direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Buitengebied, 1e Weteringsewal ongenummerd (ten oosten van nr. 6), Elst
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1734.0326BUIT1ewtwalong-ONT1

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Spoorbeheerder ProRail en de gemeente Overbetuwe zijn voornemens de overwegveiligheid te verbeteren aan het spoor in het noorden van Elst. In dat kader worden door de gemeente Overbetuwe twee gelijkvloerse spoorkruisingen in Elst omgevormd tot ongelijkvloerse kruisingen en wenst ProRail de twee tussenliggende onbewaakte spoorkruisingen op te heffen. Ook de staatsecretaris van Infrastructuur en Waterstaat kondigde vorig jaar aan dat er over uiterlijk vijf jaar geen onbewaakte spoorovergangen meer mogen zijn en dat deze beveiligd of opgeheven moeten worden.

Ten oosten van de spoorlijn Arnhem-Nijmegen ligt de huidige bedrijfswoning (van het agrarisch bedrijf aan de Rijksweg-Noord 105) met een aantal bedrijfsgebouwen en ten westen van het liggen de overige bedrijfsgebouwen. Planologisch gezien is sprake van twee aparte bedrijven en bouwvlakken. Door het sluiten van één van die onbewaakte kruisingen wordt een agrarisch bedrijf in tweeën gesneden door het spoor (zie afbeelding 1.1). Na de sluiting van de spoorovergang zijn de bedrijfsgebouwen aan de westkant niet meer bereikbaar. Daarom wenst de bedrijfseigenaar een woning met bijbehorende schuur aan de westkant van het spoor te realiseren. De woning ten oosten van het spoor blijft in gebruik als bedrijfswoning bij de opstallen aldaar. Voorliggend bestemmingsplan maakt de westelijke woning en een bijgebouw planologisch mogelijk.

Afbeelding 1.1 Situatietekening

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0326BUIT1ewtwalong-ONT1_0001.png"

1.2 Ligging plangebied

Het plangebied ligt aan de noordkant van Elst, in de Gelderse gemeente Overbetuwe tussen de steden Arnhem en Nijmegen. Zie afbeelding 1.2. Ten oosten van de spoorlijn Arnhem-Nijmegen ligt de huidige bedrijfswoning met een aantal bedrijfsgebouwen en ten westen van het spoor liggen de overige bijbehorende bedrijfsgebouwen. De locatie van de te realiseren bedrijfswoning ligt aan de 1e Weteringsewal, aan de zuidkant van de Linge.

Afbeelding 1.2 Ligging plangebied

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0326BUIT1ewtwalong-ONT1_0002.jpg"

1.3 Vigerend bestemmingsplan

De nieuw te realiseren bedrijfswoning ligt binnen het vigerende bestemmingsplan Park Lingezegen (onherroepelijk d.d. 19 juni 2013), binnen de bestemming 'Agrarisch - De Park'. Deze gronden zijn onder andere bestemd voor bestaande bedrijfswoningen (artikel 4.1b bestemmingsplanregels) en er is geen bouwvlak aangegeven op de verbeelding van het bestemmingsplan ter plaatse van het plangebied (afbeelding 1.3). Dat betekent dat het bestemmingsplan geen nieuwe (bedrijfs)woningen toelaat. Het bestemmingsplan biedt eveneens geen binnenplanse wijzigingsbevoegdheden of afwijkingsmogelijkheden om de nieuwe bedrijfswoning planologisch mogelijk te maken. Daarom wordt onderhavig bestemmingsplan opgesteld.

Afbeelding 1.3 Uitsnede bestemmingsplan Park Lingezegen met aanduiding locatie bedrijfswoning

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0326BUIT1ewtwalong-ONT1_0003.png"

1.4 Leeswijzer

In Hoofdstuk 2 van de toelichting worden de huidige situatie en de met dit plan voorgenomen ontwikkeling beschreven. Vervolgens wordt in Hoofdstuk 3 het beleidskader van het Rijk, de provincie Gelderland en de gemeente Overbetuwe uiteengezet. In Hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de omgevingsaspecten die voor dit plangebied relevant zijn. Hoofdstuk 5 beschrijft de juridische planopzet waarbij de verbeelding en de planregels worden toegelicht. In Hoofdstuk 6 volgt een beschrijving van de uitvoerbaarheid van het plan en tot slot wordt de bestemmingsplanprocedure beschreven in Hoofdstuk 7.

Hoofdstuk 2 Beschrijving plangebied

2.1 Huidige situatie

Het plangebied ligt aan de noordkant van Elst. Ten oosten van de spoorlijn Arnhem-Nijmegen, aan de Rijksweg-Noord, ligt de huidige bedrijfswoning en ten westen van het spoor ligt een deel van de bijbehorende bedrijfsgebouwen. De bedrijfsgebouwen zijn te bereiken via de NABO (Niet Actief Beveiligde Overweg), momenteel de enige ontsluiting. ProRail is echter voornemens om in het kader van de spoorveiligheid deze NABO op korte termijn te sluiten.

2.2 Planbeschrijving

Door het sluiten van de onbewaakte kruising wordt het agrarisch bedrijf aan de Rijksweg-Noord 105 in tweeën gesneden door het spoor. De woning aan de oostkant van het spoor blijft bereikbaar via de Rijksweg-Noord. Voor de bereikbaarheid van de stallen aan de westkant van het spoor wordt een nieuwe agrarische ontsluiting aangelegd, aansluitend op de 1e Weteringsewal met een brug over de Linge. Ter hoogte van de nieuwe brug wenst de eigenaar van het perceel een nieuwe bedrijfswoning en schuur te realiseren (zie afbeelding 2.1). De agrarische ontsluiting en de brug passen binnen het vigerende bestemmingsplan Park Lingezegen (onherroepelijk d.d. 19 juni 2013).

Het bestemmingsplan biedt echter geen mogelijkheden voor een nieuwe bedrijfswoning met bijbehorende schuur. De nieuwe bouwmogelijkheden, die in dit bestemmingsplan worden mogelijk gemaakt, zullen gecompenseerd worden bij de huidige bedrijfskavel, zie hiervoor de principesschets van afbeelding 2.2. Het oppervlak van het bouwvlak voor de toekomstige bedrijfswoning wordt in mindering gebracht op het bouwvlak van de huidige bedrijfsgebouwen. Het deel dat van het huidige bouwvlak afgehaald wordt, is in de huidige situatie nog niet bebouwd. De huidige bedrijfswoning (binnen bestemmingsplan Elst, Schil Westeraam A325) blijft in gebruik en houdt de bestemming Agrarisch.

Afbeelding 2.1 Schetsontwerp locatie bedrijfswoning inclusief agrarische ontsluiting

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0326BUIT1ewtwalong-ONT1_0004.png"

Afbeelding 2.2 Principeschets nieuw bestemmingsplan

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0326BUIT1ewtwalong-ONT1_0005.png"

Hoofdstuk 3 Beleidskader

3.1 Rijksbeleid

3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR)

De SVIR geeft een totaalbeeld van het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid op rijksniveau. Het Rijk kiest voor een selectieve inzet van rijksbeleid op dertien nationale belangen. Buiten deze belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. In de SVIR schetst het kabinet hoe Nederland er in 2040 uit moet zien: concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. De drie hoofddoelen voor de middellange termijn (2028) zijn:

  • het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland;
  • het verbeteren, in stand houden en ruimtelijk zeker stellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat;
  • het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn.

De Rijksoverheid richt zich op nationale belangen, zoals een goed vestigingsklimaat, een degelijk hoofdwegennet en waterveiligheid. Het ruimtelijk beleid en mobiliteitsbeleid worden meer aan provincies en gemeenten overgelaten.

De voorgenomen ontwikkeling sluit op kleine schaal aan bij het rijksbeleid. Het bedrijf krijgt een betere en veiligere bereikbaarheid, omdat de woning en bijbehorende gebouwen bereikbaar worden zonder het spoor te moeten oversteken. Dit resulteert in een meer leefbare en veiligere (woon)omgeving. De voorgenomen ontwikkeling past daarmee binnen het beleid van de SVIR.

3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening bevestigt in juridische zin de kaderstellende uitspraken uit de SVIR ten aanzien van de dertien daarin genoemde nationale belangen. Door de nationale belangen vooraf in bestemmingsplannen te borgen, wordt met het Barro bijgedragen aan de versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen en vermindering van de bestuurlijke drukte.

In de SVIR is het spoor in Elst (spoorverbinding Arnhem - Nijmegen) aangeduid als onderdeel van het bestaande landelijke hoofdspoorwegennet. In het Barro is aangegeven welke beperkingen er gelden met betrekking tot ruimtelijke plannen bij hoofdwegen en landelijke spoorwegen. Met het opstellen van dit bestemmingsplan moet rekening gehouden worden met de reserveringsgebieden en moeten belemmerende activiteiten voor nieuwe hoofdwegen en landelijke spoorwegen worden voorkomen. Het project ligt niet in een van de reserveringsgebieden die zijn aangewezen in de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening en daarmee is er geen sprake van de belemmering van een nationaal belang.

3.1.3 Besluit ruimtelijke ordening (Bro)

De ladder voor duurzame verstedelijking is een instrument voor efficiënt ruimtegebruik. Op 1 juli 2017 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd, waarbij een nieuwe laddersystematiek geldt. Deze regeling staat in artikel 3.1.6 Bro. Het bevoegd gezag moet voldoen aan een motiveringsvereiste als nieuwe stedelijke ontwikkelingen planologisch mogelijk worden gemaakt via een bestemmingsplan, uitwerkings- of wijzigingsplan, of een omgevingsvergunning. Zo bevat een dergelijk plan een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het plan een ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in de behoefte kan worden voorzien.

De laddertoets moet worden uitgevoerd wanneer sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Een stedelijke ontwikkeling is in het Bro gedefinieerd als een 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen'. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Mede aan de hand van jurisprudentie is duidelijk welke ontwikkelingen al dan niet worden aangemerkt als (nieuwe) stedelijke ontwikkeling.

Voorliggend bestemmingsplan voorziet in de planologische mogelijkheid één bedrijfswoning met bijgebouw bij een agrarisch bedrijf te bouwen. Gelet op het aantal woningen en de agrarische bestemming is er geen sprake van een stedelijke ontwikkeling in de zin van de ladder voor duurzame verstedelijking. Uit vaste jurisprudentie volgt dat voor een ontwikkeling van deze beperkte omvang - in dit geval één woning - geen laddertoets hoeft plaats te vinden.

De voorgenomen ontwikkeling die het bestemmingsplan mogelijk maakt, is dan ook in overeenstemming met de ladder voor duurzame verstedelijking.

3.2 Provinciaal beleid

3.2.1 Omgevingsvisie Gelderland

De Omgevingsvisie Gelderland (vastgesteld op 19 december 2018) richt zich formeel op een periode van tien jaar na vaststelling, maar wil ook een doorkijk bieden naar de langere termijn. Veel maatschappelijke vraagstukken zijn zo complex dat alleen een gezamenlijke inzet succesvol kan zijn. In de Omgevingsvisie zijn de opgaven voor Gelderland daarom in nauwe samenwerking met partners uitgedacht. Daarbij kijken de provincie en partners vanuit een integraal en internationaal perspectief naar Gelderland. Met deze bestuurlijke strategie kunnen voor Gelderland toekomstbestendige keuzes gemaakt worden.

De provincie heeft in de Omgevingsvisie twee provinciale hoofddoelen gedefinieerd:

  • een duurzame economische structuurversterking;
  • het borgen van de kwaliteit en veiligheid van onze leefomgeving.

De provinciale hoofddoelen zijn vertaald in drie provinciale ambities:

  • 'Divers Gelderland' betreft de regionale verschillen in maatschappelijke vraagstukken en opgaven en het koesteren van de regionale identiteiten. De ene regio heeft bijvoorbeeld andere regionale economische en culturele motoren dan de andere regio;
  • 'Dynamisch Gelderland' betreft de provinciale ambities die zich afspelen op met name ruimtelijk-economisch vlak, bijvoorbeeld wonen, werken, mobiliteit;
  • 'Mooi Gelderland' betreft de Gelderse kwaliteiten die bescherming danwel ontwikkeling nodig hebben en die tegelijk richting geven aan ontwikkelingen. Voorbeelden hiervan zijn cultuurhistorie, natuur, water en ondergrond.

De relevante provinciale ambitie waar dit bestemmingsplan op aansluit is 'Dynamisch Gelderland', aangezien de aanleiding van dit bestemmingsplan, het sluiten van de onbeveiligde spoorovergang, aansluit bij de provinciale ambities om het regionale mobiliteitsnetwerk te verbeteren en de verkeersveiligheid te verhogen.

