direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Elst, Ziekenhuis Rijnstate
Status: voorontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1734.0333ELSTrijnstate-VO01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Rijnstate stelt zich ten doel de juiste zorg op de juiste plek door de juiste zorgprofessional(s) met de juiste kwaliteit te realiseren. Rijnstate streeft ernaar om haar locaties zo optimaal mogelijk in te richten, inspelend op de verschuiving in het zorglandschap, verdere concentratie in de tweede lijn en verdergaande efficiëntie en doelmatigheid, onder andere door de inzet van E-health en thuismonitoring.

Gezien het belang voor de markt, de huidige leegstand in Velp, de noodzakelijke investeringen in het gebouw en de noodzaak om niet-strategisch vastgoed te vervreemden, is de locatie Velp door Rijnstate verkocht. Daarnaast wordt onderzocht of de polikliniek in Arnhem-Zuid vroegtijdig afgestoten kan worden.

Om een betere verdeling van zorg binnen het adherentiegebied te borgen en een adequaat bevolkingsdraagvlak ook op langere termijn zeker te stellen, is de aanwezigheid in de zuidelijke regio vereist. In de regio Arnhem Zuid en Overbetuwe vindt de komende jaren substantiële bevolkingsgroei plaats, onder andere door grootschalige woningbouw in deze gebieden. In haar huisvestingsstrategie zet Rijnstate in op het realiseren van een locatie in het hart van dit gebied.

Met het besluit om de locatie Velp te verkopen, vroegtijdig Poli Zuid af te stoten en een nieuwe locatie te realiseren in de zuidelijke regio (gemeente Overbetuwe), gaat Rijnstate terug van vier naar drie locaties. Door deze ontwikkeling zet Rijnstate een grote stap in realisatie van de ambitie in versterking van de locatieprofielen en verjonging en afslanking van haar vastgoedportfolio.

Rijnstate heeft de ambitie om in beginsel een polikliniek te openen in Overbetuwe, waar in de toekomst ook dag- en nachtopvang mogelijk wordt gemaakt. De beoogde locatie voor de nieuwbouw is een braakliggende locatie aan de Spoorlaan/Nieuwe Aamsestraat, naast het station Elst.

De nieuwbouw zal een totaal programma van maximaal 25.000 m² (bruto vloeroppervlak) krijgen, verdeeld over meerdere bouwlagen. Ten noorden van de nieuwbouw zal aan de overzijde van de weg een parkeerterrein worden aangelegd. Een bestaande watergang, die is aangelegd voor de ontwikkeling van Elst Centraal, zal gedeeltelijk worden verlegd om het plan mogelijk te maken. Daarnaast wijzigt de infrastructuur in de omgeving. Zo wordt een deel van de Spoorlaan verlegd. Deze wijzigingen maken eveneens onderdeel uit van het plan.

De ontwikkeling van de polikliniek van Rijnstate is niet mogelijk op basis van de huidige bestemmingsplannen. Daarom is een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk. Dit bestemmingsplan stelt de kaders vast waarbinnen de nieuwbouw van de polikliniek Rijnstate en de daarbij bijbehorende en omliggende voorzieningen op de beoogde locatie kan worden toegestaan.

1.2 Ligging en beschrijving plangebied

Het plangebied ligt in de bebouwde kom van Elst, ten oosten van het centrum van deze kern en direct grenzend aan het NS-station. Circa 1 kilometer oostelijk van het plangebied zijn de op- en afrit naar de A325 aanwezig. De directe omgeving bestaat uit diverse functies: woningen noordelijk van het plangebied, bedrijvigheid en een parkeergarage ten oosten en zuiden van het plangebied en de spoorlijn Arnhem-Nijmegen en het NS-station Elst ten westen van het plangebied. De ligging van het plangebied is in figuur 1.1 aangegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0333ELSTrijnstate-VO01_0001.png"  
Figuur 1.1: ligging van het plangebied (bron: Bing Maps)  

Het plangebied bestaat uit enkele braakliggende kavels aan de Nieuwe Aamsestraat en de Spoorlaan, alsmede een gedeelte van het momenteel nog bebouwde perceel Nieuwe Aamsestraat 11 ('Het klooster'). Ook een deel van de genoemde wegen en een watergang maken deel uit van het plangebied. Onderstaande afbeelding geeft een indicatie van de begrenzing van het plangebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0333ELSTrijnstate-VO01_0002.png"  
Figuur 1.2: begrenzing plangebied (Bron: Bing Maps)  

1.3 Huidige bestemmingsplannen en overige ruimtelijke plannen

In het plangebied gelden momenteel de volgende ruimtelijke plannen:

  • Bestemmingsplan 'Elst Centraal Infra P+R en Huis der Gemeente' (onherroepelijk sinds 10 juli 2013), ter plaatse van het groen omkaderde plandeel in figuur 1.3. De bestemming 'Maatschappelijk' is echter bij uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vernietigd;
  • Beheersverordening 'Elst, Kavels Nieuwe Aamsestraat' (vastgesteld op 20 augustus 2013), ter plaatse van de geel omkaderde plandelen in figuur 1.3;
  • Omgevingsvergunning 'Elst, perronvoorzieningen station' (verleend op 1 juli 2014);
  • Bestemmingsplan 'Elst, Paraplubestemmingsplan Stationsvoorzieningen' (vastgesteld op 20 oktober 2015), ter plaatse van het blauw omkaderde plandeel in figuur 1.3.

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0333ELSTrijnstate-VO01_0003.png"  
Figuur 1.3: huidige bestemmingsplannen en beheersverordeningen in het plangebied (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl). Rood: plangrens indicatief.  

De realisatie van het ziekenhuis Rijnstate met de daarbij behorende voorzieningen, alsmede de verlegging van de Spoorlaan en de A-watergang, zijn ruimtelijk en functioneel niet mogelijk op basis van de huidige bestemmingsplannen en de beheersverordening. Een herziening van het bestemmingsplan is daarom voor het gehele plangebied noodzakelijk.

1.4 Leeswijzer

Deze toelichting is als volgt opgebouwd. Na dit inleidende hoofdstuk, worden in hoofdstukken 2 en 3 respectievelijk de bestaande en de toekomstige situatie in het plangebied beschreven. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op het voor dit bestemmingsplan van toepassing zijnde rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid. In hoofdstuk 5 komen de relevante milieu- en omgevingsaspecten aan de orde. Daarmee wordt inzichtelijk gemaakt of de ontwikkeling in ruimtelijk en milieuhygiënisch opzicht aanvaardbaar en haalbaar is en voldoet aan het vereiste van een goede ruimtelijke ordening. In hoofdstuk 6 is de juridische planopzet beschreven en in hoofdstuk 7 is de financiële toelichting opgenomen. In hoofdstuk 8 is de procedure beschreven.

Hoofdstuk 2 Bestaande situatie

2.1 Huidige locaties en profiel Rijnstate ziekenhuis

Rijnstate heeft een aantal vestigingen in de regio. De hoofdvestiging ligt in Arnhem. Onderstaand volgt een korte beschrijving van de huidige locaties en de functies die deze hebben binnen het profiel van Rijnstate.

Ziekenhuis Arnhem
Rijnstate Arnhem is het topklinisch opleidingsziekenhuis waar patiënten voor bijna alle specialismen terecht kunnen. Deze locatie is de hoofdvestiging van Rijnstate. Naast algemene ziekenhuiszorg vindt in Arnhem de hooggespecialiseerde zorg en de zorg waarvoor kostbare voorzieningen nodig zijn plaats.

Ziekenhuis Zevenaar
Locatie Zevenaar ontwikkelt zich vooral als belangrijke toegangspoort voor medisch specialistische zorg dichtbij de inwoners van Duiven, Montferland, Rijnwaarden en Zevenaar, met een groot electief centrum (wellicht in samenwerking met externe partijen) met mogelijkheden voor short stay en ruimte voor initiatieven in de samenwerking met eerstelijns zorgverleners en met derde partijen voor electieve, laagcomplexe zorg.

Ziekenhuis Velp
Locatie Velp is de hoofdvestiging voor de specialismen Oogheelkunde, Dermatologie en het Pijncentrum. Daarnaast is het laboratorium voor medische microbiologie gevestigd in Velp. Locatie Velp is in december 2019 verkocht en wordt voor 3 jaar teruggehuurd door Rijnstate.

Polikliniek Arnhem-Zuid
Polikliniek Arnhem-Zuid is een toegangspoort voor Rijnstate, dichtbij de inwoners van Arnhem-Zuid, Overbetuwe, Lingewaard. Naast de spreekuren voor verschillende specialismen zijn er faciliteiten voor radiologie en functieonderzoek en electieve behandelingen (niet complex). Ook is er een laboratorium voor bloedafname.

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0333ELSTrijnstate-VO01_0004.png" afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0333ELSTrijnstate-VO01_0005.png"  
afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0333ELSTrijnstate-VO01_0006.png" afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0333ELSTrijnstate-VO01_0007.png"  
Figuur 2.1: huidige locaties Rijnstate. Linksboven: Arnhem hoofdvestiging, rechtsboven: locatie Zevenaar, linksonder: locatie Velp, rechtsonder: locatie Arnhem-Zuid.  

2.2 Huidige situatie plangebied en omgeving

Het plangebied bestaat uit enkele braakliggende kavels aan de Nieuwe Aamsestraat en de Spoorlaan te Elst, alsmede een gedeelte van het momenteel nog bebouwde perceel Nieuwe Aamstestraat 11 ('Het klooster'). Ook een deel van de genoemde wegen en een watergang maken deel uit van het plangebied. Het plangebied omvat de volgende kadastrale percelen: Elst, sectie K, nummers 63 (ged.), 623 (ged.), 624 (ged.), 1617 (ged.), 1659 (ged.), 2044 (ged.), 3685 (ged.), 3687, 4849 (ged.), 6649, 6706 (ged.), 6717 (ged.), 6718, 6719, 6733 (ged.), 6842 (ged.), 6843 (ged.), 6844, 6845 en 6923 (ged.).

De directe omgeving bestaat uit diverse functies. Noordelijk en noordwestelijk van het plangebied zijn woongebieden aanwezig en noordoostelijk van het plangebied wordt een cluster met nieuwe woningen gerealiseerd (uitwerkingsplan 'Regenboog'). Ten oosten, zuiden en zuidwesten van het plangebied bevindt zich overwegend bedrijvigheid en direct ten zuiden van het plangebied een parkeergarage (P+R behorende bij het NS-station Elst). De spoorlijn Arnhem-Nijmegen en het NS-station Elst zijn direct ten westen van het plangebied gelegen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0333ELSTrijnstate-VO01_0008.png"  
afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0333ELSTrijnstate-VO01_0009.png"  
Figuur 2.2: huidige situatie plangebied, boven: luchtfoto, onder: zicht vanaf kruising Spoorlaan-Nieuwe Aamsestraat (bron: Bing Maps/Google Maps)  

Hoofdstuk 3 Toekomstige situatie

3.1 Aanleiding en achtergrond planvoornemen

In de komende jaren zal meer ziekenhuiszorg in en rondom de thuissituatie van patiënten worden verleend. Samenwerking met eerstelijns zorgverleners, naasten en patiënten is daarbij noodzakelijk. De inzet van technologie wordt steeds belangrijker.

Om onze toekomstige rol te kunnen blijven vervullen, heeft Rijnstate in totaal minder fysieke ruimte nodig op de locaties Velp en Zevenaar. We streven ernaar onze locaties zo optimaal mogelijk in te richten, inspelend op de verschuiving in het zorglandschap, verdere concentratie in de tweede lijn en verdergaande efficiëntie en doelmatigheid, onder andere door de inzet van e-health. Uitgangspunten hierbij zijn:

  • een makkelijk toegankelijke poort (polikliniek en veelgebruikte diagnostiek), dichtbij voor alle inwoners van ons verzorgingsgebied;
  • concentratie van alle niet-electieve klinische zorg en intensieve zorg op één locatie;
  • concentratie van electieve klinische zorg en bijbehorende dagbehandeling op een andere locatie (voor zover mogelijk vanuit kwaliteit- en efficiencyoverwegingen);
  • concentratie van (medisch) ondersteunende diensten als magazijn, laboratoria, ziekenhuisapotheek op één locatie (eventueel delen met derden en eventueel op externe locatie). Dit betreft uiteraard alleen de backoffice: de onderdelen van deze diensten waar de patiënt fysiek niet bij hoeft te zijn;
  • gezamenlijke initiatieven met huisartsen op een aantal plaatsen in de directe adherente regio.

Er is onderzocht welke huisvesting op welke locaties voor de toekomst nog nodig is. Dit leidt tot verschuivingen in de vastgoedportefeuille en in de profilering van de vestigingen.

  • Het profiel voor de locatie Arnhem-Noord (hoofdlocatie) blijft gericht op acute en complexe zorg, gepaard gaand met hoogwaardige technologische ontwikkelingen en investeringen;
  • De locatie in Zevenaar wordt verder ontwikkeld tot centrum voor planbare zorg en ouderenzorg.
  • Het pand in Velp is in december 2019 verkocht en voor een periode van drie jaar teruggehuurd door Rijnstate. Zorgactiviteiten zullen na afloop van deze periode met een ander aanbod en op een andere manier in de omgeving van Velp worden aangeboden.
  • In Arnhem-Zuid/Overbetuwe wordt het zorgaanbod uitgebreid. De polikliniek in Arnhem-Zuid wordt verplaatst naar een nieuwe locatie in de gemeente Overbetuwe, waar meer zorgfuncties aangeboden kunnen gaan worden, ook dag- en nachtopvang mogelijk wordt gemaakt én technologische ontwikkelingen kunnen worden ontplooid. Deze kliniek zal ook (een deel van) de huidige zorg in Velp en Zevenaar overnemen.

Om de laatstgenoemde ontwikkeling mogelijk te maken, is gezocht naar een geschikte locatie in de regio Arnhem-Zuid en Overbetuwe om een nieuwe locatie van Rijnstate te ontwikkelen, waar een breed palet aan poliklinische zorg kan worden geboden. Uit de onderzoeken is gebleken dat focus op de zuidelijke regio (Arnhem-Zuid, Overbetuwe) het grootste patiëntenvolume oplevert. Cruciale voorwaarden waaraan de nieuwbouwlocatie moet voldoen zijn voldoende bereikbaarheid en voldoende ruimte.

De keuze is gevallen op de locatie aan de Spoorlaan/Nieuwe Aamsestraat. Deze ligt gunstig ten opzichte van de dorpskern van Elst, het NS-station en ook de uitvalswegen (A15, A325). De locatie is grotendeels braakliggend, van voldoende grootte en biedt de mogelijkheid om deels gebruik te maken van een bestaande parkeervoorziening, namelijk de P+R parkeergarage ten zuiden van de planlocatie.

Andersom wordt met de gewenste nieuwbouw van Rijnstate een al lange tijd braakliggend terrein op een prominente locatie in Elst met een nieuwe, passende functie ingevuld. Sinds het afketsen van de plannen voor het 'Huis der Gemeente' is gezocht naar een nieuwe invulling en zijn nieuwe initiatieven niet van de grond gekomen. De komst van Rijnstate zorgt voor een belangrijke impuls van het zorg- en voorzieningenaanbod van Elst.

3.2 Beschrijving en uitgangspunten toekomstige situatie

Algemeen
De nieuwbouw van Rijnstate wordt gefaseerd gerealiseerd. In eerste instantie (fase 1) is er sprake van een dagziekenhuis met een totale omvang van maximaal 15.000 m² (bruto vloeroppervlak). Dit is een ziekenhuis waar voornamelijk dagbehandelingen plaatsvinden, maar waarbij ook de mogelijkheid voor poliklinische zorg in de avonduren en/of weekenden bestaat. Mogelijk worden ook samenwerkingen met externe partijen gezocht, die voor een grotere bezetting of een 24-uursbezetting zorgen.

Fase 2 bestaat uit één of twee uitbreidingen met in totaal maximaal 10.000 m² (bruto vloeroppervlak). Bij deze uitbreidingen is denkbaar dat er een verschuiving plaatsvindt van een dagziekenhuis naar een weekendziekenhuis, dat ook in de avond- en nachtperiode geopend is.

Infrastructuur, ontsluiting en parkeren
Een goede multimodale bereikbaarheid is voor het ziekenhuis van groot belang. Door de ligging direct aan het NS-station van Elst is de bereikbaarheid met openbaar vervoer uitstekend. Het ziekenhuis is vrijwel direct vanaf het perron bereikbaar. Ook de bushaltes bij het station zijn binnen handbereik.

Om de nieuwbouw op de beoogde locatie aan de Spoorlaan 1 en 3 te kunnen realiseren, moet de bestaande A-watergang westelijk van de Spoorlaan worden verlegd. Daarnaast zal een deel van de Spoorlaan worden verlegd, verder oostelijk dan het huidige profiel. De bestaande verbinding tussen de Nieuwe Aamsestraat en het centrum van Elst via de tunnel onder de spoorlijn, blijft gehandhaafd.

Op het terrein noordelijk van deze tunnel, op de locatie 'Het Klooster', wordt een parkeerterrein voor bezoekers aangelegd. Daarnaast zal voor het werknemersparkeren gebruik worden gemaakt van de bestaande P+R parkeergarage bij NS-station Elst. Deze is aan de overzijde van de Spoorlaan, ten zuiden van het plangebied gelegen. Er worden afspraken met NS vastgoed gemaakt over het exclusief gebruik van een deel van deze parkeergarage.

De entree van het ziekenhuis zal aan de noordkant, aan de Nieuwe Aamsestraat gesitueerd zijn. Aan de voorzijde komt een kiss & ride voorziening nabij de entree. Deze kan zowel ten behoeve van het ziekenhuis als het station worden gebruikt. Het entreegebied blijft verder verkeersluw, met een scheiding van verkeersstromen. De logistiek zal aan een andere zijde plaatsvinden.

Aan de westzijde (stationszijde) blijven de bestaande fietsparkeervoorzieningen voor OV-gebruikers op de gronden van NS Vastgoed gehandhaafd. De fietsparkeervoorziening voor het ziekenhuis wordt nog nader uitgewerkt.

Figuur 3.1 illustreert de toekomstige situatie met de infrastructuur en indicatief de toekomstige bouwmassa.

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0333ELSTrijnstate-VO01_0010.png"  
Figuur 3.1: toekomstige situatie in vogelvlucht vanuit zuidwestelijke richting weergegeven, plangebied in rood kader (bron: Gortemaker Algra Feenstra)  

Bebouwing
Er is een massastudie uitgevoerd op basis van functionele, ruimtelijke en stedenbouwkundige wensen en voorwaarden. In figuur 3.2 zijn de resultaten van deze studie zichtbaar. De bovenste afbeelding geeft de bouwcontouren voor fase 1 weer en de onderste afbeelding die van de complete nieuwbouw na realisatie van fase 2. Vooropgesteld wordt dat dit een indicatie van de maximale omvang betreft en géén concreet uitgewerkt bouwplan.

De bebouwing krijgt een maximale bouwhoogte van maximaal 25 meter.

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0333ELSTrijnstate-VO01_0011.png"  
afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0333ELSTrijnstate-VO01_0012.png"  
Figuur 3.2: indicatie bouwcontouren fase 1 (boven, spoorzijde) en fase 2 (onder, uitbreiding aan oostzijde)  

Functioneel programma
De focus op de nieuwe locatie in Elst zal op poliklinische zorg met bijbehorende zorg en ondersteuning liggen. Daarnaast zijn ondersteunende functies, zoals laboratoria, niet-zelfstandige kantoren en ondergeschikte detailhandel mogelijk. Rijnstate wil een breed scala aan poliklinische zorg aanbieden, aansluitend bij de behoefte van de inwoners in het verzorgingsgebied (veel jonge gezinnen). Verschillende medische specialisten kunnen spreekuur in het ziekenhuis houden. Te denken valt aan kinderartsen, gynaecologen, KNO-artsen, etc.

Het totale programma van fase 1 en 2 gezamenlijk mag maximaal 25.000 m² bedragen. De verdeling tussen beide fasen, alsmede de exacte functionele invulling, wordt daarbij niet vastgelegd. Navolgend wordt richtinggevend aangegeven wat een mogelijke invulling kan worden.

In fase 1 zal de focus op dagverzorging liggen. Het aantal patiënten zal naar verwachting maximaal 239 zijn en de personeelsbezetting maximaal 181. Na uitbreiding is een verschuiving/verbreding richting weekend-, avond- en nachtzorg denkbaar. Het maximum aantal patiënten wordt na de uitbreiding geschat op 374 en de maximale personeelsbezetting op 292.

Het functioneel programma van fase 1 is indicatief als volgt:

Programma fase 1 indicatief   m² bvo  
ontvangst en wachten   220  
apotheek   229  
opnameplein   170  
generiek spreekuurcentrum   4.218  
specifieke spreekuurvoorzieningen   670  
functieonderzoek   413  
behandelcentrum   782  
OK complex   450  
diagnostisch centrum   599  
kenniscentrum   522  
personeelsvoorzieningen   257  
facilitaire voorzieningen   616  
restauratieve voorzieningen   620  
extern vergadercentrum   1.415  
externe verhuur (commerciële functies)   1.000  
laboratorium   1.600  
Totaal   13.781  

Bovengenoemd overzicht is indicatief en wordt in de verdere planvorming nader uitgewerkt.

De beoogde uitbreiding (fase 2) voorziet in maximaal 12.500 m² bruto vloeroppervlak extra, tot een totaal van maximaal 25.000 m². De tweede fase voorziet naar verwachting in extra ruimte voor onder meer (dag)verpleging (2.900 m²) een operatiekamercomplex (1.088 m²), kantoren/poliklinieken (3.625 m²) en entreeruimte en facilitaire ruimten (2.103 m²). Ook dit programma is nadrukkelijk nog indicatief.

Hoofdstuk 4 Beleidskader

4.1 Rijksbeleid

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR)
In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte staan de plannen van de Rijksoverheid voor ruimte en mobiliteit. Het Rijk streeft naar een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland. Om dit te bereiken, laat het Rijk de ruimtelijke ordening meer over aan de decentrale overheden (provincie en gemeenten) en komt de gebruiker centraal te staan. Het Rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 13 nationale belangen. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid.

Beoordeling en conclusie
Het plangebied ligt niet in de nationale hoofdstructuur en omvat geen ontwikkeling van nationaal belang. Er zijn geen nationale belangen in het geding. Het plan conflicteert niet met het nationaal ruimtelijke ordeningsbeleid, zoals vastgelegd in de SVIR.

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)
Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft richtlijnen voor de inhoud van bestemmingsplannen, voor zover het gaat om ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang. De normering uit het Barro werkt zoveel mogelijk direct door op het niveau van de lokale besluitvorming. Bij besluitvorming over bestemmingsplannen moeten de regels van het Barro worden gerespecteerd.

Beoordeling en conclusie
Er zijn geen nationale belangen in het geding. Het Barro heeft geen doorwerking naar dit bestemmingsplan.

Ladder voor duurzame verstedelijking
Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen, is per 1 oktober 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). De ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De ladder is een motiveringsinstrument dat moet worden toegepast bij elk ruimtelijk besluit dat een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling' mogelijk maakt. Wat onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan, is in artikel 1.1.1 Bro bepaald: 'De ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.” Uit de jurisprudentie komt naar voren dat het wel een nieuwe stedelijke ontwikkeling van enige omvang moet zijn (ECLI:NL:RVS:2016:1503).

In een bestemmingsplan moet worden aangegeven dat de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte en een motivering, dat de ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd als de ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied plaatsvindt: 'De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien”.

Beoordeling
Dit bestemmingsplan maakt de bouw van een ziekenhuisvoorziening mogelijk op gronden die momenteel bestemd zijn voor maatschappelijke, bedrijfs-, waterhuishoudkundige en verkeersdoeleinden. Het totale programma van de nieuwbouw bedraagt maximaal 25.000 m². Gezien de omvang van de ontwikkeling, is de ontwikkeling van de polikliniek aan 'nieuwe stedelijke ontwikkeling', zoals bedoeld in artikel 3.1.6 Bro. De Ladder voor duurzame verstedelijking is daarom van toepassing op dit bestemmingsplan. In het kader van de planontwikkeling heeft een uitgebreide laddertoets plaatsgevonden. Deze rapportage is opgenomen in Bijlage 1.

Behoefte
Het verzorgingsgebied van het nieuwe Rijnstate ziekenhuis omvat een ruime marktregio. De marktregio is bepaald op basis van de verwachte herkomst van patiënten, waarbij de herkomst van bezoekers aan de huidige locaties van Rijnstate is geanalyseerd. Voor het gehele Rijnstate ziekenhuis is het verzorgingsgebied in een straal van ca. 20 tot 25 kilometer rondom Arnhem gelegen. Het verzorgingsgebied van de nieuwe vestiging in Elst betreft voornamelijk de regio Arnhem-Nijmegen in een straal van ca. 15 kilometer rondom de locatie, in lijn met de huidige locaties Arnhem-Zuid en Zevenaar. Daarbij is het verzorgingsbereik richting het zuiden naar verwachting kleiner dan richting noorden en noordoosten.

De zorg ontwikkelt zich en verandert continu. De veranderende zorg betekent ook een continu verandering van huisvestingseisen. Een belangrijke zichtbare ontwikkeling is dat ziekenhuiszorg steeds vaker ook buiten de ziekenhuismuren plaatsvindt en ziekenhuizen een steeds belangrijkere rol in de gehele zorg- en welzijnsketen spelen. Artsen, verplegers en ondersteunende afdelingen werken steeds vaker elders (verpleging of monitoring thuis). Diagnose en monitoring op afstand betekenen ook een verminderd ruimtegebruik binnen ziekenhuismuren. Daar staat tegenover dat een andere trend is dat (vrijkomende) ruimte in/bij ziekenhuizen steeds vaker wordt gedeeld met derden, vaak met andere zorgfuncties of aan zorg verwante functies, maar ook kleinschalige horeca en ondergeschikte detailhandel. Dit levert een beter gebruik van de ruimte op, evenals synergievoordelen die tot versterkte zorgketens leiden.

Het basisscenario (fase 1) betreft een totaalprogramma van circa 15.000 m² bruto vloeroppervlak (bvo) en betekent een verschuiving van activiteiten van de locatie Velp (19.800 m² bvo) en Arnhem-Zuid (4.200 m² bvo) naar de nieuwe locatie in Elst. Deze huidige locaties beschikken over ruimte voor zorg en ondersteunende functies met een gezamenlijke oppervlakte van 24.000 m². Het betreft echter geen één-op-één verplaasting van deze vierkante meters, omdat zorgtrends zoals beschreven ertoe leiden dat er minder ruimte nodig is binnen de ziekenhuismuren. Op de locatie in Velp is bovendien sprake van gedeeltelijke leegstand (2.000 m² bvo). Daarom is voor de te verplaatsen onderdelen een programma van ca. 15.000 m² bvo benodigd. De basisbehoefte is hiermee, ter vervanging van de huidige benutte meters, aangetoond.

De ruimtevraag voor de nieuwe locatie in Elst zal in de loop der jaren naar verwachting toenemen tot maximaal 25.000 m² bvo met de ontwikkeling van fase 2. De geboden zorg op de locatie zal veranderen en worden verbreed met andere aanvullende vormen van zorg. Het operatiekamercomplex zal vermoedelijk verhuizen van Velp naar Elst. Daarnaast worden de verpleging en dagverpleging uitgebreid, waarbij een deel zal verplaatsen van Zevenaar naar Elst. Voor deze nieuwe/verbrede functies zullen ook ondersteunende functies, zoals kantoren, faculitaire ruimten, horeca en entreeruimten benodigd zijn . Daarnaast is de verwachting dat het patiëntenbestand zal groeien door de verwachte groei binnen het verzorgingsgebied, infrastructurele verbeteringen (doortrekking A15) en een grotere aantrekkingskracht als zorgalternatief voor patiënten vanuit westelijke en zuidwestelijke regio's.

De totale ruimtebehoefte voor Rijnstate Elst wordt op het moment dat wordt geschakeld naar fase 2, ingeschaald op maximaal 25.000 m² bvo. Het in dit bestemmingsplan vastgelegde programma van maximaal 25.000 m² bvo past hierin.

Rijnstate speelt met de nieuwbouwontwikkeling in op toekomstige verandering in zorgvraag en zorgtype. Het nieuwe gebouw is multifunctioneel te gebruiken en kan, in het bijzonder in fase 2, worden aangepast aan actuele huisvestingsbehoeften.

Ruimtelijke effecten
De nieuwbouw van Rijnstate in Elst gaat gepaard met een sterke kwalitatieve verbetering van het zorgaanbod. De behoefte van het nieuwe Rijnstate in Elst wordt voor een groot deel gevormd door het verplaatsen van zorg vanuit andere locaties van Rijnstate. Andere locaties zullen dus veranderen van opzet of als vastgoed worden afgestoten door Rijnstate. In de Ladderonderbouwing zijn de toekomstperspectieven van de verschillende locaties beschouwd, omdat de veranderingen niet mogen leiden tot onaanvaardbare ruimtelijke effecten.

  • Voor de locatie Arnhem-Zuid is de wens om de huurovereenkomst vroegtijdig te ontbinden. Leegstand is niet wenselijk en is contractueel ook niet toegestaan. Er vinden momenteel gesprekken plaats over vroegtijdige ontbinding en/of een passende invulling.
  • Locatie Velp is eind 2019 volledig verkocht en wordt voor maximaal 3 jaar teruggehuurd. De herinvulling van deze locatie ligt onder verantwoordelijkheid van de kopende partij, die hiervoor door de terughuurperiode ruim de tijd heeft. Structurele leegstand wordt hiermee zo goed mogelijk voorkomen. Daarnaast heeft de gemeente Rheden de bereidheid om de bestemming ter plaatse te wijzigen naar wonen/zorg, waarmee de verwachting is dat de locatie een passende invulling zal krijgen.
  • De locatie Zevenaar wordt afgestoten; onderhandelingen hierover zijn in een vergaand stadium. De beoogde terughuurperiode van twee jaar biedt de koper de tijd om een herinvulling te vinden. De ter plaatse geldende maatschappelijke bestemming maakt ook andere functies dan gezondheidszorg mogelijk. Herinvulling is dus relatief kansrijk.

Concluderend wordt gesteld dat de verplaatsing van een deel van de zorg vanuit verschillende locaties naar Elst leegstand kan opleveren voor (delen van) de locaties Velp, Arnhem-Zuid en Zevenaar. Voor iedere locatie is de reële verwachting dat deze wederom gevuld kunnen worden en grotendeels worden deze in de eerste jaren teruggehuurd. De kans op structurele, onaanvaardbare leegstand is daarmee beperkt. Naar verwachting doen zich daarom ook geen onaanvaardbare ruimtelijke effecten voor.

Conclusie behoefte
De nieuwbouw van het Rijnstate ziekenhuis in Elst voorziet in een kwantitatieve en kwalitatieve behoefte. Naar verwachting doen zich geen onaanvaardbare ruimtelijke effecten voor.

Locatie
De locatie voor de nieuwbouw is zorgvuldig gekozen. De beoogde locatie in het plangebied ligt binnen bestaand stedelijk gebied. De gronden zijn reeds bestemd voor stedelijke functies, maar liggen al geruime tijd braak. De gronden worden bovendien omgeven door andere stedelijke functies. Passende invulling van deze locatie is in meerdere opzichten gewenst, waaronder de aantrekkingskracht van Elst in het algemeen en de omgeving van het plangebied in het bijzonder.

Voor de vestiging van een ziekenhuis vormt een goede, bij voorkeur multimodale, bereikbaarheid één van de voornaamste randvoorwaarden. De locatie is multimodaal bereikbaar en kent goede verbindingen voor autoverkeer, openbaar vervoer en fietsverkeer. Daarnaast is op de locatie voldoende ruimte aanwezig om het gewenste programma op langere termijn te kunnen realiseren, met de daarbij behorende voorzieningen, zoals parkeervoorzieningen. De locatie is om deze redenen zeer geschikt voor de toekomstige functie. Er is sprake van zorgvuldig ruimtegebruik. Ook in dit opzicht voldoet het plan aan de Ladder voor duurzame verstedelijking.

4.2 Provinciaal beleid

Omgevingsvisie Gaaf Gelderland
Provinciale Staten hebben op 19 december 2018 de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland (hierna: de Omgevingsvisie) vastgesteld. Deze is in werking getreden op 1 maart 2019. Het doel van de Omgevingsvisie is: een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland, vanuit het verleden én met het oog op de toekomst. De provincie is als middenbestuur een belangrijke schakel bij het bereiken van deze doelstellingen en wil op een aantal manieren waarde toevoegen:

  • met een brede blik kijken naar de inrichting en kwaliteit van de Gelderse leefomgeving;
  • stimuleren van ontwikkelingen enerzijds en beschermen van waarden anderzijds;
  • focussen op duurzaamheid, onderlinge verbondenheid en een economisch krachtig Gelderland;
  • door middel van 7 ambities verder verdiepen van de focus.

De 7 ambities van de provincie zien op de volgende thema's: energietransitie, klimaatadaptatie, circulaire economie, biodiversiteit, bereikbaarheid, vestigingsklimaat en de woon- en leefomgeving. Per ambitie is de provinciale aanpak beschreven.

Beoordeling en conclusie
De Omgevingsvisie is concreet uitgewerkt in de hierna beschreven Omgevingsverordening Gelderland. Deze verordening bevat concrete regels, waaraan het initiatief wordt getoetst. De Omgevingsvisie zelf bevat geen aanduidingen en thema's, die voor dit bestemmingsplan rechtstreeks van belang zijn. Het plan is dan ook in overeenstemming met de Omgevingsvisie.

Omgevingsverordening Gelderland
Provinciale Staten hebben de Omgevingsverordening Gelderland (hierna: de Omgevingsverordening of verordening) vastgesteld op 24 september 2014. De verordening wordt geregeld geactualiseerd. De meest recente versie van de Omgevingsverordening dateert van 19 december 2018.

De regels in de verordening kunnen betrekking hebben op het hele provinciale grondgebied, op delen of op gebiedsgerichte thema's. Gemeenten moeten binnen een bepaalde termijn hun bestemmingsplan afstemmen op de in de verordening opgenomen regels. De regels in de verordening zijn gebaseerd op de provinciale omgevingsvisie en hebben de status van algemeen verbindende voorschriften.

Beoordeling
Dit bestemmingsplan maakt de bouw van een maatschappelijke voorziening (ziekenhuisvoorziening) mogelijk. Het plangebied ligt in bestaand stedelijk gebied. De Omgevingsverordening bevat geen specifieke bepalingen met betrekking tot de vestiging van maatschappelijke functies.

In het plangebied gelden volgens de Omgevingsverordening enkele specifieke aanduidingen:

  • Romeinse Limes. Bestemmingsplannen, die liggen binnen de Romeinse Limes, mogen de kernkwaliteiten hiervan niet aantasten. De Romeinse Limes loopt dwars door Nederland, van Katwijk aan Zee in het westen tot aan de Duitse grens in het oosten. Bestemmingsplannen die onderdeel uitmaken van de Romeinse Limes (vertaald: 'grenspad'), mogen geen ontwikkelingen mogelijk maken die de kernkwaliteiten van dit erfgoed aantasten. De kernkwaliteiten van de Romeinse Limes zijn forten, burgerlijke nederzettingen, kampdorpen, grafvelden, de militaire infrastructuur uit de Romeinse tijd, bestaande uit wegen, waterwerken en wachttorens en scheepswrakken (artikel 2.59). Het plangebied ligt in de bebouwde kom van Elst, op een braakliggende locatie in sterk verstedelijkt gebied. Gezien de huidige functies, (voormalige) bebouwing en (perceels)indeling van het plangebied en omgeving zijn er in de huidige situatie geen elementen van de Romeinse Limes zichtbaar in het plangebied en omgeving. Dit is bevestigd door het uitgevoerde archeologisch onderzoek (zie nader paragraaf 5.13 en Bijlage 10). De nieuwbouw van het Rijnstate ziekenhuis doet daarom geen afbreuk aan de kernkwaliteiten van de Romeinse Limes.
  • Tijdelijk verbod nieuwvestiging, uitbreiding en hervestiging glastuinbouw. Dit thema is niet van belang, omdat er geen sprake is van glastuinbouw.

Het plan conflicteert niet met deze thematische regels van de Omgevingsverordening.

Conclusie
Dit bestemmingsplan is in overeenstemming met de Omgevingsverordening Gelderland.

4.3 Gemeentelijk beleid

Omgevingsvisie Overbetuwe 2040
Op 1 oktober 2019 heeft de gemeenteraad van Overbetuwe de Omgevingsvisie Overbetuwe 2040 (hierna: Omgevingsvisie) vastgesteld. De Omgevingsvisie geeft de integrale koers en ambities van de gemeente Overbetuwe voor de fysieke leefomgeving voor de periode tot en met 2040 aan. De Omgevingsvisie is er primair op gericht om de kwaliteit van het leefmilieu te behouden en waar mogelijk te versterken. Samenwerking tussen verschillende partijen staat centraal en is noodzakelijk om deze doelen te bereiken. De visie is opgesteld vanuit een brede blik, waarbij ruimtelijke ordening, milieu, economie en bereikbaarheid met elkaar worden verbonden.

De gemeente onderscheidt een aantal kernwaarden die als vertrekpunt en inspiratiebron voor nieuwe ontwikkelingen dienen. Deze kernwaarden zijn ontstaan in het cultuurhistorisch gegroeide Betuwse rivierenlandschap. Kernwaarden zijn beschreven op het gebied van bodem en landschap, netwerk en infrastructuur en occupatie. De verschillende kernen in de gemeente kennen elk een eigen karakteristieke identiteit en waarden. Deze worden eveneens als leidraad voor nieuwe ontwikkelingen gehanteerd. Behoud van de karakteristiek en (specifieke) kwaliteiten van deze kernen en het buitengebied is een speerpunt in het beleid.

In de Omgevingsvisie wordt de focus gelegd op zes opgaven:

  • Vitaal buitengebied in beweging;
  • Innovatieruimte voor ondernemerschap;
  • Samen werken aan energietransitie;
  • Gevarieerde dorpse woonomgeving;
  • Netwerk verbonden met samenleving;
  • Voorzieningen geclusterd.

Per thema wordt de toekomstige ontwikkeling van de Overbetuwse leefomgeving beschreven.

Beoordeling
Het plangebied ligt in de kern Elst, op korte afstand van het dorpscentrum en direct naast het station. De omgeving is sterk verstedelijkt door de aanwezige infrastructuur en de bedrijventerreinen ten oosten en zuiden van het plangebied. Elst is een middelgrote, dynamische kern met een regionale functie en aantrekkelijke voorzieningen. Daarbij is de goede verbinding met de omliggende steden een meerwaarde. Dit geldt voor het plangebied, vanwege de ligging naast het station Elst, in het bijzonder. Vanwege de regionale functie en goede bereikbaarheid van Elst, is vestiging van een dependance van het Rijnstate ziekenhuis in deze kern passend bij de ambities en opgaven, die in de Omgevingsvisie zijn beschreven. Om een gevarieerde en dorpse woonomgeving in de woongebieden te waarborgen, leent zich voor de vestiging van de ziekenhuisdependance een locatie buiten deze woongebieden. De planlocatie voldoet daaraan.

Conclusie
Het bestemmingsplan is in overeenstemming met de Omgevingsvisie Overbetuwe 2040.

Hoofdstuk 5 Milieu- en omgevingsaspecten

5.1 Milieueffectrapportage

Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r. gewijzigd. De belangrijkste aanleidingen hiervoor zijn de modernisering van de m.e.r. wetgeving in 2010 en de uitspraak van het Europese Hof van 15 oktober 2009. Uit deze uitspraak volgt dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen m.e.r.(-beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit lijst D zit, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een gevoelig natuurgebied ligt. Gemeenten en provincies moeten daarom vanaf 1 april 2011 ook bij kleinere bouwprojecten beoordelen of een m.e.r.(-beoordeling) nodig is.

Ook de Implementatiewet 'herziening m.e.r. richtlijn', die sinds 16 mei 2017 in werking is, is voor dit bestemmingsplan van belang. De richtlijn wijzigt de procedure en de inhoud van het MER en de m.e.r.-beoordeling, maar ook de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Dit heeft gevolgen voor de inhoud en procedure van ruimtelijke plannen. Voor activiteiten, die zijn opgenomen in onderdeel D van de Bijlage bij het Besluit m.e.r. en waarvan de omvang beneden de in kolom 2 genoemde drempel ligt, geldt een vormvrije m.e.r.-beoordeling.

Beoordeling
Dit bestemmingsplan maakt de vestiging van een polikliniek met een totaal programma van maximaal 25.000 m² (bruto vloeroppervlak) mogelijk. In de huidige situatie hebben de gronden een maatschappelijke, bedrijfs-, waterhuishoudkundige- en verkeersbestemming. Gezien de aard en omvang van de ontwikkeling, kan het initiatief ondanks de huidige stedelijke bestemmingen als een stedelijk ontwikkelingsproject, zoals bedoeld in het Besluit m.e.r., worden beschouwd. Een vormvrije m.e.r.-beoordeling is daarom noodzakelijk. De vormvrije m.e.r.-beoordeling wordt opgesteld op basis van de onderzoeken die zijn uitgevoerd in het kader van het ruimtelijke plan. In de aanmeldingsnotitie vindt een beoordeling/toets plaats aan de criteria, die zijn genoemd in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze wordt na afronding van alle onderzoeken opgesteld. Het bevoegd gezag moet hierover voorafgaand aan de publicatie van het ontwerpbestemmingsplan een afzonderlijk besluit nemen.

5.2 Geluid

Op basis van de Wet geluidhinder (artikel 77 Wgh) dient bij een bestemmingsplan een akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd als het plan mogelijkheden biedt voor:

  • de toevoeging van een nieuwe woning of andere geluidsgevoelige functie binnen de zone van een weg;
  • de aanleg van een nieuwe weg;
  • de reconstructie van een bestaande weg.

De breedte van de zone van een weg is afhankelijk van het aantal rijstroken, het stedelijk gebied en de maximumsnelheid. Alle wegen hebben geluidzones, met uitzondering van wegen die in een als 'woonerf' aangeduid gebied liggen en wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt.

In de Wgh zijn grenswaarden opgenomen met betrekking tot de geluidbelasting op de gevels van woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen. De voorkeursgrenswaarde voor de geluidbelasting op de gevel is 48 dB en mag in principe niet worden overschreden. Onder bepaalde voorwaarden mag de geluidbelasting hoger zijn dan de voorkeursgrenswaarde. Hiervoor moet met een ontheffing een hogere waarde worden vastgesteld. De maximale ontheffingswaarde voor nieuwe woningen in stedelijk gebied is 63 dB. De gemeente heeft een beleidsnota voor het toepassen van hogere waarden opgesteld.

Beoordeling
Met dit bestemmingsplan wordt de nieuwbouw van een ziekenhuis toegestaan. Een ziekenhuis wordt in artikel 1.2 van het Besluit geluidhinder aangemerkt als een 'ander geluidsgevoelig gebouw'. Het ziekenhuis ligt in de gewenste situatie direct aan de Nieuwe Aamsestraat en de Spoorlaan. Op deze wegen en de overige wegen binnen 200 meter afstand geldt een maximumsnelheid van 30 km/uur. Een akoestisch onderzoek naar het wegverkeerslawaai is daarom vanuit de Wgh niet noodzakelijk, maar wordt vanuit een oogpunt van goede ruimtelijke ordening noodzakelijk geacht.

Ten slotte is het plangebied gelegen op korte afstand van de spoorlijn Arnhem-Nijmegen. De breedte van de geluidzone van deze spoorlijn is 300 meter aan weerszijden. De geluidzone reikt over het plangebied.

In het kader van de bestemmingsplanherziening is om voorgaande redenen een akoestisch onderzoek naar zowel het wegverkeers- als railverkeerslawaai uitgevoerd. De onderzoeksrapportage is opgenomen in Bijlage 2. Hierna worden de onderzoeksresultaten besproken.

Resultaten wegverkeerslawaai
Het plan is getoetst in lijn met de voorkeursgrenswaarde en maximale ontheffingswaarde conform de Wgh, hoewel de Wgh formeel niet van toepassing is. De geluidbelasting vanwege het wegverkeer ter plaatse van de westgevel is lager dan 48 dB en daarmee lager dan de voorkeursgrenswaarde volgens de Wgh. Ter plaatse van de zuid- en oostgevel is de geluidbelasting lager dan de maximale ontheffingswaarde van 63 dB. Aan de noordgevel wisselt de geluidbelasting sterker en is deze deels lager dan 48 dB en deels lager dan 63 dB. Omdat de berekende geluidbelasting op geen enkele gevel hoger dan 63 dB is, wordt de berekende geluidbelasting aanvaardbaar geacht in het kader van een goede ruimtelijke ordening.

Resultaten railverkeerslawaai
De geluidbelasting vanwege railverkeerslawaai is ter plaatse van de westgevel hoger dan 68 dB. Indien aan deze gevel geluidgevoelige functies (onderzoeks- en behandelingsruimten, patiëntenhuisvesting, recreatie- en conversatieruimten) worden voorzien, dan is een dove gevel benodigd. Voor de noord- en zuidgevel is de geluidbelasting lager dan 68 dB, maar hoger dan 48 dB. Een hogere grenswaarde is voor deze gevels noodzakelijk. Aanvullende geluidwerende maatregelen zijn noodzakelijk om het volgens het Bouwbesluit 2012 vereiste binnenniveau te garanderen. Aan de oostgevel is de geluidbelasting lager dan 48 dB en wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde.

Conclusie
Ten aanzien van het wegverkeerslawaai worden de optredende geluidbelastingen aanvaardbaar geacht en zijn er geen belemmeringen voor de realisatie van het ziekenhuis. Ten aanzien van het railverkeerslawaai is een hogere waarde vereist en dient de westelijke gevel als dovel gevel te worden uitgevoerd, tenzij hier geen geluidgevoelige functies worden gerealiseerd. Aanvullende geluidwerende maatregelen zijn noodzakelijk om aan de normstelling ten aanzien van het binnenniveau te voldoen. Dit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

5.3 Luchtkwaliteit

De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Hierin zijn grenswaarden opgenomen voor luchtvervuilende stoffen. Voor ruimtelijke projecten zijn fijn stof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) de belangrijkste stoffen.

Een project is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;
  • het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;
  • het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging;
  • het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen.

Om te bepalen of een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtkwaliteit is een algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels zijn vastgelegd. Een project kan in twee situaties NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit:

  • het project behoort tot de lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) die is opgenomen in de Regeling NIBM;
  • het project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO2 en PM10 (1,2ìg/m3).

Beoordeling
Met dit bestemmingsplan wordt de nieuwbouw van het Rijnstate ziekenhuis met een programma van maximaal 25.000 m² bvo mogelijk gemaakt. Het plangebied is momenteel braakliggend. De ontwikkeling kan dan ook een relevant effect op de luchtkwaliteit hebben. Om na te gaan of de ontwikkeling NIBM bijdraagt aan de luchtkwaliteit, zal een luchtkwaliteitsonderzoek worden uitgevoerd in het kader van het ontwerpbestemmingsplan. Op voorhand is op basis van ervaringscijfers niet de verwachting dat dit aspect voor belemmeringen zorgt.

Conclusie
De ontwikkeling valt onder de regeling NIBM. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de ontwikkeling. Nader onderzoek vindt plaats in het kader van het ontwerpbestemmingsplan.

5.4 Bedrijven en milieuzonering

Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies, zoals woningen. Bij de planontwikkeling moet rekening worden gehouden met milieuzonering om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren.

Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'. In de publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd. Als bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden).

De richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit, zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype. Een rustige woonwijk is een woonwijk, die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Binnen gemengde gebieden heeft men te maken met milieubelastende en milieugevoelige functies, die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. Direct naast woningen komen andere functies voor, zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. In gemengde gebieden kunnen de richtafstanden met één afstandsstap worden verlaagd. Ten slotte kan sprake zijn van gebieden met een sterke functiemenging (functiemengingsgebieden), zoals stads- en dorpscentra en horecaconcentratiegebieden. In deze gebieden is een andere categorie-indeling van toepassing.

Beoordeling
Invloed plan op omgeving
Dit bestemmingsplan maakt een maatschappelijke voorziening (ziekenhuis) en een parkeerterrein mogelijk. Daarmee is er sprake van nieuwe milieubelastende functies, die behoren tot milieucategorie 2. De directe omgeving van het plangebied kan worden gekenmerkt als een 'gemengd gebied', maar voor de woongebieden noordelijk van het plangebied (Regenboog, Meiregen) is de typering 'rustige woonwijk' van toepassing. Daarom wordt getoetst aan de reguliere richtafstanden. Overige woningen bevinden zich op ruime afstand tot het plangebied.

In dit geval bedraagt de richtafstand ten opzichte van zowel het ziekenhuis als het parkeerterrein 30 meter. De woningen aan de Regenboog en Meiregen bevinden zich op ten minste 75 meter afstand van het nieuwe parkeerterrein en ten minste 125 meter van het ziekenhuis. De aanwezigheid van deze woningen vormt daarmee geen belemmering voor de realisatie van het ziekenhuis en het parkeerterrein. Andersom zorgt de realisatie van deze functies niet voor onevenredige hinder ter plaatse van omliggende woningen.

Invloed omgeving op plangebied
Met het bestemmingsplan worden ook milieugevoelige functies mogelijk gemaakt. Een ziekenhuis is immers een plek waar mensen langdurig kunnen verblijven. Daarom is tevens onderzoek verricht naar de effecten van de omliggende bedrijvigheid op het plangebied. Uitgegaan is van het principe van uitwaartse zonering. Dit onderzoek is opgenomen in Bijlage 3.

Op basis van het aangrenzend geldende bestemmingsplan 'Elst, Bedrijventerrein De Aam' zijn bij recht bedrijven uit de milieucategorieën 2 tot en met 4.2 toegestaan. De milieucontouren van de omliggende bedrijvigheid reiken over het plangebied. Het plangebied ligt binnen de richtafstanden tot de met de omliggende bestemmingsplan toegestane bedrijvigheid. Dat betekent dat de realisatie van het ziekenhuis slechts mogelijk is, wanneer aangetoond wordt dat er sprake is van een aanvaardbaar verblijfsklimaat, onder waarborging van de bedrijfsvoering van de bestaande bedrijven. Dit is voor de relevante aspecten onderzocht. De volgende bedrijfslocaties, die van invloed kunnen zijn voor de milieueffecten op het plangebied, zijn onderzocht:

  • Stationsstraat 50 (Heinz);
  • Energieweg 10 (straal- en spuitbedrijf);
  • Energieweg 2 (metaalbedrijf, inkoop, verwerking en recycling);
  • Handelsweg 5 (H&S Coldstores; sap- en vloeistofverwerking);
  • Nieuwe Aamsestraat 30 (handelsonderneming).

De respresentatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden is per bedrijfslocatie als uitgangspunt genomen.

Geluid
Een ziekenhuis is op basis van de Wet geluidhinder en de Wet milieubeheer beschermd tegen onevenredige geluidhinder. De gemeente Overbetuwe heeft eigen beleid geformuleerd in de Nota Bedrijven en Geluid (2009). De ambitiewaarde voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau is 50 dB(A) volgens het gemeentelijk geluidbeleid en de bovengrenswaarde is 55 dB(A). Voor het maximaal geluidniveau worden de volgende waarden geambieerd: 70 dB(A) voor de dagperiode, 65 dB(A) voor de avondperiode en 60 dB(A) voor de nachtperiode. Onderstaand worden de resultaten van de diverse berekeningen weergegeven. Uit de tabel blijkt dat ten aanzien van de meeste bedrijven wordt voldaan aan de ambitiewaarden voor het langtijdgemiddelde en maximale geluidniveau. Op enkele punten worden deze ambitiewaarden overschreden. Achter de tabel wordt gemotiveerd waarom de optredende waarden acceptabel worden geacht en een aanvaardbaar verblijfsklimaat voldoende gegarandeerd is. Ten aanzien van het aspect akoestiek bestaan geen bezwaren tegen de realisatie van het ziekenhuis.

Bedrijf   Ambitiewaarde langtijdgemiddeld geluidniveau   Optredend langtijdgemiddeld geluidniveau   Ambitiewaarden maximaal geluidniveau   Optredend maximaal geluidniveau  
Stationsstraat 50 (Heinz)   50 dB(A)   49 dB(A)   dag: 70 dB(A), avond: 65 dB(A), nacht: 60 dB(A)   60 dB(A) in alle perioden  
Energieweg 10 (straal- en spuitbedrijf)   50 dB(A)   46 dB(A)   dag: 70 dB(A), avond: 65 dB(A), nacht: 60 dB(A)   61 dB(A) in alle perioden op één beoordelingspunt*  
Energieweg 2 (metaalbedrijf)   50 dB(A)   53 dB(A)**   dag: 70 dB(A), avond: 65 dB(A), nacht: 60 dB(A)   dag: 63 dB(A)
nacht: 51 dB(A)  
Handelsweg 5 (H&S Coldstores)   50 dB(A)   41 dB(A)   dag: 70 dB(A), avond: 65 dB(A), nacht: 60 dB(A)   dag: 53 dB(A),
avond: 47 dB(A), nacht: 31 dB(A)  
Nieuwe Aamsestraat 30 (handelsondern.)   50 dB(A)   44 dB(A)   dag: 70 dB(A), avond: 65 dB(A), nacht: 60 dB(A)   dag: 65 dB(A),
avond: 60 dB(A), nacht: 61 dB(A)***  

* ter plaatse worden operatiekamers voorzien. Deze zijn niet geluidgevoelig. De overschrijding is daarom niet bezwaarlijk.

** er wordt voldaan aan de bovengrenswaarde van 55 dB(A). Daarnaast zijn niet op alle beoordelingspunten, waar een overschrijding geconstateerd is, geluidgevoelige ruimten voorzien. Het langtijdgemiddelde geluidniveau kan daarom aanvaardbaar worden geacht. Bij de nadere planuitwerking wordt aanbevolen om waar mogelijk rekening te houden met de geconstateerde overschrijdingen, bijvoorbeeld door aanpassing in de positionering van ruimten.

*** deze overschrijding treedt op drie beoordelingspunten op de tweede verdieping op. Ter plaatse van deze beoordelingspunten worden operatiekamers voorzien. Deze zijn niet geluidgevoelig. De overschrijding is daarom niet bezwaarlijk.

Geur
Een ziekenhuis wordt aangemerkt als een geurgevoelig object. Ten aanzien van dit aspect is in het onderzoek aangesloten op het provinciaal geurbeleid (2017).

Dit aspect is uitsluitend ten aanzien van het bedrijf Heinz (Stationsstraat 50) relevant. De geuremissie van dit bedrijf is, als 98-percentiel én als 99,99-percentiel, ruimschoots lager dan de streefwaarden van respectievelijk 0,5 OUE/m³ en 2 OUE/m³.

Ten aanzien van het aspect geur is een aanvaardbaar verblijfsklimaat voor het ziekenhuis voldoende gegarandeerd.

Trillingen
Een ziekenhuis is een gebouw, waar personen gedurende een langere periode van de dag verblijven en waar activiteiten worden verricht die (mogelijk) gevoelig zijn voor voelbare trillingen via de bodem. Ten aanzien van dit aspect gelden geen wettelijke normen, maar is in het onderzoek aansluiting gezocht bij de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening en de Meet- en beoordelingsrichtlijnen voor trillingen, SBR-richtlijn B.

Het aspect trillingen is uitsluitend relevant ten aanzien van het metaalbedrijf aan de Energieweg 2. Het ziekenhuis ligt op 100 meter afstand van activiteiten, die trillingen veroorzaken (storten van metaal, gebruik van shredder of guillotineschaar). Gelet op de grote afstand tot deze activiteiten, in samenhang met voorgenomen wijze van bouwen van het ziekenhuis, met betonnen funderingen en betonnen vloeren, is hinder vanwege voelbare trillingen via de bodem niet aannemelijk. Nader onderzoek naar dit aspect is daarom niet noodzakelijk.

Het aspect trillingen vormt geen belemmering voor de realisatie van het ziekenhuis in het plangebied.

Luchtkwaliteit
Met betrekking tot dit aspect moet rekening worden gehouden met de Wet milieubeheer, titel 5.2 'Luchtkwaliteitseisen' en de bijbehorende bijlagen. Onderzocht is welke concentraties optreden ter plaatse van het ziekenhuis.

Uit de berekeningen blijkt dat de jaargemiddelde concentratie PM10 24,7 microgram/m³ bedraagt. Het aantal overschrijdingsdagen is 16.

De jaargemiddelde concentratie NO2 bedraagt 24,2 microgram/m³.

De lokale luchtkwaliteit ter plaatse van het ziekenhuis voldoet gelet op bovenstaande resultaten ruimschoots aan de grenswaarden van titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Een aanvaardbaar verblijfsklimaat kan voldoende worden gegarandeerd.

Stof
Aangesloten is bij de systematiek van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Uitsluitend ten aanzien van de volgende bedrijven is toetsing aan dit aspect relevant geacht:

  • Straal- en spuitbedrijf Energieweg 10. In het Activiteitenbesluit milieubeheer zijn voorschriften opgenomen voor de stofemissie van afzuigingen en diffuse stofemissies opgenomen. De realisatie van het ziekenhuis brengt hierin geen verandering. Een aanvaardbaar verblijfsklimaat ter plaatse van het plangebied is door middel van deze geldende voorschriften voldoende gegarandeerd.
  • Metaalbedrijf Energieweg 2. In het Activiteitenbesluit milieubeheer zijn voorschriften opgenomen voor de stofemissie van afzuigingen en diffuse stofemissies opgenomen. De realisatie van het ziekenhuis brengt hierin geen verandering. Een aanvaardbaar verblijfsklimaat ter plaatse van het plangebied is door middel van deze geldende voorschriften voldoende gegarandeerd.

Conclusie
Het aspect 'bedrijven en milieuzonering' levert geen belemmeringen voor de realisatie van het Rijnstate ziekenhuis met de daarbij behorende voorzieningen op. Omliggende bedrijvigheid wordt niet beperkt, een aanvaardbaar verblijfsklimaat is voldoende gegarandeerd en er treden geen onevenredig negatieve effecten op omliggende woningen op.

5.5 Trillingen

Trillingen ontstaan doordat een bron een kracht uitoefent op de bodem, al dan niet via een gebouw. Trillingen kunnen veroorzaakt worden door onder meer machines, verkeer over oneffen wegoppervlakten of railverkeer. Voor trillinghinder bestaan geen wettelijke normen. Vanuit een oogpunt van goede ruimtelijke ordening kan het echter noodzakelijk zijn om het aspect trillinghinder nader te beschouwen en na te gaan of onevenredige trillinghinder kan ontstaan. Het onderzoeksgebied van trillingen bij spoorwegen ligt in beginsel op ongeveer 100 meter van de bron.

De mate van aanvaardbaarheid van trillingshinder wordt normaal gesproken beoordeeld aan de hand van de SBR meet- en beoordelingsrichtlijn deel B 'Trillingen; hinder voor personen in gebouwen' (hierna: SRB-B). Deze geeft geen harde grenswaarden, maar streefwaarden aan. Onderstaande tabel geeft deze streefwaarden aan:

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0333ELSTrijnstate-VO01_0013.png"  


Beoordeling
Het aspect trillingshinder ten aanzien van de omliggende bedrijvigheid is in paragraaf 5.4 reeds beschouwd. Het ziekenhuis wordt daarnaast op minder dan 100 meter afstand van de spoorlijn Arnhem-Nijmegen voorzien, namelijk circa 35 meter. Daarom is in het kader van een goede ruimtelijke ordening een onderzoek naar de trillingshinder vanwege de spoorlijn uitgevoerd. De onderzoeksrapportage is opgenomen in Bijlage 4.

Uit het onderzoek blijkt dat de kans op schade door trillingen ten gevolgen van treinen op de nabijgelegen spoorlijn niet waarschijnlijk is (kleiner dan 1%) en daarmee aanvaardbaar wordt geacht.

Bij een beoordeling aan de streefwaarden van de SRB-B richtlijn voor nieuwe situaties, blijkt dat in alle etmaalperioden hinder door trillingen vanwege passerende treinen te verwachten is. Wanneer wordt getoetst aan de streefwaarden voor bestaande situaties, dan worden de streefwaarden in de dag- en avondperiode niet overschreden en in de nachtperiode slechts zeer beperkt (één nacht per weer, kortstondig).

Er is gelet op de bevindingen enige mate van hinder te verwachten, die voor bestaande situaties in het algemeen echter aanvaardbaar wordt geacht. Deze situatie wordt daarom niet onaanvaardbaar geacht, maar nader bekeken wordt of door middel van trilling reducerende maatregelen een verbetering kan worden bereikt. Gedacht kan daarbij worden aan het isoleren van het fundament, verstijven van vloeren en/of trilling geïsoleerd opstellen van het gebouw op het fundament.

Conclusie
Enige hinder vanwege trillingen valt te verwachten, maar er is geen sprake van een op voorhand onaanvaardbare mate van hinder. Onderzocht kan worden of door middel van bouwkundige maatregelen een verbetering kan worden bereikt. In het kader van het bestemmingsplan vormt dit aspect geen belemmering.

5.6 Geurhinder

Voor veehouderijen is de regelgeving ten aanzien van het specifieke aspect geur vastgelegd in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden gekeken naar de aanvaardbaarheid van deze plannen in verband met omliggende geurbronnen, de zogenaamde omgekeerde werking.

Beoordeling
Dit bestemmingsplan maakt nieuwbouw van een ziekenhuis mogelijk. Daarmee is er sprake van een nieuw geurgevoelig object. In de ruime omtrek van het plangebied zijn geen veehouderijen aanwezig. Daarom is uitgesloten dat er vanuit de Wgv belemmeringen voor de ontwikkeling van het ziekenhuis in het plangebied optreden. Het onderdeel 'geur' in relatie tot omliggende bedrijven is in paragraaf 5.4 beschouwd.

Conclusie
Een aanvaardbaar verblijfsklimaat in het plangebied is voldoende gegarandeerd en er worden geen agrarische bedrijven belemmerd. Vanuit het aspect geurhinder zijn er geen belemmeringen voor de ontwikkeling in het plangebied.

5.7 Bodem

De bodemkwaliteit vormt een belangrijk aspect bij bouwontwikkelingen. In het kader van functiewijziging en herinrichting vormt de bodemkwaliteit bij ontwikkeling van ruimtelijke functies een belangrijke afweging. De Bouwverordening bevat een verbod voor het bouwen van woningen en andere gevoelige functies op verontreinigde grond.

Beoordeling
Dit bestemmingsplan maakt nieuwbouw van een polikliniek op een braakliggend terrein mogelijk. Daarmee is er sprake van een gevoelige functie en wordt er nieuwe bebouwing mogelijk gemaakt, waarin permanent personen verblijven. Een onderzoek naar de bodemkwaliteit is dan ook noodzakelijk.

De bodemkwaliteit van het huidige, totale plangebied is in het verleden zéér uitvoering onderzocht. Het totale plangebied bestaat uit grofweg drie plandelen:

  • 1. Het geprojecteerde parkeerterrein aan de noordzijde van de Aamsestraat. Dit is "Het Klooster", gelegen aan de Aamsestraat 11/11a te Elst;
  • 2. Het gedeelte ten zuiden van de Aamsestraat en ten oosten van het spoor. Dat op haar beurt valt op te splitsen in een westelijk en een oostelijk gedeelte:
    • a. Aan de westkant, het voormalige N.S.-emplacement, beter bekend als Elst-Centraal, en aan de oostkant;
    • b. Het voormalige Rijnvallei-terrein, thans Vestia-terrein geheten.

Plandeel "Het Klooster"
Het terrein "Het Klooster" is in het verleden veelvuldig onderzocht. Deze grond was in het verleden niet schoon. In 2002 werden opnieuw verontreinigingen met minerale olie aangetroffen (rapportage Aveco De Bondt, 4 april 2002, kenmerk 02.2900.04/01/WF). Deze zijn inmiddels gesaneerd conform het saneringsplan d.d. 4 april 2002 (Aveco de Bondt, 4 april 2002, kenmerk 02.2900.05/01/RG) en het bijbehorende evaluatierapport d.d. 23 juli 2002 (Aveco de Bondt, 23 juli 2002, kenmerk 02.2900.07/01/WF). Het laatste onderzoek van dit gebied dateert van 2006 (actualiserend bodemonderzoek BOOT, 6 december 2006, kenmerk ME06226-002, opgenomen in Bijlage 5). Er werden toen geen verontreinigingen meer aangetroffen maar wèl werd de aanbeveling gedaan het terrein nog extra op asbest te laten onderzoeken. Of dat ook gebeurd is, is onbekend.

Plandeel voormalig N.S.-emplacement
Het oude N.S.-emplacement werd reeds in 1995 voor het eerst onderzocht. Uit diverse vervolgonderzoeken bleek later dat sommige terreindelen ernstig verontreinigd waren. De gevalscode GE173400234 is in 2004 gesaneerd; zie hiervoor het evaluatierapport d.d. 27 september 2004 (Stichting Bodemsanering NS, 'Evaluatierapport bodemsanering NS-emplacement Elst te Elst', kenmerk 596004). De gevalscodes GE023100001 en GE023100002 werden in 2007 gesaneerd (MWH B.V., 'Evaluatieverslag Bodemsanering NS-emplacement Elst te Elst, 15 december 2009, kenmerk B07B0358).

In 2013 is het terrein Elst-Centraal, in het kader van het bouwrijp maken, opnieuw in zijn geheel bemonsterd (Ingenieursbureau Land, 'Bodemonderzoek Elst centraal', 15 april 2013, kenmerk R01-76650.01-JGA). Daarbij werden nog enkele asbestspots aangetroffen. Ook deze zijn inmiddels gesaneerd. Dit blijkt uit het raamsaneringsplan (Ingenieursbureau Land, 'Raamsaneringsplan Elst Centraal', 7 mei 2013, kenmerk R04-76650.01-D01-JGA), het evaluatierapport d.d. 1 oktober 2014 (Ingenieursbureau Land, 'Interim-evaluatierapport Bodemsanering asbestspots Elst Centraal', 1 oktober 2014, kenmerk R03-76825.01-HBE)) en de instemmingsbrief van de Omgevingsdienst Regio Arnhem d.d. 17 november 2014 (zie Bijlage 6).

Plandeel Vestia-terrein
Ten slotte werd ook het terrein Rijnvallei, thans Vestia-terrein, gelegen aan de Aamsestraat 24 te Elst, al in 1995 voor het eerst onderzocht. Ook daarbij werden destijds diverse verontreinigingen aangetroffen. Deze zijn niet gesaneerd. Voor dit terrein is recent, in het kader van de verkoop, een actualiserend bodemonderzoek uitgevoerd (Ingenieursbureau Land, 'Actualiserend bodemonderzoek Nieuwe Aamsestraat 24 Elst, 21 december 2018, opgenomen in Bijlage 7). De eerder geconstateerde verontreinigingen werden niet allemaal teruggevonden, maar voor het terrein geldt nog steeds een saneringsplicht.

Conclusie
De milieu-hygiënische kwaliteit van de bodem is onderzocht in diverse bodemonderzoeken voor de verschillende deellocaties.

Voor het plandeel "Het Klooster" hebben reeds de benodigde saneringen plaatsgevonden. Mogelijk is een aanvullend asbestonderzoek nog noodzakelijk, voordat met de werkzaamheden wordt gestart. In het kader van het bestemmingsplan zijn er geen belemmeringen.

Ook voor het plandeel van het voormalige N.S.-emplacement zijn de benodigde saneringen reeds uitgevoerd is zijn er geen belemmeringen meer aanwezig ten aanzien van het beoogde gebruik.

Op het plandeel Vestia-terrein rust nog een saneringsplicht. Deze sanering zal moeten worden uitgevoerd voordat wordt gestart met de werkzaamheden. In het kader van het bestemmingsplan zijn er geen belemmeringen.

5.8 Externe veiligheid

Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de veiligheidsrisico's in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze externe veiligheidsrisico's moeten worden beoordeeld voor twee risiconormen, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Voor beide risiconormen geldt dat hoe groter de afstand tussen planontwikkeling en risicobron is, des te kleiner zal de impact van het plan zijn op de hoogte van het risico.

Plaatsgebonden risico
Het plaatsgebonden risico (PR) heeft tot doel om hetzelfde minimale beschermingsniveau te bieden voor iedere burger in Nederland. Het PR beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het PR wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn, etc.), waarbij de 10-6-contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde is.

Groepsrisico
Het groepsrisico (GR) is een afwegingsinstrument dat tot doel heeft een bewuste afweging te stimuleren over het risico op een ongeval met een groot aantal slachtoffers. Het GR beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het GR geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het GR wordt uitgedrukt in een grafiek, waarin de kans op overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1.000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het GR geldt een oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm).

Voor elke verandering van het GR (af- of toename) in het invloedsgebied moet verantwoording worden afgelegd over de wijze waarop de toelaatbaarheid van deze verandering in de besluitvorming is betrokken.

Samen met de hoogte van het GR moeten andere kwalitatieve aspecten worden meegenomen in de beoordeling van het GR. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer.

Beoordeling
Dit bestemmingsplan maakt de bouw van een ziekenhuis met bijbehorende voorzieningen in het plangebied mogelijk. Er is er sprake van een nieuw kwetsbaar object. In de huidige situatie is het terrein onbebouwd en zijn er geen (beperkt) kwetsbare objecten aanwezig. Op basis van de risicokaart van de provincie Gelderland is daarom een inventarisatie gemaakt van de risicobronnen in en rondom het plangebied, die een extern veiligheidsrisico kunnen veroorzaken. Gezien de aanwezigheid van risicobronnen, in het bijzonder de ligging nabij de spoorlijn Arnhem-Nijmegen, is nader onderzoek en nadere verantwoording noodzakelijk. In het kader van het ontwerpbestemmingsplan wordt de nadere rapportage in het plan opgenomen.

5.9 Explosieven

De huidige gemeente Overbetuwe en buurgemeente Lingewaard maakten vanaf het begin van de geallieerde luchtlandingsoperatie 'Market Garden' op 17 september 1944 tot aan de bevrijding van Arnhem op 14 april 1945 deel uit van het frontgebied tussen de Duitsers en de Geallieerden. Overbetuwe en Lingewaard werden in hun geheel als oorlogsgebied beschouwd. Er is een gevechtspauze geweest na het oversteken van de brug bij Nijmegen. Het gebied is gedurende acht maanden frontgebied geweest waarbij het volledige eiland (gebied tussen de Rijn en de Waal) geëvacueerd is. Tevens zijn er in die periode hevige bombardementen uitgevoerd. Tijdens de inventarisatie van oorlogsgegevens zijn 104 vliegtuigcrashes opgetekend en meer dan 1.000 oorlogsgraven. Door de oorlogshandelingen ontstonden er gebieden waarvan de bodem sterk met oorlogsmateriaal werd belast wat op dit moment nog gevaar kan opleveren voor mens en dier. De Explosieven Opruimings Dienst Defensie (EODD) gaat er in 2014 vanuit, dat slechts 35% van de munitie inmiddels uit de grond is verwijderd. Dit betekent dat we de komende decennia nog met deze explosieve erfenis te maken zullen hebben en er kans bestaat dat in het plangebied nog sprake is van onontplofte munitie.

Beoordeling en conclusie
Bij bodemroerende werkzaamheden, zoals het oprichten van gebouwen, graafwerkzaamheden, aanleg van kabels en leidingen en het uitvoeren van bepaalde onderzoeken, is de aanwezigheid van mogelijke niet-gesprongen explosieven (NGE's) van belang. Het plangebied is in het verleden tot een diepte van 1 meter onderzocht op de aanwezigheid NGE's. Voor de nieuwbouw van het ziekenhuis zal tot een grotere diepte gegraven moeten worden. Daarom moet voorafgaand aan het uitvoeren van deze werkzaamheden nader onderzoek naar de aanwezigheid van NGE's op grotere diepte plaatsvinden. In het kader van dit bestemmingsplan vormt dit geen belemmering.

5.10 Kabels en leidingen

Het verrichten van werkzaamheden in de nabijheid van hoogspanningsmasten en -kabels en dergelijke, kan gevaar met zich meebrengen. Om dit gevaar zoveel mogelijk te beperken moet de leidingbeheerder aangeven onder welke voorwaarden de werkzaamheden veilig plaats kunnen vinden.

Beoordeling en conclusie
In het plangebied en in de directe omgeving zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig. Dit aspect levert dan ook geen belemmeringen op voor de realisatie van het plan.

5.11 Waterparagraaf

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder b) moet inzicht worden gegeven in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Daarbij zijn in ieder geval de hierna beschreven beleidsstukken van belang.

Rijksbeleid
Nationaal waterplan
In december 2015 stelde het kabinet het Nationaal Waterplan vast. Dit plan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016-2021 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water, en diverse vormen van gebruik van water. Ook worden de maatregelen genoemd die hiertoe worden genomen.

Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie.

Provinciaal beleid
Provinciaal Waterplan
In het Waterplan Gelderland is het waterbeleid beschreven aan de hand van een aantal thema's, zoals landbouw, wateroverlast, watertekort, natte natuur, grondwaterbescherming en hoogwaterbescherming. Voor deze thema's is beschreven welke doelstellingen voor 2027 en 2015 er liggen. Daarbij is beschreven hoe de provincie voor de planperiode de uitvoering van acties ziet om die doelstellingen te bereiken. Bij sommige thema's gelden aanvullende waterdoelstellingen voor specifieke waterhuishoudkundige functies.

Waterschap Rivierenland
Waterbeheerplan 2016-2021
Dit plan, vastgesteld op 27 november 2015, gaat over het waterbeheer in het hele rivierengebied en het omvat alle watertaken van het waterschap: waterkwantiteit, waterkwaliteit, waterkering en waterketen. In het Waterbeheerplan staat wat Waterschap Rivierenland de komende periode gaat doen om inwoners van het rivierengebied veiligheid en voldoende schoon en mooi water in sloten en plassen te kunnen blijven bieden. Het plan is in samenwerking met onder meer de gemeente Overbetuwe opgesteld.

Keur Waterschap Rivierenland 2014
Voor waterhuishoudkundige ingrepen is de 'Keur Waterschap Rivierenland 2014' van toepassing. De Keur is een waterschapsverordening die gebods- en verbodsbepalingen bevat met betrekking tot ingrepen, die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. Zo is het onder andere verboden om handelingen te verrichten waardoor het onderhoud, aanvoer, afvoer en/of berging van water kan worden belemmerd, zonder een ontheffing van het Waterschap. De wateren en waterkeringen waarop de keur van toepassing is, zijn vastgelegd in de legger wateren.

Realisatie van nieuwe bebouwing en/of verhard oppervlak moet hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. Bij het toevoegen van bebouwing of verharding geldt een compensatieplicht. Er geldt een eenmalige vrijstelling van de compensatieplicht wanneer minder verharding dan 500 m² in stedelijk gebied of minder dan 1.500 m² in landelijk gebied wordt toegevoegd. Voor het voorliggende plan is de vrijstelling niet van toepassing (zie onder 'beoordeling (watertoets').

Gemeente Overbetuwe
Waterplan Overbetuwe
In 2008 stelde de gemeente Overbetuwe in samenwerking met het Waterschap Rivierenland het Waterplan Overbetuwe vast. Het waterbeheerplan van het waterschap is later geactualiseerd (zie hierboven), ook in samenwerking met onder meer de gemeente Overbetuwe. Beide plannen gelden naast elkaar.

In het Waterplan Overbetuwe wordt het beleidskader geschetst en worden concrete maatregelen voor het watersysteem uitgewerkt. Naast het waterplan wordt parallel een Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) opgesteld waarin de maatregelen voor de riolering (waterketen) worden uitgewerkt.

Met het opstellen van een waterplan wordt inzicht gegeven in de relevante wateropgaven voor de gemeente Overbetuwe, zoals:

  • wateroverlast, het zoeken van oplossingen om wateroverlast tegen te gaan;
  • waterkwaliteit, het onderzoeken van mogelijkheden voor het verbeteren van de waterkwaliteit;
  • grondwater, het inventariseren van grondwateroverlast;
  • beleving van water, burgers betrekken bij water;
  • afspraken en taken van waterschap en gemeente.


Beoordeling (watertoets)
Dit bestemmingsplan maakt nieuwe grootschalige bebouwing en verhardingen mogelijk. In de huidige situatie is het plangebied ter plaatse van de nieuwbouw onbebouwd en nagenoeg onverhard. Dit geldt ook voor de gronden waarop het parkeerterrein wordt voorzien. De ontwikkeling kan dan ook gevolgen hebben voor de waterhuishoudkundige situatie in zowel kwalitatief als kwantitatief opzicht. De toename van het verhard oppervlak overschrijdt de vrijstellingsdrempel van de Keur. Met de noodzakelijke waterberging vanwege deze toename van verhard oppervlak is echter reeds rekening gehouden in het kader van het huidige bestemmingsplan (Huis der gemeente e.a.). In dit kader zijn de bestaande watergangen (A-watergang) aangelegd, waarbij rekening is gehouden met al het verhard oppervlak in het plangebied.

Er is dus al een A-watergang in het plangebied aanwezig, die beschikbaar is voor afvoer van hemelwater en hiervoor voldoende capaciteit heeft. Om de realisatie van (fase 2 van) het ziekenhuis Rijnstate mogelijk te maken, is het noodzakelijk om de A-watergang gedeeltelijk te verplaatsen, maar is geen aanvullende compensatie vereist. Hierover zijn met het waterschap voortijdig gesprekken gevoerd. Het waterschap heeft informeel aangegeven met de verlegging akkoord te kunnen gaan. Het gewijzigde profiel van de A-watergang wordt in dit bestemmingsplan bestemd als 'Water' en krijgt de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterlopen', daar waar deze niet bovengronds is. Ook de belemmeringen-/onderhoudsstrook rondom de watergang krijgt deze dubbelbestemming.

Vuilwater moet gescheiden worden afgevoerd van het hemelwater. Bij de technische uitwerking moet worden onderzocht wat de mogelijkheden voor vuilwaterafvoer zijn.

Het plangebied ligt niet binnen de beschermingszone van een waterkering.

Conclusie
De ontwikkeling waarin dit bestemmingsplan voorziet, is hydrologisch neutraal. Er is sprake van een toename van verhard oppervlak, maar er wordt voorzien voldoende waterberging door middel van benutting en gedeeltelijke verlegging van de bestaande A-watergang. Deze compensatie is met het waterschap besproken en informeel akkoord bevonden. Bij de uitwerking van het initiatief, moeten schoon hemelwater en vuilwater gescheiden worden afgevoerd. Negatieve effecten op oppervlaktewater of op de veiligheid van een waterkering zijn uitgesloten.

Gezien het bovenstaande heeft het plan geen negatieve gevolgen voor de waterhuishouding en vormt het aspect water dan ook geen belemmering in het kader van dit bestemmingsplan.

5.12 Flora en fauna

De bescherming van de natuur is sinds 1 januari 2017 vastgelegd in de Wet Natuurbescherming (Wnb). Deze heeft de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet vervangen. De Wnb geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan moet worden onderzocht of de Wnb de uitvoering van het plan niet in de weg staat in verband met de bescherming van gebieden en dier- en plantsoorten. De provincies zijn het bevoegd gezag voor zowel de gebieds- als de soortenbescherming.

Gebiedsbescherming
In de Wnb is de bescherming opgenomen van Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan moet worden onderzocht of dit plan, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan alleen worden vastgesteld als uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Als deze zekerheid er niet is, kan het plan worden vastgesteld als wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:

  • alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden;
  • het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en
  • de noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.

Het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen: Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones. Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime. Het NNN is op provinciaal niveau uitgewerkt in het Gelders Natuurnetwerk (GNN) met de bijbehorende Groene Ontwikkelingszones (GO). Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen.

Soortenbescherming
In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen:

  • 1. soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn;
  • 2. soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn;
  • 3. de bescherming van overige soorten.

Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag.

Beoordeling
In het kader van deze bestemmingsplanprocedure is een ecologische quickscan uitgevoerd (Bijlage 8). Daarin is onderzocht of de nieuwbouw van het Rijnstate ziekenhuis negatieve effecten op beschermde natuurgebieden en beschermde soorten heeft of kan hebben. Hieronder worden de onderzoeksresultaten besproken.

Soortenbescherming
In de quickscan is onderzocht wat de kans op aanwezigheid van beschermde flora en fauna is, welke (potentiële) effecten het initiatief op deze soorten heeft en welke vervolgstappen er eventueel noodzakelijk zijn om overtreding van de Wnb te voorkomen. Dit wordt per soortgroep beschouwd.

Het plangebied bestaat in de huidige situatie uit enkele (versnipperd gelegen) braakliggende terreinen, met één loods aan de noordkant op het terrein 'Het Klooster'. Het plangebied ligt in een stedelijke, bebouwde omgeving.

Planten
Er zijn geen beschermde plantensoorten aangetroffen. De aanwezigheid van dergelijke soorten wordt op basis van het aanwezige habitat en het karakter van de omgeving uitgesloten. Wel zijn diverse algemene pionier- en waterplanten aangetroffen. Dit staat de realisatie van het initiatief niet in de weg.

Vogels
De kans op aanwezigheid van algemene broedvogelsoorten in het plangebied is groot. Deze soorten zijn beschermd gedurende de periode dat ze aan het nest gebonden zijn. De aanwezigheid van jaarrond beschermde vogelsoorten wordt op basis van het veldbezoek, de habitatskenmerken en het ontbreken van geschikte nestgelegenheid uitgesloten.

Zoogdieren
In het plangebied zijn diverse konijnen en konijnenholen aangetroffen. De holen kunnen door de werkzaamheden ongeschikt raken. Voor deze soort geldt in de provincie Gelderland een vrijstelling. Wel is de zorgplicht van toepassing. Gefaseerde uitvoering van het initiatief kan dieren de gelegenheid geven om weg te komen. Negatieve effecten worden niet verwacht.

De braakliggende terreinen vormen mogelijk geschikt foerageergebied of looproutes voor marterachtigen. Voortplantingsplaatsen zijn niet aanwezig. Negatieve effecten zijn uitgesloten, mits er geen hekwerk tot op de grond wordt geplaatst en er gefaseerd gewerkt wordt, zodat dieren weg kunnen komen.

Incidenteel kunnen overige algemene soorten, zoals muizen, in het plangebied aanwezig zijn. Voor deze incidenteel te verwachten soorten geldt een algehele vrijstelling. De zorgplicht is altijd van toepassing.

Vleermuizen
De aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen wordt uitgesloten. Het plangebied wordt wel gebruikt als foerageergebied door vleermuizen in de omgeving van het plangebied. Er is geen sprake van essentieel foerageergebied. Overtreding van de Wnb is niet aan de orde.

Overige soorten
Overige soortgroepen worden hoogstens incidenteel verwacht. Hiervoor geldt een algehele vrijstelling. De zorgplicht is altijd van toepassing.

Conclusie
In het plangebied worden algemene broedvogelsoorten verwacht. Buiten het broedseizoen (ca. begin maart tot half augustus) zijn er geen belemmeringen voor de uitvoering van werkzaamheden. Binnen het broedseizoen is een broedvogelinspectie vooraf noodzakelijk, of dienen de groenstroken en bomen voor het broedseizoen ongeschikt te worden gemaakt als nestplaats.

Ten aanzien van kleine marterachtigen en konijnen is van belang dat de werkzaamheden gefaseerd worden uitgevoerd en de projectlocatie niet omheind wordt met hekwerk dat tot op de grond geplaatst is. Onder deze voorwaarden zijn er ten aanzien van deze soorten evenmin belemmeringen.

Gebiedsbescherming
Het plangebied ligt op grote afstand van Natura 2000-gebieden. Het gebied 'Rijntakken' is het meest nabij gelegen, op ruim 4 kilometer afstand. Het Gelders Natuur Netwerk en de Groene Ontwikkelingszones bevinden zich op minimaal 1,2 kilometer afstand, oostelijk van het plangebied. Ondanks de grote afstanden tot deze gebieden, zijn negatieve effecten op Natura 2000-gebieden vanwege een toename van stikstofdepositie op voorhand niet uitgesloten. Overige negatieve effecten op Natura 2000-gebieden, alsmede negatieve effecten op het GNN, zijn niet aan de orde.

Er is een stikstofdepositieberekening uitgevoerd, zowel voor de aanlegfase als de gebruiksfase. De rapportage bij deze berekening is opgenomen als Bijlage 9. De gehanteerde uitgangspunten zijn in deze rapportage eveneens beschreven en zijn worst case ingestoken. Uit de berekening volgt dat er geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j op Natura 2000-gebieden zijn. Er is daarom geen vergunning ingevolge de Wnb nodig.

Conclusie
Het aspect flora en fauna levert geen belemmering voor de realisatie van het plan op. Negatieve effecten op beschermde natuurgebieden of soorten zijn op voorhand redelijkerwijs uit te sluiten. Wel moet bij het uitvoeren van de werkzaamheden en van het plan rekening worden gehouden met de aanwezigheid van algemene broedvogels, konijnen en kleine marterachtigen. De werkzaamheden worden daarom bij voorkeur buiten het broedseizoen en gefaseerd uitgevoerd. Daarnaast geldt voor alle werkzaamheden de algemene zorgplicht.

5.13 Archeologie en cultuurhistorie

De bescherming van archeologisch en cultureel erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening moet in het plan rekening worden gehouden met cultuurhistorische waarden.

De gemeente Overbetuwe heeft voor haar gemeentelijk grondgebied een erfgoedplan en een archeologische beleidsadvieskaart gemaakt. Het erfgoedplan beoogt versterking van de plaats en betekenis van cultuurhistorie als factor in het ruimtelijk beleidsproces.

Beoordeling
Cultuurhistorie
In en nabij het plangebied zijn geen cultuurhistorisch waardevolle gebouwen, gebieden of andere elementen aanwezig. Ten aanzien van het aspect cultuurhistorie zijn er dan ook geen belemmeringen.

Romeinse limes
Het plangebied maakt onderdeel uit van de Romeinse limes. In paragraaf 4.2 onder 'Omgevingsverordening Gelderland' is op de invloed van het plan op de Romeinse limes ingegaan. Geconcludeerd is dat de kernkwaliteiten hiervan niet worden aangetast.

Archeologie
Het plangebied ligt volgens de archeologische beleidskaart in een gebied met hoge archeologische verwachtingswaarden. Dit betekent dat er voor bodemingrepen dieper dan 0,30 meter en met een oppervlakte van minimaal 100 m² een archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Met de beoogde werkzaamheden zullen deze drempelwaarden worden overschreden. Daarom is een archeologisch onderzoek noodzakelijk, voordat de bodemingrepen plaatsvinden. Er is reeds in 2003 een inventariserend archeologisch onderzoek uitgevoerd voor de gehele spoorzone Elst. Deze onderzoeksrapportage is opgenomen in Bijlage 10 en wordt hierna besproken.

Op het voormalige rangeerterrein van de N.S. is een circa 1 meter dik pakket verstoorde grond opgebracht. Onder dit pakket is het natuurlijke bodemprofiel nog aanwezig. Op basis van het bureau- en booronderzoek kan aan het plangebied, voor zover het de grond onder het aangebrachte pakket betreft, een hoger archeologische verwachting worden toegekend voor resten uit de Ijzertijd, Romeinse tijd en middeleeuwen. Het veldonderzoek heeft echter geen aanwijzingen opgeleverd voor de aanwezigheid van mogelijke archeologische resten in de ondergrond van het plangebied. Daarom is de verwachting dat er als gevolg van de geplande werkzaamheden geen verstoring van archeologische waarden zal optreden. Vervolgonderzoek is niet noodzakelijk geacht. Het opnemen van een archeologische dubbelbestemming in het plan is niet noodzakelijk.

Conclusie
Het plangebied ligt in een gebied met een archeologische verwachtingswaarde. Op basis van het verkennend archeologisch onderzoek zijn er geen aanwijzingen voor de aanwezigheid van mogelijke archeologische resten in de ondergrond. Verstoring van archeologische waarden is naar verwachting dan ook niet aan de orde. Nader onderzoek is niet noodzakelijk en er zijn geen belemmeringen. Ook vanuit cultuurhistorisch oogpunt zijn er geen belemmeringen.

5.14 Verkeer en parkeren

Met dit bestemmingsplan wordt nieuwbouw van het Rijnstate ziekenhuis op grotendeels onbebouwde gronden mogelijk gemaakt. In het kader van dit bestemmingsplan moet inzichtelijk worden gemaakt dat in een acceptabele parkeer- en verkeerssituatie kan worden voorzien bij de realisatie van de in het bestemmingsplan toegelaten functies.

Parkeren
De gemeente Overbetuwe heeft parkeernormen voor de auto en de fiets vastgesteld in de Nota Parkeernormen gemeente Overbetuwe 2016 (hierna: de Nota). Het plangebied behoort volgens de Nota tot het centrum van Elst.

Autoparkeren

Voor een ziekenhuis is een minimumnorm van 1,5 parkeerplaatsen per 100 m² bvo van toepassing. Uit parkeeronderzoek blijkt echter dat deze norm aan de lage kant is. In het kader van dit plan wordt een parkeernorm van 1,8 autoparkeerplaatsen per 100 m² bvo gehanteerd. In de parkeeronderbouwing, die als Bijlage 11 is opgenomen, is uitgebreid ingegaan op de motivering voor deze parkeernorm. Deze sluit beter aan bij de verwachte parkeerbehoefte.

Het maximale programma voor het Rijnstate ziekenhuis bestaat uit 25.000 m². Dit resulteert in 450 benodigde parkeerplaatsen. Uitgegaan wordt van een verhouding van patiënten/bezoekers 40% en medewerkers 60% voor wat betreft de invulling van de parkeerbehoefte. Deze verdeling is gemotiveerd in Bijlage 11 Dit betekent dat 180 parkeerplaatsen voor patiënten/bezoekers en 270 parkeerplaatsen voor personeel benodigd zijn.

In het kader van de omgevingsvergunning(en) voor het bouwen wordt getoetst of in voldoende autoparkeervoorzieningen wordt voorzien. Het terrein ten noorden van de fietstunnel ('Het Klooster') biedt voldoende ruimte voor het realiseren van de benodigde 180 bezoekers-/patiëntenparkeerplaatsen. De bestaande P+R garage ten zuiden van het plangebied wordt aangewend voor het werknemersparkeren en beschikt over voldoende restcapaciteit voor het aanbieden van de benodigde 270 werknemersparkeerplaatsen. De benodigde parkeerbehoefte kan op deze manier adequaat worden opgelost.

Fietsparkeren

De norm voor fietsparkeerplaatsen is volgens de Nota 0,4 plaatsen per 100 m² bvo voor medewerkers en 0,5 plaatsen per 100 m² bvo voor bezoekers. De verwachting is echter, mede op basis van de meest actuele CROW-kencijfers, dat voor medewerkers de komende jaren fietsgebruik verder gestimuleerd wordt en daarom een hogere norm voor de hand ligt. In lijn met de CROW-kencijfers uit 2019 wordt daarom een norm van 0,6 parkeerplaatsen per 100 m² voor medewerkers gehanteerd en van 0,4 parkeerplaatsen voor bezoekers. Dit betekent bij maximale invulling van het programma (25.000 m² bvo) dat in totaal 100 fietsparkeerplaatsen voor patiënten/bezoekers en 150 fietsparkeerplaatsen voor medewerkers nodig zijn.

In het kader van de omgevingsvergunning(en) voor het bouwen wordt getoetst of in voldoende fietsparkeervoorzieningen wordt voorzien. De exacte uitwerking van de fietsparkeervoorzieningen vindt nog plaats. De voorlopige oplossingsrichting is een beveiligde parkeervoorziening met 150 plaatsen aan de westzijde, naast de te handhaven voorziening voor treinreizigers, alsmede een openbare voorziening met 50-100 plaatsen eveneens aan de westzijde. Hiermee is het mogelijk om voldoende fietsparkeervoorzieningen te realiseren. In de planregels worden deze binnen de bestemmingen 'Maatschappelijk' en 'Verkeer - Verblijfsgebied' toegestaan.

Kiss & ride zone

Aan de noordzijde van het ziekenhuis bij de beoogde entree moeten kiss & ride parkeerplaatsen komen voor zowel patiënten/bezoekers van het ziekenhuis als voor treinreizigers. Naast de 6 benodigde parkeerplaatsen voor treinreizigers, wordt uitgegaan van 6 extra kiss & ride parkeerplaatsen voor patiënten/bezoekers. Binnen de beoogde kiss & ride zone zijn circa 20 plaatsen beschikbaar. Hiermee is voor beide doeldgroepen in ruim voldoende kiss & ride parkeerplaatsen voorzien.

Conclusie parkeren

Er kunnen op basis van de gemotiveerd gehanteerde parkeernormen voor auto's, fietsen en kiss & ride plaatsen voldoende parkeerplaatsen in het plangebied en de directe omgeving worden gerealiseerd.

Verkeer
Algemeen

De omgeving van het NS-station in Elst is de laatste jaren aanzienlijk gewijzigd en in de omgeving zijn nog enkele ontwikkelingen te verwachten. De realisatie van een ziekenhuis met een maximaal programma van 25.000 m² bvo in het plangebied zal zorgen voor meer drukte op het wegennet in Elst, omdat een aanzienlijk deel van de werknemers en bezoekers/patiënten met de auto zal komen en gaan. Daarom is een mobiliteitsonderzoek uitgevoerd, waarin de te verwachten extra verkeersstromen in beeld zijn gebracht en de consequenties daarvan. Van belang hierbij is tevens dat er op dit moment al enkele aandachtspunten zijn wat betreft de hoeveelheid autoverkeer en in de relatie tussen voetgangers-/fietsverkeer en autoverkeer.

Opzet onderzoek

In het mobiliteitsonderzoek (Bijlage 13) is onder andere onderzoek gedaan naar de extra autoverkeersgeneratie vanwege het ziekenhuis en de mogelijkheden om de totale hoeveelheid autoverkeer door het gebied Elst Centraal te herverdelen en te beperken. De uitgangspunten voor het mobiliteitsonderzoek zijn beschreven in een notitie (Bijlage 12), het mobiliteitsonderzoek zelf is opgenomen in Bijlage 13.

Het onderzoek is als volgt opgezet. In het kader van het mobiliteitsonderzoek zijn in 2018 ben 2019 verkeerstellingen uitgevoerd op diverse wegen in de omgeving. De geconstateerde huidige verkeersaantallen zijn vervolgens vergeleken met de CROW-richtlijnen. Op enkele wegen wordt de grenswaarde in de huidige situatie overschreden. Dit betreft onder meer de Nieuwe Aamsestraat, waar besloten is om een separaat fietspad aan te leggen. Hierbij moet worden opgemerkt dat de telcijfers slechts globale indicaties van de verkeersaantallen zijn.

Vervolgens is de groei van het autoverkeer rondom Elst centraal in beeld gebracht door middel van een verkeersmodel. Met een verkeersmodel kan inzichtelijk worden gemaakt hoeveel de verkeerstoename op welke punten is en met welke eventuele aanpassingen gezorgd kan worden voor een goede verdeling van het verkeer over mogelijke routes van en naar het ziekenhuis. In de uitgangspuntennotitie in Bijlage 12 is beschreven op welke wijze het verkeersmodel is vormgegeven. In het mobiliteitsonderzoek in Bijlage 13 is dit vervolgens uitgewerkt. Hierbij zijn achtereenvolgens de huidige situatie (2019), een prognose voor 2028 zonder de ontwikkeling van het ziekenhuis Rijnstate en een prognose voor 2028 inclusief het extra autoverkeer door de ontwikkeling van ziekenhuis Rijnstate in beeld gebracht.

Voor het verkeersmodel inclusief ziekenhuis Rijnstate kunnen de volgende conclusies worden getrokken:

  • Op alle wegen in de omgeving is er sprake van een toename van autoverkeer ten gevolge van het ziekenhuis. Dit is met name het geval op de route door Elst Centraal (Nieuwe Aamsestraat - Spoorlaan Noord - Stationsplein/De Wissel - Van Oldenbarneveltstraat);
  • Het netto effect van de planontwikkeling op de direct omliggende wegen is circa 10-20% extra autoverkeer;
  • De Spoorlaan Noord moet worden verlegd voor de realisatie van het ziekenhuis, waarbij gelijktijdig een vrijliggend fietspad wordt aangelegd. Op deze verlegde Spoorlaan Noord is geen sprake meer van een overschrijding van de grenswaarde, zoals in de huidige situatie en in het model 2028 het geval is, maar enkel van de voorkeursgrenswaarde;
  • Op andere wegvakken (zoals Stationsplein/De Wissel, Colosseum en Dauw) blijken aandachtspunten bestaan, maar er ontstaan geen nieuwe overschrijdingen van de voorkeursgrenswaarden of grenswaarden van de CROW-richtlijnen.

Varianten

Er zijn op basis van de uitgangspuntennotitie 10 verschillende verkeerscirculatie varianten onderzocht. Deze input is de basis geweest voor het mobiliteitsonderzoek. Alle varianten zijn doorgerekend met het verkeersmodel. Dit levert de volgende resultaten op.

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0333ELSTrijnstate-VO01_0014.png"  
Tabel 5.1: resultaten verkeersmodel met overzicht toe- of afname ten opzichte van huidige situatie bij de 10 onderzochte verkeerscirculatie varianten (bron: Mobycon)  

Geconcludeerd wordt het volgende:

  • Geen van de varianten geeft géén overschrijding van de grenswaarde of voorkeursgrenswaarde van de CROW-richtlijnen.
  • Bij verschillende varianten ontstaan overschrijdingen van de grenswaarde op andere wegvakken dan nu het geval is (Spoorlaan Zuid, Energieweg).
  • In alle varianten is er sprake van een overschrijding van de grenswaarde van de CROW-richtlijnen op ofwel het Stationsplein ofwel de route Colosseum/Dauw. Voor deze wegvakken zijn maatregelen mogelijk die de situatie verbeteren, maar de aandachtspunten niet geheel wegnemen. Deze maatregelen zijn in het onderzoek beschreven.

Ook de effecten op de verkeersstromen elders in Elst op het hoofdwegennet (50 km/uurwegen) zijn met behulp van het verkeersmodel onderzocht. Hieruit blijkt dat de rotonde Olympiasingel - Rijksweg Zuid in de huidige situatie, de toekomstige autonome situatie én in alle varianten een aandachtspunt in de ochtend- en avondspits is. De rotonde Nieuwe Aamsestraat - Industrieweg Oost is in één variant een aandachtspunt in de ochtendspits.

Voorkeursvarianten

De 10 verkeerscirculatievarianten zijn beoordeeld op basis van een aantal verkeerskundige aspecten. Geen van de varianten biedt een oplossing voor alle aandachtspunten. Op basis van een eerste selectie zijn 7 varianten afgevallen om uiteenlopende praktische redenen, waaronder onacceptabele verkeersaantallen op specifieke wegen (Energieweg, Dauw), belemmeringen voor bus- of hulpdiensten, slechtere scoren dan niets doen en strijd met het huidige beleidskader. Er zijn drie varianten overgebleven, die uitgebreider beoordeeld zijn op de criteria verkeersveiligheid/verkeersleefbaarheid, autobereikbaarheid en kosten verkeersinfrastructuur. Dit betreft de varianten 1a (verlegde Spoorlaan Noord), 2b (éénrichtingsverkeer gehele Spoorlaan en Energieweg) en 2c (éénrichtingsverkeer verlegde Spoorlaan Noord en Energieweg).

Uit deze uitgebreide verkeerskundige beoordeling blijkt dat varianten 2b en 2c op de meeste deelaspecten hetzelfde scoren, maar variant 2c op enkele aspecten ook beter scoort. Varianten 1a en 2c scorel op onderdelen wisselend, maar in totaal vrijwel gelijkwaardig. Een keuze tussen deze twee varianten is afhankelijk van de vraag of meer gewicht aan de autobereikbaarheid (variant 1a scoort hier beter) of de verkeersveiligheid/-leefbaarheid (variant 2c scoort hierop beter) wordt toegekend.

Conclusie

Bij de planvorming en voorbereiding van het bestemmingsplan is de verkeerssituatie in de huidige en toekomstige situatie uitgebreid onderzocht. De realisatie van het ziekenhuis Rijnstate leidt tot een toename van het aantal verkeersbewegingen op alle omliggende wegen. Er zijn 10 mogelijke verkeerscirculatie varianten onderzocht op relevante afwegingscriteria om de toekomstige verkeersaantallen, inclusief enkele andere ontwikkelingen in de directe omgeving, te verwerken. Hieruit blijkt dat twee varianten mogelijk zijn, waarbij de verkeersgeneratie ten gevolge van de komst van het ziekenhuis op acceptabele wijze kan worden verwerkt. Dit betreft de varianten 1a (verlegde Spoorlaan Noord) en 2x (éénrichtingsverkeer verlegde Spoorlaan Noord en Energieweg). In beide varianten ontstaan geen extra overschrijdingen van de richtlijnen voor verkeersveiligheid en -leefbaarheid. De grenswaarde op het Stationsplein-West wordt wel overschreden, maar dat is in de huidige situatie al het geval en er zijn maatregelen mogelijk om dit aandachtspunt te verzachten. Daarom wordt dit acceptabel geacht. Uit een oogpunt van autobereikbaarheid heeft variant 1a de voorkeur, maar uit een oogpunt van verkeersveiligheid en -leefbaarheid variant 2c. De keuze tussen deze varianten wordt in de verdere planuitwerking gemaakt. Beide varianten zijn mogelijk op basis van dit bestemmingsplan.

Eindconclusie is dat de realisatie van het ziekenhuis Rijnstate in het plangebied vanuit verkeerskundig oogpunt inpasbaar en acceptabel is, voor zover de definitieve uitwerking op basis van één van beide voorkeursvarianten plaatsvindt.

5.15 Duurzaamheid

De duurzaamheidsopgave
In het kader van duurzaamheid zijn er enkele opgaven waar bij nieuwbouw rekening gehouden dient te worden. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de wettelijk verplichte opgaven en ambities van Rijnstate.

Wettelijk verplichte opgave
Wettelijk moet het ziekenhuis voldoen aan de toekomstige BENG-eisen (Bijna Energie Neutrale Gebouwen). De BENG norm is een aangepaste vorm van de huidige EPC norm en is een onderdeel bij het verkrijgen van de omgevingsvergunning. De BENG stelt eisen aan energieverbruik, het verbruik van fossiele brandstoffen en het aandeel hernieuwbare energie daarin. In tegenstelling tot de EPC norm kan met de BENG norm daardoor niet worden volstaan met het compenseren van een hoog energieverbruik met PV-panelen. In de basis komt het erop neer dat er allereerst voor moet worden gezorgd dat het gebouw energiezuinig is (zonder PV-panelen mee te rekenen) en er vervolgens energie opwekking moet worden toegevoegd.

De definitieve rekenmethodiek om te bepalen of een gebouw aan de BENG norm voldoet is op dit moment nog niet beschikbaar. Deze is naar verwachting begin 2020 beschikbaar. De consequenties van de BENG rekenmethodiek voor Rijnstate Elst zullen vanaf dat moment dus door gerekend kunnen worden.

Opgave Rijnstate
Rijnstate heeft daarnaast aangegeven twee ambities te hebben ten aanzien van de locatie Elst, te weten het realiseren van een CO2 neutraal ziekenhuis en een gasloos ziekenhuis. Daarnaast is door Rijnstate in 2018 een Green Deal getekend. Deze Green Deal is opgesteld naar aanleiding van het Ontwerp Klimaatakkoord en is specifiek voor de zorgsector. De Green Deal omvat naast CO2 emissiereductie ook paragrafen over 'circulair werken', 'medicijnresten uit afvalwater' en 'een gezonde leef- en verblijfsomgeving'. Met de ondertekening van de Green Deal belooft Rijnstate uitvoering te geven aan duurzaamheid door haar inzet op voorgaande thema's.

Voor het halen van de Green Deal heeft Rijnstate een routekaart opgesteld, in deze routekaart is aangegeven welke stappen er gemaakt moeten worden om het doel te realiseren.

CO2 neutraal ziekenhuis
In tegenstelling tot de BENG eisen, die specifiek in gaan op het energieverbruik, is de term CO2neutraal een breder begrip. Hierbij gaat het erom dat er allereerst geen CO2 wordt toegevoegd aan de atmosfeer, door bijvoorbeeld het stoken van fossiele brandstoffen.

De term CO2 neutraal omvat de situatie waarbij de CO2 emissies (al dan niet na compensatie) ten hoogste nul zijn. Overige broeikasgassen, zoals methaan zijn hierin niet meegenomen. Als er alleen wordt gewerkt aan CO2 reductie, dan is CO2 neutraal een betere term dan klimaat neutraal. Bij de realisatie van het ziekenhuis is dat het geval.

Gasloos ziekenhuis
Ten slotte is er de opgave om de nieuwbouw gasloos te realiseren. In het verlengde van de Green Deal, waar afspraken zijn gemaakt over CO2 emissiereductie, is het gasloos uitvoeren van het ziekenhuis een zeer belangrijke stap. Dit betekent dat de installaties die op dit moment veelal gas gebruiken, vervangen worden door gasloze varianten. Dit betreft voornamelijk de warmte opwekking, stoomopwekking en keukenvoorzieningen.

Hoofdstuk 6 Juridische planopzet

6.1 Algemene opzet

Inleiding
Dit hoofdstuk bevat de concrete vertaling van het beleidsgedeelte en de gewenste ontwikkeling (voorafgaande hoofdstukken) in het juridisch gedeelte van het bestemmingsplan (de verbeelding en regels).

Het bestemmingsplan 'Elst, Ziekenhuis Rijnstate' bestaat uit de volgende onderdelen:

De toelichting
In de toelichting is de ontwikkeling beschreven en verantwoord, zowel op basis van het beleid als op basis van milieu-hygiënische aspecten, aangevuld met een toelichting op de juridische opzet.

De regels
Deze bevatten de bouw- en gebruiksregels binnen de verschillende bestemmingen en algemene regels die in het gehele plangebied gelden. Daarnaast zijn waar nodig afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden opgenomen, om het plan de benodigde flexibiliteit te geven.

De verbeelding
Op de verbeelding zijn de bestemmingen 'Maatschappelijk ', 'Verkeer', 'Verkeer - Verblijfsgebied' en 'Water' opgenomen. Binnen de bestemming 'Maatschappelijk' is een bouwvlak opgenomen. Verder is de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterlopen' opgenomen binnen een zone van 3 meter om de bestemming 'Water'.

De opzet van het plan
Het bestemmingsplan is een juridisch plan, dat bindend is voor inwoners en voor de overheid. Gekozen is voor een concreet, gedetailleerd plan, omdat sprake is van een concreet initiatief. Daarbij is in de begrenzing van het bouwvlak en de maximum bouwhoogte ruimte voor nadere uitwerking en invulling van het bouwplan. De bestemmingen zijn zo opgezet, dat de inrichting van het openbaar gebied relatief flexibel kan worden ingevuld.

Bouwplan
Als een aanvraag om omgevingsvergunning wordt ingediend, zijn in eerste instantie de bestemming met bijhorende regels van belang. Als het nieuwe en het beoogde gebruik past binnen de toegekende bestemming, dan kan de omgevingsvergunning worden verleend.

6.2 Toelichting op de verbeelding en regels

Op de verbeelding zijn de bestemmingen onderscheiden. De bestemmingen zijn afgeleid uit het gebruik (de aanwezige functies). De bestemmingen vormen het zogenaamde casco van het plan, waarvan in beginsel niet mag worden afgeweken.

Maatschappelijk
Het toekomstige perceel van het Rijnstate ziekenhuis is bestemd als 'Maatschappelijk'. Binnen deze bestemming zijn maatschappelijke voorzieningen toegestaan in de vorm van onder meer medische, sociale en educatieve voorzieningen, alsmede aan zorg verwante voorzieningen en detailhandel. Horeca en ondergeschikte detailhandel, alsmede bij de hoofdfunctie zijn toegestaan. Verder zijn bijbehorende voorzieningen, zoals groen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen, verhardingen en dergelijke toegestaan binnen de bestemming.

De maximale bebouwingscontouren voor de nieuwbouw zijn bepaald door het bouwvlak, waarbinnen de nieuwbouw moet worden opgericht, enerzijds en de maximum bouwhoogte (25 meter) anderzijds. De maximale bouwhoogte is voor de leesbaarheid op de verbeelding aangegeven. Binnen deze kaders kan het bouwplan nader worden uitgewerkt en gefaseerd worden uitgevoerd. De maximum bruto vloeroppervlakte van de maatschappelijke functies (inclusief aan zorg verwante voorzieningen, horeca, detailhandel en kantoren) bedraagt 25.000 m². Met het voorgaande zijn de beoogde fasen 1 en 2 rechtstreeks bestemd.

Het noordwestelijk deel van de bebouwing, bij de entree en kiss & ride, wordt overkragend uitgevoerd. Hiertoe is een specifieke bouw- en gebruiksregeling opgenomen.

Verkeer
De Spoorlaan wordt gedeeltelijk verlegd. Het gewijzigde tracé van deze weg, inclusief de bijbehorende gronden en een deel van de tunnel onder de spoorlijn, zijn bestemd als 'Verkeer'. Omwille van de rechtseenheid en rechtszekerheid en met het oog op een logische planbegrenzing zijn deze gronden allemaal opgenomen in het plangebied. Inhoudelijk is aangesloten bij de huidige bestemming. De (bestaande) tunnel is specifiek aangeduid.

De gronden zijn met name bestemd voor wegen, straten en paden met een functie voor doorgaand verkeer, alsmede voor bijbehorende functies zoals parkeervoorzieningen, voet- en fietspaden en groenvoorzieningen. Binnen de bestemming zijn uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, alsmede nutsvoorzieningen toegestaan.

Verkeer - Verblijfsgebied
Deze bestemming is opgenomen voor de gronden rondom het ziekenhuis aan de noord-, zuidwest- en westkanten, waar onder meer de kiss & ride, verblijfsvoorzieningen en het fietsparkeren worden voorzien. Ook het plandeel 'Het Klooster', waar een bezoekersparkeerterrein wordt voorzien, heeft deze bestemming gekregen, alsmede de bestaande fietsparkeervoorzieningen bij het NS-station en de bestaande fietstunnel. Dit met het oog op een logische planbegrenzing, flexibiliteit en rechtseenheid. De bouw- en gebruiksmogelijkheden sluiten aan bij de huidige bestemming voor de gronden bij het NS-station en de fietstunnel.

De voor 'Verkeer - Verblijfsgebied' aangewezen gronden zijn bedoeld voor wegen, straten en paden met hoofdzakelijk een verblijfsfunctie, voet- en fietspaden, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen en dergelijke.

Binnen de bestemming zijn geen gebouwen toegestaan (uitgezonderd nutsvoorzieningen), maar uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

Water en Waterstaat - Waterlopen
De (A-)watergang in het plangebied wordt verlegd en is bestemd als 'Water', met een dubbelbestemming ter plaatse van de beschermings-/onderhoudsstrook van 3 meter rondom de watergang. Binnen deze bestemmingen is geen bebouwing toegestaan, met uitzondering van bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van de bestemmingen.

Algemene regels
Anti-dubbeltelregel
Deze regel is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.

Algemene bouwregels
In dit artikel is een regeling met betrekking tot ondergronds bouwen opgenomen. Dit is in beginsel uitsluitend toegestaan, daar waar bovengronds ook gebouwen zijn toegestaan. Verder is een regeling voor het overschrijden van bouwgrenzen door ondergeschikte bouwdelen opgenomen.

Algemene gebruiksregels
Dit artikel bevat de vormen van gebruik, die in ieder geval strijdig zijn met de regels van het bestemmingsplan.

Algemene afwijkingsregels
In dit artikel wordt een opsomming gegeven van de regels waarvan door middel van een omgevingsvergunning afgeweken kan worden van het bestemmingsplan. Het gaat hier om kleinschalige afwijkingen van de voorschreven maatvoering en overschrijdingen van de bouwgrenzen.

Algemene wijzigingsregels
In dit artikel wordt een opsomming gegeven van de regels waarvan door middel van een wijzigingsplan afgeweken kan worden van het bestemmingsplan. Dit betreft kleine wijzigingen van de bestemmingsgrenzen.

Overgangs- en slotregels
Overgangsrecht
Het voor alle bestemmingsplannen verplichte overgangsrecht is opgenomen. Bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een omgevingsvergunning voor het bouwen is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bebouwingsregels. De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, ook brengt het niet met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen kan worden verleend. Burgemeester en wethouders kunnen in beginsel dus nog gewoon gebruik maken van hun handhavingbevoegdheid. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan mag eveneens worden voortgezet.

Slotregel
Dit artikel geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald.

Hoofdstuk 7 Financiële toelichting

Uitgangspunt voor de beoogde ontwikkeling is dat deze voor de gemeente budgetneutraal plaatsvindt. Op grond van artikel 6.12 lid 1 Wet ruimtelijke ordening (Wro) is de gemeenteraad van Overbetuwe verplicht om, als sprake is van een bouwplan, de gemeentelijke kosten te verhalen. Dit bestemmingsplan voorziet in een nieuw bouwplan.

De gronden in het plangebied zijn grotendeels in eigendom van de gemeente. De gronden worden verkocht aan de initiatiefnemer. De gemeentelijke kosten zijn verdisconteerd in de uitgifte van de gronden. Daarnaast is een planschadeovereenkomst met de initiatiefnemer afgesloten.

De financieel-economische haalbaarheid is met het voorgaande in voldoende mate aangetoond.

Hoofdstuk 8 Overleg en inspraak

8.1 Inleiding

De procedures voor vaststelling van een bestemmingsplan zijn door de wetgever geregeld. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties waar nodig overleg over het plan moet worden gevoerd, voordat een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Bovendien kan het noodzakelijk zijn om belanghebbenden de gelegenheid te bieden om hun visie omtrent het plan te kunnen geven. Dit is afhankelijk van de inspraakverordening van de gemeente. Pas daarna kan de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van het bestemmingsplan van start gaan.

8.2 Inspraak

De Wro zelf bevat geen bepalingen over inspraak. Dat neemt niet weg dat het de gemeente vrij staat toch inspraak te verlenen op grond van de gemeentelijke inspraakverordening. In relatie daarmee, bepaalt artikel 150 van de Gemeentewet onder meer dat in een gemeentelijke inspraakverordening moet worden geregeld op welke wijze personen en rechtspersonen hun mening kenbaar kunnen maken.

Voor dit bestemmingsplan heeft, gezien de aard van de ontwikkeling, in een vroegtijdig stadium overleg met stakeholders in de omgeving plaatsgevonden. Op 27 mei 2019 is een informatiebijeenkomst georganiseerd. Hierin is het voornemen door Rijnstate en de gemeente toegelicht. Ook is het vervolgtraject aangegeven. Verder hebben op 27 mei, 3 juni en 28 oktober 2019 en op 20 januari 2020 overleggen met diverse stakeholders plaatsgevonden.

Daarnaast wordt het voorontwerpbestemmingsplan gedurende zes weken ter inzage gelegd om inwoners van de gemeente Overbetuwe en overige belanghebbenden de gelegenheid te geven om een inspraakreactie kenbaar te maken. Rondom de publicatie van het voorontwerpbestemmingsplan zal nogmaals een inloopavond worden georganiseerd.

8.3 Overleg

Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) geeft aan dat het bestuursorgaan, dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan, overleg pleegt met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen. Ook moet overleg worden gepleegd met die diensten van provincie en Rijk, die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of die belast zijn met de behartiging van belangen, welke in het plan in het geding zijn.

Er heeft vroegtijdig afstemming met het waterschap plaatsgevonden over de verlegging van de bestaande A-watergang in het plangebied. Het waterschap is hiermee akkoord gegaan. Verder wordt het voorontwerpbestemmingsplan aan de overlegpartners voorgelegd.

8.4 Vaststellingsprocedure

De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan vindt plaats volgens artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening. Het ontwerpbestemmingsplan wordt in dit kader ter visie gelegd gedurende een periode van zes weken. Gedurende deze periode kan een ieder zijn zienswijzen kenbaar maken tegen het plan. Eventuele zienswijzen worden samengevat en van een reactie voorzien.

Het plan wordt vervolgens, al dan niet gewijzigd, ter vaststelling aangeboden aan de gemeenteraad.

8.5 Beroep

Na vaststelling wordt het bestemmingsplan voor de tweede maal zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking.