direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Buitengebied, Bredestraat-Noord 6, Herveld
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1734.0309BUITbredestrn6-VSG1

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Initiatiefnemers hebben een zorgboerderij op het perceel Bredestraat-Noord 6 te Herveld en wonen eveneens op dit perceel. De komende jaren willen zij de zorgboerderij nog voortzetten, maar over circa 5-10 jaar zal de zorgboerderij worden beëindigd. In de komende jaren willen initiatiefnemers ook een nieuwe vrijstaande woning oprichten op het perceel aan de overzijde van de Bredestraat-Noord (Bredestraat-Noord 7). Op laatstgenoemd perceel wordt de bestaande kas gesloopt. Ook een deel van de bebouwing van de zorgboerderij wil men slopen.

Het oprichten van een nieuwe woning en het gebruiken van beide percelen voor reguliere bewoning is in strijd met het huidige bestemmingsplan. Daarom is een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk. De gemeente wil onder voorwaarden medewerking aan het initiatief verlenen. Dit bestemmingsplan 'Buitengebied, Bredestraat-Noord 6, Herveld' voorziet in een nieuw planologisch-juridisch kader om de ontwikkeling mogelijk te maken en geeft de voorwaarden daarbij aan.

1.2 Ligging en beschrijving plangebied

Het plangebied ligt in het buitengebied van de gemeente Overbetuwe, circa 1,2 kilometer oostelijk van de kern Zetten en circa 1,7 kilometer noordelijk van de kern Herveld-Noord. Op afbeelding 1 is de ligging van het plangebied weergegeven. Het plangebied ligt aan de Bredestraat-Noord, een lokale weg met enkele bouwpercelen en bebouwingsclusters. De omgeving wordt verder voornamelijk gekenmerkt als een open agrarisch gebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0309BUITbredestrn6-VSG1_0001.png"  
Afbeelding 1: ligging van het plangebied (bron: Bing Maps)  

1.3 Huidig bestemmingsplan

In het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Buitengebied Overbetuwe', dat is vastgesteld op 5 maart 2013. In het plangebied gelden de volgende bestemmingen en aanduidingen:

  • Bestemming 'Agrarisch' (gehele plangebied), met functieaanduiding 'zorgboerderij'. Binnen de bestemming zijn twee bouwvlakken opgenomen, die met een relatieteken zijn gekoppeld.
  • Dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologische verwachting 2' (oostelijke zone) en 'Waarde - Archeologische verwachting 3' (rest van het plangebied).
  • Gebiedsaanduiding 'waardevol landschap' (gehele plangebied).
  • Gebiedsaanduiding 'milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied' (gehele plangebied).
  • Gebiedsaanduiding 'milieuzone - waterwingebied' (noordelijke zone Bredestraat-Noord 6/6a).

In afbeelding 2 is de begrenzing van het plangebied binnen het huidige bestemmingsplan aangegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0309BUITbredestrn6-VSG1_0002.png"  
Afbeelding 2: uitsnede huidig bestemmingsplan 'Buitengebied Overbetuwe' (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)  


Het huidige bestemmingsplan maakt het oprichten van een nieuwe woning op het perceel Bredestraat-Noord 7 niet mogelijk. De woning wordt weliswaar binnen het bestaande bouwvlak opgericht, maar is in strijd met de gebruiks- en bouwregels op dit perceel. Daarnaast is het binnen de bestemming niet toegestaan om het perceel Bredestraat-Noord 6/6a te gebruiken voor woondoeleinden, anders dan een bedrijfswoning. Om deze redenen is een herziening van het bestemmingsplan voor beide percelen noodzakelijk.

1.4 Leeswijzer

Deze toelichting is als volgt opgebouwd. Na dit inleidende hoofdstuk, worden in hoofdstukken 2 en 3 respectievelijk de bestaande en de toekomstige situatie in het plangebied beschreven. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op het voor dit bestemmingsplan van toepassing zijnde rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid. In hoofdstuk 5 komen de relevante milieu- en omgevingsaspecten aan de orde. Daarmee wordt inzichtelijk gemaakt of de ontwikkeling in ruimtelijk en milieuhygiënisch opzicht aanvaardbaar en haalbaar is en voldoet aan het vereiste van een goede ruimtelijke ordening. In hoofdstuk 6 is de juridische planopzet beschreven en in hoofdstuk 7 is de financiële toelichting opgenomen. Hoofdstuk 8 gaat in op enkele procedurele aspecten, zoals overleg en inspraak.

Hoofdstuk 2 Bestaande situatie

Het plangebied bestaat uit twee delen en omvat de percelen Bredestraat-Noord 6/6a en 7. Deze percelen liggen aan weerszijden van de Bredestraat-Noord. Kadastraal is het plangebied bekend als gemeente Valburg, sectie G, perceelnummers 56, 153, 155 (ged.) en 1845 (ged.). Het plangebied wordt begrensd door enerzijds de kadastrale perceelsgrenzen en anderzijds de huidige bouwvlakken van de bestemming 'Agrarisch'. In afbeelding 3 is de begrenzing van het plangebied zichtbaar.

Op het perceel Bredestraat-Noord 6-6a, een voormalige geitenhouderij, is momenteel een zorgboerderij met een bijbehorende bedrijfswoning aanwezig. In de aan de bedrijfswoning gebouwde schuur is een mantelzorgwoning aanwezig. Daarnaast is er een grote vrijstaande schuur aanwezig. Bij de schuur en de woonbebouwing is erfverharding aanwezig, evenals een ontsluiting in de bocht van de Bredestraat-Noord. Het zuidelijk deel van het erf is ingericht als tuin en aan de westelijke perceelsgrens is een watergang aanwezig.

Het perceel Bredestraat-Noord 7 kenmerkt zich door de aanwezigheid van een grote kas en is voor het overige als boomgaard ingericht. Enkele karakteristieke hoogstamfruitbomen zijn hier prominent aanwezig. Dit perceel grenst aan een klein bebouwingslint aan de oostkant van de weg. In 2015 is een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van een nieuw gebouw voor de zorgboerderij op dit perceel. Dit gebouw is echter niet gerealiseerd. Benutting van deze vergunning is ook niet meer aan de orde.

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0309BUITbredestrn6-VSG1_0003.png"  
Afbeelding 3: luchtfoto van de bestaande situatie en begrenzing van het plangebied (bron: Bing Maps)  

Hoofdstuk 3 Toekomstige situatie

De initiatiefnemers willen de bestaande situatie (zorgboerderij, bedrijfswoning en mantelzorgwoning) de komende jaren nog voortzetten. Op middellange termijn, naar verwachting circa 5-10 jaar, zal dat om persoonlijke redenen niet meer mogelijk zijn en wordt de zorgboerderij beëindigd. Een deel van de huidige bebouwing van de zorgboerderij zal dan worden gesloopt (maximaal 325 m² wordt gehandhaafd). De kas op het perceel Bredestraat-Noord 7 wordt ook gesloopt en op dat perceel wordt een nieuwe, vrijstaande woning opgericht met een maximale inhoud van 600 m³. Bij de woning mag een bijgebouw worden opgericht (maximaal 60 m²). De huidige bedrijfswoning Bredestraat-Noord 6 zal als reguliere woning worden gebruikt. De mantelzorgwoning in het bijbehorend bouwwerk bij deze woning wordt gehandhaafd, zolang deze noodzakelijk is.

Een voorwaarde om medewerking aan het initiatief te kunnen verlenen, is naast de sloop van de genoemde bebouwing, dat beide percelen landschappelijk worden ingepast. Er is daarom een inrichtingsplan opgesteld met een beplantingslijst (zie Bijlage 1 bij de planregels), waarin de landschappelijke inpassing is beschreven en verantwoord. Zie ook afbeelding 4. Het inrichtingsplan sluit aan bij de doelstellingen voor landschappelijke kwaliteitsverbetering uit het gemeentelijk Landschappelijk Ontwikkelingsplan (LOP). In paragraaf 4.3 wordt de landschappelijke inpassing nader beschreven in relatie tot het LOP.

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0309BUITbredestrn6-VSG1_0004.png"  
Afbeelding 4: toekomstige inrichting en landschappelijke inpassing in het plangebied (bron: Oostzee)  

Hoofdstuk 4 Beleidskader

4.1 Rijksbeleid

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR)
In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte staan de plannen van de Rijksoverheid voor ruimte en mobiliteit. Het Rijk streeft naar een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland. Om dit te bereiken, laat het Rijk de ruimtelijke ordening meer over aan de decentrale overheden (provincie en gemeenten) en komt de gebruiker centraal te staan. Het Rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 13 nationale belangen. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid.

Beoordeling en conclusie
Met dit bestemmingsplan wordt één nieuwe woning mogelijk gemaakt, na beëindiging van een maatschappelijke functie en sloop van een deel van de bestaande bebouwing. Het gaat hier om een lokale ontwikkeling, die gezien de aard en omvang van het plan geen relatie met het ruimtelijke ordeningsbeleid op rijksniveau heeft. Er zijn geen nationale belangen in het geding. Het initiatief conflicteert niet met het nationaal ruimtelijke ordeningsbeleid, zoals vastgelegd in de SVIR.

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)
Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft richtlijnen voor de inhoud van ruimtelijke plannen, voor zover het gaat om ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang. De normering uit het Barro werkt zoveel mogelijk direct door op het niveau van de lokale besluitvorming. Bij besluitvorming over ruimtelijke plannen moeten de regels van het Barro worden gerespecteerd.

Beoordeling en conclusie
Het initiatief is een lokale ontwikkeling. Er zijn geen nationale belangen in het geding. Het Barro heeft geen doorwerking naar dit plan.