Op het bedrijf ontstaat, door de bouw van de woning aan dezelfde kant van het spoor als de bedrijfsgebouwen, een veilige situatie, omdat er geen spoor meer overgestoken hoeft te worden om van de woning naar de overige bedrijfsgebouwen te komen. Dit resulteert in een meer leefbare en veiligere (woon)omgeving. De voorgenomen ontwikkeling past daarmee binnen het beleid van de Omgevingsvisie Gelderland.

3.2.2 Omgevingsverordening Gelderland

De Omgevingsverordening Gelderland wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch gewaarborgd is. Het gaat hierbij om regels op het gebied van ruimtelijke ordening, milieu, water, mobiliteit en bodem. De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal.

Voor het plangebied van dit bestemmingsplan gelden vier bepalingen uit de Omgevingsverordening Gelderland. Het gaat hierbij om:

  • een tijdelijk verbod op het realiseren van glastuinbouw (artikelen 2.4.7 en 2.4.8);
  • de bescherming als intrekgebied (artikel 2.6.3);
  • een verbod op nieuwvestiging van niet-grondgebonden veehouderijbedrijven (artikel 2.5.3), en;
  • de bescherming van gronden die onderdeel uitmaken van de Romeinse Limes (artikel 2.7.6).

Deze bepalingen en de verhouding tot het bestemmingsplan worden hieronder achtereenvolgens toegelicht.

Glastuinbouw
Allereerst is het tijdelijk verbod tot nieuwvestiging van glastuinbouw hier niet relevant, aangezien dit bestemmingsplan geen glastuinbouw toestaat.

Intrekgebieden
Ten tweede geldt dat ter plaatse van intrekgebieden geen bestemmingen worden toegestaan die de winning van fossiele energie toestaan. Daarvan is in dit geen bestemmingsplan geen sprake en is dus geen sprake van strijd met de Omgevingsverordening op dit punt.

Op de gronden van dit bestemmingsplan is de aanduiding 'milieuzone - intrekgebied' opgenomen. Deze gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming van de kwaliteit van de functie van de bodem en daarin aanwezige waterlagen ten behoeve van de drinkwatervoorziening. In de regels van dit bestemmingsplan wordt tevens verwezen naar de regels die hiervoor gelden vanuit de Omgevingsverordening Gelderland.

Niet-grondgebonden veehouderijbedrijven
Ten derde maakt dit bestemmingsplan geen nieuwvestiging van niet-grondgebonden veehouderijbedrijven mogelijk.

Romeinse Limes
Ten vierde maakt de ligging binnen de Romeinse Limes dat de kernkwaliteiten van dat cultuurhistorisch erfgoed niet mogen worden aangetast met de activiteiten die het bestemmingsplan mogelijk maakt. De Limes is de unieke, samenhangende en goed bewaard gebleven voormalige (militaire) grens van het Romeinse Rijk. De Limes ligt naast de toenmalige loop van de Rijn met archeologische overblijfselen uit de periode 0 tot 400 jaar naar Christus. Deze overblijfselen bestaan uit:

  • forten (castella), burgerlijke nederzettingen (kampdorpen/vici) en grafvelden;
  • militaire infrastructuur, bestaande uit wegen, waterwerken en wachttorens;
  • scheepswrakken.

Uit de Omgevingsverordening volgt dat het bestemmingsplan geen activiteiten mag toestaan die deze kwaliteiten aantasten. Door middel van het opnemen van de dubbelbestemming Waarde - Archeologische verwachting 2 worden mogelijke bijzondere kwaliteiten beschermd. Daarnaast stelt de Omgevingsverordening dat de toelichting op een bestemmingsplan - overeenkomstig het Besluit ruimtelijke ordening - een beschrijving bevat van de aanwezige cultuurhistorische waarden. Paragraaf 4.4 van deze toelichting gaat hierop in. Het planvoornemen past binnen de Omgevingsverordening Gelderland.

3.2.3 Gelders woonbeleid

Het Gelderse woonbeleid gaat uit van regionale woningmarkten. Geen van de partijen op de regionale woningmarkt is in staat alleen de huidige opgaven afdoende aan te pakken. Daarom promoot de provincie het werken met Regionale Woonagenda's. Woonprogrammering leent zich bij uitstek voor een aanpak in het kader van de Regionale Woonagenda. Binnen de door Gedeputeerde Staten vastgestelde kwantitatieve opgave wonen kunnen gemeenten en andere relevante partijen in de regio vervolgens gezamenlijk nagaan wat nodig is voor een goed functionerende regionale woningmarkt.

Vanwege het provinciale belang kiest de provincie ervoor dat in een bestemmingsplan nieuwe woonlocaties en de daar te bouwen woningen slechts worden toegestaan wanneer dit past binnen de geldende kaders. Het gaat hierbij om zowel het door Gedeputeerde Staten vastgestelde Kwalitatief Woonprogramma (KWP) als de kwantitatieve opgave wonen voor de betreffende regio. Zo kan de provincie optreden als de partijen in een regio zich niet beperken tot de overeengekomen aantallen of de gewenste woontypen realiseren. Het KWP 2010-2019 beschrijft per regio de programmatische opgave op basis van de geconstateerde regionale woningbehoefte. De provincie ondersteunt de totstandkoming van de (regionale) programmering met kennis en middelen (subsidies).

Dit bestemmingsplan voorziet in het toevoegen van één nieuwe bedrijfswoning. Deze woning past in kwantitatief opzicht in het vastgestelde woningbouwprogramma. De gemeente Overbetuwe heeft een rol in het opvangen van de regionale woningbehoefte door de toenemende druk vanuit het stedelijk gebied van Arnhem en Nijmegen. Uit de woningbouwopgave blijkt dat er tot 2020 nog ruimte is om circa 1.000 woningen te realiseren. Het toevoegen van één (bedrijfs)woning aan de woningvoorraad past binnen de woningbouwopgave.

Een van de uitgangspunten van het Woonprogramma is dat voor nieuwe woonlocaties eerst wordt gekeken naar inbreidings- en transformatiemogelijkheden. De ontwikkeling is geen inbreidingslocatie die direct aansluit op het bestaande stedelijke weefsel. Het is agrarisch gezien wel een inbreidingslocatie, de woning behoort tot bestaande bedrijfsopstallen en sluit qua opzet en locatie aan bij het omliggende agrarische gebied. Het bestemmingsplan past hierdoor zowel binnen het Kwalitatief als het Kwantitatieve Woonprogramma.

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Intergemeentelijke structuurvisie Park Lingezegen

Park Lingezegen beslaat delen van het grondgebied van de gemeente Overbetuwe en gemeente Lingewaard. Deze intergemeentelijke structuurvisie is door beide gemeenten vastgesteld voor zover het hun grondgebied betreft. Gemeente Overbetuwe stelde de visie vast op 22 maart 2011. In de structuurvisie wordt het beleid voor het plangebied van Park Lingezegen tot 2025 vastgelegd. Het is een strategisch document in het kader van de ruimtelijke ontwikkeling en vormt een leidraad voor de beoordeling van nieuwe plannen en initiatieven.

De structuurvisie kent verschillende deelgebieden. De voorgenomen ontwikkeling ligt in deelgebied De Park. Op de overgangsgronden van de kom naar de stroomrug, in het meest westelijke deel van het plangebied, wordt gestreefd naar het ontwikkelen van een kleinschalig en afwisselend mozaïeklandschap van lanen, bospercelen en weides. Landschappelijke verdichting van dit nu vrij open landschap zorgt voor een aantrekkelijk uitloopgebied. De realisatie van de bedrijfswoning in dit landschap draagt bij aan de landschappelijke verdichting. De voorgenomen ontwikkeling past daarmee binnen het beleid van de intergemeentelijke structuurvisie Park Lingezegen.

3.3.2 Omgevingsverordening Overbetuwe 2040

Op 1 oktober 2019 heeft de gemeenteraad van Overbetuwe de Omgevingsvisie Overbetuwe 2040 (hierna: Omgevingsvisie) vastgesteld. De Omgevingsvisie geeft de integrale koers en ambities van de gemeente Overbetuwe voor de fysieke leefomgeving voor de periode tot en met 2040 aan. De Omgevingsvisie is er primair op gericht om de kwalitiet van het leefmilieu te behouden en waar mogelijk te versterken. Samenwerking tussen verschillende partijen staat centraal en is noodzakelijk om deze doelen te bereiken. De visie is opgesteld vanuit een brede blik, waarbij ruimtelijke ordening, milieu, economie en bereikbaarheid met elkaar worden verbonden.

De gemeente onderscheidt een aantal kernwaarden die als vertrekpunt en inspiratiebron voor nieuwe ontwikkelingen dienen. Deze kernwaarden zijn ontstaat in het cultuurhistorisch gegroeide Betuwse rivierenlandschap. Kernwaarden zijn beschreven op het gebied van bodem en landschap, netwerk en infrastructuur en occupatie. De verschillende kernen in de gemeente kennen elk een eigen karakteristieke identiteit en waarden. Deze worden eveneens als leidraad voor nieuwe ontwikkelingen gehanteerd. Behoud van de karakteristiek en (specifieke) kwaliteiten van deze kernen en het buitengebied is een speerpunt in het beleid.

In de Omgevingsvisie wordt de focus gelegd op zes opgaven, waarbij per thema wordt de toekomstige ontwikkeling van de Overbetuwse leefomgeving beschreven:

  • 1. Vitaal buitengebied in beweging;
  • 2. Innovatieruimte voor ondernemerschap;
  • 3. Samen werken aan energietransitie;
  • 4. Gevarieerde dorpse woonomgeving;
  • 5. Netwerk verbonden met samenleving;
  • 6. Voorzieningen geclusterd.

Dit bestemmingsplan maakt één nieuwe woning mogelijk en draagt hiermee bij aan de gemeentelijke woningbouwopgave. Het plangebied ligt net in het buitengebied van Elst. In de Omgevingsvisie streeft de gemeente nadrukkelijk naar het beter zichtbaar en beleefbaar maken van de ruimtelijke en functionele relatie tussen de dorpen en het omliggende landelijk gebied. Op die manier wordt de overgang tussen kernen en buitengebied verbeterd. Zowel bij het opstellen van het Landschappelijk inrichtingsplan is het verbeteren van deze overgang nagestreefd. De voorgenomen ontwikkeling is daarmee in overeenstemming met de Omgevingsvisie Overbetuwe 2040.

3.3.3 Woonagenda Overbetuwe 2020

In de Woonagenda 2020 verwoordt de gemeente Overbetuwe haar doelen en ambities op het gebied van wonen. Als basis voor deze woonagenda is een opgavennotitie opgesteld. Deze woningmarktanalyse geeft zicht op huidige en toekomstige kansen en knelpunten en is het startpunt voor de uitwerking van de woonagenda. De woonagenda bevat geen gedetailleerd uitvoeringsprogramma, maar de koers waarbinnen de komende jaren plannen voor kernen en locaties kunnen worden uitgewerkt. De ontwikkelingen die de komende jaren afkomen op de gemeente (vergrijzing, gezinsverdunning) vragen om meer variatie in het woonaanbod. Over het algemeen zijn inwoners tevreden over hun woonsituatie. Niet voor iedereen is het echter even makkelijk om een woning naar wens te vinden. De gemeente wil over voldoende woningen met de juiste kwaliteit beschikken om huishoudens de gewenste stappen in hun wooncarrière te laten maken. Dat wil zeggen voor iedere stap in de levensloop een geschikt woonalternatief.

Accentpunten zijn:

  • aandacht voor urgente huisvestingsnood: inzetten op geschikte woningen voor bijzondere doelgroepen;
  • betaalbaarheid en beschikbaarheid: meer betaalbare huurwoningen beschikbaar;
  • wijs omgaan met de bestaande woningvoorraad: inzetten op verduurzaming;
  • een levensloopvriendelijke gemeente: langer thuis wonen en er op uit;
  • een gezonde woningmarkt in balans: prioriteren én versnellen van onze woningbouwplannen;
  • het aantal huishoudens binnen de gemeente neemt in de periode 2015-2040 naar verwachting toe met circa 2.250. Tot 2025 is een uitbreiding van de woningvoorraad met 1.400 woningen nodig voor het oplossen van bestaande tekorten en het opvangen van de autonome huishoudengroei.

Variatie in het woonaanbod is bij realisatie van nieuwbouw een speerpunt. De grootste vraag bestaat naar woningen voor starters en ouderen. Een ander uitgangspunt is dat nieuwe woningen zoveel mogelijk levensloopbestendig worden gebouwd. De gemeente legt het accent op het bestaande bebouwde gebied: kwaliteitsverbetering van de woningvoorraad en mogelijkheden voor inbreiding en intensivering, bijvoorbeeld door functieverandering. Daarnaast blijft nieuwbouw nodig om in te spelen op de ambities. Doel van de nieuwbouw is, naast het in de pas lopen met die groei van het aantal huishoudens, meer variatie in het woonaanbod te realiseren en beter aan te sluiten op de kwalitatieve behoefte.

Het gemeentelijk beleid als vastgelegd in de Woonagenda 2020, is gericht op kwaliteitsverbetering van de bestaande woningvoorraad en op mogelijkheden voor inbreiding en intensivering. De ontwikkeling is geen inbreidingslocatie die direct aansluit op het bestaande stedelijke weefsel. Het is agrarisch gezien wel een inbreidingslocatie, de woning behoort tot bestaande bedrijfsopstallen en sluit qua opzet en locatie aan bij het omliggende agrarische gebied. Onderhavig initiatief past binnen deze uitgangspunten, aangezien er sprake is van inbreiding in het bestaande agrarische gebied. Door de wijziging wordt de bestaande stedelijke ruimte optimaal gebruikt op een passende wijze. Daarmee past het plan in de beleidslijn van de Woonagenda.

In de Woonagenda heeft de gemeente haar woningbouwprogramma kwalitatief én kwantitatief vastgelegd voor de periode tot en met 2020. Overbetuwe heeft een rol in het opvangen van de regionale woningbehoefte door de toenemende druk vanuit het stedelijk gebied van Arnhem en Nijmegen. Uit de woningbouwopgave, die in hoofdstuk 8 van de Woonagenda is vastgelegd, blijkt dat er tot 2020 nog ruimte is om circa 1.000 woningen te realiseren. Kwalitatief is de behoefte aan de oostkant van de gemeente (waaronder Elst) gericht op de vleugels: een iets groeiende vraag naar huur en een sterk toenemende behoefte aan duurdere koop. De ene vrijstaande koopwoning waarin dit bestemmingsplan voorziet, past dan ook in het woonprogramma van Overbetuwe.

De ontwikkeling is in kwalitatieve en kwantitatieve zin in overeenstemming met de gemeentelijke Woonagenda.

Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten

4.1 Inleiding

De voorgenomen ontwikkeling wordt getoetst aan de geldende wet- en regelgeving, waarbij wordt bekeken of er sprake is van een goede ruimtelijke ordening en wordt ingegaan op de uitvoerbaarheid van het plan. Uit deze toetsing kunnen randvoorwaarden voor het plan voortkomen.

In dit hoofdstuk komen alle relevante omgevingsaspecten aan bod. Het gaat hierbij achtereenvolgens om:

  • 1. bodem;
  • 2. archeologie;
  • 3. cultuurhistorie;
  • 4. kabels en leidingen;
  • 5. niet-gesprongen explosieven;
  • 6. verkeer;
  • 7. luchtkwaliteit;
  • 8. geluid;
  • 9. natuur;
  • 10. water;
  • 11. externe veiligheid;
  • 12. bedrijven en milieuzonering;
  • 13. milieueffectrapportage.

4.2 Bodem

4.2.1 Beleid en normstelling

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijziging dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd.

Bodemonderzoeken mogen in de regel niet ouder dan vijf jaar zijn. Uitzondering hierop zijn de plannen waar de bodem niet verdacht is op bodemverontreiniging en/of bodemonderzoeken die de bodemkwaliteit voldoende weergeven en er geen onoverkomelijke problemen te verwachten zijn bij de bestemmingswijziging.

Indien er sprake is van bouwactiviteiten, is ook in het kader van de omgevingsvergunning onderzoek naar de kwaliteit van de bodem nodig.

4.2.2 Onderzoek

In opdracht van ProRail is door Witteveen+Bos (september 2019) een milieuhygiënisch (water)bodemonderzoek uitgevoerd conform de NEN 5740 respectievelijk de NEN 5720. Dit onderzoek is opgenomen in Bijlage 1.

Het doel van het uitvoeren van het bodemonderzoek is meerledig, te weten:

  • het vaststellen van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem (grond en grondwater) en de waterbodem;
  • bepalen of de actuele milieuhygiënische kwaliteit voldoet aan het huidige en toekomstige gebruik van de onderzoekslocatie;
  • bepalen of het aannemelijk kan worden geacht of er risico's voor de volksgezondheid en/of milieu aanwezig zijn;
  • bepalen of de milieuhygiënische kwaliteit een belemmering zou kunnen vormen voor de voorgenomen werkzaamheden.

Op afbeelding 4.1 is het globale onderzoeksgebied weergegeven. Dit omvat de realisatie van een brug over de Linge, een ontsluitingsweg naar de bedrijfsgebouwen en een sloot langs het spoor.

Afbeelding 4.1 (Globale) contour onderzoeksgebied (Bron: Esri Nederland)

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0326BUIT1ewtwalong-ONT1_0006.png"

4.2.3 Conclusie

Grond

Uit de resultaten is gebleken dat er in de grond ter plaatse van enkele deellocaties maximaal licht verhoogde gehalten aan zware metalen (nikkel, kwik, kobalt, koper en cadmium) en PAK zijn gemeten. Er zijn geen verhoogde gehalten aan bestrijdingsmiddelen gemeten. De gedempte sloot is niet in het veld- en chemisch onderzoek aangetoond. Voor de voorgenomen locatie van de woning geldt dat zowel de boven- als ondergrond indicatief ‘altijd toepasbaar’ is. De waterbodem is ‘verspreidbaar’ op aangrenzende percelen.

Voor alle deellocaties geldt dat er geen bodemvreemde bijmengingen zijn aangetroffen. Op basis van de resultaten kan worden geconcludeerd dat de grond maximaal licht verontreinigd is.

Grondwater

Uit de resultaten blijkt dat er maximaal licht verhoogde gehalten aan barium zijn gemeten. Van de overige gemeten parameters wordt de streefwaarde niet overschreden.

Op basis van de bovenstaande resultaten kan worden geconcludeerd dat de actuele milieuhygiënische kwaliteit van de bodem (grond en grondwater) voldoet aan het huidige en toekomstige gebruik van de onderzoekslocatie en geen belemmering vormt voor de voorgenomen werkzaamheden.

4.3 Archeologie

4.3.1 Beleid en normstelling

De bescherming van archeologisch en cultureel erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erfgoedwet is in de plaats gekomen van zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. Onderdelen van de Monumentenwet, die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving gaan naar de Omgevingswet, die naar verwachting in 2021 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is daartoe in de Erfgoedwet voor de periode 2016-2021 een overgangsregeling opgenomen.

De Erfgoedwet regelt onder andere de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem. Bij ingrepen waarbij de ondergrond wordt geroerd, dient te worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast. Archeologisch onderzoek zal moeten worden uitgevoerd indien sprake is van een archeologische trefkans of indien het plangebied niet is gekarteerd.

De gemeente Overbetuwe heeft voor haar gemeentelijk grondgebied een archeologische beleidsadvieskaart vervaardigd. De gemeente Overbetuwe beschermt archeologische waarden door bij de uitvoering van plannen rekening te houden met archeologische resten in het plangebied.

4.3.2 Onderzoek en conclusie

De gemeentelijke archeologische beleidsadvieskaart behorende bij de Erfgoedverordening gemeente Overbetuwe 2017 geeft inzicht in het bodemarchief van de gemeente Overbetuwe. Op basis van deze kaart is geconcludeerd dat het plangebied van de voorgenomen ontwikkeling zich in een gebied met een hoge archeologische verwachting bevindt, die noodzaakt tot inventariserend archeologisch onderzoek (IVO-protocol 2) als het bruto-oppervlak van de ingreep groter is dan 100 m² én de diepte van de ingreep dieper reikt dan 30 cm Mv. Zie afbeelding 4.2. Ter borging van de archeologische waarden is een onderzoeksverplichting opgenomen in de planregels van het bestemmingsplan middels een dubbelbestemming. Alvorens tot bouw van de woning wordt overgegaan, is onderzoek benodigd.

Afbeelding 4.2 Uitsnede archeologische beleidsadvieskaart Overbetuwe (Bron: Archeologisch beleid van de gemeente Overbetuwe RAAP-rapport 2003 kaartbijlage 2)

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0326BUIT1ewtwalong-ONT1_0007.jpg"

4.4 Cultuurhistorie

4.4.1 Beleid en normstelling

De bescherming van archeologisch en cultureel erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erfgoedwet is in de plaats gekomen van zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. Onderdelen van de Monumentenwet, die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving gaan naar de Omgevingswet, die naar verwachting in 2021 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is daartoe in de Erfgoedwet voor de periode 2016-2021 een overgangsregeling opgenomen. Uitgangspunt bij ruimtelijke ontwikkelingen is om het binnen een plangebied aanwezige cultuurhistorische erfgoed te behouden. Dit houdt in dat bescherming moet worden geboden aan de aanwezige Rijksmonumenten, provinciale en gemeentelijke monumenten.

Met als doel cultuurhistorische belangen te laten meewegen in de ruimtelijke ordening is per 1 januari 2012 het Besluit ruimtelijke ordening gewijzigd. Daarmee zijn gemeenten verplicht in een bestemmingsplan een beschrijving op te nemen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden rekening is gehouden. Dat betekent dat een analyse moet worden verricht naar de cultuurhistorische waarden in een bestemmingsplangebied en dat daar conclusies aan moeten worden verbonden die in een bestemmingsplan verankerd worden. De gemeente Overbetuwe heeft voor haar gemeentelijk grondgebied een erfgoedplan vervaardigd. Het erfgoedplan beoogt versterking van de plaats en betekenis van cultuurhistorie als factor in het ruimtelijk beleidsproces.

4.4.2 Onderzoek en conclusie

Het gebied waar de planlocatie in ligt, beschikt over tal van cultuurhistorische waarden van hoge kwaliteit. De cultuurhistorische waarden omvatten de ruimtelijke kwaliteit van het rivierenlandschap met de oeverwallen en komgronden, de monumenten, waaronder boerderijen, landhuizen, en het rijke bodemarchief.

Op afbeelding 4.3 is een uitsnede weergegeven van de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Gelderland. Hierop is de Linge aangegeven als lijn in het rivierenlandschap. Er zijn verder in het plangebied geen Rijks-, provinciale of gemeentelijke monumenten aanwezig. Er worden door de realisatie van de nieuwe bedrijfswoning geen monumenten aangetast.

Afbeelding 4.3 Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart (Bron: Provincie Gelderland)

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0326BUIT1ewtwalong-ONT1_0008.jpg"

Langs de Linge liggen verspreid meerdere wooneenheden. Ten westen van de voorgenomen planlocatie ligt reeds een woning met een brug over het water. De realisatie van de nieuwe bedrijfswoning ligt daarmee in lijn en doet geen afbreuk aan het cultuurhistorisch landschap. Er is eveneens een Landschappelijk inrichtingsplan opgesteld.

Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor dit bestemmingsplan.

4.5 Kabels en leidingen

Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden beschermd. Tevens dient rond dergelijke leidingen en verbindingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd:

  • 1. gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen en goederen;
  • 2. aardgas met een diameter groter of gelijk aan 18 inch;
  • 3. defensiebrandstoffen;
  • 4. warmte en afvalwater, ruwwater of halffabricaat voor de drink- en industriewatervoorziening met diameter groter of gelijk aan 18 inch.

In of nabij het plangebied zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig. Dit aspect levert dan ook geen belemmeringen op voor de realisatie van het plan.

4.6 Niet-gesprongen explosieven (NGE)

4.6.1 Beleid en normstelling

Bij de aanleg van het project is de kans aanwezig dat er niet-gesprongen explosieven (NGE) worden aangetroffen. Het gebied tussen Arnhem en Nijmegen, waaronder ook het plangebied, heeft tijdens de Tweede Wereldoorlog, in de periode september 1944 - april 1945, in de gevechtslinie gelegen. Uit die periode zijn mogelijk conventionele explosieven (CE) achtergebleven, die ontdekt kunnen worden bij bodemroerende activiteiten. Een deel daarvan kan nog steeds in de grond liggen.

Deze niet-gesprongen explosieven vormen een risico op het moment dat in de nabijheid van deze explosieven activiteiten in de bodem worden uitgevoerd. Als een gebied verdacht is van explosieven dient er een vervolgonderzoek te worden uitgevoerd door een gecertificeerd bedrijf.

4.6.2 Onderzoek en conclusie

Uit raadpleging van de gemeentelijke risicokaart NGE en overige gemeentelijke informatiesystemen blijkt dat er verschillende (sub)soorten NGE achtergebleven kunnen zijn in het plangebied. Er is daarmee sprake van een verhoogd risico op het aantreffen van conventionele explosieven. De conclusies van deze analyse zijn opgenomen in een risicoanalyse niet-gesprongen explosieven, die als Bijlage 2 is opgenomen.

NGE vormen een direct gevaar bij bodemroerende werkzaamheden. Om deze reden is een projectplan opgesteld, zodat tijdig de benodigde maatregelen kunnen worden getroffen om de werkzaamheden veilig uit te voeren. Het projectplan beschrijft de wijze waarop de noodzakelijke begeleidingswerkzaamheden gedurende de realisatie van de planning worden uitgevoerd. Het projectplan is eveneens opgenomen in Bijlage 3.

In het plangebied is mogelijk sprake van niet-gesprongen explosieven. De gemeente Overbetuwe committeert zich aan het treffen van de veiligheidsmaatregelen zoals opgenomen in het opgestelde projectplan gedurende de uitvoering van het project.

4.7 Verkeer

Als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling treden kleine wijzigingen op in het verkeerspatroon. De huidige woning is ontsloten op de Rijksweg-Noord, een doorgaande gebiedsontsluitingsweg met een maximumsnelheid van 80 km/uur. Er is geen parallelweg aanwezig, dus ook het landbouwverkeer vanuit het bedrijf maakt gebruik van deze weg.

In de toekomstige situatie worden de nieuwe bedrijfswoning en het erf ontsloten op de 1e Weteringsewal, een erftoegangsweg met een maximumsnelheid van 60 km/uur. De snelheid is hier relatief laag en het verkeer kan hier veilig gemengd worden. Het plangebied ligt in agrarisch gebied, landbouwverkeer is hier niet vreemd.

De intensiteit op de 1e Weteringsewal neemt licht toe, gezien de verplaatsing van verkeersbewegingen van de Rijksweg Noord naar de 1e Weteringsewal. Echter is dit minimaal, gezien het gaat om verkeer van één bedrijfswoning en het verkeer naar de stallen. De 1e Weteringsewal is ingericht op deze verandering. Het verkeer zal opgaan in het huidige verkeersmodel. De huidige infrastructuur zal het verkeer goed kunnen afwikkelen.

Het aspect verkeer vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.8 Luchtkwaliteit

4.8.1 Beleid en normstelling

In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. In de Wet milieubeheer (verder: Wm) zijn eisen opgenomen waaraan de luchtkwaliteit in de buitenlucht moet voldoen. Hierbij is onderscheid gemaakt in grenswaarden waaraan nu moet worden voldaan en grenswaarden waaraan in de toekomst moet worden voldaan. De meest kritieke stoffen zijn stikstofdioxide en fijnstof. Voor andere in de Wm genoemde stoffen, wordt in Nederland, behoudens bijzondere situaties, overal voldaan aan de vereisten.

Op grond van artikel 5.16 Wm stelt de gemeenteraad alleen een bestemmingsplan vast wanneer aannemelijk is gemaakt dat:

  • het bestemmingsplan niet leidt tot het overschrijden van de in de wet genoemde grenswaarden, of;
  • de luchtkwaliteit als gevolg van het vergunde plan per saldo verbetert of ten minste gelijkt blijft, of bij een beperkte toename, door een met de ontwikkeling samenhangende maatregel of effect, per saldo verbetert, of;
  • het bestemmingsplan niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van een stof waarvoor in de wet grenswaarden zijn opgenomen, of;
  • de ontwikkeling is opgenomen of past in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit.

In het vigerend bestemmingsplan (bestemmingsplan Park Lingezegen, 19 juni 2013), is vanuit het oogpunt van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer vastgesteld dat er geen grenswaarden worden overschreden (huidige situatie). Om de luchtkwaliteit te bepalen met de komst van de nieuwe woning (toekomstige situatie), kan de NIBM-tool gebruikt worden. De afkorting NIBM staat voor 'Niet in betekenende mate bijdragen' aan de luchtverontreiniging. Het gaat dan om een ruimtelijk project waarvan de bijdrage aan de luchtverontreiniging klein is. Dan is geen toetsing aan de grenswaarden luchtkwaliteit nodig.

Het doel van de NIBM-tool is:

  • bepalen of een plan niet-in-betekenende-mate bijdraagt aan de concentratie van een stof in de buitenlucht;
  • het vaststellen van grenzen voor het aantal extra voertuigbewegingen, dat niet zal leiden tot een concentratietoename die groter is dan de NIBM-grens.
4.8.2 Onderzoek en conclusie

Op onderstaande afbeelding is de NIBM-tool weergeven. Tot 1.365 extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde) is de bijdrage van het extra verkeer niet in betekenende mate. Eén bijkomende bedrijfswoning zal daardoor nooit in betekenende mate bijdragen aan extra verkeer of aan verslechtering van de luchtkwaliteit. Er is geen nader onderzoek benodigd.

Afbeelding 4.4 NIBM-tool

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0326BUIT1ewtwalong-ONT1_0009.jpg"


De extra woning zorgt nauwelijks voor een bijdrage van extra verkeer en daarmee niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. Meer onderzoek naar de luchtkwaliteit ten gevolge van de voorgenomen plannen is niet nodig. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor dit bestemmingsplan.

4.9 Geluid

4.9.1 Beleid en normstelling

De berekende geluidbelasting op de gevel wordt getoetst aan de wettelijke grenswaarden. Voor de geluidbron wegverkeer is de Wet geluidhinder (Wgh) van toepassing. Voor de geluidbron spoorwegverkeer is het Besluit geluidhinder (Bgh) van toepassing.

Wegverkeer
De voorkeurswaarde voor de geluidbelasting op de gevels bedraagt 48 dB volgens artikel 82, lid 1 van de Wet geluidhinder (Wgh). Nieuwbouw is zondermeer toegestaan als de geluidbelasting lager dan of gelijk aan deze waarde is. Als de geluidbelasting hoger is dan 48 dB, is nieuwbouw alleen mogelijk als hiervoor ontheffing wordt verleend. Burgemeesters en Wethouders van de gemeente Overbetuwe dienen dan een zogenoemde ‘hogere waarde’ vaststellen. Voor woningen in het buitengebied kan de hogere waarde maximaal 53 dB bedragen volgens artikel 83, lid 1 Wgh. Bij toepassing van het eerste lid met betrekking tot in buitenstedelijk gebied nog te bouwen woningen die nog niet zijn geprojecteerd en die ter plaatse noodzakelijk zijn vanwege de uitoefening van een agrarisch bedrijf, kan een hogere waarde worden vastgesteld die de waarde van 58 dB niet te boven mag gaan (art. 84 Wgh).

Railverkeer
Voor de beoordeling van geluid op bestaande woningen door railverkeer is de Wet geluidhinder niet van toepassing. De regels voor beperking van geluid staan sinds 1 juli 2017 in de Wet milieubeheer. Enkel voor de toetsing van de geluidbelasting op nieuwe woningen is de Wet geluidhinder nog van toepassing. De voorkeurswaarde voor de geluidbelasting op de gevels bedraagt 55 dB volgens artikel 4.9 van het Besluit geluidhinder (Bgh). Nieuwbouw is zonder meer toegestaan als de geluidbelasting lager dan of gelijk aan deze waarde is. Als de geluidbelasting hoger is dan 55 dB, is nieuwbouw alleen mogelijk als hiervoor ontheffing wordt verleend. Burgemeesters en Wethouders van de gemeente Overbetuwe dienen dan een hogere waarde vast te stellen. De hogere waarde kan maximaal 68 dB bedragen volgens artikel 4.10 van het Bgh.

Cumulatie
Als een woning een geluidsbelasting ondervindt van twee of meer soorten geluidsbronnen dan kan dat leiden tot cumulatie van geluid en een kans op toename van hinder. De Wet geluidhinder stelt daarom als eis dat als voor een woning de geluidsbelasting hoger is dan de streefwaarde voor dat soort geluid en voor deze woning een hogere waarde moet worden verleend, dat dan de totale gecumuleerde geluidsbelasting wordt vastgesteld en beoordeeld.

4.9.2 Onderzoek

Ten behoeve van het aspect geluid is een akoestisch onderzoek uitgevoerd (dBvision, oktober 2019). Dit is opgenomen in Bijlage 4. In deze toelichting is een samenvatting opgenomen van de resultaten.

Wegverkeerslawaai
Voor wegverkeer is de geluidbelasting het hoogste vanwege de 1e Weteringsewal. De geluidbelasting is daar maximaal 50 dB. Enkel op de noordgevel op 5,0 m waarneemhoogte wordt de voorkeurswaarde volgens de Wet geluidhinder van 48 dB overschreden. De geluidbelasting is echter lager dan de maximaal mogelijke ontheffingswaarde van 58 dB. De waarde van 50 dB is ook getoetst aan het geluidbeleid van de gemeente Overbetuwe. Voor de nieuwbouwlocatie geldt de gebiedstypering ‘dagrecreatie’. De ambitiewaarde voor wegverkeer is daarbij rustig (maximaal 43 dB) en de bovengrens onrustig (maximaal 53 dB). Er is wel een overschrijding van de ambitiewaarde, maar geen overschrijding van de bovengrens van 58 dB voor een agrarische gebonden bedrijfswoning.

Railverkeerslawaai
De geluidbelasting op de gevels is berekend met Standaardrekenmethode 2 volgens bijlage IV van het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012. Deze berekeningen zijn uitgevoerd met een driedimensionaal geluidmodel.

Voor railverkeer is de geluidbelasting vanwege het spoor maximaal 61 dB. Enkel op de noord- en de oostgevel wordt de voorkeurswaarde van 55 dB overschreden. Op de oostgevel is de geluidbelasting 61 dB, op zowel 1,5 als 5,0 m waarneemhoogte, en op de noordgevel is deze 60 dB, ook op zowel 1,5 als 5,0 m waarneemhoogte. De waarde van 60 en 61 dB is ook getoetst wordt aan het geluidbeleid van de gemeente Overbetuwe. Ook voor spoorverkeer is de ambitiewaarde rustig (maximaal 50 dB) en de bovengrens onrustig (maximaal 58 dB). Er is zowel een overschrijding van de ambitiewaarde als de bovengrens.

Cumulatie
Voor de beoordeling van de totale geluidsituatie is de gecumuleerde geluidsbelasting berekend. Daarbij is de rekenmethode uit Bijlage I van het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012 toegepast. Bij deze cumulatiemethode wordt eerst gecorrigeerd voor het verschil in hinderlijkheid van wegverkeer en railverkeer, voordat de berekende waarden worden opgeteld. Ook wordt de aftrek volgens art. 110g Wgh hierbij niet toegepast op de geluidbelasting vanwege het wegverkeer.

De gecumuleerde geluidbelasting is uitgedrukt op twee manieren: een waarde als wegverkeersgeluid (LVL,CUM) én een waarde als railverkeersgeluid (LRL,CUM). Uit de berekeningen blijkt dat de cumulatieve geluidbelasting op de noordgevel het hoogst is. De geluidbelasting LRL,CUM bedraagt daar 63 dB. De zuidgevel heeft voor geen van de geluidbronnen een overschrijding van de voorkeurswaarde. Ook is de cumulatieve geluidbelasting LRL,CUM op de zuidgevel niet hoger dan de voorkeurswaarde. De zuidgevel kan daarom geclassificeerd worden als geluidluwe gevel. Dit kan worden meegenomen bij de vaststelling van de hogere waarden.

4.9.3 Conclusie

Om nieuwbouw mogelijk te maken dienen Burgemeester en Wethouders van de gemeente Overbetuwe hogere waarden voor de geluidbelasting vast te stellen. De geluidbelasting vanwege wegverkeer is maximaal 50 dB en vanwege railverkeer maximaal 61 dB. De geluidbelastingen zijn niet hoger dan de wettelijk maximaal te ontheffen waarde. Het bestemmingsplan is uitvoerbaar op het aspect geluid.

4.10 Natuur

4.10.1 Beleid en normstelling

De Wet natuurbescherming regelt op hoofdlijnen drie zaken:

  • 1. bescherming van planten- en diersoorten;
  • 2. bescherming van de in het kader van Europees natuurbeleid aangewezen Natura 2000-gebieden;
  • 3. bescherming van bos en houtopstanden.

Voor onderhavig bestemmingsplan zijn alleen de soortenbescherming en gebiedsbescherming relevant.

Soortenbescherming

Ten aanzien van soortenbescherming maakt de Wet natuurbescherming onderscheid in drie categorieën:

  • vogels: dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels zoals bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn;
  • habitatrichtlijnsoorten: dit zijn soorten uit bijlage IV van de Habitatrichtlijn, bijlage I en II van het Verdrag van Bern en bijlage II van het Verdrag van Bonn;
  • andere soorten: dit zijn soorten die genoemd zijn in bijlage A van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om een aantal zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten.

Gebiedsbescherming

Natura-2000
De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn).

Natuurnetwerk Nederland
Het Natuurnetwerk Nederland, de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS), zorgt voor een aaneengesloten netwerk van natuurgebieden en natuurontwikkelingsgebieden die met elkaar verbonden worden door ecologische verbindingszones. In Gelderland is dit concept uitgewerkt tot het Gelders Natuurnetwerk (GNN). Dit GNN bestaat uit alle terreinen met een natuurbestemming binnen de voormalige EHS en bevat tevens een zoekgebied van 7.300 ha voor de te realiseren 5.300 ha nieuwe natuur.

Groene ontwikkelingszone
In de Groene ontwikkelingszone (GO) geldt een dubbeldoelstelling, er is ruimte voor (economische) ontwikkeling in combinatie met versterking van de ecologische samenhang. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Voor ontwikkelingen binnen de GO wordt onderscheid gemaakt tussen grootschalige en kleinschalige ontwikkelingen. Onderhavig project maakt onderdeel uit van een kleinschalige ontwikkeling.

4.10.2 Onderzoek en conclusie

Ten behoeve van het project is een natuurtoets opgesteld (Witteveen+Bos, juli 2019). Deze is opgenomen in Bijlage 5. Hieronder zijn per thema de conclusies opgenomen.

Soortenbescherming
Met betrekking tot soortenbescherming kan worden geconcludeerd dat er geen ontheffing Wet natuurbescherming benodigd is, mits de mitigerende maatregelen in acht worden genomen. Zie tabel 4.1.

Tabel 4.1 Samenvattende tabel

Soortgroep   Beschermde soorten in het plangebied of directe omgevings aanwezig?   Kans op overtreding verboden Wnb?   Gevolgen?   Ontheffing aanvragen Wnb?  
Vaatplanten   nee   nee   geen, wel zorgplicht   nee  
zoogdieren   ja, aanwezigheid van algemeen voorkomende zoogdiersoorten binnen en rondom het plangebied is niet uit te sluiten   nee, vrijstelling binnen provincie Gelderland   geen, wel zorgplicht   nee  
zoogdieren   ja, waarnemingen van eekhoorn en steenmarter in de wijdere omgeving van het plangebied   nee, geen essentieel leefgebied aanwezig   geen   nee  
vleermuizen   ja, waarnemingen van de volgende soorten; gewone dwergvleermuis en laatvlieger   ja, als vliegroutes en/of foerageergebied worden verstoord en daarmee lokale voortplantingsplaatsen negatief worden beïnvloed

Mogelijk aanwezige verblijfplaatsen in de opstallen van de aanwezige boerderij blijven met de werkzaamheden ongemoeid. Enige geluidsverstoring wordt bovendien overstemt door langsrijdende treinen  
vlieg- en foerageergebied:
niet tijdens actieve periode werken (actieve periode = schemer of ’s nachts maart -november);
of wel werken tijdens de actieve periode, maar een vleermuisonderzoek uitvoeren conform het vleermuisprotocol 2017 voor geschikte locaties.
Verblijfplaatsen:
Vervolgstappen zijn niet nodig  
vlieg- en foerageergebied: nee, mits mitigerende maatregelen in acht worden genomen
Verblijfplaatsen:
nee  
vogels   ja, geschikt broedgebied voor verschillende vogelsoorten   ja, indien broedgevallen opzettelijk worden verstoord of nesten worden vernietigd   drie mogelijkheden: buiten het broedseizoen werken;
vlak voor het broedseizoen inzetten en dan continue doorwerken, zodat vogels niet gaan broeden;
het plangebied voor het broedseizoen ongeschikt maken voor broedvogels  
nee, mitigerende maatregelen dienen in acht genomen te worden  
amfibieën   ja, het voorkomen van algemeen voorkomende soorten zoals gewone pad, bruine kikker en meerkikker is niet uit te sluiten   nee, vrijstelling binnen provincie Gelderland   geen, wel zorgplicht   nee  
amfibieën   ja, waarnemingen van rugstreeppad en poelkikker in de wijdere omgeving   nee, geen geschikt biotoop aanwezig   geen, wel zorgplicht   nee  
reptielen   nee   nee   geen, wel zorgplicht   nee  
vissen   nee   nee   geen, wel zorgplicht   nee  
dagvlinders, libellen en overige ongewervelde   ja, waarnemingen van sleedoornpage op twee km ten noorden van het plangebied   nee, geen geschikt biotoop aanwezig   geen, wel zorgplicht   nee  

N2000-gebieden

Directe effecten
De werkzaamheden vinden plaats buiten de contouren van het Natura 2000-netwerk. De Natura 2000-gebieden Rijntakken en Veluwe liggen op een zodanig grote afstand (meer dan vijf kilometer) dat directe effecten zoals oppervlakteverlies, geluid en optische verstoring op deze beschermde gebieden bij voorbaat zijn uitgesloten. Vervolgstappen (Voortoets) zijn ten aanzien van directe effecten niet nodig.


Indirecte effecten
In tegenstelling tot directe effecten kunnen indirecte effecten een grote reikwijdte hebben. Voorbeelden van mogelijke indirecte effecten zijn 'verzuring door stikstof uit de lucht', 'vermesting door stikstof uit de lucht' of 'verzoeting', 'verzilting', 'verdroging' of 'vernatting'. Indirecte effecten kenmerken zich doordat ze optreden door een aaneenschakeling van effecten. Als gevolg van de grote afstand en kleinschaligheid van het voornemen kunnen indirecte effecten 'verzoeting', 'verzilting', 'verdroging' of 'vernatting' binnen de omliggende Natura 2000-gebieden worden uitgesloten. Een verhoging van de stikstofemissie als gevolg van werkzaamheden met zwaar materieel en werktuigen kan potentieel resulteren in een (tijdelijk) verhoogde stikstofdepositie op grote afstand van de emissiebron. Echter, als gevolg van de zeer ruime afstand tussen het plangebied en de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden (5,5 tot 6 kilometer) en de kleinschaligheid van het voornemen kunnen significant negatieve effecten op stikstofgevoelige habitats in omliggende Natura 2000-gebieden bij voorbaat worden uitgesloten. Zodoende zijn vervolgstappen (Voortoets) ten aanzien van indirecte effecten ook niet nodig.


Groene ontwikkelzone
Voor het realiseren van de woning is een bestemmingsplanwijziging nodig. Het beschermingsregime van de Groene Ontwikkelzone (GO) geldt hier voor. Omdat de realisatie van de woning echter een kleinschalige ontwikkeling betreft, is geen nee-tenzij toets nodig (een nee-tenzij toets is enkel noodzakelijk wanneer er sprake is van een 'grootschalige ontwikkeling', zie paragraaf 3.2 Natuurtoets in bijlage V). Zodoende is een verdere beoordeling van het voornemen in het kader van het beschermingsregime GO niet nodig.

Geadviseerd wordt om wel te zorgen dat de realisatie van de woning een gunstig effect heeft op ecologie door toepassing van één of meerdere maatregelen. Deze maatregelen betreffen bovenwettelijke maatregelen. Mogelijke maatregelen betreffen het inbouwen van vleermuiskasten en nestkasten voor gebouwbroedende vogels op een hiervoor geschikte gevel van de woning. Door een strook grasland rondom de te realiseren woning in te zaaien met een bloemrijk kruidenmengsel, wordt de kwaliteit van het perceel voor de lokale ecologie versterkt. Op deze wijze zorgt het voornemen niet voor verslechtering, maar is sprake van verbetering van de ecologische kwaliteit van het perceel.

4.11 Water

4.11.1 Beleid en normstelling

De voorgenomen ontwikkeling kan effecten hebben op de waterhuishoudkundige situatie, zowel kwantitatief als kwalitatief. In Nederland is daarom de watertoets een verplicht onderdeel van elke ruimtelijke ontwikkeling. De watertoets is een procesinstrument en omvat de gehele procedure van elkaar vroegtijdig informeren, adviseren, gezamenlijk afwegen en uiteindelijk beoordelen van de waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten van zowel Rijk, provincies als gemeenten. De resultaten van de watertoets zijn opgenomen in deze waterparagraaf.

4.11.2 Onderzoek

Waterbeheer en watertoets
De initiatiefnemer dient in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over een ruimtelijk planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het waterschap Rivierenland, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. Als onderdeel van het bestemmingsplan is de watertoets uitgevoerd, hetgeen bestaat uit het in beeld brengen van de huidige waterhuishoudkundige situatie, het afstemmen met het waterschap over de uitgangspunten en het in beeld brengen van de effecten en het toetsen van de ontwikkeling. De bijbehorende rapportage is opgenomen als Bijlage 6.

Waterschapsbeleid
Het Waterbeheerplan 2016-2021, vastgesteld op 27 november 2015 door het Algemeen Bestuur van het Waterschap Rivierenland, gaat over het waterbeheer in het hele rivierengebied en het omvat alle watertaken van het waterschap: waterkwantiteit, waterkwaliteit, waterkering en waterketen. In het Waterbeheerplan staat wat Waterschap Rivierenland de komende periode gaat doen om inwoners van het rivierengebied veiligheid en voldoende schoon en mooi water in sloten en plassen te kunnen blijven bieden. Het plan is in samenwerking met onder meer de gemeente Overbetuwe opgesteld.

4.11.3 Conclusie

Als gevolg van het project neemt het verhard oppervlak toe en dient er gecompenseerd te worden door het graven van water. Dit wordt gecompenseerd met een bermsloot die in de nabijheid van de bedrijfsgebouwen wordt gegraven. Bij het graven van watergangen en het aanleggen van kunstwerken, zoals duikers, gelden de regels van het waterschap. Daarnaast dient een vergunning te worden aangevraagd bij het waterschap voor aanpassingen aan het bestaande watersysteem, dit op grond van de Keur. Het aspect Water vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.12 Externe veiligheid

4.12.1 Inleiding

Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de veiligheidsrisico’s in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze externe veiligheidsrisico’s dienen te worden beoordeeld voor twee risiconormen, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Voor beide risiconormen geldt dat hoe groter de afstand tussen planontwikkeling en risicobron, des te kleiner zal de impact van het plan zijn op de hoogte van het risico.

Plaatsgebonden risico
Het plaatsgebonden risico heeft tot doel om hetzelfde minimale beschermingsniveau te bieden voor iedere burger in Nederland. Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.), waarbij de 10-6 contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde is.

Groepsrisico
Het groepsrisico is een afwegingsinstrument dat tot doel heeft een bewuste afweging te stimuleren over het risico op een ongeval met een groot aantal slachtoffers. Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, waarin de kans op overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het groepsrisico geldt de oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm).

Voor elke verandering van het groepsrisico (af- of toename) in het invloedsgebied moet verantwoording worden afgelegd, over de wijze waarop de toelaatbaarheid van deze verandering in de besluitvorming is betrokken.

Samen met de hoogte van groepsrisico moeten andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer.

4.12.2 Planbeoordeling

De ontwikkeling betreft het realiseren van één agrarische woning aan de 1e Weteringsewal te Elst. Op basis van de risicokaart van de provincie Gelderland is een inventarisatie gemaakt van de risicobronnen in en rondom het plangebied, die een extern veiligheidsrisico kunnen veroorzaken. Op afbeelding 4.5 is een uitsnede opgenomen van de provinciale risicokaart.

Afbeelding 4.5 Uitsnede risicokaart (geraadpleegd 17-09-2019) met het plangebied in zwarte cirkel

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0326BUIT1ewtwalong-ONT1_0010.png"

De informatie van de provinciale risicokaart levert de volgende inzichten op:

  • Het plangebied ligt op circa 3.800 meter van de Betuweroute en langs de spoorlijn Arnhem – Nijmegen. De nieuw te realiseren woning ligt op circa 210 meter van de laatst genoemde spoorlijn. Over beide transportassen vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Op basis van de regeling basisnet en de provinciale risicokaart is vastgesteld dat plaatsgebonden risicocontour 10-6 van beide risicobronnen niet over het plangebied ligt.
  • Ten aanzien van het groepsrisico is het plangebied gelegen in het invloedsgebied van de Betuweroute en spoorlijn Arnhem – Nijmegen. Ontwikkelingen binnen het invloedsgebied hebben mogelijk invloed op de hoogte van het groepsrisico. Echter is de afstand tussen het plan en de beide risicobronnen dermate groot (groter dan 200 meter), dat de wetgever heeft aangegeven dat het groepsrisico alleen beperkt verantwoord hoeft te worden. Hierdoor hoeft niet de hoogte van het groepsrisico in beeld gebracht te worden, maar enkel nog de aspecten zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid.

4.12.3 Verantwoording groepsrisico

Het plan is gelegen in het invloedsgebied groepsrisico van verschillende externe veiligheidsrisicobronnen. Conform vigerende wetgeving moet de gemeente hierdoor het groepsrisico verantwoorden. Meer specifiek gaat om de wettelijke verplichting op grond van Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) artikel 7 en 9 vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over beide spoorlijnen. De gemeente heeft bij het invullen van de verantwoordingsplicht een grote mate van beoordelingsvrijheid. Ten aanzien van de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid heeft de veiligheidsregio adviesrecht. Hierop heeft de Veiligheids en Gezondheidsregio Gelderland Midden (VGGM) op 9 oktober 2019 (kenmerk: 191009-0013) het volgende geadviseerd:

‘Het plangebied ligt binnen de effectafstand van het relevante scenario toxische wolk. Het plan levert een kleine wijziging op van het aantal aanwezigen. Het ligt in de verwachting dat zij zichzelf in veiligheid kunnen brengen, mits geïnformeerd en tijdig gewaarschuwd. Gezien de afstand tot de risicobron is voor het plan het binnenhuis schuilen waarschijnlijk het te adviseren handelingsperspectief voor de scenario’s. In het kader van de verantwoording groepsrisico zie ik geen aanleiding om te adviseren over rampenbestrijding en zelfredzaamheid.’

Hieronder een beschouwing van de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid.

Bestrijdbaarheid
Bij een calamiteit zal de brandweer zich inzetten om effecten ten gevolge van het incident met toxische stoffen te beperken. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron. De brandweer richt zich dan niet direct op het bestrijden van effecten in of nabij het plangebied. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen.

Zelfredzaamheid
Bij een calamiteit is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij een incident. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwings/ en alarmeringspalen (WAS palen) of NL/alert. Bij een scenario waarin toxische stoffen vrijkomen, is het advies om te schuilen in een gebouw, waarvan ramen, deuren en ventilatie gesloten kunnen worden. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid zijn voldoende.

4.12.4 Conclusie

Het plan ligt buiten de plaatsgebonden risicocontour 10-6 van een inrichting, buisleiding en transportroute met externe veiligheidsrisico. De plaatsgebonden risicocontour van de diverse risicobronnen vormt geen belemmering voor de realisatie van het plan.

Ten aanzien van het groepsrisico ligt het plan in het invloedsgebied van de Betuweroute en de spoorlijn Arnhem – Nijmegen. Op basis van de beperkte verantwoording groepsrisico (zie hierboven) kan worden geconcludeerd dat het ruimtelijke initiatief geen significant effect heeft op het groepsrisico, dan wel de mogelijkheden voor rampenbestrijding en zelfredzaamheid. Daarmee is het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de realisatie van het initiatief.

4.13 Bedrijven en milieuzonering

4.13.1 Beleid en normstelling

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies, zoals woningen:

  • ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd;
  • rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven.

Om in de bestemmingsregeling de belangenafweging tussen bedrijvigheid en woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustig buitengebied'. Bij een gemengd gebied kunnen de richtafstanden met één afstandsstap worden verlaagd.

4.13.2 Onderzoek en conclusie

De planlocatie ligt in agrarisch gebied. Voor de VNG-categorie 'Landbouw en dienstverlening ten behoeve van landbouw' is de grootste richtafstand 200 meter, voor pluimveehouderijen en nertsenfokkerijen. Deze zijn niet aanwezig in de nabijheid van het plangebied, in ieder geval niet binnen 200 meter. De overige aanwezige bedrijven liggen ook allemaal op een afstand van 200 meter of meer, terwijl daarbij de richtafstand kleiner is (100 meter of lager). De toekomstige bedrijfswoning tast daarmee de milieuruimte van omliggende bedrijven niet aan en ter plaatse van de woning kan een goed woon- en leefmilieu worden gegarandeerd.

Het aspect bedrijven en milieuhinder staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.

4.14 Milieueffectrapportage

4.14.1 Beleid en normstelling

Een milieueffectrapportage (m.e.r.) is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid die kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Er zijn twee onafhankelijke scenario's die kunnen leiden tot een m.e.r.-plicht. Bepalend hierbij is de activiteit waarop het plan of besluit betrekking heeft. In volgorde van frequentie van voorkomen:

  • toetsing aan het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.);
  • in het geval van een plan: toetsing of een passende beoordeling in het kader van de Wet natuurbescherming voor dit plan verplicht is, vanwege hierin opgenomen activiteit(en). In dit geval is het plan mogelijk m.e.r.-plichtig.
4.14.2 Onderzoek en conclusie

Het Besluit m.e.r. wijst activiteiten aan waarvoor (naar gelang de omvang van de activiteit) een MER, een m.e.r.-beoordeling of een vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te worden opgesteld. Hierbij wordt het volgende afgewogen:

  • past een activiteit in de beschrijving van de zogenaamde C-lijst dan dient altijd een MER te worden opgesteld;
  • past een activiteit in de beschrijving van de zogenaamde D-lijst dient een zogenaamde m.e.r.-beoordeling te worden opgesteld. Bij een m.e.r.-beoordeling wordt onderzocht of er al dan niet een MER dient te worden opgesteld;
  • voor activiteiten die in de D-lijst zijn opgenomen, maar onder de drempelwaarde (betreffende de omvang van de activiteit) vallen, geldt de vergewisplicht. Het bevoegd gezag, de gemeente Overbetuwe, dient zich er dan van te vergewissen dat de voorgenomen activiteit daadwerkelijk geen aanzienlijke milieugevolgen heeft. Het bevoegd gezag moet haar keuze om geen m.e.r. beoordeling uit te voeren motiveren in de toelichting van het plan/besluit. Hiervoor wordt een zogenaamde vormvrije m.e.r.-beoordeling opgesteld.

De voorgenomen activiteit, te weten het realiseren van een woning, is niet opgenomen in de C- en D-lijst van het Besluit m.e.r.. Het opstellen van een MER of (vormvrije) m.e.r.-beoordeling is daarmee niet van toepassing. In deze toelichting is verder onderbouwd dat het plan geen aanzienlijke milieugevolgen heeft.

Er hoeft voor het plan geen passende beoordeling opgesteld te worden, dit leidt eveneens niet tot het opstellen van milieueffectrapportage.

Hoofdstuk 5 Juridische planbeschrijving

5.1 Algemeen

5.1.1 Wat is een bestemmingsplan?

Het bestemmingsplan bestaat uit een toelichting, planregels en een verbeelding. De planregels en de verbeelding zijn juridisch bindend. Het bestemmingsplan is een middel waarmee functies aan gronden worden toegekend. Het gaat dus om het toekennen van gebruiksmogelijkheden. Het wordt de grondgebruiker (eigenaar, huurder et cetera) toegestaan om de functie die het bestemmingsplan geeft uit te oefenen. Dit houdt in dat:

  • de grondgebruiker niet kan worden verplicht om een in het bestemmingsplan aangewezen bestemming ook daadwerkelijk te realiseren;
  • de grondgebruiker geen andere functie mag uitoefenen in strijd met de gegeven bestemming (de overgangsbepalingen zijn hierbij mede van belang).

Een afgeleide van de gebruiksregels in het bestemmingsplan zijn regels voor bebouwing (omgevingsvergunning tot bouwen) en regels voor het verrichten van 'werken' (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden).

Een bestemmingsplan regelt daarnaast:

  • 1. het toegestane gebruik van gronden (en de bouwwerken en gebouwen);
  • 2. en een bestemmingsplan kan daarbij regels geven voor:
  • het bebouwen van de gronden;
  • het verrichten van werken (aanleggen).

Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument voor het voeren van ruimtelijk beleid, maar het is zeker niet het enige instrument. Andere ruimtelijke wetten en regels zoals de Woningwet, de Erfgoedwet, de Algemene Plaatselijke Verordening en de Wet milieubeheer zijn ook erg belangrijk voor het uitoefenen van ruimtelijk beleid.

5.1.2 De verbeelding

Op de verbeelding wordt aangegeven welke bestemming gronden hebben. Dit gebeurt via een bestemmingsvlak. Voor het op de verbeelding aangegeven bestemmingsvlak gelden de gebruiksmogelijkheden, zoals die in de regels zijn opgenomen. De toegekende gebruiksmogelijkheden kunnen met behulp van een aanduiding nader worden ingevuld. Een aanduiding is een teken op de verbeelding. Dat teken kan bestaan uit een lijn, een figuur of een lettercode et cetera. Via een aanduiding wordt in de regels 'iets' geregeld. Dat 'iets' kan betrekking hebben op extra mogelijkheden of extra beperkingen voor het gebruik en/of de bebouwing en/of het aanleggen van werken. Aanduidingen kunnen voorkomen in een bestemmingsregel, in meerdere bestemmingsregels en kunnen ook een eigen regel hebben.

5.1.3 De planregels

De planregels zijn verdeeld in vier hoofdstukken:

  • 1. inleidende regels; in dit hoofdstuk worden begrippen verklaard die in de regels worden gebruikt (artikel 1 van de planregels). Dit gebeurt om een eenduidige uitleg en toepassing van de regels te waarborgen. Ook is bepaald de wijze waarop gemeten moet worden bij het toepassen van de regels (artikel 2 van de planregels);
  • 2. bestemmingsregels; in dit tweede hoofdstuk zijn de bepalingen van de bestemmingen opgenomen. Dit gebeurt in alfabetische volgorde. Per bestemming is het toegestane gebruik geregeld en zijn bouwregels en gebruiksregels opgenomen. Als er dubbelbestemmingen zijn, dan worden deze ook in dit hoofdstuk opgenomen. Die komen, ook in alfabetische volgorde, achter de bestemmingsbepalingen. Ieder artikel kent een vaste opzet. Eerst wordt het toegestane gebruik geformuleerd in de bestemmingsomschrijving. Vervolgens zijn bouwregels en gebruiksregels opgenomen die specifieker ingaan op bijvoorbeeld de bouwhoogte, situering van gebouwen en de toegestane functies. Aansluitend worden afwijkingsbevoegdheden met betrekking tot bouw- en/of gebruiksregels opgenomen. In een enkel geval worden ruimere mogelijkheden geboden door het toepassen van een wijzigingsbevoegdheid. Belangrijk om te vermelden, is dat naast de bestemmingsplanbepalingen ook in andere artikelen relevante informatie staat die mede gelezen en geïnterpreteerd moet worden. Alleen zo ontstaat een volledig beeld van hetgeen is geregeld;
  • 3. algemene regels; in de laatste twee hoofdstukken zijn bepalingen opgenomen met een algemeen karakter. Deze bepalingen hebben betrekking op het gehele plan. Het betreffen achtereenvolgens algemene regels, zoals een anti-dubbeltelregel, algemene gebruiksregels, algemene aanduidingsregels, algemene afwijkingsregels en algemene wijzigingsregels;
  • 4. overgangs- en slotregels; in het laatste hoofdstuk zijn het overgangsrecht en een slotregel opgenomen. Hoewel het hier in wezen ook algemene regels betreft, zijn deze vanwege hun meer bijzondere karakter in een apart hoofdstuk opgenomen.

5.2 Dit bestemmingsplan

Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding en de regels vormen tezamen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. Een toelichting op de bestemmingen is hierna opgenomen.

De toelichting van het bestemmingsplan heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan bevat een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan.

5.2.1 Bijzonderheden in dit bestemmingsplan

De regels in dit bestemmingsplan zijn opgezet aan de hand van hetgeen hierboven is beschreven. Tevens is aangesloten bij de meest actuele landelijke standaarden voor de regels en de verbeelding, te weten de SVBP2012 (Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012) en IMRO2012 (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening 2012). Qua inhoud en opzet is aangesloten bij recente bestemmingsplannen uit de omgeving, zoals het bestemmingsplan 'Park Lingezegen' dat op 19 juni 2013 is vastgesteld alsmede het bestemmingsplan 'Elst, Spoorkruising 1e Weteringsewal en kruising Ceintuurbaan' dat op 26 februari 2019 is vastgesteld door de raad van de gemeente Overbetuwe.

5.2.2 Bestemmingen

Agrarisch - De park

Bewerken en verwerken van agrarische producten
In het bestemmingsplan is opgenomen dat met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bestemmingsplan voor het toestaan van het bewerken en/of verwerken van ter plaatse geproduceerde agrarische producten, waarbij het bebouwde oppervlakte ten behoeve van deze functies niet meer dan 350 m2 mag bedragen.

Regeling voor werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden
Behoud en bescherming van de karakteristieke landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarden zijn belangrijk om in het plangebied te regelen. Zo blijft het landschap herkenbaar en behoudt het zijn eigen karakteristiek.

De karakteristieke landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarden worden in dit bestemmingsplan beschermd middels regelingen voor werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden. Hierbij wordt het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden gekoppeld aan een omgevingsvergunning ten behoeve van het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden (hierna: omgevingsvergunning ex art. 3.3 onder a Wro). Dit houdt in dat ingrepen die kunnen leiden tot aantasting van de gebiedskwaliteiten vooraf worden getoetst. Hiermee wordt vooraf een afweging gemaakt of de ingreep kan worden uitgevoerd met behoud van de aanwezige waarden.

Normaal onderhoud en beheer van gronden binnen een bepaalde gebiedsbestemming zijn uitgesloten van de verplichting om deze met een omgevingsvergunning ex art. 3.3 onder a Wro uit te voeren. Dit geldt ook voor werkzaamheden die binnen het bouwvlak plaatsvinden. Wel kan er nog een omgevingsvergunning - uitvoeren van werken benodigd zijn vanwege de archeologische dubbelbestemming.

Gekoppeld bouwvlak
Voor de gekoppelde locatie, bestaande uit twee juridisch verbonden bouwvlakken, is een aantal randvoorwaarden juridisch vertaald op de verbeelding en in de regels. De gronden hebben de bestemming Agrarisch. De beide bouwvlakken zijn met behulp van de aanduiding 'relatie' juridisch verbonden, dat wil zeggen dat er sprake is van één bouwvlak, waarbinnen overigens – per locatie - wel verschillende aanduidingen van toepassing kunnen zijn.

De vorm en ligging van het toe te kennen bouwvlak vormt individueel maatwerk. De bedrijfswoning met bijbehorende bouwwerken dient binnen het bouwvlak te worden opgericht. Als compensatie voor het toekomstige bouwvlak ter plaatse van de bedrijfswoning, zal het bestaande bouwvlak ter plaatse van bestaande de bedrijfsgebouwen worden verkleind. Zie ook afbeelding 2.2.

Bouwwerken op het bouwvlak 
Op het agrarisch bouwvlak zijn de volgende bouwwerken toegestaan:

  • één bedrijfswoning;
  • een bijgebouw bij de bedrijfswoning;
  • bedrijfsgebouwen.

Binnen de functieaanduiding 'dierverblijven' is het niet toegestaan gronden te gebruiken voor dierverblijven.

Bedrijfswoning
In dit bestemmingsplan wordt een nieuwe bedrijfswoning mogelijk gemaakt. De maximale inhoudsmaat voor een bedrijfswoning bedraagt 600 m3.

Omschakeling naar een niet-grondgebonden agrarisch bedrijf of een grondgebonden glastuinbouwbedrijf 
Omschakeling naar solitair gelegen glastuinbouwbedrijven is, op grond van het geldende beleid, niet toegestaan en wordt dan ook niet mogelijk gemaakt in dit bestemmingsplan.

Omschakeling naar intensieve veehouderij is gelet op de beoogde ontwikkelingsrichting van Park Lingezegen niet wenselijk. Dit wordt dan ook niet mogelijk gemaakt in dit bestemmingsplan.

Omschakeling naar andere vormen zoals champignon- en witlofteelt wordt gezien als nieuwvestiging van niet-grondgebonden agrarische bedrijvigheid. De bedrijfsgebouwen die bij deze bedrijven noodzakelijk zijn voor de bedrijfsvoering hebben namelijk geen relatie met de oppervlakte landbouwgrond. De omschakeling naar deze vormen van agrarische bedrijvigheid zijn niet aan het buitengebied gebonden en daarmee niet wenselijk. Op grond van dit beleidsuitgangspunt wordt dit niet toegestaan.

Veranderen/vergroten bouwvlak
In het plan is een regeling opgenomen om de begrenzing van het agrarisch bouwvlak van grondgebonden landbouwbedrijven onder voorwaarden te veranderen en/of te vergroten. Dit kan noodzakelijk zijn bij groei van een agrarisch bedrijf. Hierbij mag na afwijking of wijziging het agrarisch bouwvlak niet meer bedragen dan 1,5 ha. Daartoe zijn de volgende bevoegdheden opgenomen.

Wijzigingsbevoegdheid voor het veranderen en/of vergroten van agrarische bouwvlakken is mogelijk tot maximaal 1,5 ha. Dit kan aan de orde zijn als bedrijven willen groeien en er daarmee concrete uitbreidingsplannen bestaan. Een dergelijke uitbreiding kan alleen als dit noodzakelijk is voor het bedrijf en mag alleen als het agrarisch bouwvlak compact blijft. Ook hierbij geldt dat er geen aantasting mag plaatsvinden van waarden, functies en belangen in de omgeving. Middels het overleggen van een landschapsplan moet de ruimtelijke inpassing worden aangetoond. Deze wordt getoetst aan de landschappelijke doelstellingen voor Park Lingezegen die zijn opgenomen in de structuurvisie.

Bij bedrijfsbeëindiging agrarische bestemming omzetten in woonbestemming met bestaande aantal woningen 
Nadat een agrarisch bedrijf is beëindigd, kan de voormalige agrarische bedrijfswoning een woonbestemming krijgen. Hierbij geldt dat het aantal aanwezige woningen niet mag worden vergroot. De karakteristiek van het gebouw en de complexiteit van het (voormalige) boerenerf alsmede de landschappelijke kenmerken dienen zoveel als mogelijk behouden te blijven. Dit zorgt er mede voor dat het agrarisch landschap herkenbaar blijft. Het agrarisch bouwvlak wordt gedeeltelijk van de verbeelding afgehaald en het nieuwe bestemmingsvlak voor de bedrijfswoning wordt toegevoegd, dat kleiner is dan het oorspronkelijke agrarisch bouwvlak dat wordt verwijderd. Daarnaast mag er geen onevenredige aantasting plaatsvinden van in de omgeving aanwezige waarden, functies en belangen. Verder moet de uitvoerbaarheid van de wijziging onderzocht worden ten aanzien van de relevante ruimtelijke en milieuthema's.

Inwoning
Inwoning wordt gedefinieerd als het bewonen van één woning voor twee of meer huishoudens met gemeenschappelijk gebruik van één of meerdere voorzieningen of (verblijfs)ruimten van die woning en waarbij de woning één hoofdtoegang behoudt en de voorzieningen c.q. (verblijfs)ruimten onderling vrij toegankelijk zijn. In een groot aantal gevallen groeit deze vorm van bewoning uit tot een eigen vorm van bewoning waarbij beide wooneenheden elk hun eigen voorzieningen hebben. In principe wordt inwoning bij recht toegestaan binnen de bestemmingen waar volgens de regels woningen zijn toegestaan/bestemd. Een gedeelte van de bestaande woning wordt ingericht voor een afzonderlijk huishouden, waarbij geldt dat er geen geheel zelfstandige tweede woning wordt gerealiseerd, ook niet op termijn. Nieuwbouw ten behoeve van inwoning wordt niet toegestaan. Er is dan ook geen tweede woning bestemd, of een aanduiding voor inwoning opgenomen.

Mantelzorg
Mantelzorg kan een oplossing zijn om ouderen en hulpbehoevenden langer in hun eigen omgeving te laten wonen en verblijven. Om mantelzorg mogelijk te kunnen maken is in het bestemmingsplan een afwijkingsbevoegdheid opgenomen binnen de bestemmingen waar volgens de regels woningen zijn toegestaan/bestemd. Bij mantelzorg dient altijd sprake te zijn van een afhankelijke woonruimte. Deze afhankelijke woonruimte mag worden ingericht in het hoofdgebouw of in een bestaand bijgebouw (maximaal 75 m2) dat op geringe afstand is gelegen van het hoofdgebouw. Om de afhankelijke woonruimte voor mantelzorg in te kunnen richten dient er aantoonbaar sprake te zijn van een tijdelijke zorgbehoefte. Dit kan bijvoorbeeld worden aangetoond door het overleggen van een medische indicatie. Nadat de zorgbehoefte/zorgrelatie is beëindigd dient de situatie in oude staat hersteld te worden.

(Publieksgerichte) bedrijfs- en beroepsactiviteiten aan huis
Ondergeschikte functies bij agrarische bedrijfswoningen in het buitengebied zijn mogelijk. Deze kunnen in de vorm van aan huis verbonden bedrijfs- en beroepsactiviteiten plaatsvinden. Onder aan huis verbonden bedrijfs- en beroepsactiviteiten wordt het volgende verstaan: 'een bedrijfs- en beroepsactiviteit, waarvan de activiteiten niet specifiek publiekgericht zijn, en die op kleine schaal in een woning en/of de daarbij behorende bijgebouwen wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en de desbetreffende activiteit een ruimtelijke uitstraling heeft die in overeenstemming is met de woonfunctie ter plaatse'.

De uitoefening van publieksgerichte aan huis verbonden bedrijfs- en beroepsactiviteiten wordt met een afwijking toegestaan binnen de bestaande (bedrijfs)woning met bijbehorende bijgebouwen. Daarbij geldt dat maximaal 40 % van het vloeroppervlak van de bedrijfswoning, inclusief aan-, uitbouwen en bijgebouwen, tot maximaal 75 m2 mag worden gebruikt voor de activiteit en dat de woonfunctie in overwegende mate behouden blijft. Degene die de activiteiten in de woning of het bijgebouw uitvoert, dient tevens de bewoner van de woning te zijn. Het gebruik mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de verkeersontsluiting en parkeersituatie ter plaatse. De activiteit dient qua aard, milieubelasting, uitstraling en intensiteit te passen binnen de omgeving. Dat houdt tevens in dat de activiteit niet milieuvergunningplichtig mag zijn. In dit verband zijn alleen activiteiten toegestaan met een lage milieubelasting. Er mag geen detailhandel of horeca plaatsvinden, anders dan een beperkte verkoop van lokale of streekeigen agrarisch geproduceerde producten als ondergeschikte activiteit en in verband met de activiteit.

Paardenbakken
De wens voor het oprichten van een paardenbak wordt steeds groter. Echter, paardenbakken leiden in de regel tot een schaalverkleining van het landschap. Deze schaalverkleining hangt samen met het hekwerk dat rondom de bak wordt geplaatst en met de, in verhouding tot de akker- of weilandpercelen, kleine oppervlakte van dit type grondgebruik. Tevens draagt het recreatieve/hobbymatige karakter bij aan een (subjectieve) beleving dat het landschap onder druk van stedelijke invloeden staat. Dit wordt gezien als verrommeling van het landschap. Om verrommeling tegen te gaan, is de locatiekeuze van een paardenbak van groot belang. Met name de aard en uitstraling van de activiteiten leiden ertoe dat een koppeling aan het (huis)perceel en aan bestaande bebouwing van groot belang is. Een bijzonder aandachtspunt voor de locatiekeuze is dat het zicht op het vrije veld niet belemmerd mag worden door (te veel) langs de weg gelegen paardenbakken. Bij bouwvlakken/bestemmingsvlakken die aan de weg zijn gelegen geldt daarom in het algemeen dat de paardenbakken achter de bestaande bebouwing dienen te worden gerealiseerd. In uitzonderingsgevallen is niet zozeer het zicht loodrecht op de weg, maar evenwijdig aan de weg het meest bepalend voor de beleving van het agrarische landschap. In die gevallen verdient niet een plaatsing achter, maar naast de bestaande bebouwing de voorkeur.

Afbeelding 5.1 Locatie paardenbakken
afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0326BUIT1ewtwalong-ONT1_0011.png"

Een landschappelijke inpassing in de vorm van hoogopgaande erfbeplanting is in zijn algemeenheid af te raden. Het landschappelijke effect van een paardenbak is niet te vergelijken met het effect van bebouwing. De extra beplanting zal de toename van de activiteiten eerder accentueren of uitvergroten dan verhullen. Wel is eventueel de inpassing door heggen of hagen mogelijk.

Om paardenbakken mogelijk te maken is een afwijkingsbevoegdheid opgenomen. Paardenbakken worden mogelijk gemaakt binnen dan wel direct aansluitend aan het agrarisch bouwvlak. De maximale oppervlakte van de paardenbak bedraagt 1.200 m2. Er mogen geen lichtmasten bij de paardenbak worden opgericht. Omschakeling naar een manege is niet toegestaan.

Recreatieve nevenactiviteiten
Recreatieve nevenactiviteiten kunnen zorgdragen voor de komst van recreanten en toeristen naar Park Lingezegen. Door verschillende vormen van verblijfsrecreatie en dagrecreatie toe te staan, kan het aanbod aan recreatieve nevenactiviteiten divers worden. Om recreatieve nevenactiviteiten mogelijk te maken is een afwijkingsbevoegdheid opgenomen in het bestemmingsplan.

Recreatieve nevenactiviteiten zijn in het kader van de Wet geurhinder en veehouderij geen gevoelige activiteiten, mits geen sprake is van een geurgevoelig object/een gebouw (definitie, zoals opgenomen in art. 1 van Wgv). Als geen sprake is van een geurgevoelig object kunnen ze in principe overal worden toegestaan zonder de agrarische bedrijfsvoering op een agrarisch bouwvlak te hinderen. Dit geldt voor recreatieve nevenactiviteiten bij agrarische bedrijven maar ook bij burgerwoningen. Middels een afwijking worden recreatieve nevenactiviteiten toegestaan bij agrarische bedrijven. Deze locaties hebben veelal ruimte op het agrarisch bouwvlak en er zijn gebouwen aanwezig waarbinnen de sanitaire voorzieningen kunnen worden opgericht.

Hierbij geldt de restrictie dat de activiteiten geen hinder mogen veroorzaken voor nabijgelegen functies en waarden. Onderscheid wordt gemaakt tussen recreatieve nevenactiviteiten welke binnen de bestaande bebouwing kunnen worden gerealiseerd en recreatieve nevenactiviteiten waarvoor ook buitenruimte wordt gebruikt.

Kleinschalig kamperen
Kleinschalig kamperen mag alleen worden toegestaan bij agrarische bedrijven als recreatieve nevenactiviteit. Om kleinschalig kamperen mogelijk te maken is een afwijkingsbevoegdheid opgenomen in het bestemmingsplan De kampeermiddelen dienen op of aangrenzend aan het agrarisch bouwvlak geplaatst te worden waarbij geen sprake mag zijn van stacaravans en/of trekkershutten en/of chalets. Maximaal 25 kampeermiddelen in de periode 15 maart – 31 oktober zijn per agrarisch bedrijf toegestaan. Buiten deze periode mogen geen kampeermiddelen op het terrein aanwezig zijn. Permanente bewoning wordt niet toegestaan (maximaal 45 aaneengesloten overnachtingen). Het sanitair ten behoeve van het kleinschalig kampeerterrein moet binnen bestaande bebouwing worden opgericht met een maximale oppervlakte van

50 m2. De landschappelijke inpassing van het terrein dient plaats te vinden met streekeigen beplanting van het erf. Hiervoor wordt verwezen naar de structuurvisie. Het parkeren dient op eigen terrein plaats te vinden. Ten slotte mag er geen sprake zijn van onevenredige aantasting van belangen, functies en waarden in de omgeving.

Bed & breakfast
Bed & breakfastvoorzieningen kunnen gerealiseerd worden binnen de bestaande bebouwing binnen de agrarische- en woonbestemming middels een afwijkingsbevoegdheid. Door het beperken van de oppervlakte is de ruimtelijke uitstraling beperkt en kan daardoor bij agrarische bedrijven en bij burgerwoningen worden toegestaan. Er mag maximaal 120 m2 van de oppervlakte van de bestaande bebouwing gebruikt worden voor deze voorziening, waarbij geldt dat elk slaapverblijf maximaal 30 m2 bedraagt en er maximaal tien slaapplaatsen worden gerealiseerd. Permanente bewoning wordt niet toegestaan (maximaal 45 aaneengesloten overnachtingen). Het parkeren dient op eigen terrein plaats te vinden. Ten slotte mag er geen sprake zijn van onevenredige aantasting van belangen, functies en waarden in de omgeving.

Vakantiewoningen
Vakantiewoningen kunnen gerealiseerd worden binnen de bestaande bebouwing binnen de agrarische en woonbestemming middels een afwijkingsbevoegdheid. Door het beperken van de oppervlakte is de ruimtelijke uitstraling beperkt en kan daardoor bij agrarische bedrijven en bij burgerwoningen worden toegestaan. Er is maximaal één vakantiewoning toegestaan met een oppervlakte van maximaal 75 m2 per vakantiewoning. Ook hier geldt dat permanente bewoning niet is toegestaan (maximaal 45 aaneengesloten overnachtingen). Het parkeren dient op eigen terrein plaats te vinden. Ten slotte mag er geen sprake zijn van onevenredige aantasting van belangen, functies en waarden in de omgeving.
 

Groepsaccommodaties
Groepsaccommodaties betreffen voorzieningen waarbij relatief veel bezoekers getrokken kunnen worden. Daarom wordt deze voorziening alleen mogelijk gemaakt met een afwijkingsbevoegdheid binnen de bestaande bebouwing van een agrarisch bedrijf op een agrarisch bouwvlak. Hierbij geldt dat maximaal 350 m2 van de oppervlakte van de bestaande bebouwing gebruikt mag worden voor het inrichten van een groepsaccommodatie. Ook hier geldt dat permanente bewoning niet is toegestaan (maximaal 45 aaneengesloten overnachtingen). Het parkeren dient op eigen terrein plaats te vinden. Ten slotte mag er geen sprake zijn van onevenredige aantasting van belangen, functies en waarden in de omgeving.

Kleinschalig boerderijterras
Een kleinschalig boerderijterras kan worden mogelijk gemaakt met een afwijkingsbevoegdheid bij een agrarisch bedrijf, bij de bestaande bebouwing op een agrarisch bouwvlak. Hierbij mag maximaal 50 m2 buitenruimte worden ingericht met zitjes en/of picknickbanken in de openlucht bij een boerderij waar passanten en/of bezoekers uit kunnen rusten. De binnenruimte wordt beperkt tot een maximale oppervlakte van 50 m2 welke in de bestaande bebouwing dient te worden opgericht. Er mag geen horecavoorziening ontstaan waarbij alcoholische dranken worden verstrekt en maaltijden worden verzorgd, zoals een café, restaurant en naar de aard en openingstijden daarmee gelijk te stellen bedrijven. Het betreft hier dus een kleinschalig terras voor het schenken van thee/koffie, frisdranken en het aanbieden van kleine versnaperingen als cake en gebak.

Evenementen
Met een afwijkingsbevoegdheid wordt het mogelijk gemaakt om maximaal tien tijdelijke evenementen per kalenderjaar te organiseren, die maximaal zeven aaneengesloten dagen mogen duren inclusief opbouw en afbraak van bijbehorende voorzieningen. De evenementen mogen niet leiden tot een onevenredige verkeersaantrekkende werking. Het parkeren dient op eigen terrein plaats te vinden. Ten slotte mag er geen sprake zijn van onevenredige aantasting van belangen, functies en waarden in de omgeving.

5.2.3 Dubbelbestemmingen

Waarde - Archeologische verwachting 2
De gebieden met een archeologische verwachtingswaarde zijn bestemd als Waarde - Archeologische verwachting 2. De hiervoor aangewezen gronden zijn behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor het behoud en de bescherming van te verwachten archeologische resten in de bodem. Bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk groter dan de gegeven oppervlaktemaat en het uitvoeren van ingrepen in de bodem dient de aanvrager een rapport te overleggen, waarin de archeologische waarden van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft in voldoende mate is vastgesteld. Indien hieruit blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het oprichten van het vergunde bouwwerk of ingrepen in de bodem zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen en uitvoeren van werken.

Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen door:

  • het geheel of gedeeltelijk verwijderen van de bestemming Waarde - Archeologische verwachting 2, indien op basis van nader archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn, dan wel er niet langer archeologische begeleiding of zorg nodig is;
  • het omzetten van de bestemming Waarde - Archeologische verwachting 2 naar bestemming Waarde - Archeologie, indien uit nader archeologisch onderzoek blijkt dat ter plaatse behoudenswaardige archeologische waarden aanwezig zijn.
5.2.4 Algemene regels

Naast de bestemmingen bevat het plan een aantal algemene regels over bijvoorbeeld begrippen, de wijze van meten, algemene afwijkingen en overgangsrecht.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

6.1 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Een bestemmingsplan dient maatschappelijk uitvoerbaar te zijn. Dat wil zeggen dat de voorgenomen ontwikkelingen die mogelijk worden gemaakt in het bestemmingsplan zijn besproken met belanghebbenden.

De belanghebbende overheid, de gemeente Overbetuwe, is bestuurlijk akkoord en participeert in dit project. Daarnaast is er samenwerkingsovereenkomsten aangegaan tussen ProRail en de gemeente, waarin ook de toekomstige eigenaar van de woning actief betrokken is. Er zijn meermaals overleggen geweest om te komen tot een bestemmingsplan passend bij de wensen van de toekomstige gebruiker.

6.2 Economische uitvoerbaarheid

6.2.1 Financiëring en grondverwerving

Dit bestemmingsplan biedt de juridisch-planologische basis voor de realisatie en het gebruik van een woning aan de 1e Weteringsewal. De gronden benodigd voor deze ruimtelijke ingreep zijn reeds in het bezit van de grondeigenaren.

Het project is een initiatief van ProRail, in samenwerking met de gemeente Overbetuwe en de toekomstige eigenaar van de bedrijfswoning. De kosten voor deze ruimtelijke procedure/ voorbereiding komen volledig voor rekening van ProRail. De bouw- en aanlegkosten vanwege de bedrijfswoning, bijgebouw en tuin komen voor de rekening voor de eigenaar van de bedrijfswoning. Zowel ProRail als de eigenaar van de bedrijfswoning beschikken over voldoende middelen en daarmee is het plan financieel uitvoerbaar.

6.2.2 Beheer

De woning wordt eigendom en komt in beheer van de woningeigenaar.

6.3 Handhaafbaarheid

Het bestemmingsplan is bindend voor zowel de overheid als de burger. De primaire verantwoordelijkheid voor controle en handhaving van de regels in het bestemmingsplan ligt bij de gemeente. Het handhavingsbeleid van de gemeente Overbetuwe vormt de basis van de handhaving binnen de gemeentelijke grenzen. Handhaving kan worden omschreven als elke handeling die erop gericht is de naleving van regelgeving te bevorderen of een overtreding te beëindigen. Het doel van handhaving is om de bescherming van mens en omgeving te waarborgen tegen ongewenste activiteiten en overlast. In het kader van het bestemmingsplan heeft regelgeving met name betrekking op de Wet ruimtelijke ordening en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Bij overtreding van deze regels kan gedacht worden aan bouwen zonder vergunning, bouwen in afwijking van een verleende vergunning en het gebruik van gronden en opstallen in strijd met de gebruiksregels van het bestemmingsplan of een omgevingsvergunning.

Hoofdstuk 7 Procedure

7.1 Ontwerpfase

7.1.1 Vooroverleg

Artikel 3.1.1, eerste lid, van het Besluit ruimtelijke ordening bepaalt dat het gemeentebestuur bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg moet plegen met de besturen van betrokken gemeenten en met die diensten van provincie en Rijk, die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. Dit bestemmingsplan is daarom ook in het kader van vooroverleg besproken met de provincie.

Voor dit bestuurlijk vooroverleg heeft de gemeente Overbetuwe het voorontwerpbestemmingsplan 'Buitengebied 1e Weteringsewal ongenummerd (ten oosten van nr. 6), Elst' digitaal beschikbaar gesteld aan de provincie Gelderland en ProRail. ProRail is een partner die de gemeente heeft ondersteund tijdens de gehele planfase. De ontwerpen en aanpak zijn dan ook tot in detail afgestemd. Op het voorontwerpbestemmingsplan is geen inspraak mogelijk van de omgeving.

7.1.2 Zienswijzen over het ontwerpbestemmingsplan

Op grond van artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening wordt het ontwerpbestemmingsplan 'Buitengebied 1e Weteringsewal ongenummerd (ten oosten van nr. 6)' van de gemeente Overbetuwe zes weken voor zienswijzen ter inzage gelegd en is het digitaal te bekijken op de websites www.overbetuwe.nl en www.ruimtelijkeplannen.nl. Dit wordt openbaar bekend gemaakt door het plaatsen van een publicatie in 'De Betuwe' en Staatscourant. Eenieder is in de gelegenheid om een zienswijze in te dienen. Daarnaast wordt de publicatie van het ontwerpbestemmingsplan op grond van art 3.8, lid 1, sub b Wro toegestuurd aan de provincie Gelderland, het waterschap Rivierenland en ProRail.

7.2 Vaststellingsfase

Deze fase gaat over de vaststelling van het bestemmingsplan. Indien de zienswijzen uit de eerste fase daar aanleiding toe geven, passen burgemeester en wethouders het bestemmingsplan aan. Dat kunnen zij overigens ook uit eigen beweging doen (ambtshalve wijzigen). Na afloop van de termijn van de terinzagelegging stellen burgemeester en wethouders een Nota van Zienswijzen op, die wordt bijgevoegd bij het vast te stellen bestemmingsplan. Daarin gaan zij onder meer in op de eventuele zienswijzen. Uiteindelijk beslist de raad over de vaststelling van het bestemmingsplan. Na de vaststelling van het bestemmingsplan ligt het bestemmingsplan gedurende zes weken ter inzage voor beroep. Degenen die eerder een zienswijze op het ontwerp bestemmingsplan hebben ingediend of zij die redelijkerwijs niet kunnen worden verweten dat zij geen zienswijzen naar voren hebben gebracht, kunnen een beroep instellen. Na afhandeling van een eventuele beroepsprocedure is het bestemmingsplan onherroepelijk.