelet op de aard en omvang van de ontwikkeling, geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Er worden geen m.e.r.(beoordelings-)plichtige activiteiten mogelijk gemaakt. Er is daarom geen m.e.r.(beoordelings-)procedure noodzakelijk en er hoeft geen vormvrij m.e.r.-beoordelingsbesluit genomen te worden.

5.2 Geluid

Op basis van de Wet geluidhinder (artikel 77 Wgh) moet bij een bestemmingsplan een akoestisch onderzoek worden uitgevoerd als het plan mogelijkheden biedt voor:

  • de toevoeging van een nieuwe woning of andere geluidsgevoelige functie binnen de zone van een weg;
  • de aanleg van een nieuwe weg;
  • de reconstructie van een bestaande weg.

De breedte van de zone van een weg is afhankelijk van het aantal rijstroken, het stedelijk gebied en de maximumsnelheid. In een akoestisch onderzoek kunnen wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt buiten beschouwing worden gelaten. Het akoestisch onderzoek richt zich op de geluidsgevoelige bestemmingen in de geluidszone. De geluidszone ligt aan weerszijden van de weg.

De ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting (voorkeursgrenswaarde) afkomstig van wegverkeer bedraagt voor nieuwe woningen 48 dB (Lden). Onder bepaalde voorwaarden, als maatregelen onvoldoende doeltreffend zijn en het voldoen aan de grenswaarden onoverkomelijke bezwaren ontmoet van landschappelijke, stedenbouwkundige of financiële aard, mag de geluidbelasting hoger zijn dan de voorkeursgrenswaarde. Hiervoor dient met een ontheffing een hogere waarde te worden vastgesteld.

Beoordeling
Met dit plan worden drie woningen mogelijk gemaakt in de bebouwde kom van Zetten. Woningen zijn geluidsgevoelige functies. Aangezien in de omgeving van het plangebied (in de gehele bebouwde kom van Zetten) alleen wegen met een maximumsnelheid van 30 km/uur aanwezig zijn, wordt een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai niet noodzakelijk geacht. Het verkeersgeluid van deze wegen zal namelijk niet tot nauwelijks merkbaar zijn in de woningen en wordt daarom acceptabel geacht. De woningen worden ook op relatief grote afstand van de omliggende wegen opgericht. Geluid afkomstig van spoorwegen en/of bedrijven(terreinen) zal, door de grote afstand ten opzichte van de woningen, beperkt zijn ter plaatse van de woningen. Er kan daarom gesteld worden, dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat.

Conclusie
Het aspect 'geluid' zorgt niet voor belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.

5.3 Luchtkwaliteit

De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Hierin zijn grenswaarden opgenomen voor luchtvervuilende stoffen. Voor ruimtelijke projecten zijn fijn stof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) de belangrijkste stoffen.

Een project is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;
  • het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;
  • het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging;
  • het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen.

Om te bepalen of een project "niet in betekenende mate" bijdraagt aan de luchtkwaliteit, is een algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels zijn vastgelegd. Een project kan in twee situaties NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit:

  • 1. het project behoort tot de lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) die is opgenomen in de Regeling NIBM;
  • 2. het project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO2 en PM10 (1,2ìg/m3).

Beoordeling en conclusie
Dit bestemmingsplan maakt de realisatie van drie woningen mogelijk in de bebouwde kom van Zetten. Om deze woningen te kunnen realiseren, worden enkele bestaande bijgebouwen gesloopt. Bij de realisatie van drie woningen kan over het algemeen gesteld worden dat deze ontwikkeling 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtkwaliteit. Een dergelijke ontwikkeling ontwikkeling behoort namelijk tot een in de Regeling NIBM genoemde categorie van gevallen (woningen) en blijft ruimschoots onder de drempelwaarde van 1.500 woningen.

Wel moet aangetoond worden of sprake is van een goed woon- en leefklimaat (met betrekking tot de luchtkwaliteit) ter plaatse van de nieuwe woningen. Om dit te bepalen, kan gebruik worden gemaakt van de NSL-monitoringstool. Deze tool laat de achtergrondwaarden met betrekking tot de luchtkwaliteit op verschillende meetpunten zien. In figuur 5.1 is een uitsnede van de NSL-monitoringstool weergegeven met hierbij de achtergrondwaarden (en de normen hiervoor) van de dichtstbijzijnde meetpunten bij het plangebied. Uit de resultaten kan geconcludeerd worden dat de achtergrondwaarden ruim onder de norm liggen. Om deze reden kan worden vastgesteld, dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied en dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening.

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0300ZTTNhessenbe19-VSG1_0006.png"  
Figuur 5.1: Uitsnede NSL-monitoringstool met achtergrondwaarden ter plaatse van het plangebied  

5.4 Bedrijven en milieuzonering

Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies, zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzonering om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden, zodat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren.

Richtafstanden
Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'. In de publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd. Als bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden).

Omgevingstype
De richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit, zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied). Een rustige woonwijk is een woonwijk, die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven en kantoren) voor. Binnen gemengde gebieden heeft men te maken met milieubelastende en milieugevoelige functies, die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. Direct naast woningen komen andere functies voor, zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Voorbeelden van gebieden met functiemenging zijn horecaconcentratiegebieden, stadscentra, winkelcentra en winkelgebieden van dorpskernen, woon-werkgebieden met kleinschalige ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden langs stadstoegangswegen met meerdere functies en lintbebouwing in het buitengebied met veel agrarische en andere bedrijvigheid.