Ladder voor duurzame verstedelijking
Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen, is per 1 oktober 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening. De ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De ladder is een motiveringsinstrument dat moet worden toegepast bij elk ruimtelijk besluit dat een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling' mogelijk maakt. Wat onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan, is in artikel 1.1.1 Bro bepaald: 'De ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.” Uit de jurisprudentie komt naar voren dat het wel een nieuwe stedelijke ontwikkeling van enige omvang moet zijn (ECLI:NL:RVS:2016:1503).

In een bestemmingsplan moet worden aangegeven dat de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte plus een motivering als de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd: 'De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien”.

Beoordeling en conclusie
Met dit bestemmingsplan wordt één nieuwe woning mogelijk gemaakt, na beëindiging van een maatschappelijke functie en sloop van een deel van de bestaande bebouwing. Het bestemmingsplan maakt daarmee, volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, geen nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk. De Ladder voor duurzame verstedelijking behoeft in het kader van dit bestemmingsplan daarom niet doorlopen te worden.

4.2 Provinciaal beleid

Omgevingsvisie Gaaf Gelderland
Provinciale Staten hebben op 19 december 2018 de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland (hierna: de Omgevingsvisie) vastgesteld. Deze is in werking getreden op 1 maart 2019. Het doel van de Omgevingsvisie is: een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland, vanuit het verleden én met het oog op de toekomst. De provincie is als middenbestuur een belangrijke schakel bij het bereiken van deze doelstellingen en wil op een aantal manieren waarde toevoegen:

  • met een brede blik kijken naar de inrichting en kwaliteit van de Gelderse leefomgeving;
  • stimuleren van ontwikkelingen enerzijds en beschermen van waarden anderzijds;
  • focussen op duurzaamheid, onderlinge verbondenheid en een economisch krachtig Gelderland;
  • door middel van 7 ambities verder verdiepen van de focus.

De 7 ambitities van de provincie zien op de volgende thema's: energietransitie, klimaatadaptatie, circulaire economie, biodiversiteit, bereikbaarheid, vestigingsklimaat en de woon- en leefomgeving. Per ambitie is de provinciale aanpak beschreven.

Beoordeling en conclusie
De Omgevingsvisie is concreet uitgewerkt in de hierna beschreven Omgevingsverordening Gelderland. Deze verordening bevat concrete regels, waaraan het initiatief wordt getoetst. De Omgevingsvisie zelf bevat geen regels, die voor dit bestemmingsplan direct van belang zijn. Het plan is ook te kleinschalig van aard om een wezenlijke bijdrage aan de provinciale ambities uit de Omgevingsvisie bij te dragen. Wel is er bij de planuitwerking naar gestreefd om waar mogelijk bij te dragen aan duurzaamheid, klimaatadaptatie en biodiversiteit. Concreet betekent dit: een forse reductie van bebouwd oppervlak in het plangebied en het realiseren van een 'pocket park' met onder meer bijenkasten, een insectenhotel, boomgaard en bloemenweide. Het plan is dan ook in overeenstemming met de Omgevingsvisie.

Omgevingsverordening Gelderland
Provinciale Staten hebben de Omgevingsverordening Gelderland (hierna: de Omgevingsverordening of verordening) vastgesteld op 24 september 2014. De verordening wordt geregeld geactualiseerd. De meest recente actualisatie van de Omgevingsverordening dateert van 19 december 2018.

De regels in de verordening kunnen betrekking hebben op het hele provinciale grondgebied, op delen of op gebiedsgerichte thema's. Gemeenten moeten binnen een bepaalde termijn hun bestemmingsplan afstemmen op de in de verordening opgenomen regels. De regels in de verordening zijn gebaseerd op de provinciale omgevingsvisie en hebben de status van algemeen verbindende voorschriften.

Beoordeling
Het plangebied ligt binnen de volgende aanduidingen:

  • plussenbeleid
  • tijdelijk verbod nieuwvestiging, uitbreiding en hervestiging glastuinbouw;
  • intrekgebied;
  • boringsvrije zone;
  • KWO-vrije zone;
  • grondwaterbeschermingsgebied.


Daarnaast ligt het plangebied aangrenzend aan een waterwingebied (ten noorden van Bredestraat-Noord 6). Er worden met het plan geen activiteiten mogelijk gemaakt, die tot negatieve effecten op het naastliggende waterwingebied leiden.

Dit bestemmingsplan maakt de bouw van één nieuwe woning mogelijk, na beëindiging van een maatschappelijke functie en sloop van een deel van de bestaande bebouwing. De bovengenoemde aanduidingen met betrekking tot glastuinbouw, het plussenbeleid en intrekgebieden zorgen niet voor belemmeringen. Het plan maakt geen nieuwvestiging, uitbreiding of hervestiging van een glastuinbouwbedrijf mogelijk. Daarnaast is er geen sprake van een veehouderijfunctie. Ten slotte wordt winning van fossiele energie binnen het intrekgebied niet mogelijk gemaakt.

Boringsvrije zone, KWO-vrije zone en grondwaterbeschermingsgebied
Deze drie aanduidingen zijn opgenomen ten behoeve van bescherming van de functie van de bodem voor de drinkwatervoorziening. De aanduidingen leggen beperkingen op aan bouw- en andere werkzaamheden binnen deze zones. De provincie streeft er binnen de grondwaterbeschermingsgebieden naar om het grondwater als bron voor de drinkwatervoorziening te beschermen. Dit initiatief heeft geen invloed op het grondwaterpeil en daarmee de grondwaterbeschermingsgebieden. De Omgevingsverordening bevat ook een verbod om zonder melding grond- en funderingswerkzaamheden dieper dan 2 meter onder het maaiveld uit te voeren (artikel 3.3.3.7). Onder voorwaarden zijn deze werkzaamheden na melding toegestaan. De toekomstige werkzaamheden in het kader van de omgevingsvergunning voor het bouwen zijn mogelijk meldingsplichtig. Dit staat aan de uitvoerbaarheid van het plan niet in de weg.

Verder geldt dat afstromend hemelwater van gebouwen en parkeerplaatsen niet op of in de bodem geloosd mag worden, tenzij geen uitlogende bouwmaterialen worden gebruikt of als afstromend water infiltreert via een doelmatig werkend zuiveringssysteem (artikel 3.3.3.9). Er zullen geen uitlogende bouwmaterialen worden gebruikt.

In de planregels worden de verplichtingen en voorwaarden ten aanzien van het grondwaterbeschermingsgebied geborgd met het oog op eventuele toekomstige (bouw)werkzaamheden. Op de verbeelding is een gebiedsaanduiding opgenomen, 'milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied, boringsvrije zone en koud-watermte-opslagvrije zone'. In dit artikel is een verwijzing naar de Omgevingsverordening opgenomen. Op deze wijze wordt rekening gehouden met de provinciale belangen vanwege de drinkwatervoorziening. Deze belangen staan de uitvoerbaarheid van het plan niet in de weg.

Thema 'wonen'
Vanwege de aard van de ontwikkeling, namelijk toevoeging van één extra woning, is tevens het thema 'wonen' van belang. Nieuwe woonlocaties zijn uitsluitend toegestaan, wanneer dit past in het vigerende door Gedeputeerde Staten vastgestelde Kwalitatief Woonprogramma successievelijk de door Gedeputeerde Staten vastgestelde kwantitatieve opgave wonen voor de betreffende regio (artikel 2.2.1.1). De gemeente Overbetuwe heeft haar woningbouwprogramma, zowel kwalitatief als kwantitatief, vastgelegd in de Woonagenda 2020.

De ontwikkeling past kwantitatief in het woonprogramma, aangezien er slechts één extra woning wordt toegevoegd op de planlocatie. Hierdoor is geen sprake van een (grote) woningbouwlocatie. De toe te voegen woning past binnen de woningbouwopgave (zie nader paragraaf 4.3). Ook in kwalitatief opzicht is het plangebied een geschikte woonlocatie, vanwege de ligging aan een rustige weg in een bebouwingslint in het buitengebied. Anderzijds is de locatie op korte afstand van Zetten en van de A15 gelegen en daarmee goed bereikbaar.

Conclusie
Het bestemmingsplan is in overeenstemming met de Omgevingsverordening Gelderland en de regionale woningbouwafspraken.

4.3 Gemeentelijk beleid

Toekomstvisie 2020+ Overbetuwe verbindt..
Op 8 september 2009 heeft de gemeenteraad van Overbetuwe de 'Toekomstvisie 2020, Overbetuwe verbindt..' (hierna: de Toekomstvisie+) vastgesteld. De Toekomstvisie+ van Overbetuwe is het kader voor de ontwikkeling van de gemeente Overbetuwe tot 2020. De visie geeft een richting voor de ruimtelijke, maatschappelijke en economische ontwikkeling. De Toekomstvisie+ omvat het gehele gemeentelijke beleidsterrein. Voor wat betreft de ruimtelijke onderdelen is de Toekomstvisie+ te zien als structuurvisie in de zin van artikel 2.1 Wro voor het grondgebied van de gemeente Overbetuwe. In de Toekomstvisie+ zijn de aspecten leefomgeving, vergrijzing, economische gesteldheid (werk en werkgelegenheid) en duurzaamheid opgenomen om een gewenste identiteit uiteen te zetten.

In de gemeente Overbetuwe zijn 11 kernen van verschillende grootte en met verschillende identiteiten aanwezig. Behoud van de karakteristiek en (specifieke) kwaliteiten van deze kernen is een speerpunt in het beleid. Ook het buitengebied kent gebieden met verschillende kwaliteiten en kenmerken, die behouden moeten blijven en waar mogelijk moeten worden versterkt. Een andere belangrijke ontwikkeling is het kleiner worden van huishoudens. Hierdoor zijn, ook bij een gelijk blijvend aantal inwoners, meer woningen nodig en is dus meer ruimte nodig.

Beoordeling
Een belangrijke opgave is het behoud en de versterking van de eigenheid en kenmerken van het landschap (opgave 1). Het plangebied ligt in het stroomruggen- en oeverwallenlandschap in een gebied met waardevolle openheid. Het stroomruggen- en oeverwallenlandschap is verdicht en kleinschalig, met een afwisselend landgebruik in onregelmatige blokverkaveling. Kenmerkend is verder de veelheid aan landelijke wegen met clusters aan vrijstaande woningen en (voormalige) boerderijen. De oeverwallen zijn in de afgelopen 60 jaar grootschaliger en opener geworden. De kwaliteit van het karakteristieke landschap wordt hierdoor bedreigd. Belangrijk is dat de kleinschaligheid van het landschap behouden blijft. Ook de contrasten tussen de open agrarische landschappen en de verdichte bebouwingsclusters zoals buurtschappen, moeten worden behouden of versterkt.

Het plangebied ligt aan één van de karakteristieke landelijke wegen met clusters van woningen en (voormalige) agrarische bedrijven verspreid aan weerszijden van de weg. Het contrast tussen het omliggende waardevolle open landschap en de bebouwingsclusters is hier duidelijk herkenbaar en het is belangrijk dat dit contrast ten minste wordt behouden.

Het plan maakt de bouw van een nieuwe vrijstaande woning, aansluitend op het bestaande bebouwingscluster ten oosten van de weg, mogelijk. Op deze plek is momenteel een grote kas aanwezig, die zal worden gesloopt. Ook de bouwtitel om een nieuw gebouw voor de zorgboerderij op te richten, vervalt. Het toekomstige perceel is kleinschaliger van opzet dan de huidige en de vergunde situatie en sluit in ruimtelijk en landschappelijk oogpunt beter aan op het bebouwingscluster. Voor het perceel Bredestraat-Noord 6 geldt, dat met de gedeeltelijke sloop van de bestaande vrijstaande schuur enerzijds een reductie van bebouwing wordt bereikt en anderzijds vanaf de Bredestraat-Noord meer zicht op het noordelijk deel van het open landschap ontstaat. Ook dit past in het streefbeeld voor het stroomruggen- en oeverwallenlandschap.

Conclusie
Gezien het voorgaande, draagt het plan bij aan één van de centrale opgaven van de Toekomstvisie+ en is het dan ook in overeenstemming met deze visie. Het bestemmingsplan is dan ook in overeenstemming met de Toekomstvisie+.

Landschapsontwikkelingsplan Overbetuwe (LOP)
In het Landschapsontwikkelingsplan (LOP) uit 2009 zijn de (algemene) doelstellingen en gebiedsspecifieke opgaven voor Overbetuwe geformuleerd. De hoofddoelstelling is het ontwikkelen van een sterke samenhangende landschappelijke structuur met een eigen Betuwse identiteit, die tegenwicht biedt aan de verstedelijking en waarbij belangrijke landschappelijke waarden duurzaam in stand worden gehouden. Per deelgebied zijn daarnaast gebiedsspecifieke opgaven opgenomen.

Beoordeling
Met dit bestemmingsplan is er sprake van een bestemmingswijziging van 'Agrarisch' naar 'Wonen' en wordt er een nieuwe woning toegestaan. Een voorwaarde om medewerking te kunnen verlenen aan deze wijziging is, dat een goede landschappelijke inpassing op basis van een inrichtingsplan plaatsvindt. Er is daarom een inrichtingsplan opgesteld (Bijlage 1 bij de regels), waarbij het LOP als belangrijk kader is gebruikt. Voor een uitgebreide toelichting op de gemaakt keuzes, wordt verwezen naar de bijlage.

Het plangebied maakt deel uit van het stroomruggen- en oeverwallenlandschap en ligt in deelgebied 3: Herveldsche Veld. In dit deelgebied wordt ingezet op onder meer:

  • Streven naar een kleinschalig en gevarieerd landschap met grillige bebouwings- en kavelpatronen op de lagere stroomruggen;
  • Stimuleren van de aanleg van streekeigen erfbeplanting, zoals hoogstamfruit en van singels langs boom- en fruitteelt;
  • Landschappelijke inpassing bij nieuwe ontwikkelingen;
  • Versterking van contrast tussen kleinschaligheid en open kommen door middel van erfbeplanting;
  • Beleefbaar maken van cultuurhistorie door het stimuleren van fruitbomen. Het deelgebied is sinds 1900 in gebruik voor fruitteelt;
  • Onderzoeken van mogelijkheden voor het ontwikkelen van natte natuur.


Met de ontwikkeling van een kleinschalig woonperceel en het verwijderen van bebouwing (336 m² kassen en circa 345 m² agrarische bebouwing), die minder goed past in het nagestreefde landschapsbeeld, wordt bijgedragen aan versterking van de kleinschaligheid van de bestaande bebouwingsclusters aan weerszijden van de Bredestraat-Noord. Dit wordt versterkt door enkele specifieke landschappelijke elementen, zoals:

  • pocket park met knip- en scheerheg en bestaande en nieuwe knotwilgen, deels ter plaatse van de te slopen agrarische bebouwing op perceel 6/6a;
  • aanplant van enkele solitaire bomen op zuidelijk perceelsdeel van nr. 6/6a;
  • behoud van hoogstamfruitboomgaard, elzensingel met onderbeplanting en solitaire fruitbomen rondom perceel nr. 7;
  • terugsnoeien van knip- en scheerheg aan de wegzijde van perceel nr. 7.

In afbeelding 5 zijn de voorgestelde maatregelen, zoals opgenomen in het inrichtingsplan, aangegeven.

Het aan weerszijden van het plangebied omliggende agrarische gebied is een open gebied. Met de toekomstige erfinrichting van beide percelen wordt het zicht op dit landschap versterkt, zowel vanuit het plangebied zelf als vanaf de Bredestraat-Noord. Het contrast met dit agrarische gebied wordt behouden en deels versterkt. De toekomstige inrichting draagt bij aan meerdere doelstellingen voor het deelgebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0309BUITbredestrn6-VSG1_0005.png"  
Afbeelding 5: landschappelijke inpassing (bron: Oostzee)  


Conclusie
Na realisatie van de beoogde ontwikkeling, inclusief landschappelijke inpassing, ontstaan er twee percelen met een passende verhouding tussen bebouwing, erf en groen, die in duidelijk contrast staan met het omliggende agrarische gebied. De relatie met het gebied wordt versterkt en de percelen worden passend landschappelijk ingepast met gebiedseigen beplanting, die in het deelgebied wenselijk is. Het plan levert een bijdrage aan meerdere doelstellingen van het LOP en is hiermee dus in overeenstemming.

Beleidsregel 'Functiewijziging en nieuwvestiging in het buitengebied'
De beleidsregel 'Functiewijziging en nieuwvestiging in het buitengebied' uit 2008 bestaat uit regels, een toelichting en een gebiedstypenkaart. De beleidsregel bevat het toetsingskader voor concrete verzoeken om functiewijzigingen in het buitengebied.

Beoordeling
Dit bestemmingsplan voorziet in een functiewijziging in het buitengebied, namelijk het omzetten van een zorgboerderij (agrarische bestemming) naar twee reguliere woningen. Daarmee wordt er één nieuwe woning toegevoegd. Het plangebied ligt in het gebiedstype agrarisch gebied. Artikel 7 van de beleidsregel bevat regels voor dit gebiedstype.

Op basis van de beleidsregel kan medewerking worden verleend aan het wijzigen van de agrarische bedrijfsbestemming naar een woonbestemming en het vooralsnog continueren van de zorgboerderij. Voorwaarde is, dat er minimaal 750 m² aan bijgebouwen, of minimaal 1.000 m² aan kassen, wordt gesloopt. In dat geval kan er één nieuwe woning worden opgericht, zoals het voornemen van de initiatiefnemers is. Het plan voorziet in de sloop van de bestaande kas (336 m²). Gezien de verdeelsleutel van de beleidsregel, wordt deze oppervlakte voor 3/4 meegerekend (252 m²). Daarnaast wordt circa 345 m² van de bestaande schuur gesloopt. Dit maakt in totaal 597 m², circa 150 m² te weinig. Er is tevens een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van een nieuw zorggebouw (262 m²), maar omdat deze op de plek van de kas zou komen en niet is gerealiseerd, kan deze niet worden meegerekend.

Het voorgaande betekent, dat de woning alleen kan worden toegestaan door maatwerk, waaronder extra verevening:

  • situering en oppervlak van de te handhaven bebouwing moet passen bij de nieuwe functie en leiden tot een verbeterde situatie. Dit is het geval, omdat het voorste deel van de schuur wordt gesloopt. Dit betekent zowel een versterking van het zicht vanaf de weg op het achterliggende open landschap als ruimte voor specifieke landschappelijke inpassing (pocket park).
  • de nieuwe woning en het bijgebouw worden kleinschalig uitgevoerd op een manier, die past in de karakteristiek van het lint en de relatief beperkte ruimte op het perceel. De nieuwe woning krijgt een maximale inhoud van 600 m³. Daarnaast mag er slechts een beperkt bijgebouw worden opgericht (maximaal 60 m²).
  • er vindt aanvullende verevening plaats. Hieraan wordt op eigen terrein invulling gegeven, namelijk door het realiseren van het pocket park op perceel nr. 6. Dit voorziet niet alleen in landschappelijke inpassing van het erf, maar in een aantal concrete maatregelen om de ecologische waarde te vergroten, zoals een insectenhotel, bijenkasten en bloemenweide. Specifiek wordt het terrein ingericht voor vlinders en bijen. Zie uitgebreider Bijlage 1 bij de planregels.
  • de omgevingsvergunning voor het zorggebouw wordt ingetrokken.

Onder deze voorwaarden past de wijziging in de uitgangspunten van de beleidsregel en wordt er voldoende ruimtelijke kwaliteitsverbetering bereikt.

Conclusie
De ontwikkeling en de in dit bestemmingsplan vastgelegde randwoorden passen in de met de beleidsregel 'Functiewijziging en nieuwvestiging in het buitengebied' beoogde doelstellingen. Aan de voorwaarden om medewerking te verlenen aan het oprichten van één nieuwe woning wordt voldaan.

Hoofdstuk 5 Milieu- en omgevingsaspecten

5.1 Milieueffectrapportage

Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r. gewijzigd. De belangrijkste aanleidingen hiervoor zijn de modernisering van de m.e.r. wetgeving in 2010 en de uitspraak van het Europese Hof van 15 oktober 2009. Uit deze uitspraak volgt dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen m.e.r.(-beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit lijst D zit, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een gevoelig natuurgebied ligt. Gemeenten en provincies moeten daarom vanaf 1 april 2011 ook bij kleine bouwprojecten, zoals het onderhavige, beoordelen of een m.e.r.(-beoordeling) nodig is.

Ook de Implementatiewet 'herziening m.e.r. richtlijn' is relevant. Sinds 16 mei 2017 is deze wet in werking. De richtlijn heeft de procedure en de inhoud van het MER en de m.e.r.-beoordeling, maar ook de vormvrije m.e.r.-beoordeling gewijzigd. Dit heeft gevolgen voor de inhoud en procedure van ruimtelijke plannen. Voor activiteiten, die zijn opgenomen in onderdeel D van de Bijlage bij het Besluit m.e.r. en waarvan de omvang beneden de in kolom 2 genoemde drempel ligt, geldt een vormvrije m.e.r.-beoordeling.

Beoordeling en conclusie
Met dit bestemmingsplan wordt één nieuwe woning mogelijk gemaakt, maar wordt een maatschappelijke functie (zorgboerderij) beëindigd en een deel van de bestaande bebouwing gesloopt. De ontwikkeling behoort niet tot de in lijst D van het Besluit m.e.r. opgenomen categorieën. De ontwikkeling is ook niet aan te merken als een stedelijk ontwikkelingsproject, zoals bedoeld in het Besluit m.e.r., omdat er sprake is van een zeer kleinschalige ontwikkeling.

Er is daarom geen sprake van een m.e.r.-plichtige activiteit in dit plan. Een m.e.r. of een m.e.r.-beoordeling is niet aan de orde.

5.2 Geluid

Op basis van de Wet geluidhinder (artikel 77 Wgh) moet bij een plan een akoestisch onderzoek worden uitgevoerd als het plan mogelijkheden biedt voor:

  • de toevoeging van een nieuwe woning of andere geluidsgevoelige functie binnen de zone van een weg;
  • de aanleg van een nieuwe weg;
  • de reconstructie van een bestaande weg.

De breedte van de zone van een weg is afhankelijk van het aantal rijstroken, het stedelijk gebied en de maximumsnelheid. Alle wegen hebben geluidzones, met uitzondering van wegen die in een als 'woonerf' aangeduid gebied liggen en wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt.

Beoordeling
Met dit bestemmingsplan wordt een nieuwe woning toegestaan. Daarmee wordt er een nieuw geluidsgevoelig object mogelijk gemaakt. Voor het plangebied is uitsluitend het wegverkeerslawaai relevant. De nieuwe woning ligt binnen de geluidzone van de Bredestraat-Noord. Spoorwegen bevinden zich op grote afstand van het plangebied. Ook zijn er geen geluidgezoneerde bedrijven(terreinen) in de omgeving aanwezig.

Een akoestisch onderzoek naar de geluidbelasting vanwege het wegverkeer is noodzakelijk. Op grond van de Wgh geldt een voorkeursgrenswaarde voor de geluidbelasting op de gevels vanwege het wegverkeer van 48 dB (artikel 82 lid 1). Als de geluidbelasting hoger is, moet een nadere afweging plaatsvinden en kan een ontheffing voor een hogere geluidbelasting worden verleend (artikel 82 lid 2). De maximale ontheffingswaarde voor nieuwbouw buiten de bebouwde kom bedraagt 53 dB. De onderzoeksrapportage is opgenomen in Bijlage 1.

Uit het akoestisch onderzoek blijkt, dat de voorkeursgrenswaarde vanwege het verkeer op de Bredestraat-Noord niet wordt overschreden. De maximale geluidbelasting is 48 dB. Het is niet nodig om een hogere waarde vast te stellen.

De gemeente Overbetuwe heeft beleid op het gebied van akoestiek opgesteld (Nota Geluidbeleid en Nota Hogere Grenswaarden). Het plangebied behoort tot het 'buitengebied'. De ambitieklasse in het buitengebied is 'rustig' (maximaal 43 dB voor wegverkeerslawaai). De ambitieklasse wordt niet gehaald. De bovengrens is 'onrustig' (53 dB voor wegverkeerslawaai). De maximale geluidbelasting voldoet ruimschoots aan deze bovengrens en valt onder de geluidsklasse 'redelijk rustig'. Een dergelijke geluidbelasting wordt aanvaardbaar geacht. Er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en de onderzoeksresultaten geven geen aanleiding tot specifieke maatregelen of nader akoestisch onderzoek in de bouwfase.

Conclusie
Vanuit akoestisch oogpunt zijn er geen belemmeringen voor het oprichten van de nieuwe woning aanwezig. In de woning is een aanvaardbaar akoestisch klimaat voldoende gegarandeerd.

5.3 Luchtkwaliteit

De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen zijn opgenomen in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Hierin zijn grenswaarden opgenomen voor luchtvervuilende stoffen. Voor ruimtelijke projecten zijn fijn stof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) de belangrijkste stoffen.

Een project is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;
  • het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;
  • het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging;
  • het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen.

Om te bepalen of een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtkwaliteit, is een algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels zijn vastgelegd. Een project kan in twee situaties NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit:

  • het project behoort tot de lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) die is opgenomen in de Regeling NIBM;
  • het project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO2 en PM10 (1,2ìg/m3).


Beoordeling en conclusie
De ontwikkeling betreft het oprichten van één nieuwe woning en beëindiging van een maatschappelijke functie (zorgboerderij). Het toevoegen van één woning valt onder de in de regeling NIBM opgenomen lijst met categorieën van gevallen en blijft ruimschoots onder de drempelwaarde. Zeker is dus, dat het initiatief niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Een luchtkwaliteitonderzoek is niet noodzakelijk. Het aspect luchtkwaliteit vormt dan ook geen belemmering voor de ontwikkeling.

5.4 Bedrijven en milieuzonering

Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies, zoals woningen. Bij de planontwikkeling moet rekening worden gehouden met milieuzonering om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren.

Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'. In de publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd. Als bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden).

De richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit, zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype. Een rustige woonwijk of een rustig buitengebied, is ingericht volgens het principe van functiescheiding.

Beoordeling
Dit bestemmingsplan maakt een nieuwe gevoelige functie mogelijk, namelijk een nieuwe woning op het perceel Bredestraat-Noord 7. In de huidige situatie is op dit perceel eveneens een milieugevoelige functie, namelijk een zorgboerderij, toegestaan. Hiervoor is in 2015 een omgevingsvergunning verleend. De nieuwe woning wordt op een andere plaats opgericht. Daarom wordt hierna ingegaan op het woon- en leefklimaat ter plaatse van de woning en op de vraag of het oprichten van de woning leidt tot beperkingen voor omliggende bedrijven. De omgeving kan worden beschouwd als 'rustig buitengebied', omdat er overwegend woningen en niet-intensieve agrarische functies in de omgeving aanwezig zijn. De reguliere richtafstanden zijn van toepassing.

In de omgeving zijn vrijwel geen milieubelastende functies aanwezig. Meest nabij gelegen zijn de agrarische bedrijfslocaties Bredestraat-Noord 14 en 19, waarvan de bouwvlakken op respectievelijk circa 250 meter en circa 220 meter afstand van de nieuwe woning liggen. Op deze locaties zijn uitsluitend grondgebonden agrarische bedrijven toegestaan. De maximale milieucategorie is 3.2, met bijbehorend een richtafstand van 100 meter. Er wordt dan ook voldaan aan de richtafstanden ten opzichte van milieubelastende functies. Ter plaatse van de woning is dan ook sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het oprichten van de woning levert geen belemmeringen op voor de agrarische bedrijfslocaties.

Spuitzones
Ten aanzien van boom- en fruitteeltbedrijven is niet alleen de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' van belang, maar ook spuitzones in verband met het gebruik van bestrijdingsmiddelen bij deze bedrijven. In het bestemmingsplan 'Buitengebied Overbetuwe' is opgenomen dat een afstand van 50 meter tussen gevoelige functies en (glas)tuinbouw, fruit- en boomteelt in acht moet worden genomen (artikel 3.4.1). Deze afstand wordt algemeen aanvaard, maar er kan blijkens de jurisprudentie van de Afdeling gemotiveerd worden afgeweken van deze afstand. In de omgeving van het plangebied zijn geen boom- en fruitteeltbedrijven aanwezig. Het plangebied ligt niet binnen een spuitzone.

Conclusie
Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de ontwikkeling in het plangebied. Omliggende functies worden niet belemmerd en is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de nieuwe woning. Daarnaast is gebleken dat het plangebied niet binnen een spuitzone van een boom- of fruitteeltbedrijf ligt.

5.5 Geurhinder

Voor veehouderijen is de regelgeving ten aanzien van het specifieke aspect geur vastgelegd in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden gekeken naar de aanvaardbaarheid van deze plannen in verband met omliggende geurbronnen, de zogenaamde omgekeerde werking.

Beoordeling
Dit bestemmingsplan voorziet in het oprichten van een nieuw geurgevoelig object, namelijk een woning. Ook in de huidige situatie is er sprake van een geurgevoelige functie, namelijk een zorgboerderij waar eveneens sprake is van langdurig verblijf van personen. In dit opzicht wijzigt er dus niets en treden er geen belemmeringen op voor veehouderijen.

In het kader van het woon- en leefklimaat voor de nieuwe woning, is van belang dat in de omgeving van het plangebied geen veehouderijen aanwezig zijn. Het meest nabij gelegen veehouderijbedrijf ligt op circa 220 meter ten zuiden van het plangebied (Bredestraat-Noord 19). Gezien de onderlinge afstand is op voorhand aannemelijk dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat met betrekking tot geurhinder. Nader onderzoek is niet noodzakelijk.

Conclusie
Er zijn vanuit het aspect geurhinder geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.6 Bodem

De bodemkwaliteit vormt een belangrijk aspect bij bouwontwikkelingen. In het kader van functiewijziging en herinrichting vormt de bodemkwaliteit bij ontwikkeling van ruimtelijke functies een belangrijke afweging. De Bouwverordening bevat een verbod voor het bouwen van woningen op verontreinigde grond.

Beoordeling
Dit bestemmingsplan maakt een nieuwe woning mogelijk op het perceel aan de Bredestraat-Noord 7. Op de plek van de woning is momenteel nog een kas aanwezig, die zal worden gesloopt voordat de nieuwe woning wordt gebouwd. Er wordt een gevoelige functie mogelijk gemaakt, waardoor een onderzoek naar de bodemkwaliteit noodzakelijk is. Daarom is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De rapportage van het onderzoek is opgenomen in Bijlage 2. Uit het onderzoek blijkt, dat er in de toplaag lichte verontreinigingen met lood, zink en PAK zijn aangetroffen. De licht verhoogde gehaltes hangen naar verwachting samen met de aanwezige bijmengingen. In de ondergrond zijn geen verontreinigingen aangetroffen. In het grondwater is een lichte verontreiniging met barium aangetroffen. Dit is een van nature voorkomend licht verhoogd gehalte.

Omdat er uitsluitend lichte verontreinigingen zijn aangetroffen, is een aanvullend onderzoek niet nodig. De bodemkwaliteit is geschikt voor het toekomstige gebruik.

Er zijn geen asbestverdacht materialen aangetroffen tijdens het onderzoek. Een verkennend asbestonderzoek conform de NEN-norm 5707 is noodzakelijk om aanwezigheid van asbest in de bodem met zekerheid uit te sluiten. Dit is in het kader van de bestemmingsplanherziening niet noodzakelijk.

Conclusie
De milieuhygiënische kwaliteit van de bodem vormt geen belemmering voor het toekomstige gebruik als woonperceel.

5.7 Externe veiligheid

Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de veiligheidsrisico's in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze externe veiligheidsrisico's moeten worden beoordeeld voor twee risiconormen, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Voor beide risiconormen geldt dat hoe groter de afstand tussen planontwikkeling en risicobron is, des te kleiner zal de impact van het plan zijn op de hoogte van het risico.

Plaatsgebonden risico
Het plaatsgebonden risico (PR) heeft tot doel om hetzelfde minimale beschermingsniveau te bieden voor iedere burger in Nederland. Het PR beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het PR wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn, etc.), waarbij de 10-6-contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde is.

Groepsrisico
Het groepsrisico (GR) is een afwegingsinstrument dat tot doel heeft een bewuste afweging te stimuleren over het risico op een ongeval met een groot aantal slachtoffers. Het GR beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het GR geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het GR wordt uitgedrukt in een grafiek, waarin de kans op overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1.000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het GR geldt een oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm).

Voor elke verandering van het GR (af- of toename) in het invloedsgebied moet verantwoording worden afgelegd over de wijze waarop de toelaatbaarheid van deze verandering in de besluitvorming is betrokken.

Samen met de hoogte van het GR moeten andere kwalitatieve aspecten worden meegenomen in de beoordeling van het GR. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer.

Beoordeling
Het plan betreft het slopen van een kas en een gedeelte van een bestaande schuur van een zorgboerderij. Daarvoor in de plaats wordt één nieuwe woning gerealiseerd en wordt een klein parkje gerealiseerd. Met het toevoegen van een woning wordt een nieuw kwetsbaar object mogelijk gemaakt. Op basis van de risicokaart van de provincie Gelderland is daarom een inventarisatie gemaakt van de risicobronnen in en rondom de planlocatie, die een extern veiligheidsrisico kunnen veroorzaken. In afbeelding 6 is een uitsnede opgenomen van de risicokaart.

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0309BUITbredestrn6-VSG1_0006.png"  
Afbeelding 6: uitsnede risicokaart (bron: http://www.risicokaart.nl), geraadpleegd op 4 maart 2019, met ligging plangebied in zwarte cirkel aangegeven  

De informatie van de provinciale risicokaart levert de volgende inzichten op.

Rondom de planlocatie zijn geen buisleidingen en inrichtingen aanwezig met een extern veiligheidsrisico. Wel liggen op ongeveer 1.400 meter ten zuiden van het plangebied de Betuweroute en de snelweg A15 en op ongeveer 2.150 meter ten oosten de snelweg A50. Op basis van de Regeling basisnet is vastgesteld dat de plaatsgebonden risicocontour 10-6 van deze risicobronnen niet over het plangebied ligt.

Ten aanzien van het groepsrisico ligt het plangebied binnen het invloedsgebied van de Betuweroute en de snelwegen A15 en A50. Ontwikkelingen hierbinnen hebben mogelijk invloed op de hoogte van het groepsrisico. Omdat de afstand tussen het plangebied en deze risicobronnen groter dan 200 meter is, heeft de wetgever aangegeven dat het greopsrisico alleen beperkt verantwoord hoeft te worden. Hierdoor hoeft niet de hoogte van het groepsrisico in beeld gebracht te worden, maar enkel de aspecten zelfredzaamheid en beheersbaarheid.

Verantwoording groepsrisico
Het plan ligt in het invloedsgebied van drie risicobronnen. Volgens de huidige wetgeving moet de gemeente hierdoor het groepsrisico verantwoorden. Meer specifiek gaat het om de wettelijke verplichting op grond van artikel 7 en 9 van het Bevt vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over de Betuweroute en de snelwegen A15 en A50. Omdat het plan op meer dan 200 meter van deze transportroutes ligt, hoeft enkel ingegaan te worden op de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Hierop heeft de Veiligheids- en Gezondheidsrisico Gelderland Midden (VGGM) op 11 maart 2019 (kenmerk: 190311-0072) het volgende geadviseerd: "Het plan leidt tot een beperkte toename van het aantal aanwezigen. Het ligt in de verwachting dat zij zichzelf in veiligheid kunnen brengen, mits geïnformeerd en tijdig gewaarschuwd. Bij het scenario toxische wolk is het binnenshuis schuilen waarschijnlijk het te adviseren handelingsperspectief. VGGM ziet dan ook geen aanleiding nader te adviseren in het kader van rampenbestrijding en zelfredzaamheid." Het volledige advies van de VGGM is opgenomen in Bijlage 3.

Hieronder volgt een beschouwing van de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid.

Bestrijdbaarheid
Bij een calamiteit zal de brandweer zich inzetten om de effecten ten gevolge van het incident te beperken. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden dichtbij de bron. De mate van bestrijdbaarheid wordt vooral bepaald door de veiligheidsvoorzieningen en het aantal aanwezigen dichtbij de risicobron. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen.

Zelfredzaamheid
Bij een calamiteit is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij een incident. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS palen) en NL-Alert. Bij een scenario waarin toxische stoffen vrijkomen, is het advies om te schuilen in een gebouw, waarvan ramen, deuren en ventilatie gesloten kunnen worden. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid zijn voldoende.

Conclusie
De planlocatie ligt buiten de plaatsgebonden risicocontour 10-6 van een inrichting, buisleiding en transportroute met een extern veiligheidsrisico. De plaatsgebonden risicocontour van de diverse risicobronnen vormt geen belemmering voor de realisatie van het plan.

Ten aanzien van het groepsrisico ligt het plan in het invloedsgebied van de Betuweroute, de snelweg A15 en A50. Op basis van de beperkte verantwoording groepsrisico (zie hierboven) kan worden geconcludeerd dat het ruimtelijke initiatief geen significant effect heeft op het groepsrisico en op de mogelijkheden voor de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Daarmee is het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de realisatie van het plan.

5.8 Kabels en leidingen

Het verrichten van werkzaamheden in de nabijheid van hoogspanningsmasten en -kabels en dergelijke, kan gevaar met zich meebrengen. Om dit gevaar zoveel mogelijk te beperken, moet de (leiding)beheerder aangeven onder welke voorwaarden de werkzaamheden veilig plaats kunnen vinden.

Beoordeling en conclusie
In het plangebied en de directe omgeving zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig. Dit aspect levert dan ook geen belemmeringen op voor de realisatie van het plan.

5.9 Waterparagraaf

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder b) moet inzicht worden gegeven in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Daarbij zijn de hierna beschreven beleidsstukken van belang.

Rijksbeleid
Nationaal waterplan
In december 2015 stelde het kabinet het Nationaal Waterplan vast. Dit plan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016-2021 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water, en diverse vormen van gebruik van water. Ook worden de maatregelen genoemd die hiertoe worden genomen.

Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie.

Provinciaal beleid
Provinciaal Waterplan
In het Waterplan Gelderland is het waterbeleid beschreven aan de hand van een aantal thema's, zoals landbouw, wateroverlast, watertekort, natte natuur, grondwaterbescherming en hoogwaterbescherming. Voor deze thema's is beschreven welke doelstellingen voor 2027 en 2015 er liggen. Daarbij is beschreven hoe de provincie voor de planperiode de uitvoering van acties ziet om die doelstellingen te bereiken. Bij sommige thema's gelden aanvullende waterdoelstellingen voor specifieke waterhuishoudkundige functies.

Waterschap Rivierenland
Waterbeheerplan 2016-2021
Dit plan, vastgesteld op 27 november 2015, gaat over het waterbeheer in het hele rivierengebied en het omvat alle watertaken van het waterschap: waterkwantiteit, waterkwaliteit, waterkering en waterketen. In het Waterbeheerplan staat wat Waterschap Rivierenland de komende periode gaat doen om inwoners van het rivierengebied veiligheid en voldoende schoon en mooi water in sloten en plassen te kunnen blijven bieden. Het plan is in samenwerking met onder meer de gemeente Overbetuwe opgesteld.

Keur Waterschap Rivierenland 2014
Voor waterhuishoudkundige ingrepen is de 'Keur Waterschap Rivierenland 2014' van toepassing. De Keur is een waterschapsverordening die gebods- en verbodsbepalingen bevat met betrekking tot ingrepen, die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. Zo is het onder andere verboden om handelingen te verrichten waardoor het onderhoud, aanvoer, afvoer en/of berging van water kan worden belemmerd, zonder een ontheffing van het Waterschap. De wateren en waterkeringen waarop de keur van toepassing is, zijn vastgelegd in de legger wateren.

Realisatie van nieuwe bebouwing en/of verhard oppervlak moet hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. Bij het toevoegen van bebouwing of verharding geldt een compensatieplicht. Er geldt een eenmalige vrijstelling van de compensatieplicht wanneer minder verharding dan 500 m² in stedelijk gebied of minder dan 1.500 m² in landelijk gebied wordt toegevoegd.

Gemeente Overbetuwe
Waterplan Overbetuwe
In 2008 stelde de gemeente Overbetuwe in samenwerking met het Waterschap Rivierenland het Waterplan Overbetuwe vast. Het waterbeheerplan van het waterschap is later geactualiseerd (zie hierboven), ook in samenwerking met onder meer de gemeente Overbetuwe. Beide plannen gelden naast elkaar.

In het Waterplan Overbetuwe wordt het beleidskader geschetst en worden concrete maatregelen voor het watersysteem uitgewerkt. Naast het waterplan wordt parallel een Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) opgesteld waarin de maatregelen voor de riolering (waterketen) worden uitgewerkt.

Met het opstellen van een waterplan wordt inzicht gegeven in de relevante wateropgaven voor de gemeente Overbetuwe, zoals:

  • wateroverlast, het zoeken van oplossingen om wateroverlast tegen te gaan;
  • waterkwaliteit, het onderzoeken van mogelijkheden voor het verbeteren van de waterkwaliteit;
  • grondwater, het inventariseren van grondwateroverlast;
  • beleving van water, burgers betrekken bij water;
  • afspraken en taken van waterschap en gemeente.


Beoordeling (watertoets)
In de huidige situatie is op het perceel Bredestraat-Noord 6/6a verhard oppervlak aanwezig met een woning met bijgebouw, een vrijstaande schuur (circa 690 m²) en erfverharding. In de toekomstige situatie wordt circa 345 m² van de schuur gesloopt. Daarnaast wordt circa 130 m² erfverharding verwijderd ten behoeve van de realisatie van het pocketpark. Op dit perceel is er sprake van een afname van verhard oppervlak en wordt er geen (relevant) nieuw verhard oppervlak aangebracht. Op dit perceel is er sprake van een hydrologisch gunstige ontwikkeling.

Op het perceel Bredestraat-Noord 7 is in de huidige siuatie een kas aanwezig (circa 336 m²). Deze zal worden gesloopt en vervangen door een woning (bouwvlak 9x13 = 121 m²) met een bijgebouw (maximaal 60 m²) en enige erfverharding. Per saldo zal het verhard oppervlak op het perceel nagenoeg gelijk blijven of licht afnemen. Op dit perceel is er dus sprake van ten minste een hydrologisch neutrale ontwikkeling. Watercompensatie is niet aan de orde.

De planvorming heeft geen negatieve invloed op oppervlaktewater. Beide percelen beschikken over een watergang op de perceelsgrens: een B-watergang aan de westkant van perceel 6/6a en een B-watergang aan de oostkant van perceel 7. Ten noorden van de Bredestraat-Noord, grenzend aan de noordoostelijke hoek van het plangebied, is een C-watergang aanwezig. Alle watergangen blijven behouden en er vinden geen werkzaamheden plaats in of nabij de beschermingszones van de watergangen.

Verder is van belang, dat het perceel Bredestraat-Noord 6/6a grenst aan een waterwingebied, waaruit grondwater wordt opgepompt en getransporteerd via ondergrondse leidingen. Het plangebied ligt geheel binnen het grondwaterbeschermingsgebied, dat bij het waterwingebied aansluit. Het plan heeft geen invloed op het waterwingebied; de verboden van artikel 3.3.2 van de Omgevingsverordening Gelderland zijn niet aan de orde. In het pocketpark wordt gedacht aan het oprichten van een informatiebord en een zichtpunt over het waterwingebied.

De verboden van de Omgevingsverordening Gelderland met betrekking tot grondwaterbeschermingsgebieden, boringsvrije zones en KWO-vrije zones (paragraaf 3.2.3, 3.2.4 en 3.2.5 van de Omgevingsverordening) zijn evenmin direct aan de orde. Met een gebiedsaanduiding zijn de relevante bepalingen bovendien expliciet van toepassing op het plan verklaard. Daarmee is overtreding uitgesloten. In paragraaf 4.2 is nader ingegaan op de bepalingen uit de Omgevingsverordening.

Voor de nieuwe woning geldt, dat op het verhard oppervlak vallend hemelwater gescheiden moet worden afgevoerd van het vuilwater.

Conclusie
Waterhuishoudkundig zijn er geen bezwaren verbonden aan dit bestemmingsplan. Het plan heeft een positief effect op de waterhuishouding.

5.10 Flora en fauna

De bescherming van de natuur is sinds 1 januari 2017 vastgelegd in de Wet Natuurbescherming (Wnb). Deze heeft de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet vervangen. De Wnb geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan moet worden onderzocht of de Wnb de uitvoering van het plan niet in de weg staat in verband met de bescherming van gebieden en dier- en plantsoorten. De provincies zijn het bevoegd gezag voor zowel de gebieds- als de soortenbescherming.

Gebiedsbescherming
In de Wnb is de bescherming opgenomen van Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan moet worden onderzocht of dit plan, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan alleen worden vastgesteld als uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Als deze zekerheid er niet is, kan het plan worden vastgesteld als wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:

  • alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden;
  • het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en
  • de noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.

Het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen: Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones. Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime. Het NNN is op provinciaal niveau uitgewerkt in het Gelders Natuurnetwerk (GNN) met de bijbehorende Groene Ontwikkelingszones (GO). Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen.

Soortenbescherming
In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen:

  • 1. soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn;
  • 2. soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn;
  • 3. de bescherming van overige soorten.

Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag.

Beoordeling
Het plan betreft sloop van een deel van de bestaande bebouwing (schuur, kas), het beëindigen van een zorgboerderijfunctie en het oprichten van een nieuwe woning ter plaatse van de bestaande kas. De voor de ontwikkeling benodigde ingrepen kunnen mogelijk effecten hebben op beschermde soorten. Daarom is een quickscan flora en fauna uitgevoerd, waarin onderzocht is of er kans is op aanwezigheid van beschermde flora en fauna, of het plan hierop negatieve effecten kan hebben en of er eventueel vervolgstappen (maatregelen, onderzoek) nodig zijn. De rapportage is opgenomen in Bijlage 4 bij de toelichting. Hierna worden de onderzoeksresultaten beschreven.

Resultaten gebiedsbescherming
Het plangebied ligt niet in de buurt van een Natura 2000-gebied. Op meer dan 3 kilometer afstand van het plangebied ligt het Natura 2000-gebied Rijntakken. Overige gebieden bevinden zich op grotere afstand.

Het plangebied ligt ook buiten het NNN. Dit netwerk bevindt zich op minimaal 570 meter afstand van het plangebied. Gezien de aard van de wijzigingen op beide percelen in het plangebied en de afstand tot beschermde natuurgebieden, hoeft nadere toetsing naar de externe werking niet plaats te vinden. De wezenlijke kenmerken en waarden van de gebieden worden niet aangetast.

Wat betreft gebiedsbescherming zijn er dan ook geen belemmeringen voor het bestemmingsplan.

Resultaten soortenbescherming
Het realiseren van een nieuw woonperceel met bebouwing en landschappelijke inrichting, kan verstorende effecten hebben op beschermde soorten. Ook is het mogelijk dat er beschermde soorten voorkomen in de te slopen bebouwing.

Vogels
In het plangebied komen algemeen beschermde inheemse vogelsoorten voor, zoals kauwen, zwarte kraaien, eksters en mezen. In de (deels) te slopen schuur zijn uitwerpselen en nestmateriaal van vogels aangetroffen. Alle broedende vogels zijn beschermd. Buiten het broedseizoen (globaal van begin maart tot half augustus) zijn er geen belemmeringen voor het uitvoeren van werkzaamheden ten aanzien van algemene vogelsoorten. Wanneer de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd, moet de te slopen schuur en de aangrenzende klimopbeplanting ongeschikt worden gemaakt om te broeden. Zodoende wordt overtreding van de Wnb voorkomen.

Jaarrond beschermde vogels
Rondom de schuur zijn huismussen aangetroffen en de schuur is geschikt als potentiële nestlocatie voor deze soort. Daarom is een tweede veldbezoek uitgevoerd. Tijdens dit tweede veldbezoek zijn alleen sporen van huismussen aangetroffen in het gedeelte van de schuur, dat behouden blijft. De werkzaamheden in het kader van het plan hebben daarom geen negatieve effecten op huismussen.

In de omgeving komt de steenuil voor. In de boomgaard ten zuiden van de woning Bredestraat-Noord 6 is al een steenuilen kast aanwezig, die ook al jaren wordt gebruikt door de steenuil. Het habitat van de steenuil blijft met het plan behouden. De nestplaats en het foerageergebied worden met de voorgestelde landschappelijke inpassing (kruidenrijke vegetatie) in potentie verbeterd. Negatieve effecten op de steenuil zijn daarom uitgesloten.

Zoogdieren
Schuren zijn potentieel geschikt als verblijfplaats voor steenmarters, maar op basis van het onderzoek kan de aanwezigheid in de schuur in het plangebied worden uitgesloten. Daarmee zijn negatieve effecten op zoogdieren ook uitgesloten.

Vleermuizen
De te slopen bebouwing is niet geschikt (kas) of zeer matig geschikt (schuur) als verblijfsplaats voor vleermuizen. In de omgeving zijn geschiktere verblijfplaatsen aanwezig, die behouden blijven met het plan. De aanwezigheid van vleermuizen in de te slopen bebouwing kan worden uitgesloten. Er zijn geen negatieve effecten ten aanzien van vleermuizen.

Overige soorten
Voor overige beschermde soortgroepen bevat het plangebied geen geschikt habitat. De aanwezigheid van deze soortgroepen kan dan ook worden uitgesloten.

Conclusie
Negatieve effecten op beschermde natuurgebieden zijn op voorhand uit te sluiten. Negatieve effecten op beschermde soorten zijn eveneens uitgesloten, voor zover de werkzaamheden buiten het broedseizoen van algemene vogelsoorten worden uitgevoerd. Wanneer de verstorende werkzaamheden (sloop van de schuur) binnen het broedseizoen worden uitgevoerd, zijn maatregelen vooraf noodzakelijk om de bebouwing en begroeiing ongeschikt te maken als broedlocatie.

5.11 Archeologie en cultuurhistorie

De bescherming van archeologisch en cultureel erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening moet in het plan rekening worden gehouden met cultuurhistorische waarden.

De gemeente Overbetuwe heeft voor haar gemeentelijk grondgebied een erfgoedplan en een archeologische beleidsadvieskaart gemaakt. Het erfgoedplan beoogt versterking van de plaats en betekenis van cultuurhistorie als factor in het ruimtelijk beleidsproces.

Beoordeling en conclusie
Ter plaatse van het plangebied is volgens de archeologische beleidsadvieskaart deels een hoge archeologische waarde aanwezig en deels een middelmatige archeologische verwachtingswaarde. Als er bodemingrepen dieper dan 0,30 meter platsvinden ter plaatse van de gronden met een hoge archeologische waarde, moet een archeologisch onderzoek worden uitgevoerd. Voor de gronden met een middelmatige archeologische verwachtingswaard, is een onderzoek aan te orde als er bodemingrepen met een oppervlakte van minimaal 500 m² en dieper dan 0,30 meter worden uitgevoerd.

Op het perceel Bredestraat-Noord 7 is een hoge archeologische waarde aanwezig en wordt er een nieuwe woning opgericht. De grondwerkzaamheden zullen een diepte van meer dan 0,30 meter hebben. Een archeologisch onderzoek is daarom noodzakelijk, voordat de nieuwbouw wordt opgericht. Voordat een omgevingsvergunning voor het 'bouwen' wordt verleend, moet een verkennend archeologisch onderzoek worden uitgevoerd. Omdat er op de beoogde plek van de woning momenteel nog een kas aanwezig is, kan het onderzoek pas worden uitgevoerd na sloop van deze kas. In dit bestemmingsplan worden daarom de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie' (ter plaatse van de zone met hoge archeologische waarde) en 'Waarde - Archeologische verwachting 3' (ter plaatse van de zone met middelhoge archeologische verwachtingswaarde) opgenomen overeenkomstig de archeologische beleidskaart. Eventueel aanwezige archeologische waarden worden zodoende adequaat beschermd en het tijdig uitvoeren van een onderzoek is gewaarborgd.

5.12 Verkeer en parkeren

Parkeren
Ten behoeve van de twee woningen in de toekomstige situatie, moeten op eigen terrein voldoende parkeerplaatsen aanwezig zijn. Hierbij moet worden voldaan aan de Nota Parkeernormen Overbetuwe 2016. Dit betekent dat er per perceel ten minste 2 parkeerplaatsen aanwezig moeten zijn. Op het perceel Bredestraat-Noord 6/6a is in de bestaande situatie al voldoende parkeergelegenheid aanwezig. Bij de nieuwe woning Bredestraat-Noord 7 is voldoende ruimte aanwezig om op het erf 2 parkeerplaatsen te realiseren. In de planregels is als voorwaarde gesteld, dat aan de Nota Parkeernormen wordt voldaan. Het aspect parkeren zorgt dan ook niet voor belemmeringen.

Verkeer
In de huidige situatie is er in het plangebied sprake van een zorgboerderij, een bedrijfswoning en een mantelzorgwoning. In de toekomstige situatie zijn er twee woningen en een mantalzorgwoning aanwezig. De wijzigingen zullen per saldo niet leiden tot een (relevante) toename van het aantal verkeersbewegingen. Er is sprake van een gering aantal te verwachten verkeersbewegingen, dat past bij het lokale karakter van de weg.

Beide percelen worden ontsloten op de Bredestraat-Noord. Het perceel Bredestraat-Noord 6/6a blijft gebruik maken van de bestaande ontsluiting in de bocht van de weg. Zowel de woning, mantelzorgwoning, de schuur als het pocketpark zijn/worden bereikbaar via deze oprit. De nieuwe woning Bredestraat-Noord 7 wordt met een nieuwe oprit aangesloten op de weg. Er wordt voldoende afstand tot de oprit van de woning Bredestraat-Noord 9, ten zuiden van het perceel, aangehouden. Om een verkeersveilige ontsluiting te kunnen garanderen, wordt de bestaande hoge knip- en scheerheg teruggebracht to circa 1,20 meter hoogte. Dit is in het inrichtingsplan opgenomen en via de planregels gewaarborgd.

Voor wat betreft de verkeersafwikkeling zijn er geen belemmeringen voor de toekomstige functies aanwezig.

Hoofdstuk 6 Juridische planopzet

6.1 Algemene opzet

Inleiding
Dit hoofdstuk bevat de concrete vertaling van het beleidsgedeelte (voorafgaande hoofdstukken) in het juridisch gedeelte van het bestemmingsplan (de verbeelding en regels).

Het bestemmingsplan 'Buitengebied, Bredestraat-Noord 6, Herveld' bestaat uit de volgende onderdelen:

De toelichting
In de toelichting is de ontwikkeling verantwoord, zowel op basis van het beleid, als op basis van milieu-hygiënische aspecten, aangevuld met een toelichting op de juridische opzet.

De bestemmingsregels
De bouw- en gebruiksregels zijn binnen de verschillende bestemmingen opgenomen. Daarnaast zijn waar nodig afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden opgenomen, om het plan de benodigde flexibiliteit te geven.

De verbeelding
Op de verbeelding zijn de bestemmingen 'Wonen', 'Agrarisch', 'Waarde - Archeologie' en 'Waarde - Archeologische verwachting 3' opgenomen met de daarbij behorende aanduidingen en bouwvlakken. Verder zijn er gebiedsaanduidingen opgenomen met betrekking tot de bescherming van het waterwingebied, het grondwaterbeschermingsgebied, de boringsvrije zone en koude-warmte-opslagvrije zone, alsmede het waardevolle landschap (open landschap). Waar nodig worden de aanduidingen in paragraaf 6.2 nader toegelicht.

De opzet van het plan
Het bestemmingsplan is een juridisch plan, dat bindend is voor de burgers en voor de overheid. Qua systematiek is zoveel mogelijk aangesloten bij het huidige bestemmingsplan 'Buitengebied Overbetuwe'.

Bouwplan
Als een aanvraag om omgevingsvergunning ingediend wordt, zijn in eerste instantie de bestemming met bijhorende regels van belang. Als het nieuwe en het beoogde gebruik past binnen de toegekende bestemming dan kan de omgevingsvergunning worden verleend.

6.2 Toelichting op de verbeelding en regels

Op de verbeelding zijn de bestemmingen onderscheiden. De bestemmingen zijn afgeleid uit het gebruik (de aanwezige functies). De bestemmingen vormen het zogenaamde casco van het plan, waarvan in beginsel niet mag worden afgeweken.

Agrarisch
Een gedeelte van het plangebied behoudt de bestemming 'Agrarisch', namelijk het zuidelijk deel van en het pocketpark op Bredestraat 6/6a en het noordelijk deel van Bredestraat-Noord 7. Op deze gronden is, in tegenstelling tot in de huidige situatie, geen bouwvlak opgenomen. De gronden worden landschappelijk ingericht volgens het inrichtingsplan.

De gronden met de bestemming 'Agrarisch' zijn met name bestemd voor grondgebonden agrarische bedrijfsvoering, hobbymatig agrarisch grondgebruik, extensieve dagrecreatie, het behoud, de bescherming en het herstel van kleinschalige landschapselementen, alsmede voor water en waterhuishoudkundige voorzieningen. Een glastuinbouwbedrijf of ander niet-grondgebonden agrarisch bedrijf is niet toegestaan.

Er zijn in principe uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, van maximaal 1 meter hoogte toegestaan. Met het oog op de realisatie van enkele bouwwerken in het pocketpark (bijenkasten, insectenhotel, informatieborden), zijn ten dienste van beheer en ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden bouwwerken met een hoogte van maximaal 2,5 meter toegestaan.

Wonen
De (beoogde) woonpercelen aan weerszijden van de Bredestraat-Noord worden bestemd als 'Wonen'. Er is binnen deze bestemming op beide percelen een afzonderlijk bouwvlak opgenomen op basis van het inrichtingsplan (nr. 7) en de bestaande woning (nr. 6), waarbij het bouwvlak voor de nieuwe woning iets ruimer is opgenomen om enige flexibiliteit in de situering te kunnen bieden. De mantelzorgwoning (nr. 6a) is met een aanduiding aangegeven en toegestaan onder de voorwaarde dat er een noodzaak tot mantelzorg aanwezig is.

De als 'Wonen' bestemde gronden zijn bedoeld voor wonen, de uitoefening van een aan huis gebonden beroeps- of bedrijfsactiviteit (onder voorwaarden) en hobbymatig agrarisch gebruik. Een en ander met bijbehorende gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, groenvoorzieningen, voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding, tuinen en erven.

In de gebruiksregels is de voorwaardelijke verplichting opgenomen dat de landschappelijke inrichting, zoals opgenomen in het inrichtingsplan, tijdig wordt gerealiseerd. De inpassing moet na realisatie in stand worden gehouden. Verder is in de planregels opgenomen, dat er voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein aanwezig moet zijn conform de Nota Parkeernormen gemeente Overbetuwe 2016.

Bouwen
Hoofdgebouwen zijn uitsluitend binnen de bouwvlakken toegestaan; er is één woning per bouwvlak toegestaan. De maximale goot- en bouwhoogte van het hoofdgebouw zijn voor de woning Bredestraat-Noord 6 de bestaande hoogten en voor de nieuwe woning 4 respectievelijk 8,50 meter (één bouwlaag met een kap). De maximale inhoud voor de nieuwe woning is 600 m³. De nieuwe woning mag uitsluitend worden opgericht onder de voorwaarde dat de bestaande kas en een deel van de vrijstaande schuur gesloopt zijn. De te slopen bebouwing is op de verbeelding aangeduid.

Bij de woningen zijn aan- en uitbouwen en bijgebouwen toegestaan. Op het perceel Bredestraat-Noord 6/6a is met een bouwaanduiding aangegeven op welke plekken bijgebouwen zijn toegestaan. Dit betreft de bestaande, te handhaven bebouwing. Aan- en uitbouwen dienen 3 meter achter de voorgevel van het hoofdgebouw te worden gesitueerd. Op het perceel Bredestraat-Noord 7 is voor maximaal 60 m² aan bijgebouwen toegestaan.

Waarde - Archeologie en Waarde - Archeologische verwachting 3
In het plan is de archeologische beleidskaart vertaald in twee dubbelbestemmingen, ten behoeve het behoud en de bescherming van archeologische waarden in of nabij het plangebied. Zie hierover ook paragraaf 5.11. Naast de betreffende dubbelbestemming hebben de betrokken gronden altijd nog de betreffende hoofdbestemming. De regels van de hoofdbestemming en de dubbelbestemming zijn beide van toepassing, maar bij strijd tussen deze bepalingen prevaleren de bepalingen van de dubbelbestemming. De reden hiervoor is dat de belangen van de dubbelbestemming zwaarder wegen dan die van de hoofdbestemming. De dubbelbestemmingen bevatten een omgevingsvergunningplicht en plicht tot het doen van archeologisch onderzoek voor bodemingrepen dieper dan 0,3 meter onder het maaiveld en, voor zover het de bestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 3' betreft, met een omvang groter dan 500 m². Voordat een omgevingsvergunning voor het 'bouwen' wordt verleend, zal een archeologisch onderzoek moeten worden uitgevoerd.

Algemene regels
Anti-dubbeltelregel
Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.

Algemene bouwregels
In dit artikel is een regeling voor het ondergronds bouwen opgenomen.

Algemene gebruiksregels
Deze bepaling bevat de vormen van gebruik, die in ieder geval strijdig zijn met de regels van het bestemmingsplan voor alle opgenomen bestemmingen.

Algemene aanduidingsregels
Het plangebied ligt direct grenzend aan een waterwingebied en binnen een grondwaterbeschermingsgebied. Ter bescherming van de belangen en het functioneren van deze gebieden, zijn de gebiedsaanduidingen 'milieuzone - waterwingebied' en 'milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied, boringsvrije zone en koude-warmte-opslagvrije zone' opgenomen. In dit artikel zijn regels gesteld met het oog op de provinciale Omgevingsverordening. Handelingen en bouwwerken, die de belangen van deze gebieden zouden kunnen schaden, zijn verboden.

Verder ligt het plangebied in een waardevol (open) landschap (zie ook paragraaf 4.3). Door middel van de gebiedsaanduiding 'overige zone - waardevol landschap' zijn regels gesteld, die nadere voorwaarden stellen aan het toepassen van de in het plan opgenomen wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden.

Algemene afwijkingsregels
In dit artikel wordt een opsomming gegeven van de regels waarvan door middel van een omgevingsvergunning afgeweken kan worden van het bestemmingsplan. Het gaat hierbij om de bevoegdheid om door middel van een omgevingsvergunning af te kunnen wijken van de regels die gelden voor alle bestemmingen in het plan. De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven. Opgenomen zijn bevoegdheden voor kleine afwijkingen in maatvoeringen en bouwgrenzen en voor ondergronds bouwen.

Algemene wijzigingsregels
In dit artikel wordt een opsomming gegeven van de regels waarvan door middel van een wijzigingsplan afgeweken kan worden van het bestemmingsplan. Dit betreft kleine wijzigingen van de bestemmingsgrenzen.

Overgangs- en slotregels
Overgangsrecht
Het voor alle bestemmingsplannen verplichte overgangsrecht is opgenomen. Bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een omgevingsvergunning voor het bouwen is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bebouwingsregels. De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen kan worden verleend. Burgemeester en wethouders kunnen in beginsel dus nog gewoon gebruik maken van hun handhavingbevoegdheid. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan mag eveneens worden voortgezet.

Slotregel
Dit artikel geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald.

Hoofdstuk 7 Financiële toelichting

Uitgangspunt voor de ontwikkeling is dat deze voor de gemeente budgetneutraal worden ontwikkeld. Op grond van artikel 6.12 lid 1 Wet ruimtelijke ordening (Wro) is de gemeenteraad van Overbetuwe verplicht om, als sprake is van een bouwplan, de gemeentelijke kosten te verhalen. Dit bestemmingsplan voorziet in een bouwplan, omdat er een nieuwe woning kan worden opgericht.

De kosten worden verhaald middels een met de initiatiefnemer afgesloten anterieure overeenkomst. Met de ontwikkelende eigenaar van de gronden in het plangebied, is tevens een planschadeovereenkomst gesloten. In deze overeenkomst zijn afspraken gemaakt over het verhaal van kosten, dit is daarin op afdoende wijze vastgelegd. Middels de afgesloten overeenkomst is het kostenverhaal voldoende verzekerd en is de financiële haalbaarheid in voldoende mate aangetoond.

 

Hoofdstuk 8 Overleg en inspraak

8.1 Inleiding

De procedures voor vaststelling van een bestemmingsplan zijn door de wetgever geregeld. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties waar nodig overleg over het plan moet worden gevoerd, voordat een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Bovendien kan het noodzakelijk zijn om belanghebbenden de gelegenheid te bieden om hun visie over het plan te kunnen geven. Dit is afhankelijk van de inspraakverordening van de gemeente. Pas daarna kan de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van het plan van start gaan.

8.2 Inspraak

De Wro zelf bevat geen bepalingen over inspraak. Dat neemt niet weg dat het de gemeente vrij staat toch inspraak te verlenen op grond van de gemeentelijke inspraakverordening. In relatie daarmee bepaalt artikel 150 van de Gemeentewet onder meer dat in een gemeentelijke inspraakverordening moet worden geregeld op welke wijze personen en rechtspersonen hun mening kenbaar kunnen maken. Voor dit bestemmingsplan heeft, gezien de aard en kleinschalige omvang van de wijziging, geen inspraak plaatsgevonden.

8.3 Overleg

Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) geeft aan dat het bestuursorgaan, dat belast is met de voorbereiding van een ruimtelijk plan, overleg pleegt met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen. Ook moet overleg worden gepleegd met die diensten van provincie en Rijk, die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of die belast zijn met de behartiging van belangen, welke in het plan in het geding zijn. Gezien de aard en omvang van de wijziging heeft in dit geval geen vooroverleg plaatsgevonden. In verband met de ligging van het plangebied binnen het grondwaterbeschermingsgebied, voert de gemeente tijdens de zienswijzeperiode (zie hierna onder 8.4) overleg met Vitens.

8.4 Vaststellingsprocedure

De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan vindt plaats volgens artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening. Het ontwerpbestemmingsplan is in dit kader gedurende zes weken ter inzage gelegd. Gedurende deze periode kon een ieder zijn zienswijzen kenbaar maken tegen het plan. Er is één zienswijze ingediend door Vitens. Deze zienswijze heeft betrekking op de ligging van het plangebied binnen het grondwaterbeschermingsgebied, de boringsvrije zone en koude-warmte-opslagvrije zone en is gegrond. De aanduiding 'overige zone - grondwaterbeschermingsgebied, boringsvrije zone en koud-warmte-opslagvrije zone' is naar aanleiding van de zienswijze op de verbeelding opgenomen. De zienswijze heeft tevens geleid tot aanpassingen in de regels (artikel 10.1 met regels behorende bij de toegevoegde gebiedsaanduiding) en de toelichting van het plan. In de bijlagen bij deze toelichting is een ondertekende nota zienswijzen opgenomen.

8.5 Beroep

Na vaststelling wordt het bestemmingsplan voor de tweede maal zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking.