direct naar inhoud van Regels
Plan: De Nieuwe Rietgraaf - Rietgraaf
Status: vastgesteld
Plantype: wijzigingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1734.319OOSTwpnwrietgr-VSG1

Regels

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Begrippen

In dit plan wordt verstaan onder:

1.1 plan

het wijzigingsplan De Nieuwe Rietgraaf - Rietgraaf van de gemeente Overbetuwe;

1.2 moederplan

het bestemmingsplan 'De Nieuwe Rietgraaf' met identificatienummer NL.IMRO.1734.0013OOSTrietgraaf-ONHE, vastgesteld door de gemeenteraad van Overbetuwe op 26 januari 2010 en onheroepelijk geworden op 01 maart 2012;

1.3 wijzigingsplan

de geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1734.319OOSTwpnwrietgr-VSG1 met de bijbehorende regels;

1.4 overige begrippen

voor de overige begripsbepalingen wordt verwezen naar het bestemmingsplan 'De Nieuwe Rietgraaf' met identificatienummer NL.IMRO.1734.0013OOSTrietgraaf-ONHE, vastgesteld door de gemeenteraad van Overbetuwe op 26 januari 2010 en onheroepelijk geworden op 01 maart 2012;

1.5 wijziging verbeelding

dit plan wijzigt de verbeelding met nummer NL.IMRO.1734.0013OOSTrietgraaf-ONHE van het bestemmingsplan 'De Nieuwe Rietgraaf', vastgesteld door de gemeenteraad van Overbetuwe op 26 januari 2010 en onheroepelijk geworden op 01 maart 2012, overeenkomstig de wijze zoals vervat in de verbeelding behorend bij dit plan;

Artikel 2 Wijze van meten

De regels van artikel 2 Wijze van meten van het moederplan en de herziening daarop zijn van overeenkomstige toepassing.

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

Artikel 3 Bedrijventerrein

3.1 Bestemmingsomschrijving
3.1.1

De voor 'Bedrijventerrein' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. het uitoefenen van bedrijven/bedrijvigheid die voorkomen/voorkomt in de milieucategorieën 1 tot en met 4.2, zoals vermeld in de bij deze regels behorende Bijlage 1 Lijst van bedrijfsactiviteiten, alsmede voor bedrijven die beoordeeld naar de concrete bedrijfsactiviteit en invloed op de omgeving van het bedrijventerrein gelijk te stellen zijn met genoemde bedrijven, met dien verstande dat uitsluitend zijn toegestaan op de gronden met de aanduidingen:
    • 1. 'milieucategorie 1-2': bedrijven/bedrijvigheid die voorkomen/voorkomt in de milieucategorieën 1 tot en met 2 zoals vermeld in de genoemde Lijst,
    • 2. 'milieucategorie 1-3.1': bedrijven/bedrijvigheid die voorkomen/voorkomt in de milieucategorieën 1 tot en met 3.1 zoals vermeld in de genoemde Lijst,
    • 3. 'milieucategorie 1-3.2': bedrijven/bedrijvigheid die voorkomen/voorkomt in de milieucategorieën 1 tot en met 3.2 zoals vermeld in de genoemde Lijst,
    • 4. 'milieucategorie 1-4.1': bedrijven/bedrijvigheid die voorkomen/voorkomt in de milieucategorieën 1 tot en met 4.1 zoals vermeld in de genoemde Lijst voor zover deze niet oranje zijn gemarkeerd;,
    • 5. 'milieucategorie 1-4.2': bedrijven/bedrijvigheid die voorkomen/voorkomt in de milieucategorieën 1 tot en met 4.2 zoals vermeld in de genoemde Lijst voor zover deze niet oranje zijn gemarkeerd;
  • b. productiegebonden detailhandel;
  • c. niet zelfstandige kantoren, als onderdeel van de bedrijven, mits het kantooraandeel niet meer bedraagt dan 40% van de bedrijfsvestiging;
  • d. wegen, (collectieve) parkeervoorzieningen en fiets- en voetpaden;
  • e. groenvoorzieningen;
  • f. nutsvoorzieningen en bluswatervoorziening;
  • g. waterhuishoudkundige voorzieningen, waaronder retentie en waterberging;
  • h. watergangen met natuurlijke oevers of oeverbeschoeiingen en waterpartijen;
  • i. noodontsluiting ter plaatse van de aangegeven aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - calamiteitenontsluiting';
  • j. werklandschap ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijventerrein-werklandschap';
  • k. de hoofdontsluiting van het bedrijventerrein overeenkomstig het principe van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - hoofdontsluiting'.

een en ander met de daarbij behorende:

  • l. gebouwen en andere bouwwerken zoals straatmeubilair.
3.1.2

Met dien verstande dat niet zijn toegestaan:

  • a. risicovolle inrichtingen;
  • b. niet productiegebonden detailhandelsbedrijven;
  • c. bedrijfswoningen.

3.2 Dubbelbestemmingen
3.2.1 Waarde - Archeologie

Waar de in dit artikel bedoelde gronden samenvallen met de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' zijn deze gronden primair bestemd voor de bescherming van archeologische waarden en is het bepaalde in artikel 4 van toepassing.

3.3 Bouwregels
3.3.1 Gebouwen

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende bepalingen:

  • a. op de voor bebouwing bestemde gronden dienen - onverminderd hetgeen daartoe in de desbetreffende regels is bepaald - de aangegeven bebouwingsnormen in acht genomen te worden. Voor zover geen bebouwingsnormen zijn gegeven geldt de bouwverordening;
  • b. het minimale bebouwingspercentage bedraagt 40% per bouwperceel;
  • c. de richting van de voorgevel is evenwijdig aan de ontsluitingsweg;
  • d. per bouwperceel zijn maximaal 2 inritten met elk een breedte van maximaal 9 meter toegestaan met dien verstande dat de inritten minimaal 50 meter uit elkaar liggen;
  • e. de maximale hoogte van gebouwen mag niet meer bedragen dan volgens de aanduiding 'maximale bouwhoogte' is aangegeven; in het bouwvlak met de maximale bouwhoogte van 25 meter en grenzend aan de bestemming groen langs de A15, gelegen ten noorden van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - hoofdontsluiting' dient over een totale lengte van minimaal 80 m, een vegetatiedak in het zicht vanaf de snelweg (A15) te worden gerealiseerd met een maximale goothoogte van 3,5 m;
  • f. in afwijking van het bepaalde onder e mag de (bouw)hoogte van nutsgebouwen, abri's, fietsenstallingen niet meer bedragen dan 3 m;
  • g. bij het bouwen van kwetsbare objecten binnen de invloedssfeer van de volgende objecten:
    • 1. een windturbine, aangeduid met 'veiligheidszone-windturbine';
    • 2. een gasleiding, aangeduid met 'veiligheidszone-gas';
    • 3. een hoogspanningsverbinding, aangeduid met 'veiligheidszone - hoogspanningsverbinding';

dient een groepsrisico te worden gehanteerd, dat niet meer bedraagt dan 100 slachtoffers bij een kans van 10-6 per jaar;

  • h. elk bouwperceel dient te voldoen aan de parkeernorm zoals die in de ASVV/CROW 'parkeerkencijfers-basis voor parkeernormering' is opgenomen ;
  • i. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijventerrein-werklandschap mag slechts een zeer hoogwaardig bedrijfsgebouw gebouwd te worden, met dien verstande dat:
    • 1. het maximale bebouwingspercentage, in afwijking van het gestelde onder lid 3.3.1 sub b, per bouwvlak 50% bedraagt;
    • 2. dit past in de richtlijnen van het beeldkwaliteitplan.

3.3.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepalingen:

  • a. de hoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt maximaal 2 meter, met dien verstande dat de hoogte voor erf- en terreinafscheidingen voor de naar de weg gekeerde gevel maximaal 1 meter mag bedragen;
  • b. de hoogte van damwanden bedraagt maximaal 1,50 meter;
  • c. de hoogte van lichtmasten bedraagt maximaal 12 meter;
  • d. de hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt maximaal 10 meter.

3.4 Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen ten aanzien van de situering en afmetingen van bouwwerken en bouwpercelen alsmede de inrichting van de gronden voor wat betreft de aanleg en omvang van watergangen en -partijen, parkeer- en groenvoorzieningen en de aanleg en profilering van wegen indien dit noodzakelijk is:

  • a. ter waarborging van de ruimtelijke en functionele structuur ter plaatse;
  • b. ter voorkoming van onevenredige aantasting van de waterstaatsbelangen, waarbij vooraf schriftelijk advies wordt ingewonnen bij de beheerder van de waterkering en/of waterloop;
  • c. voor een verantwoorde stedenbouwkundige en landschappelijke inpassing;
  • d. ter voorkoming van een onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken: onder onevenredig wordt in ieder geval verstaan dat de aangrenzende gronden en bouwwerken niet meer gebruikt kunnen worden waarvoor ze bedoeld zijn;
  • e. ter waarborging van de verkeersveiligheid, de brandveiligheid, een adequate brand- en rampenbestrijding en zelfredzaamheid, hieronder wordt begrepen dat bij elk bedrijf (afgestemd op de personeelsomvang), één of meerdere ruimten aanwezig zijn die van buitenlucht zijn af te sluiten;
  • f. in verband met de gewenste parkeer-, laad- en losruimte van voldoende omvang op eigen terrein;
  • g. in verband met handhaving van de voorgeschreven parkeernorm.

3.5 Ontheffing van de bouwregels
3.5.1

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd ontheffing te verlenen:

  • a. van het bepaalde in lid 3.1.1 onder a. ten behoeve van het vestigen van een bedrijf/bedrijvigheid, behorende tot de daarvoor nader aangegeven gevallen, zoals gemarkeerd in oranje onder categorie 4.1 in de genoemde Lijst, ter plaatse van de aanduiding 'milieucategorie 1-4.1';
  • b. van het bepaalde in lid 3.1.1 onder a. ten behoeve van het vestigen van een bedrijf/bedrijvigheid, behorende tot de daarvoor nader aangegeven gevallen, zoals gemarkeerd in oranje onder categorie 4.2 in de genoemde Lijst, ter plaatse van de aanduiding 'milieucategorie 1-4.2';
  • c. van het bepaalde in lid 3.1.1 onder a. ten behoeve van het vestigen van een bedrijf/bedrijvigheid, behorende tot een naast hogere categorie dan toegestaan, met uitzondering van een bedrijf/bedrijvigheid behorende tot categorie 5 en 6;
  • d. Van het bepaalde in lid 3.1.1 onder c. kan worden afgeweken ten behoeve van een hoger percentage met ontheffing van burgemeester en wethouders;
  • e. van het bepaalde in lid 3.1.2 voor het gebruik van gronden ten behoeve van de vestiging c.q. uitoefening van een risicovolle inrichting met dien verstande dat de inrichting moet voldoen aan het Besluit externe veiligheid inrichtingen en geen onevenredige afbreuk mag doen aan, of beperkingen mag opleggen voor omliggende bedrijven, en het invloedsgebied groepsrisico van de inrichting geen kwetsbare objecten raakt;
  • f. van het bepaalde in lid 3.1.2 voor de uitoefening van:
    • 1. detailhandel in brand- en explosiegevaarlijke goederen;
    • 2. detailhandel in volumineuze goederen zoals auto's, boten en caravans.

mits:

      • geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het kernwinkelapparaat en wijkwinkelvoorzieningen;
      • de activiteit qua milieubelasting vergelijkbaar is met de volgens de Lijst van bedrijfsactiviteiten toegelaten bedrijven;
      • dit past in de richtlijnen van het beeldkwaliteitplan;
      • er geen onevenredig sterke verkeerstoename is te verwachten.
  • g. van het bepaalde in lid 3.3.1 onder b. tot verlaging van het bebouwingspercentage met ten hoogste 10%;
  • h. van het bepaalde in lid 3.3.1 onder e. tot verhoging van de toegestane bouwhoogte tot een maximale bouwhoogte van 30 m over 40% van de totale lengte van het bouwvlak, en tot een maximum lengte van 60 meter per gebouw met dien verstande dat deze ontheffing slechts is toegestaan in het bouwvlak met de maximale bouwhoogte van 25 meter en grenzend aan de bestemming groen, gelegen ten noorden van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - hoofdontsluiting';
  • i. van het bepaalde in lid 3.3.1 onder e. tot verhoging van de toegestane bouwhoogte tot een maximale bouwhoogte van 25 m over maximaal 20% van het bouwvlak met dien verstande dat deze ontheffing slechts is toegestaan in de bouwvlakken met de maximale bouwhoogte van 20 meter en grenzend aan de bestemming groen langs de rijksweg A15 en gelegen in het gebied ten noorden van de bestemming 'verkeer' langs de Rietgraaf;
  • j. van het bepaalde in lid 3.3.1 onder g. tot vergroting van de maximaal toegestane oppervlakte van bedrijfsgebonden kantoren, alsmede ten behoeve van kleine zelfstandige kantoren, overeenkomstig de daarvoor bepaalde provinciale c.q. regionale richtlijnen, onder voorwaarde dat geen onevenredige afbreuk wordt gedaan en/of beperkingen worden opgelegd voor omliggende bedrijven in het kader van het Besluit externe veiligheid inrichtingen;

3.5.2

Ontheffing zoals bedoeld onder 3.5.1 wordt slechts verleend indien:

  • a. de afwijking noodzakelijk of redelijk gewenst is uit oogpunt van doelmatige bedrijfsvoering en een efficiënt gebruik van het bouwperceel of de bouwpercelen;
  • b. de functionele en ruimtelijke structuur niet onevenredig worden aangetast;
  • c. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken niet onevenredig worden aangetast;
  • d. de verkeersveiligheid, de brandveiligheid en een adequate brand- en rampenbestrijding is gewaarborgd;
  • e. het verlenen van ontheffing uit milieuhygiënisch oogpunt bezien, aanvaardbaar is.
3.6 Specifieke gebruiksregels

Tot een strijdig gebruik met deze bestemming, zoals bedoeld in artikel 7.10 Wet ruimtelijke ordening, wordt in ieder geval gerekend het gebruik:

  • a. van gebouwen voor woondoeleinden;
  • b. van gebouwen voor sexinrichtingen;
  • c. van gronden en opstallen voor de uitoefening van een andere tak van handel (inclusief detailhandel), bedrijf of dienstverlening dan volgens het bepaalde in lid 3.1 is toegestaan;
  • d. van onbebouwde gronden en de groenvoorzieningen voor:
    • 1. het opslaan van gebruiksklare of onklare voer- of vaartuigen of onderdelen hiervan;
    • 2. het plaatsen of geplaatst houden van onderkomens;
  • e. van de onbebouwde gronden en de groenvoorzieningen voor het opslaan, opgeslagen houden, storten of lozen van puin, vuil of andere vaste of vloeibare afvalstoffen.

3.7 wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd, met inachtneming van het bepaalde in artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening, de in de bijlage bij dit plan opgenomen Lijst van bedrijfsactiviteiten te wijzigen, indien vernieuwde inzichten en/of technologische ontwikkelingen daartoe aanleiding geven.

Artikel 4 Waarde - Archeologie - Hoog

4.1 Bestemmingsomschrijving
4.1.1

De voor 'Waarde - Archeologie - Hoog', aangewezen gronden zijn, naast de andere voor die gronden aangewezen bestemmingen, primair bestemd voor de bescherming en het behoud van de op en/of in deze gronden voorkomende (potentiële) archeologische waarden.

4.1.2

Al hetgeen in deze regels omtrent de ondergeschikte bestemmingen binnen het gebied met Waarde - Archeologie - Hoog aangewezen gronden is toegestaan, is uitsluitend toelaatbaar indien het voorzover zulks, gehoord de provinciaal archeoloog van de provincie Gelderland, verenigbaar is met het belang van het archeologisch belang.

4.2 Bouwregels
4.2.1

Ten aanzien van het oprichten van bebouwing gelden de volgende regels:

  • a. bij een aanvraag voor een reguliere bouwvergunning voor het oprichten van een bouwwerk groter dan 50 m2 dient de aanvrager een rapport te overleggen, waarin de archeologische waarden van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate zijn vastgesteld.
  • b. Indien uit het onder a genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het oprichten van het vergunde bouwwerk zullen worden verstoord, kunnen burgemeester en wethouders één of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan de bouwvergunning:
    • 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
    • 2. de verplichting tot het doen van opgravingen;
    • 3. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring te laten begeleiden door de erkend archeoloog;
    • 4. de verplichting om na beëindiging van de werken en werkzaamheden een verslag uit te brengen waaruit blijkt op welke wijze met de archeologische waarden is omgegaan.

Het overleggen van een rapport van archeologisch onderzoek is echter niet vereist:

  • a. indien er naar het oordeel van burgemeester en wethouders al voldoende onderzoeksresultaat beschikbaar is;
  • b. indien met de bouw geen bodemingreep gepaard gaat;
  • c. indien de met de bouw (eventueel) gepaard gaande bodemingrepen in totaal een oppervlakte van niet meer dan 50 m2 beslaan;
  • d. indien het bouwplan betrekking heeft op vervanging van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt benut.
4.2.2

In verband hiermee kunnen voorts nadere eisen of ontheffingen dan wel wijzigingen als bedoeld in de uit te werken bestemming of bij de uitwerking daarvan worden toegepast.

4.3 Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de andere bouwwerken.

4.4 Aanlegvergunning
4.4.1

Verbod:

Het is verboden op of in deze gronden, zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (aanlegvergunning) de volgende werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het aanleggen van verhardingen, zulks indien de oppervlakte van de aan te brengen verharding meer bedraagt dan 10 m2;
  • b. het veranderen van het huidige maaiveldniveau door ontginnen, bodemverlagen, egaliseren, afgraven of ophogen;
  • c. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en/of bomen;
  • d. het uitvoeren van grondwerkzaamheden dieper dan 0,35 m ten opzichte van het maaiveld, zoals afgraven, egaliseren, frezen, scheuren van grasland, aanbrengen van oppervlakteverhardingen, aanleg van drainage, verwijderen van funderingen en aanleg of rooien van bos, boomgaard of diepwortelende beplanting ;
  • e. het aanleggen van kabels en leidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur;
  • f. het uitvoeren van werkzaamheden ter verlaging van de grondwaterstand.
4.4.2

Een aanlegvergunning als bedoeld in lid 4.4.1 mag alleen en moet worden geweigerd indien is gebleken dat de daar genoemde werken of werkzaamheden zoals genoemd in artikel 4.4.1 dan wel de directe of indirecte gevolgen daarvan zullen leiden tot een verstoring van de potentiële archeologische waarde.

4.4.3

Uitzonderingen:

Het verbod als bedoeld in lid 4.4.1 is niet van toepassing op werken en/of werkzaamheden die:

  • a. betrekking hebben op normaal onderhoud en beheer;
  • b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan;
  • c. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning.
4.4.4

Voorwaarden:

De werken en/of werkzaamheden als bedoeld in lid 4.4.1 zijn slechts toelaatbaar, mits:

  • a. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de belangen van de in lid 4.1.1 genoemde doeleinden;
  • b. vooraf schriftelijk advies is ingewonnen bij de provinciaal archeoloog van Gelderland.

4.5 Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen in die zin, dat de bestemming 'Waarde-Archeologie (geheel of gedeeltelijk) vervalt, als op basis van archeologisch onderzoek, dat voldoet aan de normen van de archeologische beroepsgroep, geen archeologische waarden zijn vastgesteld. Alvorens een wijziging wordt uitgevoerd dient vooraf een advies verkregen te zijn van de provinciaal archeoloog van Gelderland.

Artikel 5 Waarde - Archeologie - Middelhoog

5.1 Bestemmingsomschrijving
5.1.1

De voor 'Waarde - Archeologie - Middelhoog', aangewezen gronden zijn, naast de andere voor die gronden aangewezen bestemmingen, primair bestemd voor de bescherming en het behoud van de op en/of in deze gronden voorkomende (potentiële) archeologische waarden.

5.1.2

Al hetgeen in deze regels omtrent de ondergeschikte bestemmingen binnen het gebied met Waarde - Archeologie - Middelhoog aangewezen gronden is toegestaan, is uitsluitend toelaatbaar indien het voorzover zulks, gehoord de provinciaal archeoloog van de provincie Gelderland, verenigbaar is met het belang van het archeologisch belang.

5.2 Bouwregels
5.2.1

Ten aanzien van het oprichten van bebouwing gelden de volgende regels:

  • a. Bij een aanvraag voor een reguliere bouwvergunning voor het oprchtingen van een bouwwerk groter dan 100 m2 dient de aanvrager een rapport te overleggen, waarin de archeologische waarden van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate zijn vastgesteld.
  • b. Indien uit het onder a genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het oprichten van het vergunde bouwwerk zullen worden verstoord, kunnen burgemeester en wethouders één of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan de bouwvergunning:
    • 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
    • 2. de verplichting tot het doen van opgravingen;
    • 3. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring te laten begeleiden door de erkend archeoloog;
    • 4. de verplichting om na beëindiging van de werken en werkzaamheden een verslag uit te brengen waaruit blijkt op welke wijze met de archeologische waarden is omgegaan.

Het overleggen van een rapport van archeologisch onderzoek is echter niet vereist:

  • a. indien er naar het oordeel van burgemeester en wethouders al voldoende onderzoeksresultaat beschikbaar is;
  • b. indien met de bouw geen bodemingreep gepaard gaat;
  • c. indien de met de bouw (eventueel) gepaard gaande bodemingrepen in totaal een oppervlakte van niet meer dan 100 m2 beslaan;
  • d. indien het bouwplan betrekking heeft op vervanging van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt benut.
5.2.2

In verband hiermee kunnen voorts nadere eisen of ontheffingen dan wel wijzigingen als bedoeld in de uit te werken bestemming of bij de uitwerking daarvan worden toegepast.

5.3 Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de andere bouwwerken.

5.4 Aanlegvergunning
5.4.1

Verbod:

Het is verboden op of in deze gronden, zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (aanlegvergunning) de volgende werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het aanleggen van verhardingen, zulks indien de oppervlakte van de aan te brengen verharding meer bedraagt dan 10 m2;
  • b. het veranderen van het huidige maaiveldniveau door ontginnen, bodemverlagen, egaliseren, afgraven of ophogen;
  • c. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en/of bomen;
  • d. het uitvoeren van grondwerkzaamheden dieper dan 0,35 m ten opzichte van het maaiveld, zoals afgraven, egaliseren, frezen, scheuren van grasland, aanbrengen van oppervlakteverhardingen, aanleg van drainage, verwijderen van funderingen en aanleg of rooien van bos, boomgaard of diepwortelende beplanting ;
  • e. het aanleggen van kabels en leidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur;
  • f. het uitvoeren van werkzaamheden ter verlaging van de grondwaterstand.
5.4.2

Een aanlegvergunning als bedoeld in lid 5.4.1 mag alleen en moet worden geweigerd indien is gebleken dat de daar genoemde werken of werkzaamheden zoals genoemd in artikel 5.4.1 dan wel de directe of indirecte gevolgen daarvan zullen leiden tot een verstoring van de potentiële archeologische waarde.

5.4.3

Uitzonderingen:

Het verbod als bedoeld in lid 5.4.1 is niet van toepassing op werken en/of werkzaamheden die:

  • a. betrekking hebben op normaal onderhoud en beheer;
  • b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan;
  • c. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning.
5.4.4

Voorwaarden:

De werken en/of werkzaamheden als bedoeld in lid 5.4.1 zijn slechts toelaatbaar, mits:

  • a. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de belangen van de in lid 5.1.1 genoemde doeleinden;
  • b. vooraf schriftelijk advies is ingewonnen bij de provinciaal archeoloog van Gelderland.

5.5 Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen in die zin, dat de bestemming 'Waarde-Archeologie (geheel of gedeeltelijk) vervalt, als op basis van archeologisch onderzoek, dat voldoet aan de normen van de archeologische beroepsgroep, geen archeologische waarden zijn vastgesteld. Alvorens een wijziging wordt uitgevoerd dient vooraf een advies verkregen te zijn van de provinciaal archeoloog van Gelderland.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 6 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 7 Algemene ontheffingsregels

7.1

Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van de regels van het plan:

  • a. Voor afwijkingen ten aanzien van de aanduidingen en in de regels gegeven maten, afmetingen en percentages tot niet meer dan 10% van die maten, afmetingen en percentages, uitgezonderd windturbines;
  • b. De ontheffing als bedoeld in lid 7.1 onder a is niet van toepassing op artikel 3.5:
  • c. Voor het oprichten van niet voor bewoning bestemde bouwwerken van openbaar nut, zoals wachthuisjes, telefooncellen en naar de aard en omvang daarmee gelijk te stellen bouwwerken, met uitzondering van verkooppunten voor motorbrandstoffen, voor zover deze bouwwerken geen grotere (goot)hoogte dan 3,5 m hebben en geen grotere inhoud hebben dan 60 m3;
  • d. Voor straatmeubilair, zoals lichtmasten en verkeerslichtinstallaties e.d. met een hoogte van maximaal 15 m;
  • e. Voor abri's, reclame- en informatieobjecten, kunstwerken, vlaggenmasten e.d.;
  • f. Ten aanzien van ondergeschikte punten met het oog op de aanpassingen aan de werkelijke afmetingen in het terrein en aan het beloop van bepaalde gegevenheden, met dien verstande dat de structuur van het plan niet wordt aangetast, de belangen van derden in redelijkheid niet worden geschaad en de ontheffing gewenst of noodzakelijk wordt geacht voor de juiste verwezenlijking van het plan;
  • g. Voor het oprichten van voorzieningen ten dienste van het ontvangen en zenden van telecommunicatiesignalen, voor zover deze voorzieningen van geringe horizontale afmetingen zijn en mits de hoogte niet meer bedraagt dan maximaal 15 m voor antennes voor privégebruik en maximaal 40 m voor antennes voor gemeenschappelijk gebruik.
7.2

Burgemeester en wethouders kunnen bij de verlening van de ontheffing voorwaarden stellen ten aanzien van:

  • a. De situering en maatvoering van de in lid 7.1 onder e en g genoemde objecten ten einde een ruimtelijk verantwoorde plaatsing van deze objecten ten opzichte van de omgeving te waarborgen;
  • b. De waarborging van de verkeersveiligheid, de brandveiligheid, een adequate brand- en rampenbestrijding en zelfredzaamheid;
  • c. De gewenste parkeer-, laad- en losruimte, van voldoende omvang, op eigen terrein.
7.3

De in lid 7.1 genoemde ontheffingen mogen slechts worden verleend indien:

  • a. Hiervoor geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken;
  • b. Geen blijvende onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de in het bestemmingsplan beschreven en te beschermen stedenbouwkundige structuur en/of de ruimtelijke kwaliteiten van het gebied;
  • c. Geen verkeersonveilige situaties ontstaan.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

Artikel 8 Overgangsrecht bouwwerken

  • a. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,
    • 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    • 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen, wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  • b. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het eerste lid een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%.
  • c. Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.

Artikel 9 Overgangsrecht bestaand gebruik

  • a. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  • b. Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  • c. Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  • d. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

Artikel 10 Slotregel

Dit plan kan worden aangehaald als het wijzigingsplan De Nieuwe Rietgraaf - Rietgraaf van de gemeente Overbetuwe.