Beoordeling
Dit bestemmingsplan voorziet in de realisatie van drie woningen. Er wordt geen functie gerealiseerd met een bepaalde milieucategorie, waardoor nadelige effecten van het plan op omliggende gevoelige functies zijn uitgesloten.

Met het toevoegen van woningen wordt een nieuwe milieugevoelige functie mogelijk gemaakt. In de directe omgeving van het plangebied zijn geen bedrijven aanwezig. Andere functies in de omgeving met bijvoorbeeld milieucategorie 1 of 2 bevinden zich op een ruime afstand van het plangebied en hebben daarmee geen nadelige gevolgen voor de nieuwe woningen. Er is dan ook sprake van een goed woon- en leefklimaat.

Conclusie
Het aspect 'bedrijven en milieuzonering' zorgt niet voor belemmeringen voor het initiatief.

5.5 Geurhinder

Voor veehouderijen is de regelgeving ten aanzien van het specifieke aspect geur vastgelegd in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moet worden gekeken naar de aanvaardbaarheid van deze plannen in verband met omliggende geurbronnen, de zogenaamde omgekeerde werking.

Beoordeling en conclusie
In de omgeving van het plangebied zijn geen agrarische bedrijven (of andere bedrijven met een geuruitstraling) gevestigd. Het aspect 'geur' zorgt daarom ook niet voor belemmeringen in dit plan.

5.6 Bodem

In het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder d) is bepaald, dat voor de uitvoerbaarheid van een plan rekening moet worden gehouden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen moet worden bepaald of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en of nader onderzoek en eventueel saneringen noodzakelijk zijn. Voor de gevallen waarin de bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, bepaalt de Wet bodembescherming dat de grond zodanig moet worden gesaneerd, dat zij kan worden gebruikt voor de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen moeten bij voorkeur op schone grond worden gerealiseerd.

Beoordeling
Dit bestemmingsplan voorziet in de realisatie van drie woningen. Om aan te tonen wat de bodemkwaliteit is ter plaatse van deze woningen, is op 20 juli 2015 een bodemonderzoek uitgevoerd op de locatie. Hieronder zijn de belangrijkste conclusies van dit onderzoek beschreven. Voor het complete onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen bij deze toelichting (Bijlage 1).

Het bodemonderzoek is uitgevoerd volgens de Nederlandse norm NEN 5725/NEN 5740, strategie onverdacht.

Voormalige ondergrondse petroleumtank (ca. 3 m³)
Uitgevoerd zijn twee diepere boringen, waarvan één is uitgevoerd als peilbuis. In de bodem en het grondwater zijn geen verhoogde gehaltes aan minerale olie en aromaten aangetroffen.

Voormalige olieopslag noordwesthoek buitenterrein
Verkennend zijn twee diepere boringen uitgevoerd, waarvan één is uitgevoerd als peilbuis. Omdat hierbij minerale oliegehaltes boven de tussenwaarde zijn aangetroffen, is een naderonderzoek op de locatie uitgevoerd. Hierbij is van de zuidelijk buren geen toestemming verkregen voor boringen.

De gehele verontreiniging in de bodem met gehaltes boven de achtergrondwaarde wordt geraamd op circa 250 m³. Het betreft een oppervlak van circa 100 m² bij een vervuild dieptetraject van circa 2,5 m (0,5-3,0 m-mv). Bij de boringen 10 en 11 wordt over een dieptetraject van 0,5 m een minerale oliegehalte boven de interventiewaarde gemeten. Het bodemvolume met minerale oliegehaltes boven de interventiewaarde wordt hierbij geraamd op maximaal 18 m³.

De verontreiniging in de grondwater met gehaltes boven de streefwaarde wordt geraamd op circa 525 m². Het betreft een oppervlak van circa 150 m² bij een vervuild dieptetraject van circa 3,5 m (1,5-5,0 m-mv). De interventiewaardecontour van het grondwater heeft een oppervlak van ca. 70 m². Op grond van de minerale oliegehaltes in het grondwater bij boring 3 en 3A mag worden geconcludeerd dat in de kern het minerale oliegehalte op ca. 3,0 m-mv onder de interventiewaarde ligt. Bij een grondwaterstand van ca. 1,5 m-mv resulteert dit, in de kern, in ca. 1,5 m vervuilingtraject met gehaltes boven de interventiewaarde in het grondwater. Aan de rand van de interventiewaardecontour van het grondwater zal het vervuilingtraject met gehaltes boven de interventiewaarde in principe naar 0 m naderen. Bij een gemiddeld vervuilingtraject van 1,0 m diepte met gehaltes boven de interventiewaarde binnen de interventiewaardecontour van het grondwater resulteert dit in een volume van 70 m³ met gehaltes boven de interventiewaarde.

Aangezien het bodemvolume met minerale oliegehaltes boven de interventiewaarde onder de 25 m³ ligt en het grondwatervolume met minerale oliegehaltes boven de interventiewaarde onder de 100 m³ ligt, betreft het een niet-ernstige vervuiling en is bij sanering de gemeente bevoegd gezag. Omdat het een niet-ernstige vervuiling betreft en tevens een vervuiling die ontstaan is voor 1987, is er volgens de Wet bodembescherming geen verplichting om te saneren. De intentie is om een sanering uit te voeren om zodoende de locatie explorabel te maken. Hiertoe is een plan van aanpak opgesteld, dat bij uitvoering van de sanering in acht moet worden genomen. Het plan van aanpak voor de sanering is in de bijlagen bij deze toelichting opgenomen (Bijlage 2).

Wasplaats
Op en nabij de wasplaats zijn een vijftal diepere boringen geplaatst, waarvan één is uitgevoerd als peilbuis. Er zijn twee mengmonsters geanalyseerd volgens NEN 5740. In één mengmonsters is enkel een licht verhoogd nikkelgehalte aangetroffen. In het grondwatermonster is een licht verhoogd gehalte aan barium en nikkel aangetroffen.

Accuopslag
Ter plaatse en nabij de accuopslag zijn vier diepere boringen uitgevoerd. Er zijn hierbij vanuit zintuiglijk schone onderlaagmonsters een tweetal mengmonsters samengesteld en geanalyseerd volgens NEN 5740. In de mengmonsters ligt het nikkel en minerale oliegehalte in geringe mate boven de achtergrondwaarde. Bij één van de boringen (nr. 17) zijn in de onderlaag minerale oliegehaltes van boven de interventiewaarde aangetroffen. Rond boring 17 is daarom een naderonderzoek uitgevoerd middels het uitvoeren van een drietal diepere boringen waarvan twee zijn voorzien van een peilbuis. Bij dit naderonderzoek zijn bij de uitgevoerde boringen in de bodem en het grondwater geen minerale oliegehaltes boven de achtergrondwaarde aangetroffen. Ter plaatse van boring 17 is een beperkte lokale olieverontreiniging ('spot') in de bodem aanwezig. De omvang wordt geraamd op maximaal 40 m3 met gehaltes boven de achtergrondwaarde. Er wordt geadviseerd deze verontreiniging eveneens te saneren wanneer de sanering van de olieverontreiniging in de noordwest hoek van de locatie plaatsvindt.

Voormalige afvoergoot
Ter plaatse van de voormalige afvoergoot langs de loods zijn de drie diepere boringen geplaatst waarvan één is uitgevoerd als peilbuis. In het samengestelde mengmonster ligt het nikkelgehalte licht boven de achtergrondwaarde. Bij één boring ligt het minerale gehalte licht boven de achtergrondwaarde. In het grondwatermonster is een licht verhoogd gehalte aan barium en minerale olie aangetroffen.

Machinestalling
Ter plaatse van de voormalige stalling zijn een drietal diepere boringen uitgevoerd. Zintuiglijk is hierbij geen vervuiling aangetroffen. Vanuit de verkregen bodemmonsters is een mengmonster onderlaag samengesteld en geanalyseerd conform NEN 5740. In het mengmonster liggen de gemeten gehaltes onder de achtergrondwaarden.

Slibvangput bij woning
Ter plaatse zijn de twee diepere boringen geplaatst waarvan één is uitgevoerd als peilbuis. Geen van de gemeten minerale oliegehaltes overschrijden de achtergrondwaarden. In het grondwatermonster is een licht verhoogd gehalte aan barium aangetroffen.

Inpandig
Van de monsters van de zintuiglijk schone zandlaag onder de betonverharding is een selectie gemaakt voor de samenstelling van een mengmonster. Het mengmonster zandlaag is geanalyseerd volgens NEN 5740. In het mengmonster ligt het minerale olie- en PCBgehalte in geringe mate boven de achtergrondwaarde. Van de zintuiglijk schone onderlaagmonsters zijn een tweetal mengmonsters onderlaag samengesteld. In één van de mengmonsters ligt het minerale oliegehalte in geringe mate boven de achtergrondwaarde. Ter plaatse van de ontvetting/cleaning locatie is een diepteboring met peilbuis geplaatst. In het mengmonster onderlaag zijn geen VOCL-verbindingen (o.a. ontvetters) aangetoond. Ook is de pH (zuurgraad) van de bodem neutraal, hetgeen wijst op afwezigheid van gebruikt caustic soda in de bodem. In het grondwatermonster ligt enkel het bariumgehalte boven de streefwaarde, de pH van het grondwater is eveneens vrijwel neutraal (nl. 7,1).

Inpandig zijn bij een viertal boringen in de onderlaag lichte oliewaarnemingen gedaan. De aangetroffen minerale oliegehaltes liggen hierbij boven de achtergrondwaarden. Om vast te stellen of het hier beperkte locale verontreinigingen ('spots') betreft zijn een drietal aanvullende diepere boringen met peilbuis geplaatst. Bij twee aanvullende boringen is zintuiglijk en analytisch in de bodem en het grondwater geen minerale olie aangetroffen. Bij de derde aanvullende boring in de brandgang direct westelijk van de loods worden opnieuw minerale oliegehaltes boven de achtergrondwaarde aangetroffen. In het grondwater ligt het minerale oliegehalte eveneens onder de streefwaarde.

Aanvullend rond woning
Rondom de woning zijn aanvullend vijf (diepere) boringen uitgevoerd. Eén van de boringen is uitgevoerd als peilbuis. Daarnaast is de peilbuis nabij de slibput aanvullend geanalyseerd conform NEN 5740. Zintuiglijk zijn bij deze boringen in de toplaag sporen metselpuin en koolgruis aangetroffen. Van de verkregen monsters is een mengmonster toplaag en mengmonster onderlaag samengesteld. In het toplaagmengmonster wordt een licht verhoogd gehalte van cadmium, kwik, lood en PAK's aangetroffen. In het onderlaagmengmonster ligt het nikkelgehalte in geringe mate boven de achtergrondwaarde. In het grondwater van de aanvullende boring met peilbuis ligt het minerale oliegehalte onder de streefwaarde. In het grondwater van de peilbuis nabij de slibput ligt enkel het bariumgehalte boven de streefwaarde. De kwaliteit van de bodem en het grondwater rondom de woning is van goede woonkwaliteit en daarom zijn er geen belemmeringen tot een separate transactie van dit perceeldeel.

Conclusie
Er zijn naast de aangetroffen minerale olieverontreinigingen (noordwesthoek locatie, spot bij boring 17 en inpandige spots) geen wezenlijk andere verontreiniging op de gehele locatie is aangetroffen. Het uitvoeren van een sanering voor de minerale olieverontreinigingen is niet verplicht, maar deze zal door de initiatiefnemer worden uitgevoerd met inachtneming van het opgestelde plan van aanpak.

De overige aangetroffen lichte verhogingen boven de achtergrondwaarden/streefwaarden vertegenwoordigen een bodem en grondwaterkwaliteit behorende bij bodemklasse ''wonen''. Zij behoeven geen verdere aandacht.

5.7 Externe veiligheid

Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de veiligheidsrisico's in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze externe veiligheidsrisico's moeten worden beoordeeld voor twee risiconormen, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Voor beide risiconormen geldt dat hoe groter de afstand tussen planontwikkeling en risicobron is, des te kleiner zal de impact van het plan zijn op de hoogte van het risico.

Plaatsgebonden risico
Het plaatsgebonden risico (PR) heeft tot doel om hetzelfde minimale beschermingsniveau te bieden voor iedere burger in Nederland. Het PR beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het PR wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn, etc.), waarbij de 10-6-contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde is.

Groepsrisico
Het groepsrisico (GR) is een afwegingsinstrument dat tot doel heeft een bewuste afweging te stimuleren over het risico op een ongeval met een groot aantal slachtoffers. Het GR beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het GR geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het GR wordt uitgedrukt in een grafiek, waarin de kans op overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1.000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het GR geldt een oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm).

Beoordeling en conclusie
Om de externe veiligheidsrisico's ter plaatse van het plangebied te beoordelen is een quickscan externe veiligheid uitgevoerd. Deze inventarisatie is in de bijlagen bij deze toelichting opgenomen, tezamen met een advies van de Veiligeheids- en Gezondheidsregio Gelderland-Midden (VGGM), zie Bijlage 3. Hieronder worden de belangrijkste conclusies beschreven.

De planlocatie ligt buiten de plaatsgebonden risicocontour 10-6 van een inrichting, buisleiding en transportroute met een extern veiligheidsrisico. De plaatsgebonden risicocontour van de diverse risicobronnen vormt geen belemmering voor de realisatie van het plan.

Ten aanzien van het groepsrisico ligt het plan in het invloedsgebied van de Betuweroute en de snelweg A15.Op basis van de beperkte verantwoording groepsrisico kan worden geconcludeerd dat het ruimtelijke initiatief geen significant effect heeft op het groepsrisico en op de mogelijkheden voor de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. VGGM ziet ook geen aanleiding om nadere te adviseren. Daarmee is het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de realisatie van het plan.

5.8 Kabels en leidingen

Het verrichten van werkzaamheden in de nabijheid van hoogspanningsmasten en -kabels en dergelijke, kan gevaar met zich meebrengen. Om dit gevaar zoveel mogelijk te beperken moet de leidingbeheerder aangeven onder welke voorwaarden de werkzaamheden veilig plaats kunnen vinden.

Beoordeling en conclusie
In en nabij het plangebied zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig. Dit aspect levert dan ook geen belemmeringen op voor de realisatie van het plan.

5.9 Waterparagraaf

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder b) moet inzicht worden gegeven in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Daarbij zijn de hierna beschreven beleidsstukken van belang.

Rijksbeleid
Nationaal waterplan
In december 2015 stelde het kabinet het Nationaal Waterplan vast. Dit plan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016-2021 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water, en diverse vormen van gebruik van water. Ook worden de maatregelen genoemd die hiertoe worden genomen.

Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie.

Provinciaal beleid
Provinciaal Waterplan
In het Waterplan Gelderland is het waterbeleid beschreven aan de hand van een aantal thema's, zoals landbouw, wateroverlast, watertekort, natte natuur, grondwaterbescherming en hoogwaterbescherming. Voor deze thema's is beschreven welke doelstellingen voor 2027 en 2015 er liggen. Daarbij is beschreven hoe de provincie voor de planperiode de uitvoering van acties ziet om die doelstellingen te bereiken. Bij sommige thema's gelden aanvullende waterdoelstellingen voor specifieke waterhuishoudkundige functies.

Waterschap Rivierenland
Waterbeheerplan 2016-2021
Dit plan, vastgesteld op 27 november 2015, gaat over het waterbeheer in het hele rivierengebied en het omvat alle watertaken van het waterschap: waterkwantiteit, waterkwaliteit, waterkering en waterketen. In het Waterbeheerplan staat wat Waterschap Rivierenland de komende periode gaat doen om inwoners van het rivierengebied veiligheid en voldoende schoon en mooi water in sloten en plassen te kunnen blijven bieden. Het plan is in samenwerking met onder meer de gemeente Overbetuwe opgesteld.

Keur Waterschap Rivierenland 2014
Voor waterhuishoudkundige ingrepen is de 'Keur Waterschap Rivierenland 2014' van toepassing. De Keur is een waterschapsverordening die gebods- en verbodsbepalingen bevat met betrekking tot ingrepen, die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. Zo is het onder andere verboden om handelingen te verrichten waardoor het onderhoud, aanvoer, afvoer en/of berging van water kan worden belemmerd, zonder een ontheffing van het Waterschap. De wateren en waterkeringen, waarop de keur van toepassing is, zijn vastgelegd in de legger wateren.

Realisatie van nieuwe bebouwing en/of verhard oppervlak moet hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. Bij het toevoegen van bebouwing of verharding geldt een compensatieplicht. Er geldt een eenmalige vrijstelling van de compensatieplicht wanneer minder verharding dan 500 m² in stedelijk gebied of minder dan 1.500 m² in landelijk gebied wordt toegevoegd.

Gemeente Overbetuwe
Waterplan Overbetuwe
In 2008 stelde de gemeente Overbetuwe in samenwerking met het Waterschap Rivierenland het Waterplan Overbetuwe vast. Het waterbeheerplan van het waterschap is later geactualiseerd (zie hierboven), ook in samenwerking met onder meer de gemeente Overbetuwe. Beide plannen gelden naast elkaar.

In het Waterplan Overbetuwe wordt het beleidskader geschetst en worden concrete maatregelen voor het watersysteem uitgewerkt. Naast het waterplan wordt parallel een Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) opgesteld waarin de maatregelen voor de riolering (waterketen) worden uitgewerkt.

Met het opstellen van een waterplan wordt inzicht gegeven in de relevante wateropgaven voor de gemeente Overbetuwe, zoals:

  • wateroverlast, het zoeken van oplossingen om wateroverlast tegen te gaan;
  • waterkwaliteit, het onderzoeken van mogelijkheden voor het verbeteren van de waterkwaliteit;
  • grondwater, het inventariseren van grondwateroverlast;
  • beleving van water, burgers betrekken bij water;
  • afspraken en taken van waterschap en gemeente.

Beoordeling en conclusie
Dit plan maakt de realisatie van drie woningen mogelijk binnen de bebouwde kom van Zetten. Om deze woningen mogelijk te maken worden enkele bijgebouwen (met een gezamenlijke oppervlakte van circa 400 m2) verwijderd en worden de percelen heringericht. Bij deze herinrichting blijft de bestaande (verharde) entree gehandhaafd. Aan de achterzijde van het terrein worden enkele parkeerplaatsen en plantsoenen gerealiseerd. Op deze locatie worden ook de drie woningen (met bijbehorende voor- en achtertuinen) gerealiseerd. Aangezien het plangebied in de huidige situatie geheel verhard is, kan gesteld worden dat het verhard oppervlak in de toekomstige situatie in ieder geval niet zal toenemen. Met de realisatie van de voor- en achtertuinen en de enkele plantsoenen wordt zelfs gezorgd voor meer groen (en dus minder verharding). Er zal daardoor waarschijnlijk minder sprake zijn van het versneld afvoeren van hemelwater ten opzichte van de huidige situatie. Het realiseren van waterberging is om deze reden niet noodzakelijk. De compensatieverplichting van de Keur is niet aan de orde.

Binnen en in de directe omgeving van het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Er worden daarnaast geen ingrepen in de bodem gedaan die het grondwatersysteem kunnen veranderen. De bestaande woning aan de Hessenbergstraat 19 is aangesloten op het gemeentelijk rioolstelsel. De toekomstige drie woningen worden hier ook op aangesloten. Afvalwater wordt via het gemeentelijk rioolstelsel getransporteerd. Negatieve effecten op oppervlaktewater of op de veiligheid van een waterkering zijn uitgesloten. Bij de uitwerking van het initiatief voor de bouw van het nieuwe woongebouw, moeten schoon hemelwater en vuilwater gescheiden worden afgevoerd.

5.10 Flora en fauna

De bescherming van de natuur is sinds 1 januari 2017 vastgelegd in de Wet Natuurbescherming (Wnb). Deze heeft de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet vervangen. De Wnb geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan moet worden onderzocht of de Wnb de uitvoering van het plan niet in de weg staat in verband met de bescherming van gebieden en dier- en plantsoorten. De provincies zijn het bevoegd gezag voor zowel de gebieds- als de soortenbescherming.

Gebiedsbescherming
In de Wnb is de bescherming opgenomen van Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan moet worden onderzocht of dit plan, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan alleen worden vastgesteld als uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Als deze zekerheid er niet is, kan het plan worden vastgesteld als wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:

  • alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden;
  • het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en
  • de noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.

Het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen: Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones. Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime. Het NNN is op provinciaal niveau uitgewerkt in het Gelders Natuurnetwerk (GNN) met de bijbehorende Groene Ontwikkelingszones (GO). Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen.

Soortenbescherming
In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen:

  • soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn;
  • soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn;
  • de bescherming van overige soorten.

Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag.

Beoordeling
Er is voor het plangebied een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Deze quickscan is in de bijlagen bij deze toelichting opgenomen (Bijlage 4). Hieronder worden de belangrijkste conclusies beschreven.

In het plangebied of de directe omgeving daarvan komen beschermde diersoorten van de Wet natuurbescherming voor. De planlocatie heeft echter aannemelijk geen essentiële functie voor beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen.

De naastgelegen woning biedt nestlocaties aan huismussen. De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot verstoring/vernieling/afname van broedende huismussen, nestlocaties en/of essentieel leefgebied. Gedurende de ontwikkeling dient rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van foeragerende vleermuizen. De planlocatie heeft (mogelijk) een functie voor algemeen voorkomende planten, zoogdieren, amfibieën, insecten en vogels. De struiken op de planlocatie zijn (beperkt) geschikt als broedlocatie voor algemene broedvogels. De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura2000-gebied en het Natuurnetwerk Nederland. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura2000-gebieden geen sprake. Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een melding- of vergunningplicht geldt.

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0300ZTTNhessenbe19-VSG1_0007.png"  
Figuur 5.2: Overzicht van de functie van het plangebied voor beschermde flora en fauna alsmede de verwachtte effecten naar aanleiding van de beoogde ingrepen en de eventueel daarop te nemen vervolgstap.  

Uitvoerbaarheid
De beoogde sloop van een bijgebouw en nieuwbouw van drie woningen leidt niet tot aantasting van beschermde gebieden en beschermde natuurwaarden. Voor Habitatrichtlijn-, Vogelrichtlijn-, en overige soorten geldt dat, op basis van het voorliggende onderzoek, er geen effecten worden verwacht ten aanzien van vaste rust- en verblijfplaatsen alsmede functioneel leefgebied. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van foeragerende vleermuizen en de aanwezigheid van algemene broedvogels. Voor deze soorten dienen eventueel maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. De aanwezigheid van beschermde soorten (Wnb, overige soorten, art. 3.10) en hun leefgebied vormen geen bezwaar voor de beoogde bestemmingsplanwijziging (vrijstellingsbesluit).

De beoogde sloop van een bedrijfspand ten behoeve van drie woningen aan de Hessenbergstraat 19 te Zetten is uitvoerbaar conform het bepaalde in de Wro (artikel 3.1.6 Bro).

Te treffen maatregelen

  • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Zorgplicht).
  • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige.
  • Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) gefaseerd verwijderen. Dit om bodembewonende dieren de kans te geven in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten.
  • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden.
  • De werkzaamheden dienen uitsluitend tussen zonsopkomst en zonsondergang uitgevoerd te worden of een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toegepast te worden teneinde verstoring van vleermuizen in de directe omgeving te voorkomen. Hieronder kan onder andere worden verstaan: beperkte hoogte van lichtmasten, verlichting naar beneden richten en convergeren, toepassen van UV-vrije verlichting, gebruik van sterk bundellicht vermijden et cetera.
  • Wanneer werkzaamheden plaatsvinden binnen de invloedsfeer van de groenstructuur of er (ten aanzien van de werkzaamheden) bomen en/of struiken worden gekapt: De werkzaamheden opstarten/uitvoeren buiten het broedseizoen (medio maart t/m medio juli). Indien de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a. op aanwijzing van deskundige.


Conclusie
Wanneer bovengenoemde maatregelen worden uitgevoerd, zal het aspect 'flora en fauna' niet voor belemmeringen zorgen voor het plan en is dit onderdeel voldoende behandeld.

5.11 Archeologie en cultuurhistorie

Archeologie
De bescherming van archeologisch erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erfgoedwet is in de plaats gekomen van zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. Onderdelen van de Monumentenwet, die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving, gaan naar de Omgevingswet, die in 2019 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is daartoe in de Erfgoedwet voor de periode 2016-2019 een overgangsregeling opgenomen.

De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta). De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Dankzij het principe van “de verstoorder betaalt” uit het verdrag van Valletta worden meer archeologische resten in situ behouden.

De gemeente Overbetuwe heeft voor haar gemeentelijk grondgebied een erfgoedplan en een archeologische beleidsadvieskaart gemaakt. Het erfgoedplan beoogt versterking van de plaats en betekenis van cultuurhistorie als factor in het ruimtelijk beleidsproces.

Cultuurhistorie
Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a Bro) moet in het plan rekening worden gehouden met cultuurhistorie. Cultuurhistorie heeft onder andere betrekking op de historische stedenbouwkundige en historisch geografische waarden in het gebied. In het plan moet beschreven worden hoe met de in het gebied aanwezige waarden en de aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan.

De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.

Beoordeling
Archeologie
Het plangebied ligt in een gebied met een lage archeologische verwachting volgens de archeologische beleidskaart (zie figuur 5.3). Voor deze gebieden geldt een verplichting tot archeologisch onderzoek bij ingrepen die groter zijn dan 2.500 m2 én dieper dan 30 cm-mv. Bij het plan is hiervan geen sprake. Het plan heeft daarom ook geen invloed op eventuele archeologische waarden in de bodem. Het aspect archeologie zorgt niet voor belemmeringen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0300ZTTNhessenbe19-VSG1_0008.png"  
Figuur 5.3: Ligging plangebied op de archeologische beleidskaart van Overbetuwe  


Cultuurhistorie
Het plangebied ligt in de bebouwde kom van Zetten. Bij de ontwikkeling zijn geen cultuurhistorische waarden gemoeid. Er liggen geen gemeentelijke of rijksmonumenten in de omgeving van het plangebied. Er worden ook geen (historische) zichtlijnen doorbroken.

Conclusie
De aspecten 'archeologie' en 'cultuurhistorie' zorgen niet voor belemmeringen in het kader van dit bestemmingsplan.

5.12 Verkeer en parkeren

Verkeer
In de huidige situatie bestaat het plangebied alleen uit bijgebouwen behorende bij een bestaande woning. Deze woning blijft behouden. De bijgebouwen hebben op zichzelf geen verkeersaantrekkende werking. Om deze reden komt de huidige verkeersgeneratie neer op 0 mvt/etmaal. Met de toevoeging van 3 woningen neemt deze verkeersgeneratie ook toe. Het aantal motovoertuigen per etmaal (in de toekomstige situatie) wordt berekend met de CROW-tool. Volgens de CROW-tool komt de verkeersgeneratie van 3 tussen-/hoekwoningen neer op 22 mvt/etmaal. Dit verkeer kan de woningen bereiken via de huidige ontsluiting aan de Hessenbergstraat. Deze entree en de aangrenzende wegen kunnen dit verkeer gemakkelijk verwerken. Een toename van 22 mvt/etmaal zal niet tot nauwelijks merkbaar zijn in de directe omgeving. Om deze reden zijn dus ook geen negatieve effecten op de verkeersdrukte en -veiligheid te verwachten. Het aspect 'verkeer' zorgt daarom niet voor belemmeringen.

Parkeren
De gemeente Overbetuwe heeft parkeernormen vastgesteld in de Nota Parkeernormen gemeente Overbetuwe 2016. In de huidige situatie bestaat het plangebied alleen uit bijgebouwen behorende bij een bestaande woning. Deze woning blijft behouden. De bijgebouwen hebben op zichzelf geen parkeerbehoefte. Om deze reden is de huidige parkeerbehoefte van het perceel 0 parkeerplaatsen. In de toekomstige situatie is sprake van 3 nieuwe woningen op het perceel. Er moeten voldoende parkeerplaatsen gerealiseerd worden voor deze woningen. De parkeerbehoefte komt, volgens de Nota Parkeernormen van de gemeente Overbetuwe, neer op 2,3 p.p./woning (tussen-/hoekwoning of huurwoning, vrije sector). In totaal moeten dus 7 parkeerplaatsen gerealiseerd worden in het plangebied. Figuur 3.1 in hoofdstuk 3 laat zien dat er 5 volwaardige parkeerplaatsen gerealiseerd worden: 3 aan de noordoostkant van het perceel en één parkeerplaats op de oprit bij de twee hoekwoningen. Daarnaast beschikken beide hoekwoningen over twee achter elkaar gesitueerde parkeerplaatsen voor de bijgebouwen. De rekennorm voor deze achter elkaar opgestelde parkeerplaatsen, is volgens het gemeentelijk beleid 1. In totaal worden er 7 parkeerplaatsen in het plangebied gerealiseerd. Daarmee wordt voldaan aan de norm van de Nota Parkeernormen. De verplichting tot realisatie van voldoende parkeerplaatsen in het plangebied, is tevens vertaald in de planregels van dit bestemmingsplan. Het aspect 'parkeren' zorgt daarom niet voor belemmeringen.

Hoofdstuk 6 Juridische planopzet

6.1 Algemene opzet

Inleiding
Dit hoofdstuk bevat de concrete vertaling van het beleidsgedeelte en de gewenste ontwikkelingen en reparaties (voorafgaande hoofdstukken) in het juridisch gedeelte van het bestemmingsplan (de verbeelding en regels).

Het bestemmingsplan 'Zetten, Hessenbergstraat 19' bestaat uit de volgende onderdelen:

De toelichting
In de toelichting is de ontwikkeling beschreven en verantwoord, zowel op basis van het beleid als op basis van milieu-hygiënische aspecten, aangevuld met een toelichting op de juridische opzet.

De regels
Deze bevatten de bouw- en gebruiksregels binnen de verschillende bestemmingen en algemene regels die in het gehele plangebied gelden. Daarnaast zijn waar nodig afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden opgenomen, om het plan de benodigde flexibiliteit te geven.

De verbeelding
Op de verbeelding is de bestemminge 'Wonen' opgenomen. Ook is er één bouwvlak opgenomen.

De opzet van het plan
Het bestemmingsplan is een juridisch plan, dat bindend is voor de inwoners en voor de overheid. Qua systematiek is zoveel mogelijk aangesloten bij het huidige bestemmingsplan 'Zetten-Hemmen'.

Bouwplan
Als een aanvraag om omgevingsvergunning wordt ingediend, zijn in eerste instantie de bestemming met bijhorende regels van belang. Als het nieuwe en het beoogde gebruik past binnen de toegekende bestemming, dan kan de omgevingsvergunning worden verleend.

6.2 Toelichting op de verbeelding en regels

Op de verbeelding zijn de bestemmingen onderscheiden. De bestemmingen zijn afgeleid uit het gebruik (de aanwezige functies). De bestemmingen vormen het zogenaamde casco van het plan, waarvan in beginsel niet mag worden afgeweken. Hierna worden de in het plan opgenomen bestemmingen nader toegelicht.

Wonen
In de toekomstige situatie zijn er drie woningen beoogd met een gemeenschappelijk centraal erf met ontsluiting. Deze gronden zijn bestemd als 'Wonen', waarbij het bestemmingsvlak in omvang is begrensd en de begrenzing is afgestemd op het inrichtingsplan. Er is een bouwvlak opgenomen waarbinnen de woningen zijn toegestaan. Alle drie de (aaneengebouwde) woningen worden binnen één bouwvlak gerealiseerd. Voor de woningen is een maximale goot- en bouwhoogte van respectievelijk 6 en 10 meter toegestaan. Vanaf drie meter achter de voorgevellijn van de nieuwe woningen is de aanduiding 'bijgebouwen' opgenomen. Deze aanduiding is ook opgenomen ter plaatse van het te behouden bijgebouw aan de zuidzijde. Aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak en de aanduiding 'bijgebouwen' worden opgericht. In de bouwregels zijn maatvoeringseisen opgenomen voor aan- en uitbouwen, bijgebouwen, overkappingen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

De gronden met de bestemming 'Wonen' zijn bestemd voor wonen, al dan niet met aan huis gebonden beroep- of bedrijfsactiviteiten. Het gebruik van de bebouwing en gronden voor woondoeleinden is toegestaan onder de voorwaarde dat er voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein aanwezig is volgens de Nota Parkeernormen 2016.

Algemene regels
Anti-dubbeltelregel
Deze regel is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.

Algemene bouwregels
In dit artikel is een regeling met betrekking tot ondergronds bouwen opgenomen. Dit is in beginsel uitsluitend toegestaan, daar waar bovengronds ook gebouwen zijn toegestaan. Tevens is een regeling opgenomen ten aanzien van bestaande afwijkende maatvoeringen, zoals hoogten en oppervlakten.

Algemene gebruiksregels
Dit artikel bevat de vormen van gebruik, die in ieder geval strijdig zijn met de regels van het bestemmingsplan.

Algemene afwijkingsregels
In dit artikel wordt een opsomming gegeven van de regels waarvan door middel van een omgevingsvergunning afgeweken kan worden van het bestemmingsplan.

Overgangs- en slotregels
Overgangsrecht
Het voor alle bestemmingsplannen verplichte overgangsrecht is opgenomen. Bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een omgevingsvergunning voor het bouwen is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bebouwingsregels. De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen kan worden verleend. Burgemeester en wethouders kunnen in beginsel dus nog gewoon gebruik maken van hun handhavingbevoegdheid. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan mag eveneens worden voortgezet.

Slotregel
Dit artikel geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald.

Hoofdstuk 7 Financiële toelichting

Kostenverhaal
Uitgangspunt voor de beoogde ontwikkelingen is dat deze voor de gemeente budgetneutraal worden ontwikkeld. Op grond van artikel 6.12 lid 1 Wet ruimtelijke ordening (Wro) is de gemeenteraad van Overbetuwe verplicht om, als sprake is van een bouwplan, de gemeentelijke kosten te verhalen.

In dit geval is er sprake van een bouwplan, omdat er drie nieuwe woningen worden opgericht. Met de initiatiefnemer is daarom een anterieure overeenkomst afgesloten, waarin het kostenverhaal in voldoende mate gewaarborgd is. Ook is met de initiatiefnemer een planschadeovereenkomst afgesloten.

Financiële haalbaarheid
Er zijn geen onvoorziene hoge kosten te verwachten. Ook is er geen sprake van onzekere financiële bijdragen van anderen. De financieel-economische haalbaarheid is hiermee in voldoende mate aangetoond.

Hoofdstuk 8 Overleg en inspraak

8.1 Inleiding

De procedures voor vaststelling van een bestemmingsplan zijn door de wetgever geregeld. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties waar nodig overleg over het plan moet worden gevoerd voordat een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Bovendien kan het noodzakelijk zijn om belanghebbenden de gelegenheid te bieden om hun visie omtrent het plan te kunnen geven. Dit is afhankelijk van de inspraakverordening van de gemeente. Pas daarna kan de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van het bestemmingsplan van start gaan.

8.2 Inspraak

De Wro zelf bevat geen bepalingen over inspraak. Dat neemt niet weg dat het de gemeente vrij staat toch inspraak te verlenen op grond van de gemeentelijke inspraakverordening. In relatie daarmee bepaalt artikel 150 van de Gemeentewet onder meer dat in een gemeentelijke inspraakverordening moet worden geregeld op welke wijze personen en rechtspersonen hun mening kenbaar kunnen maken. Voor dit bestemmingsplan heeft, gezien de aard en kleinschalige omvang van de ontwikkelingen die met deze bestemmingsplanherziening mogelijk gemaakt zijn, geen inspraak plaatsgevonden.

8.3 Overleg

Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) geeft aan dat het bestuursorgaan dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg pleegt met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen. Ook moet overleg worden gepleegd met die diensten van provincie en Rijk, die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen, welke in het plan in het geding zijn. Er heeft in dit kader overleg plaatsgevonden met het waterschap, dat akkoord is met het plan.

8.4 Vaststellingsprocedure

De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan heeft plaatsgevonden volgens artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening. Het bestemmingsplan is in dit kader ter visie gelegd gedurende een periode van zes weken. Gedurende deze periode kon een ieder zijn zienswijzen kenbaar maken tegen het plan. Er is één zienswijze ingediend door 19 buurtbewoners. De zienswijze heeft geleid tot aanpassing van het bestemmingsplan. Figuur 3.1 in de toelichting verduidelijkt. Daarnaast is het inrichtingsplan gewijzigd en zijn, om een schutting mogelijk te maken, de bouwmogelijkheden voor erfafscheidingen voor de voorgevel verruimd. Ten slotte is de algemene afwijkingsbevoegdheid voor een hogere goot- en nokhoogte geschrapt in de planregels.

Het plan is op 7 mei 2019 vervolgens gewijzigd vastgesteld door de gemeenteraad.

8.5 Beroep

Na vaststelling wordt het bestemmingsplan voor de tweede maal zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Indien geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking.