direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Heteren, Achterstraat 6
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1734.0322HTRNachterstr6-ONT1

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

De initiatiefnemer wil op het perceel Achterstraat 6 te Heteren een bedrijfswoning oprichten. Het perceel ligt aan de rand van het bedrijventerrein Poort van Heteren. Ter plaatse is momenteel een dansschool/dansstudio gevestigd. Het oprichten van een bedrijfswoning is niet in overeenstemming met de regels van het ter plaatse geldende bestemmingsplan. Daarom is een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk. De gemeente wil onder voorwaarden medewerking aan het initiatief verlenen. Dit bestemmingsplan 'Heteren, Achterstraat 6' voorziet in een nieuw planologisch-juridisch kader voor het plangebied en geeft de voorwaarden voor het gebruiken en bebouwen van de gronden aan.

1.2 Ligging en beschrijving plangebied

Het plangebied betreft het perceel aan de Achterstraat 6 te Heteren. Deze locatie ligt binnen de bebouwde kom van Heteren, aan de noordelijke rand van het bedrijventerrein Poort van Heteren. Het plangebied wordt aan de oost- en zuidzijde begrensd door bedrijfslocaties, aan de westzijde door een gasdrukmeet- en regelstation en aan de noordzijde door de Achterstraat. Deze straat vormt één van de belangrijkste oost-westverbindingen van Heteren. Aan de overzijde van de straat ligt een woonwijk. Verder zijn in de omgeving van het plangebied onder meer een jongerencentrum en een begraafplaats aanwezig.

De ligging van het plangebied is op afbeelding 1 aangegeven en op afbeelding 2 de begrenzing van het plangebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0322HTRNachterstr6-ONT1_0001.png"  
Afbeelding 1: ligging van het plangebied (bron: Bing Maps)  

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0322HTRNachterstr6-ONT1_0002.png"  
Afbeelding 2: indicatieve begrenzing plangebied en weergave directe omgeving (bron: Bing Maps)  

1.3 Huidig bestemmingsplan

In het plangebied gelden momenteel de bestemmingsplannen 'Bedrijventerrein Heteren' en 'Overbetuwe, Parapluplan Bedrijventerrein'. Deze bestemmingsplannen zijn vastgesteld op respectievelijk 21 mei 2013 en 4 februari 2014 en zijn onherroepelijk. Laatstgenoemd bestemmingsplan herziet uitsluitend een deel van de regels van het bestemmingsplan 'Bedrijventerrein Heteren'. In afbeelding 3 is een uitsnede van de verbeelding van het bestemmingsplan 'Bedrijventerrein Heteren' opgenomen. In het plangebied gelden de volgende bestemmingen en aanduidingen:

  • Bestemming 'Bedrijventerrein', met aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 2' en een bouwvlak;
  • Dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 1';
  • Dubbelbestemming 'Leiding - Gas', ter plaatse van zones uiterst noordelijk en westelijk in het plangebied;
  • Gebiedsaanduiding 'veiligheidszone - bevi', ter plaatse van een zone uiterst westelijk in het plangebied.
afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0322HTRNachterstr6-ONT1_0003.png"  
Afbeelding 3: uitsnede huidig bestemmingsplan 'Bedrijventerrein Heteren' (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)  


Het huidige bestemmingsplan maakt het oprichten van een nieuwe bedrijfswoning niet mogelijk. Het initiatief is om deze reden niet in overeenstemming met het huidige bestemmingsplan. Een herziening van het bestemmingsplan is daarom noodzakelijk.

1.4 Leeswijzer

Deze toelichting is als volgt opgebouwd. Na dit inleidende hoofdstuk, worden in hoofdstukken 2 en 3 respectievelijk de bestaande en de toekomstige situatie in het plangebied beschreven. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op het voor dit bestemmingsplan van toepassing zijnde rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid. In hoofdstuk 5 komen de relevante milieu- en omgevingsaspecten aan de orde. Daarmee wordt inzichtelijk gemaakt of de ontwikkeling in ruimtelijk en milieuhygiënisch opzicht aanvaardbaar en haalbaar is en voldoet aan het vereiste van een goede ruimtelijke ordening. In hoofdstuk 6 is de juridische planopzet beschreven en in hoofdstuk 7 is de financiële toelichting opgenomen. Hoofdstuk 8 gaat in op enkele procedurele aspecten, zoals overleg en inspraak.

Hoofdstuk 2 Bestaande situatie

Het plangebied betreft het perceel aan de Achterstraat 6 te Heteren. Kadastraal is het plangebied bekend als gemeente Heteren, sectie F, perceelnummer 272. De oppervlakte is 855 m². Op het perceel is momenteel een dansschool/dansstudio gevestigd. Het voorerfgebied is verhard en dient hoofdzakelijk als parkeerterrein. Het perceel is aan deze zijde ontsloten op de Achterstraat. Aan de randen van het perceel is enig groen aanwezig. Op het perceel is één rechthoekig gebouw aanwezig met een kap. Dit gebouw is ca. 400 m² groot.

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0322HTRNachterstr6-ONT1_0004.png"  
Afbeelding 4: huidige situatie in het plangebied, bezien vanaf de Achterstraat (bron: Google Streetview)  

Hoofdstuk 3 Toekomstige situatie

De initiatiefnemer wil een bedrijfswoning binnen de huidige bebouwing realiseren (inpandig). De functie als dansschool/dansstudio blijft gehandhaafd. De inrichting van het terrein en de bebouwing wijzigen, met uitzondering van inpandige wijzigingen, niet.

Hoofdstuk 4 Beleidskader

4.1 Rijksbeleid

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR)
In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte staan de plannen van de Rijksoverheid voor ruimte en mobiliteit. Het Rijk streeft naar een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland. Om dit te bereiken, laat het Rijk de ruimtelijke ordening meer over aan de decentrale overheden (provincie en gemeenten) en komt de gebruiker centraal te staan. Het Rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 13 nationale belangen. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid.

Beoordeling en conclusie
Dit bestemmingsplan maakt het oprichten van een bedrijfswoning op een bedrijfsperceel aan de rand van een bedrijventerrein mogelijk. Het gaat hier om een lokale ontwikkeling, die gezien de aard en omvang van het plan geen relatie met het ruimtelijke ordeningsbeleid op rijksniveau heeft. Er zijn geen nationale belangen in het geding. Het initiatief conflicteert niet met het nationaal ruimtelijke ordeningsbeleid, zoals vastgelegd in de SVIR.

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)
Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft richtlijnen voor de inhoud van ruimtelijke plannen, voor zover het gaat om ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang. De normering uit het Barro werkt zoveel mogelijk direct door op het niveau van de lokale besluitvorming. Bij besluitvorming over ruimtelijke plannen moeten de regels van het Barro worden gerespecteerd.

Beoordeling en conclusie
Het initiatief is aangemerkt als een lokale ontwikkeling. Er zijn geen nationale belangen in het geding. Het Barro heeft geen doorwerking naar dit plan.

Ladder voor duurzame verstedelijking
Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen, is per 1 oktober 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening. De ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De ladder is een motiveringsinstrument dat moet worden toegepast bij elk ruimtelijk besluit dat een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling' mogelijk maakt. Wat onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan, is in artikel 1.1.1 Bro bepaald: 'De ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.” Uit de jurisprudentie komt naar voren dat het wel een nieuwe stedelijke ontwikkeling van enige omvang moet zijn (ECLI:NL:RVS:2016:1503).

In een bestemmingsplan moet worden aangegeven dat de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte plus een motivering als de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd: 'De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien”.

Beoordeling en conclusie
Met dit bestemmingsplan wordt één bedrijfswoning binnen een bestaand pand op een bedrijfsperceel mogelijk gemaakt. In lijn met vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, wordt met deze wijziging geen nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk gemaakt. Er is geen sprake van uitbreiding van ruimtebeslag. De Ladder voor duurzame verstedelijking behoeft in het kader van dit bestemmingsplan niet doorlopen te worden.

4.2 Provinciaal beleid

Omgevingsvisie Gaaf Gelderland
Provinciale Staten hebben op 19 december 2018 de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland (hierna: de Omgevingsvisie) vastgesteld. Deze is in werking getreden op 1 maart 2019. Het doel van de Omgevingsvisie is: een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland, vanuit het verleden én met het oog op de toekomst. De provincie is als middenbestuur een belangrijke schakel bij het bereiken van deze doelstellingen en wil op een aantal manieren waarde toevoegen:

  • met een brede blik kijken naar de inrichting en kwaliteit van de Gelderse leefomgeving;
  • stimuleren van ontwikkelingen enerzijds en beschermen van waarden anderzijds;
  • focussen op duurzaamheid, onderlinge verbondenheid en een economisch krachtig Gelderland;
  • door middel van 7 ambities verder verdiepen van de focus.


De 7 ambitities van de provincie zien op de volgende thema's: energietransitie, klimaatadaptatie, circulaire economie, biodiversiteit, bereikbaarheid, vestigingsklimaat en de woon- en leefomgeving. Per ambitie is de provinciale aanpak beschreven.

Beoordeling en conclusie
De Omgevingsvisie is concreet uitgewerkt in de hierna beschreven Omgevingsverordening Gelderland. Deze verordening bevat concrete regels, waaraan het initiatief wordt getoetst. De Omgevingsvisie zelf bevat geen regels, die voor dit bestemmingsplan direct van belang zijn. Het plan is ook te kleinschalig van omvang om een wezenlijke bijdrage aan de provinciale ambities uit de Omgevingsvisie bij te dragen. Op het aspect van een goede woon- en leefomgeving voor de bedrijfswoning wordt in deze toelichting nader ingegaan (met name hoofdstuk 5).

Het plan is in overeenstemming met de Omgevingsvisie.

Omgevingsverordening Gelderland
Provinciale Staten hebben de Omgevingsverordening Gelderland (hierna: de Omgevingsverordening of verordening) vastgesteld op 24 september 2014. De verordening wordt geregeld geactualiseerd. De meest recente actualisatie van de Omgevingsverordening dateert van 19 december 2018.

De regels in de verordening kunnen betrekking hebben op het hele provinciale grondgebied, op delen of op gebiedsgerichte thema's. Gemeenten moeten binnen een bepaalde termijn hun bestemmingsplan afstemmen op de in de verordening opgenomen regels. De regels in de verordening zijn gebaseerd op de provinciale omgevingsvisie en hebben de status van algemeen verbindende voorschriften.

Beoordeling
Het plangebied ligt binnen de volgende aanduidingen:

  • tijdelijk verbod nieuwvestiging, uitbreiding en hervestiging glastuinbouw;
  • intrekgebied;
  • Romeinse limes.


Er is geen sprake van glastuinbouw. Winning van fossiele energie is niet aan de orde. Het plan is daarmee in overeenstemming met de regels voor intrekgebieden (artikel 2.38). De kernkwaliteiten van de Romeinse limes worden niet aangetast. Met het plan is zowel in feitelijk als in planologisch opzicht geen wijziging ten aanzien van bebouwing aan de orde.

De verordening bevat geen specifiek beleid ten aanzien van het toevoegen van bedrijfswoningen op een bedrijfslocatie.

Conclusie
Het bestemmingsplan is in overeenstemming met de Omgevingsverordening.

4.3 Gemeentelijk beleid

Omgevingsvisie Overbetuwe 2040
Op 1 oktober 2019 heeft de gemeenteraad van Overbetuwe de Omgevingsvisie Overbetuwe 2040 (hierna: Omgevingsvisie) vastgesteld. De Omgevingsvisie geeft de integrale koers en ambities van de gemeente Overbetuwe voor de fysieke leefomgeving voor de periode tot en met 2040 aan. De Omgevingsvisie is er primair op gericht om de kwaliteit van het leefmilieu te behouden en waar mogelijk te versterken. Samenwerking tussen verschillende partijen staat centraal en is noodzakelijk om deze doelen te bereiken. De visie is opgesteld vanuit een brede blik, waarbij ruimtelijke ordening, milieu, economie en bereikbaarheid met elkaar worden verbonden.

De gemeente onderscheidt een aantal kernwaarden die als vertrekpunt en inspiratiebron voor nieuwe ontwikkelingen dienen. Deze kernwaarden zijn ontstaan in het cultuurhistorisch gegroeide Betuwse rivierenlandschap. Kernwaarden zijn beschreven op het gebied van bodem en landschap, netwerk en infrastructuur en occupatie. De verschillende kernen in de gemeente kennen elk een eigen karakteristieke identiteit en waarden. Deze worden eveneens als leidraad voor nieuwe ontwikkelingen gehanteerd. Behoud van de karakteristiek en (specifieke) kwaliteiten van deze kernen en het buitengebied is een speerpunt in het beleid.

In de Omgevingsvisie wordt de focus gelegd op zes opgaven:

  • 1. Vitaal buitengebied in beweging;
  • 2. Innovatieruimte voor ondernemerschap;
  • 3. Samen werken aan energietransitie;
  • 4. Gevarieerde dorpse woonomgeving;
  • 5. Netwerk verbonden met samenleving;
  • 6. Voorzieningen geclusterd.

Beoordeling en conclusie
Dit bestemmingsplan maakt het toevoegen van een (inpandige) bedrijfswoning bij een dansschool op een bestaand bedrijfsperceel mogelijk. Gezien de aard en de kleinschalige omvang van de wijziging, waarbij van belang is dat er geen ruimtelijke ingrepen plaatsvinden, belemmert het initiatief de opgaven vanuit de Omgevingsvisie niet. Anderzijds is het initiatief te kleinschalig van omvang om wezenlijk te kunnen bijdragen aan deze opgaven.

Het initiatief is in overeenstemming met de Omgevingsvisie.

Hoofdstuk 5 Milieu- en omgevingsaspecten

5.1 Milieueffectrapportage

Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r. gewijzigd. De belangrijkste aanleidingen hiervoor zijn de modernisering van de m.e.r. wetgeving in 2010 en de uitspraak van het Europese Hof van 15 oktober 2009. Uit deze uitspraak volgt dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen m.e.r.(-beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit lijst D zit, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een gevoelig natuurgebied ligt. Gemeenten en provincies moeten daarom vanaf 1 april 2011 ook bij kleine bouwprojecten, zoals het onderhavige, beoordelen of een m.e.r.(-beoordeling) nodig is.

Ook de Implementatiewet 'herziening m.e.r. richtlijn' is relevant. Sinds 16 mei 2017 is deze wet in werking. De richtlijn heeft de procedure en de inhoud van het MER en de m.e.r.-beoordeling, maar ook de vormvrije m.e.r.-beoordeling gewijzigd. Dit heeft gevolgen voor de inhoud en procedure van ruimtelijke plannen. Voor activiteiten, die zijn opgenomen in onderdeel D van de Bijlage bij het Besluit m.e.r. en waarvan de omvang beneden de in kolom 2 genoemde drempel ligt, geldt een vormvrije m.e.r.-beoordeling.

Beoordeling en conclusie
Met dit bestemmingsplan wordt een inpandige bedrijfswoning op een bestaand bedrijfsperceel mogelijk gemaakt. De ontwikkeling behoort niet tot de in lijst C en D van het Besluit m.e.r. opgenomen categorieën. Gezien de aard en de zeer kleinschalige omvang van de ontwikkeling, is er geen sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject.

Er is daarom geen sprake van een m.e.r.-plichtige of m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteit in dit plan. Een m.e.r. of een m.e.r.-beoordeling is niet aan de orde.

5.2 Geluid

Op basis van de Wet geluidhinder (artikel 77 Wgh) moet bij een plan een akoestisch onderzoek worden uitgevoerd als het plan mogelijkheden biedt voor:

  • de toevoeging van een nieuwe woning of andere geluidsgevoelige functie binnen de zone van een weg;
  • de aanleg van een nieuwe weg;
  • de reconstructie van een bestaande weg.

De breedte van de zone van een weg is afhankelijk van het aantal rijstroken, het stedelijk gebied en de maximumsnelheid. Alle wegen hebben geluidzones, met uitzondering van wegen die in een als 'woonerf' aangeduid gebied liggen en wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt.

Beoordeling
Het bestemmingsplan maakt een nieuwe bedrijfswoning mogelijk. Daarmee is er sprake van een nieuw geluidsgevoelig object. Voor het plangebied is met name het aspect industrielawaai relevant, gelet op de ligging op een bedrijventerrein. Een akoestisch onderzoek naar het wegverkeerslawaai wordt niet doelmatig geacht. Het aspect industrielawaai wordt in paragraaf 5.4 nader onderzocht. Het plangebied behoort niet tot een geluidgezoneerd industrieterrein.

Conclusie
De Wgh vormt geen belemmering voor het plan.

5.3 Luchtkwaliteit

De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen zijn opgenomen in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Hierin zijn grenswaarden opgenomen voor luchtvervuilende stoffen. Voor ruimtelijke projecten zijn fijn stof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) de belangrijkste stoffen.

Een project is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;
  • het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;
  • het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging;
  • het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen.


Om te bepalen of een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtkwaliteit, is een algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels zijn vastgelegd. Een project kan in twee situaties NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit:

  • het project behoort tot de lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) die is opgenomen in de Regeling NIBM;
  • het project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO2 en PM10 (1,2ìg/m3).


Beoordeling en conclusie
De ontwikkeling betreft het oprichten van één bedrijfswoning binnen de bestaande bebouwing op een bedrijfsperceel. De ontwikkeling ligt zodanig ver onder de drempelwaarde van de in de regeling NIBM genoemde categorieën (toevoeging van 1.500 nieuwe woningen), dat op voorhand zeker is dat het initiatief niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Een luchtkwaliteitonderzoek is niet noodzakelijk. Het aspect luchtkwaliteit vormt dan ook geen belemmering voor de ontwikkeling.

5.4 Bedrijven en milieuzonering

Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies, zoals woningen. Bij de planontwikkeling moet rekening worden gehouden met milieuzonering om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren.

Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'. In de publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd. Als bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden).

De richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit, zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype. Een rustige woonwijk of een rustig buitengebied, is ingericht volgens het principe van functiescheiding.

Beoordeling
Dit bestemmingsplan maakt een nieuw gevoelig object mogelijk, namelijk een bedrijfswoning. Er is geen sprake van externe effecten, omdat er geen nieuwe milieubelastende functies worden toegestaan. Hierna wordt ingegaan op de vraag of het toevoegen van de bedrijfswoning tot beperkingen voor de omliggende bedrijvigheid leidt en of er ter plaatse van de bedrijfswoning sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

In de omgeving van het plangebied zijn enkele milieubelastende functies aanwezig. Het aspect 'geluid' is daarbij in principe maatgevend. Daarom is een akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoerd. De rapportage is opgenomen in Bijlage 1. Hierna worden de onderzoeksresultaten besproken.

De enige akoestisch relevante inrichting is het aannemersbedrijf direct ten zuiden van het plangebied (Poort van Midden Gelderland Groen 23). Uit het onderzoek blijkt dat het langtijdgemiddelde geluidsniveau ter plaatse van het plangebied maximaal 39 dB(A) bedraagt in de dagperiode. Daarmee wordt ruimschoots voldaan aan de normstelling van het Activiteitenbesluit, namelijk maximaal 55 dB(A) voor de dagperiode, 50 dB(A) voor de avondperiode en 45 dB(A) voor de nachtperiode.

Het maximaal geluidsniveau bedraagt 80 dB(A) in de dagperiode. Hiermee wordt de norm uit het Activiteitenbesluit van 75 dB(A) overschreden. Met het plaatsen van een gesloten geluidscherm van minimaal 2 meter hoog en een massa van minimaal 10 kg/m² kan aan deze norm worden voldaan. Het maximaal geluidsniveau bedraagt in dat geval 73 dB(A) in de dagperiode. Dit scherm wordt geplaatst op de perceelsgrens van het betreffende aannemersbedrijf.

Met in acht name van de voorgeschreven maatregel, vormt het aspect geluid geen beletsel voor het oprichten van de bedrijfswoning.

Conclusie
Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de ontwikkeling, mits op de perceelsgrens van de inrichting Poort van Midden Gelderland Groen 23 (aannemersbedrijf) een gesloten geluidscherm met een hoogte van ten minste 2 meter wordt geplaatst en in stand wordt gehouden. Deze verplichting is in de planregels opgenomen. Omliggende functies worden niet belemmerd, er ontstaat geen onevenredige overlast voor de omgeving en is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de bedrijfswoning.

5.5 Geurhinder

Voor veehouderijen is de regelgeving ten aanzien van het specifieke aspect geur vastgelegd in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden gekeken naar de aanvaardbaarheid van deze plannen in verband met omliggende geurbronnen, de zogenaamde omgekeerde werking.

Beoordeling en conclusie
Dit bestemmingsplan maakt een nieuw geurgevoelig object, namelijk een bedrijfswoning, mogelijk. Ook in de huidige situatie zijn geurgevoelige objecten in het plangebied echter al toegestaan. In dit opzicht wijzigt er dus niets. In de omgeving zijn bovendien geen veehouderijen aanwezig. De Wgv levert daarom geen belemmeringen op voor de ontwikkeling. Er worden geen agrarische bedrijven beperkt in hun bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden.

5.6 Bodem

De bodemkwaliteit vormt een belangrijk aspect bij bouwontwikkelingen. In het kader van functiewijziging en herinrichting vormt de bodemkwaliteit bij ontwikkeling van ruimtelijke functies een belangrijke afweging. De Bouwverordening bevat een verbod voor het bouwen van woningen op verontreinigde grond.

Beoordeling
Dit bestemmingsplan voorziet in een functiewijziging, omdat een bedrijfswoning mogelijk wordt gemaakt. Dit is een gevoelige functie. Echter is er sprake van een inpandige bedrijfswoning en vinden er geen bodemingrepen plaats. Daarnaast is er ook in de huidige situatie al sprake van een functie met verblijf van personen in het plangebied. Er bestaat daarom geen aanleiding tot het uitvoeren van een bodemonderzoek in het kader van dit plan.

Conclusie
Het aspect 'bodem' vormt geen belemmering voor de realisatie van een inpandige bedrijfswoning in het plangebied.

5.7 Externe veiligheid

Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de veiligheidsrisico's in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze externe veiligheidsrisico's moeten worden beoordeeld voor twee risiconormen, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Voor beide risiconormen geldt dat hoe groter de afstand tussen planontwikkeling en risicobron is, des te kleiner zal de impact van het plan zijn op de hoogte van het risico.

Plaatsgebonden risico
Het plaatsgebonden risico (PR) heeft tot doel om hetzelfde minimale beschermingsniveau te bieden voor iedere burger in Nederland. Het PR beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het PR wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn, etc.), waarbij de 10-6-contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde is.

Groepsrisico
Het groepsrisico (GR) is een afwegingsinstrument dat tot doel heeft een bewuste afweging te stimuleren over het risico op een ongeval met een groot aantal slachtoffers. Het GR beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het GR geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het GR wordt uitgedrukt in een grafiek, waarin de kans op overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1.000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het GR geldt een oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm).

Voor elke verandering van het GR (af- of toename) in het invloedsgebied moet verantwoording worden afgelegd over de wijze waarop de toelaatbaarheid van deze verandering in de besluitvorming is betrokken.

Samen met de hoogte van het GR moeten andere kwalitatieve aspecten worden meegenomen in de beoordeling van het GR. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer.

Beoordeling
De ontwikkeling betreft het toestaan van een bedrijfswoning op de Achterstraat 6 te Heteren. Daarmee wordt een nieuw kwetsbaar object mogelijk gemaakt. De bedrijfswoning wordt gerealiseerd in het deel van het pand waar nu een dansschool gevestigd is. Op basis van de risicokaart van de provincie Gelderland is een inventarisatie gemaakt van de risicobronnen in en rondom de planlocatie, die een extern veiligheidsrisico kunnen veroorzaken. In afbeelding 5 is een uitsnede opgenomen van de risicokaart.

 
afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0322HTRNachterstr6-ONT1_0005.png"  
Afbeelding 5: uitsnede provinciale risicokaart, geraadpleegd op 10 december 2019, met ligging plangebied in zwart kader aangegeven.  

De informatie van de provinciale risicokaart levert de volgende inzichten op.

Transportroutes

Het plangebied ligt op ongeveer 375 meter van de snelweg A50. Over deze transportas vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Op basis van de regeling basisnet en de provinciale risicokaart is vastgesteld dat de plaatsgebonden risicocontour 10-6 niet over het plangebied ligt.

Ten aanzien van het groepsrisico ligt het plangebied in het invloedsgebied van de snelweg A50. ontwikkelingen hierbinnen hebben mogelijk invloed op het groepsrisico. Echter is de afstand tussen het plangebied en de snelweg dermate groot (groter dan 200 meter), dat de wetgever heeft aangegeven dat het groepsrisico alleen beperkt verantwoord hoeft te worden. Hierdoor hoeft niet de hoogte van het groepsrisico in beeld te worden gebracht, maar enkel nog de aspecten zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid.

Buisleidingen

Aangrenzend aan de noordzijde van het plangebied ligt een aardgastransportleiding (N-568-32). Op basis van de provinciale risicokaart is vastgesteld dat de aardgastransportleiding geen plaatsgeboden risicocontour 10-6 heeft. Daarnaast ligt ook de belemmeringenstrook niet over het bestaande gebouw.

Ten aanzien van het groepsrisico ligt het plangebied in het invloedsgebied van de aardgastransportleiding. Ontwikkelingen hierbinnen hebben mogelijk invloed op het groepsrisico. Het plan voorziet in de realisatie van een bedrijfswoning in een bestaand pand dat wordt gebruikt als dansschool (toename maximaal 2,4 personen, PGS deel 6). Gelet hierop is de toename van het aantal personen zo minimaal, dat het groepsrisico hierdoor niet toeneemt. Er kan worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Hiervoor moeten allen de zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid worden beschouwd, alsmede de hoogte van het groepsrisico.

Inrichtingen

Het plangebied ligt nabij een gasdrukmeet- en regelstation en bevindt zich binnen het invloedsgebied van de risicovolle inrichting A.S. Watson B.V. (Poort van Gelderland Midden Rood 24). Hierna volgt de beoordeling ten aanzien van beide inrichtingen.

Het gasdrukmeet- en regelstation betreft een type C-station waarvoor in het Activiteitenbesluit een afstand van 15 meter is opgenomen ten opzichte van kwetsbare objecten en van 4 meter tot beperkt kwetsbare objecten. De woonfunctie zal worden gerealiseerd in een deel van de huidige dansschool. Voor de beoordeling wordt deze bedrijfswoning beschouwd als kwetsbaar object (bewoners hebben een directe relatie met de dansschool en zullen permanent aanwezig zijn). De afstand tussen de gevels bedraagt circa 16 meter. Hiermee wordt voldaan aan de afstandseis van het Activiteitenbesluit.

A.S. Watson B.V. is gelegen aan de Poort van Gelderland Midden Rood 24. Het plangebied bevindt zich binnen het invloedsgebied van 2.000 meter van deze inrichting, zoals dat is bepaald in de QRA (document 'Kwantitatieve Risico Analyse Distributiecentrum A.S. Watson Heteren, d.d. 21 januari 2015). Het berekende groepsrisico ligt onder de oriëntatiewaarde, zoals in afbeelding 6 te zien valt.

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0322HTRNachterstr6-ONT1_0006.png"  
Afbeelding 6: fN-curve QRA A.S. Watson B.V.  


Het plan voorziet in de realisatie van een bedrijfswoning met een toename van 2,4 personen in het plangebied. Gelet op de afstand tot de risicobron (circa 500 meter) heeft dit geen gevolgen voor het groepsrisico. Desondanks is er sprake van een ontwikkeling binnen het invloedsgebied van een Bevi-inrichting en moet het groepsrisico worden verantwoord.


Verantwoording groepsrisico
Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied groepsrisico van verschillende externe veiligheidsbronnen. Conform vigerende wetgeving moet de gemeente hierdoor het groepsrisico verantwoorden. Meer specifiek gaat het om de wettelijke verplichting op grond van het Bevt artikel 7 en 9 (onderdelen H en I) vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over de A50, het Bevb artikel 12 (onderdelen A, B, H en I) vanwege de aardgastransportleiding N568-32 en het Bevi artikel 13 vanwege de inrichting A.S. Watson B.V. De gemeente heeft bij het invullen van de verantwoordingsplicht een grote mate van beoordelingsvrijheid. Ten aanzien van de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid heeft de veiligheidsregio adviesrecht. Er is advies gevraagd aan de Veiligheids- en Gezondheidsregio Gelderland-Midden (VGGM). Dit advies is opgenomen in Bijlage 2. Bij het invullen van de verantwoordingsplicht is gebruik gemaakt van dit advies.

A. Personendichtheid
Het plan voorziet in de realisatie van een bedrijfswoning in een deel van een bestaand pand waar een dansschool is gevestigd. Hierdoor bedraagt de toename van het aantal personen in het plangebied maximaal 2,4 personen (PGS I, deel 6).

B. Hoogte groepsrisico
Doordat het aantal personen maar beperkt toeneemt (maximaal 2,4 personen) en het plan ook nog op enige afstand ligt van de inrichting A.S. Watson B.V., heeft deze wijziging geen gevolgen voor de hoogte van het groepsrisico op de risicobronnen. Uit de destijds uitgevoerde risicoberekening van A.S. Watson B.V. (zie eerder in deze paragraaf) blijkt dat de berekende hoogte van het groepsrisico zich beneden de oriëntatiewaarde bevindt.

C. t/m E. Mogelijkheden tot beperking van het groepsrisico binnen de risicobronnen
De gemeente Overbetuwe ziet geen andere mogelijkheden om het groepsrisico verder te beperken. In het verleden zijn er aanvullende veiligheidsmaatregelen opgenomen in de omgevingsvergunning voor A.S. Watson B.V.

F. De voor- en nadelen van andere mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkelingen met een lager groepsrisico
Omdat het plan beperkt van aard is en de bedrijfswoning in een bestaand pand wordt gerealiseerd, ziet de gemeente Overbetuwe geen andere mogelijkheden voor een ruimtelijke ontwikkeling met een lager groepsrisico.

G. Mogelijkheden en de voorgenomen maatregelen tot beperking van het groepsrisico in de nabije toekomst
De gemeente Overbetuwe is niet voornemens nieuwe maatregelen te nemen om het groepsrisico te beperken.

H. Bestrijdbaarheid
Bij een calamiteit zal de brandweer zich inzetten om de effecten ten gevolge van het incident te beperken. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden dichtbij de bron. De brandweer richt zich dan niet direct op het bestrijden van effecten in of nabij het plangebied. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen. De VGGM ziet ook geen reden om nader te adviseren in het kader van de bestrijdbaarheid.

I. Zelfredzaamheid
Met de term 'zelfredzaamheid' wordt bedoeld: het vermogen om jezelf en/of anderen in veiligheid te brengen bij (een dreiging van) een gevaarlijke situatie. Bij het bepalen van de mate van zelfredzaamheid spelen onder andere de fysieke gesteldheid en zelfstandigheid van de aanwezigen, de alarmeringsmogelijkheden en de vluchtmogelijkheden een rol. Het advies van de VGGM geeft het volgende aan:

  • Het plangebied ligt alleen binnen de effectafstand van het scenario explosie, fakkelbrand en toxische wolk. De kans daarop is klein.
  • Het ligt in de verwachting dat de aanwezige personen in voldoende mate zelfredzaam zullen zijn om zichzelf in veiligheid te kunnen brengen.
  • Om de zelfredzaamheid nog verder te verbeteren adviseert de VGGM het volgende: het toepassen van risicocommunicatie, het verbeteren van de ontvluchtbaarheid zodat van de risicobron af gevlucht kan worden en afspraken maken met de Gasunie over werkzaamheden aan de aardgastransportleiding.

Ten aanzien van risicocommunicatie is er NL alert. Hiermee zijn mensen binnen een bepaald gebied gericht te informeren door het sturen van een bericht naar mobiele telefoons. Verder is het plan te ontvluchten via de Achterstraat. Verder zullen de aanwezige externe veiligheidsrisico's besproken worden met de initiatiefnemer. Hiermee geeft de gemeente invulling aan het geadviseerde van de VGGM, ondanks dat dit enkel ter verbetering en niet ruimtelijk relevant is.


Conclusie
Het plangebied ligt buiten de plaatsgebonden risicocontour 10-6 van een inrichting, buisleiding en transportroute met een extern veiligheidsrisico. De plaatsgebonden risicocontour van de diverse risicobronnen vormt geen belemmering voor de realisatie van het plan.

Ten aanzien van het groepsrisico ligt het plangebied in het invloedsgebied van de inrichting A.S. Watson B.V., een aardgastransportleiding (568-32) en de snelweg A50. Op basis van de verantwoording groepsrisico (zie voorgaand) kan worden geconcludeerd dat het ruimtelijk initiatief geen significant effect heeft op het groepsrisico en op de mogelijkheden voor de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Daarmee is het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de realisatie van het plan.

5.8 Explosieven

De huidige gemeente Overbetuwe en buurgemeente Lingewaard maakten vanaf het begin van de geallieerde luchtlandingsoperatie 'Market Garden' op 17 september 1944 tot aan de bevrijding van Arnhem op 14 april 1945 deel uit van het frontgebied tussen de Duitsers en de Geallieerden. Overbetuwe en Lingewaard werden in hun geheel als oorlogsgebied beschouwd. Er is een gevechtspauze geweest na het oversteken van de brug bij Nijmegen. Het gebied is gedurende acht maanden frontgebied geweest waarbij het volledige eiland (gebied tussen de Rijn en de Waal) geëvacueerd is. Men sprak in die periode ook wel over 'het mannen eiland'. Tevens zijn er in die periode hevige bombardementen uitgevoerd. Tijdens de inventarisatie van oorlogsgegevens zijn 104 vliegtuigcrashes opgetekend en meer dan 1.000 oorlogsgraven. Door de oorlogshandelingen ontstonden er gebieden waarvan de bodem sterk met oorlogsmateriaal werd belast wat op dit moment nog gevaar kan opleveren voor mens en dier. De Explosieven Opruimings Dienst Defensie (EODD) gaat er in 2014 vanuit, dat slechts 35% van de munitie inmiddels uit de grond is verwijderd. Dit betekent dat we de komende decennia nog met deze explosieve erfenis te maken zullen hebben en er kans bestaat dat in het plangebied nog sprake is van onontplofte munitie.

Beoordeling en conclusie
Bij bodemroerende werkzaamheden, zoals het oprichten van gebouwen, graafwerkzaamheden, aanleg van kabels en leidingen en het uitvoeren van bepaalde onderzoeken, is de aanwezigheid van mogelijke niet-gesprongen explosieven (NGE's) van belang. In dit geval zijn dergelijke ingrepen en werkzaamheden niet aan de orde. Dit aspect vormt dan ook geen belemmering.

5.9 Kabels en leidingen

Het verrichten van werkzaamheden in de nabijheid van hoogspanningsmasten en -kabels en dergelijke, kan gevaar met zich meebrengen. Om dit gevaar zoveel mogelijk te beperken, moet de (leiding)beheerder aangeven onder welke voorwaarden de werkzaamheden veilig plaats kunnen vinden.

Beoordeling en conclusie
Ten zuiden van het plangebied is een gasleiding aanwezig. Er vinden geen werkzaamheden in de grond plaats, die de belangen van de leiding en leidingstroom zouden kunnen belemmeren. Dit aspect levert dan ook geen belemmeringen op voor de realisatie van het plan.

5.10 Waterparagraaf

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder b) moet inzicht worden gegeven in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Daarbij zijn de hierna beschreven beleidsstukken van belang.

Rijksbeleid
Nationaal Waterplan
In december 2015 stelde het kabinet het Nationaal Waterplan vast. Dit plan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016-2021 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water, en diverse vormen van gebruik van water. Ook worden de maatregelen genoemd die hiertoe worden genomen.

Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie.

Provinciaal beleid
Provinciaal Waterplan
In het Waterplan Gelderland is het waterbeleid beschreven aan de hand van een aantal thema's, zoals landbouw, wateroverlast, watertekort, natte natuur, grondwaterbescherming en hoogwaterbescherming. Voor deze thema's is beschreven welke doelstellingen voor 2027 en 2015 er liggen. Daarbij is beschreven hoe de provincie voor de planperiode de uitvoering van acties ziet om die doelstellingen te bereiken. Bij sommige thema's gelden aanvullende waterdoelstellingen voor specifieke waterhuishoudkundige functies.

Waterschap Rivierenland
Waterbeheerplan 2016-2021
Dit plan, vastgesteld op 27 november 2015, gaat over het waterbeheer in het hele rivierengebied en het omvat alle watertaken van het waterschap: waterkwantiteit, waterkwaliteit, waterkering en waterketen. In het Waterbeheerplan staat wat Waterschap Rivierenland de komende periode gaat doen om inwoners van het rivierengebied veiligheid en voldoende schoon en mooi water in sloten en plassen te kunnen blijven bieden. Het plan is in samenwerking met onder meer de gemeente Overbetuwe opgesteld.

Keur Waterschap Rivierenland 2014
Voor waterhuishoudkundige ingrepen is de 'Keur Waterschap Rivierenland 2014' van toepassing. De Keur is een waterschapsverordening die gebods- en verbodsbepalingen bevat met betrekking tot ingrepen, die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. Zo is het onder andere verboden om handelingen te verrichten waardoor het onderhoud, aanvoer, afvoer en/of berging van water kan worden belemmerd, zonder een ontheffing van het Waterschap. De wateren en waterkeringen waarop de keur van toepassing is, zijn vastgelegd in de legger wateren.

Realisatie van nieuwe bebouwing en/of verhard oppervlak moet hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. Bij het toevoegen van bebouwing of verharding geldt een compensatieplicht. Er geldt een eenmalige vrijstelling van de compensatieplicht wanneer minder verharding dan 500 m² in stedelijk gebied of minder dan 1.500 m² in landelijk gebied wordt toegevoegd.

Gemeente Overbetuwe
Waterplan Overbetuwe
In 2008 stelde de gemeente Overbetuwe in samenwerking met het Waterschap Rivierenland het Waterplan Overbetuwe vast. Het waterbeheerplan van het waterschap is later geactualiseerd (zie hierboven), ook in samenwerking met onder meer de gemeente Overbetuwe. Beide plannen gelden naast elkaar.

In het Waterplan Overbetuwe wordt het beleidskader geschetst en worden concrete maatregelen voor het watersysteem uitgewerkt. Naast het waterplan wordt parallel een Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) opgesteld waarin de maatregelen voor de riolering (waterketen) worden uitgewerkt.

Met het opstellen van een waterplan wordt inzicht gegeven in de relevante wateropgaven voor de gemeente Overbetuwe, zoals:

  • wateroverlast, het zoeken van oplossingen om wateroverlast tegen te gaan;
  • waterkwaliteit, het onderzoeken van mogelijkheden voor het verbeteren van de waterkwaliteit;
  • grondwater, het inventariseren van grondwateroverlast;
  • beleving van water, burgers betrekken bij water;
  • afspraken en taken van waterschap en gemeente.


Beoordeling (watertoets)
Het plan betreft een inpandige functiewijziging, waarbij een bedrijfswoning in een bestaand pand mogelijk wordt gemaakt. Er is geen sprake van een toename van bebouwd of verhard oppervlak. Een compensatieverplichting is daarom niet aan de orde. De bedrijfswoning zal op de bestaande riolering worden aangesloten.

De planvorming heeft geen negatieve invloed op oppervlaktewater en het plangebied ligt niet in de beschermingszone van een waterkering.

Conclusie
Het plan heeft geen negatieve effecten op de waterhuishouding.

5.11 Flora en fauna

De bescherming van de natuur is sinds 1 januari 2017 vastgelegd in de Wet Natuurbescherming (Wnb). Deze heeft de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet vervangen. De Wnb geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan moet worden onderzocht of de Wnb de uitvoering van het plan niet in de weg staat in verband met de bescherming van gebieden en dier- en plantsoorten. De provincies zijn het bevoegd gezag voor zowel de gebieds- als de soortenbescherming.

Gebiedsbescherming
In de Wnb is de bescherming opgenomen van Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan moet worden onderzocht of dit plan, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan alleen worden vastgesteld als uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Als deze zekerheid er niet is, kan het plan worden vastgesteld als wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:

  • alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden;
  • het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en
  • de noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.


Het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen: Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones. Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime. Het NNN is op provinciaal niveau uitgewerkt in het Gelders Natuurnetwerk (GNN) met de bijbehorende Groene Ontwikkelingszones (GO). Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen.

Soortenbescherming
In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen:

  • 1. soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn;
  • 2. soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn;
  • 3. de bescherming van overige soorten.

Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag.

Beoordeling
Het plangebied behoort niet tot een Natura 2000-gebied of tot het NNN. Externe effecten op Natura 2000-gebieden zijn gezien de aard van het plan op voorhand uitgesloten. Er wordt slechts een inpandige bedrijfswoning mogelijk gemaakt op een bestaand bedrijfsperceel op een bedrijventerrein. Bovendien ligt het plangebied op ruime afstand van Natura 2000-gebieden (circa 1 kilometer). Gezien deze afstand, de zeer kleinschalige omvang van het project, de beperkte benodigde werkzaamheden en de aard van de omgeving, is op basis van ervaringscijfers een toename van stikstofdepositie groter dan 0,00 mol/ha/jr uitgesloten.

Het plangebied ligt tevens op ruime afstand (1 kilometer) van gebieden die tot het NNN behoren. Negatieve effecten op dergelijke gebieden zijn daarom uitgesloten.

Daarnaast zijn negatieve effecten op beschermde soorten uitgesloten. Voor de realisatie van het plan zijn uitsluitend inpandige werkzaamheden noodzakelijk. Het toekomstige gebruik heeft een verwaarloosbare ruimtelijke uitstraling. Gezien de aard van de ingrepen en het toekomstige gebruik, kan overtreding van de Wnb dan ook op voorhand worden uitgesloten.

Conclusie
Het aspect flora en fauna levert op voorhand geen belemmeringen voor het plan op. Nader onderzoek is niet noodzakelijk.

5.12 Archeologie en cultuurhistorie

De bescherming van archeologisch en cultureel erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening moet in het plan rekening worden gehouden met cultuurhistorische waarden.

De gemeente Overbetuwe heeft voor haar gemeentelijk grondgebied een erfgoedplan en een archeologische beleidsadvieskaart gemaakt. Het erfgoedplan beoogt versterking van de plaats en betekenis van cultuurhistorie als factor in het ruimtelijk beleidsproces.

Beoordeling en conclusie
Ter plaatse van het plangebied is volgens de archeologische beleidsadvieskaart en het huidige bestemmingsplan een hoge archeologische verwachtingswaarde aanwezig. Als er bodemingrepen dieper dan 0,30 meter en groter dan 50 m² plaatsvinden ter plaatse van de gronden met deze archeologische verwachtingswaarde, moet een archeologisch onderzoek worden uitgevoerd. Bouwwerkzaamheden en andere bodemingrepen, waarmee deze drempelwaarden worden overschreden, zijn niet aan de orde. In dit bestemmingsplan is de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 1' opgenomen overeenkomstig de archeologische beleidskaart. Eventueel aanwezige archeologische waarden worden zodoende adequaat beschermd en het tijdig uitvoeren van een onderzoek is gewaarborgd, wanneer in de toekomst sprake is van bodemingrepen.

In het plangebied en de omgeving zijn geen bijzondere cultuurhistorische waarden aanwezig. Ook dit aspect levert daarom geen belemmering op.

5.13 Verkeer en parkeren

Parkeren
De gemeente heeft haar parkeerbeleid vastgelegd in de Nota Parkeernormen gemeente Overbetuwe 2016. Met dit bestemmingsplan wordt een nieuwe, inpandige bedrijfswoning toegestaan. Op basis van de Nota geldt een parkeernorm van 2,0 parkeerplaatsen voor een dergelijke (categorie 'Koop, etage, goedkoop' in overige kernen). In het voorerfgebied is in ruimte mate parkeergelegenheid aanwezig. In de planregels is een parkeerregeling opgenomen, waarmee gewaarborgd is dat er daadwerkelijk voldoende parkeergelegenheid wordt gerealiseerd en in stand worden gehouden.

Het aspect parkeren zorgt daarom niet voor belemmeringen.

Verkeer
Het plan voorziet in het toevoegen van één bedrijfswoning. Op basis van de CROW-kencijfers (2019, publicatie 381) bedraagt de verkeersgeneratie voor één extra woning circa 8 verkeersbewegingen per etmaal. Voor wat betreft de verkeersafwikkeling zijn er geen belemmeringen te verwachten, omdat een dergelijke toename niet merkbaar is. Het perceel is goed ontsloten op de Achterstraat. Dit wijzigt niet. In verkeerskundig oogpunt zijn er daarom geen belemmeringen.

Hoofdstuk 6 Juridische planopzet

6.1 Algemene opzet

Inleiding
Dit hoofdstuk bevat de concrete vertaling van het beleidsgedeelte (voorafgaande hoofdstukken) in het juridisch gedeelte van het bestemmingsplan (de verbeelding en regels).

Het bestemmingsplan 'Heteren, Achterstraat 6' bestaat uit de volgende onderdelen:

De toelichting
In de toelichting is de ontwikkeling verantwoord, zowel op basis van het beleid, als op basis van milieu-hygiënische aspecten, aangevuld met een toelichting op de juridische opzet.

De bestemmingsregels
De bouw- en gebruiksregels zijn binnen de verschillende bestemmingen opgenomen. Daarnaast zijn waar nodig afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden opgenomen, om het plan de benodigde flexibiliteit te geven.

De verbeelding
Op de verbeelding zijn de bestemmingen 'Bedrijventerrein', 'Leiding - Gas' en 'Waarde - Archeologische verwachting 1 ' opgenomen met de daarbij behorende aanduidingen en een bouwvlak. In paragraaf 6.2 worden de gekozen bestemmingen en aanduidingen nader toegelicht.

De opzet van het plan
Het bestemmingsplan is een juridisch plan, dat bindend is voor de burgers en voor de overheid. Qua systematiek is zoveel mogelijk aangesloten bij het huidige bestemmingsplan 'Bedrijventerrein Heteren'. Daarnaast is rekening gehouden met de regels van het 'Overbetuwe Paraplubestemmingsplan Bedrijventerreinen'.

Bouwplan
Als een aanvraag om omgevingsvergunning ingediend wordt, zijn in eerste instantie de bestemming met bijhorende regels van belang. Als het nieuwe en het beoogde gebruik past binnen de toegekende bestemming, dan kan de omgevingsvergunning worden verleend.

6.2 Toelichting op de verbeelding en regels

Op de verbeelding zijn de bestemmingen onderscheiden. De bestemmingen zijn afgeleid uit het gebruik (de aanwezige functies). De bestemmingen vormen het zogenaamde casco van het plan, waarvan in beginsel niet mag worden afgeweken. De opgenomen bestemmingen zijn niet gewijzigd ten opzichte van het huidige bestemmingsplan.

Bedrijventerrein
Het gehele plangebied blijft bestemd als 'Bedrijventerrein' met de functieaanduiding 'bedrijf tot en met categorie 2'. De gebruiksmogelijkheden van de huidige bestemming zijn in principe overgenomen. Binnen de bestemming zijn bedrijven van categorieën 1 en 2, zoals opgenomen in de als bijlage opgenomen Staat van Bedrijfsactiviteiten toegestaan. Daarnaast is een dansschool toegestaan, alsmede detailhandel onder bepaalde voorwaarden. Toegevoegd is de mogelijkheid om een bedrijfswoning op te richten. Voorwaarde is dat een geluidscherm ter plaatse van de aanduiding 'geluidscherm' is gerealiseerd, die voldoet aan de voorgeschreven minimale hoogte van 2 meter en de voorgeschreven dichtheid. Verder zijn bijbehorende voorzieningen, zoals parkeren, groenvoorzieningen, e.d. toegestaan.

Gebouwen (zowel bedrijfsgebouwen als de bedrijfswoning) moeten binnen het bouwvlak worden gebouwd. Het bouwvlak is niet gewijzigd. De maximum goot- en bouwhoogte bedragen respectievelijk 9 en 10 meter. Het bouwvlak mag volledig worden bebouwd. Voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn specifieke bouwregels opgenomen. Deze mogen ook buiten het bouwvlak worden gebouwd. Voor het geluidscherm is een specifieke aanduiding 'geluidscherm' opgenomen.

Leiding - Gas
Ten noorden van het plangebied ligt een aardgasleiding en ten westen van het plangebied een gasdrukmeet- en regelstation. De daarbij behorende belemmeringenstroken reiken voor een klein gedeelte over het plangebied. Deze zones behouden de bestemming 'Leiding - Gas'. Deze bestemming stelt beperkingen aan het bouwen en uitvoeren van werkzaamheden op de betreffende gronden. Bij strijd met de andere bestemming(en) prevaleren deze bepalingen.

Waarde - Archeologische verwachting 1
In het plan is de archeologische beleidskaart vertaald in de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 1' ten behoeve het behoud en de bescherming van archeologische waarden in of nabij het plangebied. Zie hierover ook paragraaf 5.12. Naast de betreffende dubbelbestemming hebben de betrokken gronden altijd nog de betreffende hoofdbestemming. De regels van de hoofdbestemming en de dubbelbestemming zijn beide van toepassing, maar bij strijd tussen deze bepalingen prevaleren de bepalingen van de dubbelbestemming. De reden hiervoor is dat de belangen van de dubbelbestemming zwaarder wegen dan die van de hoofdbestemming. De dubbelbestemming bevat een omgevingsvergunningplicht en een plicht tot het doen van archeologisch onderzoek voor bodemingrepen dieper dan 0,3 meter onder het maaiveld en met een omvang groter dan 50 m². Voordat een omgevingsvergunning voor het 'bouwen' wordt verleend, zal een archeologisch onderzoek moeten worden uitgevoerd, voor zover deze drempelwaarde wordt overschreden.

Algemene regels
Anti-dubbeltelregel
Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.

Algemene bouwregels
In dit artikel is een regeling voor eventueel bestaande afwijkende maatvoeringen opgenomen.

Algemene gebruiksregels
Deze bepaling bevat de vormen van gebruik, die in ieder geval strijdig zijn met de regels van het bestemmingsplan voor alle opgenomen bestemmingen.

Algemene aanduidingsregels
In de noordwestelijke hoek van het plangebied is de aanduiding 'veiligheidszone - bevi' opgenomen in verband met de aanwezigheid van het gasdrukmeet- en regelstation op het naastgelegen perceel. Binnen deze zone mogen geen kwetsbare objecten worden opgericht en mogen beperkt kwetsbare objecten uitsluitend met toepassing van een afwijkingsbevoegdheid worden opgericht. De bedrijfswoning wordt overigens buiten deze zone opgericht.

Algemene afwijkingsregels
In dit artikel wordt een opsomming gegeven van de regels waarvan door middel van een omgevingsvergunning afgeweken kan worden van het bestemmingsplan. Het gaat hierbij om de bevoegdheid om door middel van een omgevingsvergunning af te kunnen wijken van de regels die gelden voor alle bestemmingen in het plan. De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven. Opgenomen zijn bevoegdheden voor kleine afwijkingen in maatvoeringen en bouwgrenzen en voor een grotere inhoud van de bedrijfswoning (maximaal 800 m³).

Overgangs- en slotregels
Overgangsrecht
Het voor alle bestemmingsplannen verplichte overgangsrecht is opgenomen. Bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een omgevingsvergunning voor het bouwen is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bebouwingsregels. De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen kan worden verleend. Burgemeester en wethouders kunnen in beginsel dus nog gewoon gebruik maken van hun handhavingsbevoegdheid. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan mag eveneens worden voortgezet.

Slotregel
Dit artikel geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald.

Hoofdstuk 7 Financiële toelichting

Uitgangspunt voor de ontwikkeling is dat deze voor de gemeente budgetneutraal worden ontwikkeld. Op grond van artikel 6.12 lid 1 Wet ruimtelijke ordening (Wro) is de gemeenteraad van Overbetuwe verplicht om, als sprake is van een bouwplan, de gemeentelijke kosten te verhalen. Dit bestemmingsplan voorziet in een bouwplan, omdat er één nieuwe woning wordt opgericht.

De kosten worden verhaald op basis van een met de initiatiefnemer afgesloten anterieure overeenkomst. Tevens is een planschadeovereenkomst gesloten. In deze overeenkomsten zijn afspraken gemaakt over het verhaal van kosten.

Door middel van de afgesloten overeenkomst is het kostenverhaal voldoende verzekerd en is de financiële haalbaarheid in voldoende mate aangetoond.

Hoofdstuk 8 Overleg en inspraak

8.1 Inleiding

De procedures voor vaststelling van een bestemmingsplan zijn door de wetgever geregeld. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties waar nodig overleg over het plan moet worden gevoerd, voordat een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Bovendien kan het noodzakelijk zijn om belanghebbenden de gelegenheid te bieden om hun visie over het plan te kunnen geven. Dit is afhankelijk van de inspraakverordening van de gemeente. Pas daarna kan de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van het plan van start gaan.

8.2 Inspraak

De Wro zelf bevat geen bepalingen over inspraak. Dat neemt niet weg dat het de gemeente vrij staat toch inspraak te verlenen op grond van de gemeentelijke inspraakverordening. In relatie daarmee bepaalt artikel 150 van de Gemeentewet onder meer dat in een gemeentelijke inspraakverordening moet worden geregeld op welke wijze personen en rechtspersonen hun mening kenbaar kunnen maken. Voor dit bestemmingsplan heeft, gezien de aard en omvang van de ontwikkeling, geen inspraak plaatsgevonden.

8.3 Overleg

Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) geeft aan dat het bestuursorgaan, dat belast is met de voorbereiding van een ruimtelijk plan, overleg pleegt met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen. Ook moet overleg worden gepleegd met die diensten van provincie en Rijk, die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of die belast zijn met de behartiging van belangen, welke in het plan in het geding zijn. Gezien de aard en kleinschalige omvang van de ontwikkeling heeft in dit geval geen vooroverleg plaatsgevonden. Wel is aan de Veiligheids- en Gezondheidsregio om advies omtrent de bestemmingsplanwijziging gevraagd. Dit advies (Bijlage 2) is bij de planvorming betrokken en zal bij de verdere uitwerking in acht worden genomen.

8.4 Vaststellingsprocedure

De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan vindt plaats volgens artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening. Het ontwerpbestemmingsplan wordt in dit kader gedurende zes weken ter inzage gelegd. Gedurende deze periode kan een ieder zijn zienswijzen kenbaar maken tegen het plan.

Het plan wordt vervolgens, al dan niet gewijzigd, ter vaststelling aangeboden aan de gemeenteraad van Overbetuwe.

8.5 Beroep

Na vaststelling wordt het bestemmingsplan voor de tweede maal zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking.