direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Andelst, Wageningsestraat 24A
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1734.0325BUITwagenst24A-ONT1

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

De initiatiefnemer wil het agrarische bedrijf aan de Wageningsestraat 24A te Andelst beëindigen en alle bestaande bebouwing slopen, met uitzondering van één schuur. In ruil daarvoor worden drie nieuwe vrijstaande woningen opgericht. De overige gronden zullen worden gebruikt als tuin en agrarische gronden (weides).

Het oprichten van drie nieuwe woningen is niet in overeenstemming met de regels van het ter plaatse geldende bestemmingsplan. Daarom is een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk. De gemeente staat positief tegenover de sloop van de bebouwing en wil onder voorwaarden medewerking aan het initiatief verlenen. Eén van de gestelde voorwaarden is dat de woningen landschappelijk worden ingepast. Dit bestemmingsplan 'Andelst, Wageningsestraat 24A' voorziet in een nieuw planologisch-juridisch kader voor het plangebied en geeft de voorwaarden voor het gebruiken en bebouwen van de gronden aan.

1.2 Ligging en beschrijving plangebied

Het plangebied betreft het perceel Wageningsestraat 24A te Andelst. Dit perceel ligt aan de rand van de kern Andelst, net ten zuiden van het bedrijventerrein Andelst-Oost. Aan de overzijde van de Wageningsestraat is een bebouwingslint aanwezig, waar het buitengebied begint. Ten zuiden van het plangebied zijn enkele agrarische percelen aanwezig. De Wageningsestraat is de toegangsweg tot Andelst vanaf de Rijksweg A15. Op afbeelding 1 is de ligging van het plangebied aangegeven.

In het plangebied is momenteel een agrarisch bedrijf (kwekerij) aanwezig met een fors oppervlak aan kassen. Het perceel is toegankelijk via de Wageningsestraat aan de westkant en via de Verlengde Emmastraat aan de oostkant.

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0325BUITwagenst24A-ONT1_0001.png"  
Afbeelding 1: ligging van het plangebied (bron: Bing Maps)  

1.3 Huidig bestemmingsplan

In het plangebied geldt momenteel het bestemmingsplan 'Herveld-Andelst', dat sinds 23 september 2011 onherroepelijk is. Vrijwel het gehele plangebied heeft de bestemming 'Agrarisch', met een groot bouwvlak. Op afbeelding 2 is een uitsnede van de verbeelding bij het huidige bestemmingsplan zichtbaar, met het bouwvlak oplichtend weergegeven. Binnen het bouwvlak geldt een maximum goot- en bouwhoogte van 5 meter. De meest noordwestelijke hoek van het plangebied heeft de bestemmingen 'Tuin' en 'Wonen'. Verder geldt in het hele plangebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie'.

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0325BUITwagenst24A-ONT1_0002.png"  
Afbeelding 2: uitsnede huidig bestemmingsplan 'Herveld-Andelst', met oplichtend het bouwvlak (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)  


Het huidige bestemmingsplan maakt het oprichten van woningen en het gebruiken van de gronden voor woondoeleinden niet mogelijk. Het initatief is om deze reden niet in overeenstemming met de bouw- en gebruiksregels van het huidige bestemmingsplan. Een herziening van het bestemmingsplan is daarom noodzakelijk.

1.4 Leeswijzer

Deze toelichting is als volgt opgebouwd. Na dit inleidende hoofdstuk, worden in hoofdstukken 2 en 3 respectievelijk de bestaande en de toekomstige situatie in het plangebied beschreven. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op het voor dit bestemmingsplan van toepassing zijnde rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid. In hoofdstuk 5 komen de relevante milieu- en omgevingsaspecten aan de orde. Daarmee wordt inzichtelijk gemaakt of de ontwikkeling in ruimtelijk en milieuhygiënisch opzicht aanvaardbaar en haalbaar is en voldoet aan het vereiste van een goede ruimtelijke ordening. In hoofdstuk 6 is de juridische planopzet beschreven en in hoofdstuk 7 is de financiële toelichting opgenomen. Hoofdstuk 8 gaat in op enkele procedurele aspecten, zoals overleg en inspraak.

Hoofdstuk 2 Bestaande situatie

Het plangebied betreft het perceel aan de Wageningsestraat 24A te Andelst en beslaat de kadastrale percelen Valburg, sectie G, nummers 2970, 2971, 2972 en 2975. Het plangebied wordt begrensd door het bedrijventerrein Andelst-Oost aan de noordkant, enkele woonpercelen (Verlengde Emmastraat) en een speeltuin aan de oostkant, het woonperceel Wageningsestraat 20 en agrarische gronden aan de zuidkant en de woonpercelen Wageningsestraat 22 en 24 aan de westkant. Op afbeelding 3 is de begrenzing van het plangebied zichtbaar.

In het plangebied is momenteel een kwekerij aanwezig met een forse hoeveelheid bebouwing. De bebouwing bestaat hoofdzakelijk uit kassen en is geconcentreerd aan de westkant en het midden van het plangebied. Aan de oostkant is een deel van de gronden onbebouwd. De kwekerij is aan de westkant, tussen de woningen Wageningsestraat 22 en 24, ontsloten op de Wageningsestraat en aan de oostkant nabij de speeltuin op de Verlengde Emmastraat. Aan de noordelijke en zuidelijke perceelsgrenzen zijn C-watergangen aanwezig en aan de westkant aan de Wageningsestraat een B-watergang.

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0325BUITwagenst24A-ONT1_0003.png"  
Afbeelding 3: luchtfoto van de bestaande situatie en begrenzing van het plangebied (bron: BingMaps)  

Hoofdstuk 3 Toekomstige situatie

De initiatiefnemer wil de kwekerijfunctie in het plangebied beëindigen en alle bedrijfsbebouwing slopen, met uitzondering van een monumentale schuur bij de woning Wageningsestraat 22. In ruil daarvoor worden drie woningen opgericht. De woonpercelen komen in de vorm van een woonerf achter de percelen Wageningsestraat 22 en 24 te liggen. De woningen worden door middel van een nieuwe ontsluiting via de noordkant op de Verlengde Emmastraat ontsloten. De huidige ontsluiting van de kwekerij op de Wageningsestraat wordt gedeeltelijk afgesloten en zal uitsluitend door de bestaande woningen Wageningsestraat 22 en 24 als ontsluiting worden gebruikt.

De drie woonpercelen krijgen een gezamenlijk centraal woonerf met enkele parkeerplaatsen. De voorgevels van de woningen zijn op dit erf georiënteerd. De omliggende gronden worden hoofdzakelijk ingericht als weide, wat aansluit op het gebruik van de percelen zuidelijk van het plangebied. Hierdoor ontstaat een grotere open ruimte met kleinschalige weides. De woonpercelen worden landschappelijk ingepast door middel van onder meer hagen, kleinschalige hoogstamfruitboomgaarden en enkele soitaire bomen. Aan de noordkant wordt een robuust bosje aangeplant om een zachte overgang tussen het bedrijventerrein en de woonpercelen en weides te creëren. Dit ontneemt bovendien grotendeels het zicht op het bedrijventerrein. Ten zuiden van de nieuwe ontsluiting van de woningen worden een bomenrij geplant. De bestaande watergangen blijven behouden.

De woningen krijgen een goothoogte van maximaal 3 meter en zullen bestaan uit één bouwlaag met een kap. De oostelijke woning wordt uitgevoerd in de vorm van een 'schuurwoning' en krijgt een geïntegreerd bijgebouw. Hier mag geen bijgebouw op het erf worden opgericht. De overige twee woningen krijgen een vrijstaand bijgebouw. De maximale inhoud van de woningen is 600 m³.

Op afbeelding 4 is de toekomstige inrichting van het plangebied in relatie tot de directe omgeving zichtbaar.

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0325BUITwagenst24A-ONT1_0004.png"  
Afbeelding 4: toekomstige inrichting en landschappelijke inpassing in het plangebied (bron: Oostzee)  

Hoofdstuk 4 Beleidskader

4.1 Rijksbeleid

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR)
In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte staan de plannen van de Rijksoverheid voor ruimte en mobiliteit. Het Rijk streeft naar een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland. Om dit te bereiken, laat het Rijk de ruimtelijke ordening meer over aan de decentrale overheden (provincie en gemeenten) en komt de gebruiker centraal te staan. Het Rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 13 nationale belangen. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid.

Beoordeling en conclusie
Dit bestemmingsplan voorziet in wijziging van een agrarische bedrijfslocatie (kwekerij) naar drie woonpercelen. Het gaat hier om een lokale ontwikkeling, die gezien de aard en omvang van het plan geen relatie met het ruimtelijke ordeningsbeleid op rijksniveau heeft. Er zijn geen nationale belangen in het geding. Het initiatief conflicteert niet met het nationaal ruimtelijke ordeningsbeleid, zoals vastgelegd in de SVIR.

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)
Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft richtlijnen voor de inhoud van ruimtelijke plannen, voor zover het gaat om ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang. De normering uit het Barro werkt zoveel mogelijk direct door op het niveau van de lokale besluitvorming. Bij besluitvorming over ruimtelijke plannen moeten de regels van het Barro worden gerespecteerd.

Beoordeling en conclusie
Het initiatief is aangemerkt als een lokale ontwikkeling. Er zijn geen nationale belangen in het geding. Het Barro heeft geen doorwerking naar dit plan.

Ladder voor duurzame verstedelijking
Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen, is per 1 oktober 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening. De ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De ladder is een motiveringsinstrument dat moet worden toegepast bij elk ruimtelijk besluit dat een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling' mogelijk maakt. Wat onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan, is in artikel 1.1.1 Bro bepaald: 'De ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.” Uit de jurisprudentie komt naar voren dat het wel een nieuwe stedelijke ontwikkeling van enige omvang moet zijn (ECLI:NL:RVS:2016:1503).

In een bestemmingsplan moet worden aangegeven dat de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte plus een motivering als de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd: 'De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien”.

Beoordeling en conclusie
Met dit bestemmingsplan worden in totaal drie nieuwe woningen mogelijk gemaakt. De huidige agrarische bedrijfsfunctie (kwekerij) verdwijnt en nagenoeg alle bedrijfsbebouwing wordt gesloopt. Het bestemmingsplan maakt met het toevoegen van drie woningen volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State geen nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk. De Ladder voor duurzame verstedelijking behoeft in het kader van dit bestemmingsplan niet doorlopen te worden.

4.2 Provinciaal beleid

Omgevingsvisie Gaaf Gelderland
Provinciale Staten hebben op 19 december 2018 de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland (hierna: de Omgevingsvisie) vastgesteld. Deze is in werking getreden op 1 maart 2019. Het doel van de Omgevingsvisie is: een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland, vanuit het verleden én met het oog op de toekomst. De provincie is als middenbestuur een belangrijke schakel bij het bereiken van deze doelstellingen en wil op een aantal manieren waarde toevoegen:

  • met een brede blik kijken naar de inrichting en kwaliteit van de Gelderse leefomgeving;
  • stimuleren van ontwikkelingen enerzijds en beschermen van waarden anderzijds;
  • focussen op duurzaamheid, onderlinge verbondenheid en een economisch krachtig Gelderland;
  • door middel van 7 ambities verder verdiepen van de focus.


De 7 ambitities van de provincie zien op de volgende thema's: energietransitie, klimaatadaptatie, circulaire economie, biodiversiteit, bereikbaarheid, vestigingsklimaat en de woon- en leefomgeving. Per ambitie is de provinciale aanpak beschreven.

Beoordeling en conclusie
De Omgevingsvisie is concreet uitgewerkt in de hierna beschreven Omgevingsverordening Gelderland. Deze verordening bevat concrete regels, waaraan het initiatief wordt getoetst. De Omgevingsvisie zelf bevat geen regels, die voor dit bestemmingsplan direct van belang zijn. Het plan is ook te kleinschalig van aard om een wezenlijke bijdrage aan de provinciale ambities uit de Omgevingsvisie bij te dragen. Op het aspect van een goede woon- leefomgeving wordt in deze toelichting nader ingegaan (met name hoofdstuk 5).

Het plan is in overeenstemming met de Omgevingsvisie.

Omgevingsverordening Gelderland
Provinciale Staten hebben de Omgevingsverordening Gelderland (hierna: de Omgevingsverordening of verordening) vastgesteld op 24 september 2014. De verordening wordt geregeld geactualiseerd. De meest recente actualisatie van de Omgevingsverordening dateert van 19 december 2018.

De regels in de verordening kunnen betrekking hebben op het hele provinciale grondgebied, op delen of op gebiedsgerichte thema's. Gemeenten moeten binnen een bepaalde termijn hun bestemmingsplan afstemmen op de in de verordening opgenomen regels. De regels in de verordening zijn gebaseerd op de provinciale omgevingsvisie en hebben de status van algemeen verbindende voorschriften.

Beoordeling
Het plangebied ligt binnen de volgende aanduidingen:

  • tijdelijk verbod nieuwvestiging, uitbreiding en hervestiging glastuinbouw;
  • intrekgebied.


Het plan maakt drie nieuwe woningen mogelijk, waarbij de huidige kwekerijfunctie vervalt. Dit is in lijn met het glastuinbouwbeleid van de provincie.

Winning van fossiele energie is niet aan de orde. Het plan is daarmee in overeenstemming met de regels voor intrekgebieden (artikel 2.38).

Wonen
Het thema 'wonen' is bij deze ontwikkeling van belang. Nieuwe woonlocaties zijn uitsluitend toegestaan wanneer de ontwikkeling in het geldende door Gedeputeerde Staten vastgestelde Kwalitatief/Kwantitatieve Woonprogramma past.

Het woningbouwprogramma wordt op regionaal niveau afgestemd en frequent geactualiseerd. Binnen de Subregionale Woonagenda Arnhem e.o., waartoe Overbetuwe behoort, wordt uitgegaan van het toevoegen van in totaal circa 13.500 woningen in de periode 2017-2027. De kwantitatieve prognose is gebaseerd op de meest recente Primos-prognose. Voor Overbetuwe bedraagt de kwantitatieve behoefte in de periode 2018-2027 tussen de 1.160 en 1.330 woningen. Op de lange termijn (2018-2035) bedraagt de behoefte tussen de 1.550 en 1.880 woningen. Er ligt voor de gemeente dus een woningbouwopgave voor de korte en langere termijn.

De harde plancapaciteit in Overbetuwe bedraagt per 1 mei 2019 circa 920 woningen. Binnen de regio is er sprake van harde plancapaciteit zodra er sprake is van een onherroepelijk bestemmingsplan. Dit betekent dat er nog een resterende opgave aanwezig is. Dit plan geeft met drie woningen invulling aan deze opgave en past in kwantitatief opzicht binnen het geldende woonprogramma.

In kwalitatief opzicht is van belang dat het plangebied een locatie op de grens tussen de bebouwde kom en het landelijk gebied betreft. Deze overgang wordt met het plan versterkt vanwege het verwijderen van een agrarische bedrijfslocatie met een grote hoeveelheid opstallen. De toekomstige woonpercelen sluiten in functioneel en ruimtelijk-stedenbouwmkundig opzicht beter aan op de omgeving dan in de huidige situatie het geval is. Ook wordt een kleinschalige open ruimte tussen de linten aan de Wageningsestraat en Verlengde Emmastraat en het bedrijventerrein Andelst-Oost gecreëerd. Dit draagt bij aan de kwaliteit van de leefomgeving voor zowel de bestaande woningen in de omgeving als de nieuwe woningen in het plangebied. Vanuit een oogpunt van zorgvuldige locatie-afweging, is benutting van deze locatie voor de woningbouwopgave wenselijk. Er is sprake van een geschikte woonlocatie, die goed ontsloten wordt via de Wageningsestraat. Deze ontsluiting ligt op korte afstand van de op- en afrit naar de A15, terwijl de woningen anderzijds op korte afstand van het centrum van Herveld-Andelst liggen. Ook in kwalitatief opzicht is het plan daarom in lijn met het geldende woonprogramma.

Het plan is in overeenstemming met het door Gedeputeerde Staten vastgestelde woonprogramma.

Conclusie
Het bestemmingsplan is in overeenstemming met de Omgevingsverordening Gelderland.

4.3 Gemeentelijk beleid

Omgevingsvisie Overbetuwe 2040
Op 1 oktober 2019 heeft de gemeenteraad van Overbetuwe de Omgevingsvisie Overbetuwe 2040 (hierna: Omgevingsvisie) vastgesteld. De Omgevingsvisie geeft de integrale koers en ambities van de gemeente Overbetuwe voor de fysieke leefomgeving voor de periode tot en met 2040 aan. De Omgevingsvisie is er primair op gericht om de kwalitiet van het leefmilieu te behouden en waar mogelijk te versterken. Samenwerking tussen verschillende partijen staat centraal en is noodzakelijk om deze doelen te bereiken. De visie is opgesteld vanuit een brede blik, waarbij ruimtelijke ordening, milieu, economie en bereikbaarheid met elkaar worden verbonden.

De gemeente onderscheidt een aantal kernwaarden die als vertrekpunt en inspiratiebron voor nieuwe ontwikkelingen dienen. Deze kernwaarden zijn ontstaat in het cultuurhistorisch gegroeide Betuwse rivierenlandschap. Kernwaarden zijn beschreven op het gebied van bodem en landschap, netwerk en infrastructuur en occupatie. De verschillende kernen in de gemeente kennen elk een eigen karakteristieke identiteit en waarden. Deze worden eveneens als leidraad voor nieuwe ontwikkelingen gehanteerd. Behoud van de karakteristiek en (specifieke) kwaliteiten van deze kernen en het buitengebied is een speerpunt in het beleid.

In de Omgevingsvisie wordt de focus gelegd op zes opgaven:

  • Vitaal buitengebied in beweging;
  • Innovatieruimte voor ondernemerschap;
  • Samen werken aan energietransitie;
  • Gevarieerde dorpse woonomgeving;
  • Netwerk verbonden met samenleving;
  • Voorzieningen geclusterd.

Per thema wordt de toekomstige ontwikkeling van de Overbetuwse leefomgeving beschreven.

Beoordeling
Dit bestemmingsplan maakt drie nieuwe woningen mogelijk en draagt hiermee bij aan de gemeentelijke woningbouwopgave. Het plangebied ligt aan de rand van de kern Andelst. De elf kernen van Overbetuwe hebben allemaal hun eigen dynamiek en kenmerken. Daarbij kenmerkt het westelijk deel van de gemeente zich als een gebied met een meer landelijke functie. Herveld-Andelst is een leefgemeenschap van drie aaneengeschakelde dorpen, met tussenliggend het cultuurhistorisch waardevolle woerdenlandschap. De kernen kennen een onderlinge verbinding en zijn vanwege de ligging vlakbij de A15 en station Zetten-Andelst goed bereikbaar.

Het plangebied ligt aan de rand van de kern. Aan de overzijde van de Wageningsestraat begint het buitengebied (oeverwallen- en stroomruggenlandschap). Dit landschap kenmerkt zich door een verdicht en kleinschalig karakter met afwisselend landgebruik.

In de Omgevingsvisie streeft de gemeente nadrukkelijk naar het beter zichtbaar en beleefbaar maken van de ruimtelijke en functionele relatoe tussen de dorpen en het omliggende landelijk gebied. Op die manier wordt de overgang tussen kernen en buitengebied verbeterd. Zowel bij het opstellen van het landschappelijk inpassingsplan als de gekozen verkaveling is het verbeteren van deze overgang nagestreefd. Daarbij is het Landschapsontwikkelingsplan Overbetuwe als concreet kader gebruikt. In de volgende subparagraaf wordt hierop ingegaan.

Conclusie
Het bestemmingsplan is in overeenstemming met de Omgevingsvisie Overbetuwe 2040.

Landschapsontwikkelingsplan Overbetuwe (LOP)
In het Landschapsontwikkelingsplan (LOP) uit 2009 zijn de (algemene) doelstellingen en gebiedsspecifieke opgaven voor Overbetuwe geformuleerd. De hoofddoelstelling is het ontwikkelen van een sterke samenhangende landschappelijke structuur met een eigen Betuwse identiteit, die tegenwicht biedt aan de verstedelijking en waarbij belangrijke landschappelijke waarden duurzaam in stand worden gehouden. Per deelgebied zijn daarnaast gebiedsspecifieke opgaven opgenomen. Het LOP vormt een concrete uitwerking van de opgave uit de Toekomstvisie+, die inmiddels is vervangen door de hiervoor genoemde Omgevingsvisie. Het LOP is ook na inwerkingtreding van de Omgevingsvisie nog een belangrijk concreet toetsingskader voor ruimtelijke initiatieven.

Beoordeling
Het bestemmingsplan voorziet in het wijzigen van een agrarische bedrijfslocatie naar drie woonpercelen. Een voorwaarde om medewerking te kunnen verlenen aan deze wijziging is dat een goede landschappelijke inpassing op basis van een inrichtingsplan plaatsvindt. In lijn met de uitgangspunten van de Omgevingsvisie, is op basis van het LOP een inrichtings- en landschappelijk inpassingsplan opgesteld met als doel om de relatie tussen de toekomstige woonpercelen en de omgeving te verbeteren. Specifiek is daarbij aandacht aan de overgang tussen de kern Andelst en het buitengebied gegeven. Het inrichtinsplan is opgenomen in Bijlage 1 bij de regels.

Het plangebied ligt aan de rand van het bestaande woongebied van Andelst en ligt op de overgang tussen deze kern en het stroomruggen- en oeverwallenlandschap. Het plangebied grenst aan een oeverwal in deelgebied 4b (oeverwal Herveld-Andelst). In dit deelgebied wordt ingezet op onder meer:

  • Handhaven en versterken ruimtelijke contrasten tussen kleinschalige besloten oeverwal en meer open omliggende gebieden;
  • Accentuering van de N836 (Wageningsestraat) als hoofdverkeerstructuur;
  • Aanleggen ommetjes en wandelpaden;
  • Verbeteren ruimtelijke kwaliteit van de dorpsranden;
  • Versterken dorpslinten met streekeigen beplanting;
  • Kleinschaligheid oeverwallen versterken door stimuleren erf- en kavelgrensbeplanting en hoogstamfruitboomgaarden.


Bij het opstellen van het inrichtingsplan is met deze concrete doelstellingen rekening gehouden om de ruimtelijke verbinding van het plangebied en directe omgeving met de oeverwal te verbeteren. In afbeelding 5 zijn de voorgestelde maatregelen, zoals opgenomen in het inrichtingsplan rondom de toekomstige woonkavels, te zien. In de bijlage is een beplantingslijst opgenomen en zijn de keuzes uitgebreider toegelicht. Concreet worden onder meer de volgende landschappelijke elementen voorzien:

  • Aanplant gemengde hagen rondom de drie woonkavels, mede ter afscheiding van percelen ten opzichte van de bestaande woonkavels aan de Wageningsestraat. Zachte overgang tussen oostelijke 'schuurwoning' en open weides;
  • Aanleg kleinschalige hoogstamfruitboomgaarden nabij ontsluiting en op woonperceel van de 'schuurwoning'. Eerstgenoemde fruitboomgaard zal vanaf de Wageningsestraat deels zichtbaar zijn;
  • Aanleg robuust bosje aan noordkant van het plangebied ter afscherming van het bedrijventerrein en ter verbetering van de overgang tussen bedrijventerrein en de kern Andelst;
  • Aanplant bomenrij tussen robuust bosje en de Wageningsestraat;
  • Aanplant bomenrij ten zuiden van de nieuwe ontsluiting van de woningen;
  • Aanplant enkele solitaire bomen in tuinen en weides;
  • Groen woonerf tussen de drie woonkavels.


De toekomstige inrichting draagt bij aan meerdere doelstellingen van het gemeentelijke landschappelijke beleid. Het creëren van een open ruimte met kleinschalige weides in combinatie met drie afzonderlijk herkenbare kleinschalige woonkavels past bij de kleinschaligheid die op de oeverwal van oudsher zichtbaar is en zorgt tevens voor een logische relatie ten opzichte van de bestaande woonkavels aan weerszijden van de Wageningsestraat. In de huidige situatie is er grootschalige bebouwing aanwezig en ontbreken dergelijke zachte landschappelijke overgangen geheel. Ook de aanleg van twee hoogstamfruitboomgaarden en erf- en kavelgrensbeplanting dragen aan de kleinschaligheid bij. De ruimtelijke kwaliteit van deze locatie aan de dorpsrand van Andelst wordt met de wijziging aanzienlijk versterkt. De relatie ten opzichte van de omgeving (zowel het bedrijventerrein, de woonkern als het buitengebied) verbetert.

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0325BUITwagenst24A-ONT1_0005.png"  
Afbeelding 5: landschappelijke inpassing woonkavels ingezoomd (bron: Oostzee)  


Conclusie
Na realisatie van de beoogde ontwikkeling, inclusief landschappelijke inpassing, ontstaat er een kleinschaliger landschap met een karakteristieke open ruimte. De ontwikkeling legt een landschappelijke en functionele relatie tussen de omliggende verschillende gebieden (bedrijventerrein, woonkern en buitengebied). Het plan levert een bijdrage aan meerdere doelstellingen van het LOP en is hiermee dus in overeenstemming.

Beleidsregel 'Functiewijziging en nieuwvestiging in het buitengebied'
De beleidsregel 'Functiewijziging en nieuwvestiging in het buitengebied' uit 2008 bestaat uit regels, een toelichting en een gebiedstypenkaart. De beleidsregel bevat het toetsingskader voor concrete verzoeken om functiewijzigingen in het buitengebied.

Beoordeling
De locatie ligt binnen de kern Andelst (grenzend aan het buitengebied) en valt dus buiten het formele toepassingsbereik van de beleidsregel. Gezien de ligging van het plangebied direct grenzend aan het buitengebied en met het oog op de in de Omgevingsvisie beschreven doelstellingen, is het initiatief vanuit het oogpunt van zorgvuldige belangenafweging aan de beleidsregel getoetst.

Op basis van de beleidsregel mogen er na sloop van minimaal 8.000 m² glasopstanden twee vrijstaande woningen worden gerealiseerd. In dit geval wordt er ruim 12.000 m² gesloopt. Daarnaast wordt het bedrijventerrein noordelijk van het plangebied landschappelijk ingepast. Het plan leidt tot een aanzienlijke vermindering van het bebouwd en verhard oppervlak. Bovendien worden de woonpercelen landschappelijk ingepast en wordt de ruimtelijke en functionele relatie met de omgeving sterk verbeterd, zoals voorgaand al is beschreven.

Onder deze voorwaarden is er sprake van een goede ruimtelijke ordening en is het intitiatief in lijn met de door deze beleidsregel beoogde doelstellingen en uitgangspunten.

Conclusie
De beleidsregel 'Functiewijziging en nieuwvestiging in het buitengebied' is niet van toepassing op het plan. Het plan is vanwege de ligging grenzend aan het buitengebied in lijn met door deze beleidsregel beoogde doelstellingen en uitgangspunten opgesteld.

Hoofdstuk 5 Milieu- en omgevingsaspecten

5.1 Milieueffectrapportage

Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r. gewijzigd. De belangrijkste aanleidingen hiervoor zijn de modernisering van de m.e.r. wetgeving in 2010 en de uitspraak van het Europese Hof van 15 oktober 2009. Uit deze uitspraak volgt dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen m.e.r.(-beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit lijst D zit, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een gevoelig natuurgebied ligt. Gemeenten en provincies moeten daarom vanaf 1 april 2011 ook bij kleine bouwprojecten, zoals het onderhavige, beoordelen of een m.e.r.(-beoordeling) nodig is.

Ook de Implementatiewet 'herziening m.e.r. richtlijn' is relevant. Sinds 16 mei 2017 is deze wet in werking. De richtlijn heeft de procedure en de inhoud van het MER en de m.e.r.-beoordeling, maar ook de vormvrije m.e.r.-beoordeling gewijzigd. Dit heeft gevolgen voor de inhoud en procedure van ruimtelijke plannen. Voor activiteiten, die zijn opgenomen in onderdeel D van de Bijlage bij het Besluit m.e.r. en waarvan de omvang beneden de in kolom 2 genoemde drempel ligt, geldt een vormvrije m.e.r.-beoordeling.

Beoordeling en conclusie
Met dit bestemmingsplan worden drie nieuwe woningen mogelijk gemaakt. De huidige agrarische bedrijfsfunctie, kwekerij, vervalt. De ontwikkeling behoort niet tot de in lijst C en D van het Besluit m.e.r. opgenomen categorieën. Gezien de aard en omvang van de ontwikkeling, is er geen sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject.

Er is daarom geen sprake van een m.e.r.-plichtige activiteit in dit plan. Een m.e.r. of een m.e.r.-beoordeling is niet aan de orde.

5.2 Geluid

Op basis van de Wet geluidhinder (artikel 77 Wgh) moet bij een plan een akoestisch onderzoek worden uitgevoerd als het plan mogelijkheden biedt voor:

  • de toevoeging van een nieuwe woning of andere geluidsgevoelige functie binnen de zone van een weg;
  • de aanleg van een nieuwe weg;
  • de reconstructie van een bestaande weg.

De breedte van de zone van een weg is afhankelijk van het aantal rijstroken, het stedelijk gebied en de maximumsnelheid. Alle wegen hebben geluidzones, met uitzondering van wegen die in een als 'woonerf' aangeduid gebied liggen en wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt.

Beoordeling
Met dit bestemmingsplan worden drie nieuwe woningen toegestaan. Voor het plangebied is uitsluitend het wegverkeerslawaai relevant. De nieuwe woningen liggen binnen de geluidzone van de Wageningsestraat. Spoorwegen bevinden zich op grote afstand van het plangebied. Ook zijn er geen geluidgezoneerde bedrijven(terreinen) in de omgeving aanwezig.

Een akoestisch onderzoek naar de geluidbelasting vanwege het wegverkeer is noodzakelijk. Op grond van de Wgh geldt een voorkeursgrenswaarde voor de geluidbelasting op de gevels vanwege het wegverkeer van 48 dB (artikel 82 lid 1). Als de geluidbelasting hoger is, moet een nadere afweging plaatsvinden en kan een ontheffing voor een hogere geluidbelasting worden verleend (artikel 82 lid 2). De maximale ontheffingswaarde voor nieuwbouw binnen de bebouwde kom bedraagt 63 dB. De gemeente Overbetuwe heeft beleidsregels opgesteld voor het toekennen van hogere waarden (Nota hogere grenswaarden).

De onderzoeksrapportage is opgenomen in Bijlage 1. In het onderzoek is, naast de geluidbelasting vanwege de Wageningsestraat, ook de geluidbelasting vanwege de Hoofdstraat onderzocht vanuit een oogpunt van goede ruimtelijke ordening. De geluidbelasting vanwege het wegverkeer op de Wageningsestraat op de nieuwe woningen is maximaal 46 dB. Daarmee wordt voor alle woningen voldaan aan de voorkeursgrenswaarde. De geluidbelasting vanwege het wegverkeer op de Hoofdstraat bedraagt maximaal 32 dB. Dit is ruimschoots lager dan de voorkeursgrenswaarde. De geluidbelasting vanwege deze niet-gezoneerde weg is aanvaardbaar.

In het onderzoek is ook de cumulatieve geluidbelasting berekend. Deze is maximaal 51 dB. De karakteristieke geluidwering moet minimaal 20 dB bedragen. Met toepassing van moderne standaard bouwmaterialen wordt voldoende geluidwering in de gevels bereikt om te kunnen voldoen aan de eisen van het Bouwbesluit 2012.

Conclusie
Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat de geluidbelasting vanwege de omliggende woningen aanvaardbaar is. Er wordt voldaan aan de Wet geluidhinder. Met toepassing van moderne standaard bouwmaterialen wordt voldoende geluidwering in de gevels bereikt om te kunnen voldoen aan de eisen van het Bouwbesluit 2012. Nader onderzoek is niet aan de orde.

5.3 Luchtkwaliteit

De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen zijn opgenomen in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Hierin zijn grenswaarden opgenomen voor luchtvervuilende stoffen. Voor ruimtelijke projecten zijn fijn stof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) de belangrijkste stoffen.

Een project is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;
  • het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;
  • het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging;
  • het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen.


Om te bepalen of een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtkwaliteit, is een algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels zijn vastgelegd. Een project kan in twee situaties NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit:

  • het project behoort tot de lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) die is opgenomen in de Regeling NIBM;
  • het project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO2 en PM10 (1,2ìg/m3).


Beoordeling en conclusie
De ontwikkeling betreft het oprichten van drie nieuwe woningen na beëindiging van de bestaande kwekerij. De ontwikkeling ligt zodanig ver onder de drempelwaarde van de in de regeling NIBM genoemde categorieën, dat op voorhand zeker is dat het initiatief niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Een luchtkwaliteitonderzoek is niet noodzakelijk. Het aspect luchtkwaliteit vormt dan ook geen belemmering voor de ontwikkeling.

5.4 Bedrijven en milieuzonering

Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies, zoals woningen. Bij de planontwikkeling moet rekening worden gehouden met milieuzonering om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren.

Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'. In de publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd. Als bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden).

De richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit, zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype. Een rustige woonwijk of een rustig buitengebied, is ingericht volgens het principe van functiescheiding.

Beoordeling
Dit bestemmingsplan maakt drie nieuwe gevoelige objecten (woningen) mogelijk. Er is geen sprake van externe effecten, maar juist van het wegbestemmen van een milieubelastende functie (kwekerij). Hierna wordt ingegaan op de de vraag of het toevoegen van de woningen tot beperkingen voor de omliggende bedrijvigheid leidt en of er ter plaatse van de woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Tuinplantencentrum Wageningsestraat 9
Aan de Wageningsestraat 9 (overzijde van deze straat, noordwestelijk van het plangebied) is een tuinplantencentrum gevestigd. Deze detailhandelsfunctie behoort tot milieucategorie, met een daarbij behorende richtafstand van 10 meter in een rustig woongebied. De drie woningen worden ruimschoots buiten de richtafstand opgericht. Belemmeringen over en weer zijn daarom uitgesloten.

Kwekerij Wageningsestraat 18
Circa 18 meter ten zuiden van het plangebied (kortste afstand) is een kwekerij gevestigd. Deze functie kan worden egschaard onder milieucategorie 2, met een bijbehorende richtafstand van 30 meter. De toekomstige woningen worden buiten de hindercirkel van 30 meter gesitueerd. Daarom zorgt het toevoegen van de woningen niet voor beperkingen ten aanzien van de kwekerij en is een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voldoende gegarandeerd.

Bedrijventerrein Andelst-Oost
Ten noorden van het plangebied is het bedrijventerrein Andelst-Oost gevestigd. Binnen de bestemming 'Bedrijventerrein' op de gronden grenzend aan het plangebied, zijn bedrijven tot maximaal milieucategorie 3.1 toegestaan. Hierbij behoort een richtafstand van 50 meter in rustige woongebied. De drie beoogde woningen worden buiten de 50 meter-contour tot het bedrijventerrein opgericht. Hiermee is er geen sprake van belemmeringen over en weer.

Conclusie
Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de ontwikkeling. Omliggende functies worden niet belemmerd, er ontstaat geen onevenredige overlast voor de omgeving en is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de nieuwe woningen.

5.5 Geurhinder

Voor veehouderijen is de regelgeving ten aanzien van het specifieke aspect geur vastgelegd in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden gekeken naar de aanvaardbaarheid van deze plannen in verband met omliggende geurbronnen, de zogenaamde omgekeerde werking.

Beoordeling en conclusie
Dit bestemmingsplan maakt nieuewe geurgevoelige objecten, namelijk woningen, mogelijk. In de omgeving zijn geen veehouderijen aanwezig. De Wgv levert daarom geen belemmeringen op voor de ontwikkeling. Er worden geen agrarische bedrijven beperkt.

5.6 Bodem

De bodemkwaliteit vormt een belangrijk aspect bij bouwontwikkelingen. In het kader van functiewijziging en herinrichting vormt de bodemkwaliteit bij ontwikkeling van ruimtelijke functies een belangrijke afweging. De Bouwverordening bevat een verbod voor het bouwen van woningen op verontreinigde grond.

Beoordeling
Dit bestemmingsplan voorziet in een functiewijziging van een kwekerij naar wonen. Er worden drie nieuwe woningen mogelijk gemaakt. Een bodemonderzoek is daarom noodzakelijk. Er is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd, waarvan de rapportage is opgenomen als Bijlage 2. Hierna wordt ingegaan op de conclusies van het onderzoek.

In de bovengrond zijn lichte verontreinigingen met zware metalen en PCB gemeten. Deze kunnen vermoedelijk worden gerelateerd aan het langdurige agrarische gebruik van de locatie en vormen geen aanleiding tot nader onderzoek. Ter plaatse van het zuidoostelijk gedeelte van de bestaande kas is een sterk verhoogd gehalte met koper in de bovengrond aangetroffen. Naar deze verontreiniging is nader onderzoek uitgevoerd door middel van analyse van zes monsters en het verrichten van vier aanvullende boringen. Het sterk verhoogde kopergehalte is door het nader onderzoek niet bevestigd. Er is geen sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Verder onderzoek of sanering is niet aan de orde.

In de ondergrond is een licht verhoogd gehalte nikkel aangetroffen. Dit betreft vermoedelijk een verhoogd achtergrondgehalte en geeft geen aanleiding tot nader onderzoek.

Er zijn geen verontreinigingen met asbest geconstateerd.

In het grondwater zijn licht verhoogde concentraties barium en minerale olie gemeten. Het licht verhoogde gehalte barium is een verhoogde achtergrondwater, die gebruikelijk is in klei- en zandgebieden. De licht verhoogde concentratie minerale olie is slechts in één peilbuis gemeten en houdt mogelijk verband met het ketelhuis ten westen van de onderzoekslocatie. De gemeten gehalten geven geen aanleiding tot nader onderzoek.

Conclusie
De resultaten van het bodemonderzoek geven geen aanleiding tot nader onderzoek of sanering. De bodemkwaliteit is geschikt voor het toekomstige gebruik. Er zijn geen belemmeringen voor het plan.

5.7 Externe veiligheid

Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de veiligheidsrisico's in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze externe veiligheidsrisico's moeten worden beoordeeld voor twee risiconormen, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Voor beide risiconormen geldt dat hoe groter de afstand tussen planontwikkeling en risicobron is, des te kleiner zal de impact van het plan zijn op de hoogte van het risico.

Plaatsgebonden risico
Het plaatsgebonden risico (PR) heeft tot doel om hetzelfde minimale beschermingsniveau te bieden voor iedere burger in Nederland. Het PR beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het PR wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn, etc.), waarbij de 10-6-contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde is.

Groepsrisico
Het groepsrisico (GR) is een afwegingsinstrument dat tot doel heeft een bewuste afweging te stimuleren over het risico op een ongeval met een groot aantal slachtoffers. Het GR beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het GR geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het GR wordt uitgedrukt in een grafiek, waarin de kans op overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1.000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het GR geldt een oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm).

Voor elke verandering van het GR (af- of toename) in het invloedsgebied moet verantwoording worden afgelegd over de wijze waarop de toelaatbaarheid van deze verandering in de besluitvorming is betrokken.

Samen met de hoogte van het GR moeten andere kwalitatieve aspecten worden meegenomen in de beoordeling van het GR. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer.

Beoordeling
Het plan betreft het slopen van de bestaande agrarische opstallen (kassen). Daarvoor in de plaats worden drie nieuwe woningen terug gebouwd. Er daarmee nieuwe kwetsbare objecten mogelijk gemaakt. Daarom is op basis van de risicokaart van de provincie Gelderland een inventarisatie gemaakt van de risicobronnen in en rondom de planlocatie, die een extern veiligheidsrisico kunnen veroorzaken. In afbeelding 6 is een uitsnede opgenomen van de risicokaart.

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0325BUITwagenst24A-ONT1_0006.png"  
Afbeelding 6: uitsnede provinciale risicokaart, geraadpleegd op 21 oktober 2019, met ligging plangebied in zwarte cirkel aangegeven  

De informatie van de provinciale risicokaart levert de volgende inzichten op.

Rondom de planlocatie zijn geen buisleidingen en inrichtingen aanwezig met een extern veiligheidsrisico. Wel liggen op ongeveer 570 meter ten noorden van het plangebied de snelweg A15 en de Betuweroute en op ongeveer 2.200 meter ten oosten de snelweg A50. Op basis van de Regeling basisnet is vastgesteld dat de plaatsgebonden risicocontour 10-6 van deze risicobronnen niet over het plangebied ligt.

Ten aanzien van het groepsrisico ligt het plangebied binnen het invloedsgebied van de Betuweroute en de snelwegen A15 en A50. Ontwikkelingen binnen het invloedsgebied hebben mogelijk invloed op de hoogte van het groepsrisico. Omdat de afstand tussen het plan en deze risicobronnen groter dan 200 meter is, heeft de wetgever aangegeven dat het groepsrisico alleen beperkt verantwoord hoeft te worden. Hierdoor hoeft niet de hoogte van het groepsrisico in beeld gebracht te worden, maar enkel de aspecten zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid.

Verantwoording groepsrisico
Het plan ligt in het invloedsgebied groepsrisico van drie risicobronnen. Volgens de huidige wetgeving moet de gemeente hierdoor het groepsrisico verantwoorden. Meer specifiek gaat het om de wettelijke verplichting op grond van Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) artikel 7 en 9, vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over de Betuweroute en de snelwegen A15 en A50. Omdat het plan op meer dan 200 meter van beide transportroutes ligt, hoeft enkel ingegaan te worden op de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Hierop heeft de Veiligheids en Gezondheidsregio Gelderland Midden (VGGM) op 24 oktober 2019 (kenmerk: 191024-0022) het volgende geadviseerd: 'Het plan levert een kleine wijziging van het aantal aanwezigen, met name ook in de nachtelijke uren. Gezien de afstand tot de risicobron is voor het plan het binnenshuis schuilen waarschijnlijk het te adviseren handelingsperspectief. Het ligt in de verwachting dat de personen zich zelf in veiligheid kunnen brengen, mits geïnformeerd en tijdig gewaarschuwd. Binnenshuis schuilen is het te adviseren handelingsperctief. In het kader van de verantwoording groepsrisico [ziet VGGM] dan ook geen aanleiding om nader te adviseren in het kader van rampenbestrijding en zelfredzaamheid'.

Hieronder een beschouwing van de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid.

Bestrijdbaarheid
Bij een calamiteit zal de brandweer zich inzetten om de effecten ten gevolge van het incident te beperken. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden dichtbij de bron. De mate van bestrijdbaarheid wordt vooral bepaald door de veiligheidsvoorzieningen en het aantal aanwezigen dichtbij de risicobron. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen.

Zelfredzaamheid
Bij een calamiteit is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij een incident. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS palen) en NL-Alert. Bij een scenario waarin toxische stoffen vrijkomen, is het advies om te schuilen in een gebouw, waarvan ramen, deuren en ventilatie gesloten kunnen worden. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid zijn voldoende.

Conclusie
Het plangebied ligt buiten de plaatsgebonden risicocontour 10-6 van een inrichting, buisleiding en transportroute met een extern veiligheidsrisico. De plaatsgebonden risicocontour van de diverse risicobronnen vormt geen belemmerin voor de realisatie van het plan.

Ten aanzien van het groepsrisico ligt het plangebied in het invloedsgebied van de Betuweroute en de snelwegen A15 en A50. Op basis van de beperkte verantwoording groepsrisico (zie voorgaand) kan worden geconcludeerd dat het ruimtelijk initiatief geen significant effect heeft op het groepsrisico en op de mogelijkheden voor de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. De VGGM zag eveneens geen aanleiding om aanvullend te adviseren. Daarmee is het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de realisatie van het plan.

5.8 Explosieven

De huidige gemeente Overbetuwe en buurgemeente Lingewaard maakten vanaf het begin van de geallieerde luchtlandingsoperatie 'Market Garden' op 17 september 1944 tot aan de bevrijding van Arnhem op 14 april 1945 deel uit van het frontgebied tussen de Duitsers en de Geallieerden. Overbetuwe en Lingewaard werden in hun geheel als oorlogsgebied beschouwd. Er is een gevechtspauze geweest na het oversteken van de brug bij Nijmegen. Het gebied is gedurende acht maanden frontgebied geweest waarbij het volledige eiland (gebied tussen de Rijn en de Waal) geëvacueerd is. Men sprak in die periode ook wel over 'het mannen eiland'. Tevens zijn er in die periode hevige bombardementen uitgevoerd. Tijdens de inventarisatie van oorlogsgegevens zijn 104 vliegtuigcrashes opgetekend en meer dan 1.000 oorlogsgraven. Door de oorlogshandelingen ontstonden er gebieden waarvan de bodem sterk met oorlogsmateriaal werd belast wat op dit moment nog gevaar kan opleveren voor mens en dier. De Explosieven Opruimings Dienst Defensie (EODD) gaat er in 2014 vanuit, dat slechts 35% van de munitie inmiddels uit de grond is verwijderd. Dit betekent dat we de komende decennia nog met deze explosieve erfenis te maken zullen hebben en er kans bestaat dat in het plangebied nog sprake is van onontplofte munitie.

Beoordeling en conclusie
Bij bodemroerende werkzaamheden, zoals het oprichten van gebouwen, graafwerkzaamheden, aanleg van kabels en leidingen en het uitvoeren van bepaalde onderzoeken, is de aanwezigheid van mogelijke niet-gesprongen explosieven (NGE's) van belang. De woningen worden opgericht ter plaatse van de huidige kassen. De verwachting is dat er geen of weinig ingrepen in de bodem worden gedaan, waarbij grotere verstoring van de bodem plaatsvindt. Daarom is de kans dat er NGE's aanwezig zijn op deze plaats gering. Mocht er sprake zijn van bodemverstorende werkzaamheden, dan moet met de potentiële aanwezigheid van NGE rekening worden gehouden.

5.9 Kabels en leidingen

Het verrichten van werkzaamheden in de nabijheid van hoogspanningsmasten en -kabels en dergelijke, kan gevaar met zich meebrengen. Om dit gevaar zoveel mogelijk te beperken, moet de (leiding)beheerder aangeven onder welke voorwaarden de werkzaamheden veilig plaats kunnen vinden.

Beoordeling en conclusie
In het plangebied en de directe omgeving zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig. Dit aspect levert dan ook geen belemmeringen op voor de realisatie van het plan.

5.10 Waterparagraaf

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder b) moet inzicht worden gegeven in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Daarbij zijn de hierna beschreven beleidsstukken van belang.

Rijksbeleid
Nationaal waterplan
In december 2015 stelde het kabinet het Nationaal Waterplan vast. Dit plan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016-2021 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water, en diverse vormen van gebruik van water. Ook worden de maatregelen genoemd die hiertoe worden genomen.

Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie.

Provinciaal beleid
Provinciaal Waterplan
In het Waterplan Gelderland is het waterbeleid beschreven aan de hand van een aantal thema's, zoals landbouw, wateroverlast, watertekort, natte natuur, grondwaterbescherming en hoogwaterbescherming. Voor deze thema's is beschreven welke doelstellingen voor 2027 en 2015 er liggen. Daarbij is beschreven hoe de provincie voor de planperiode de uitvoering van acties ziet om die doelstellingen te bereiken. Bij sommige thema's gelden aanvullende waterdoelstellingen voor specifieke waterhuishoudkundige functies.

Waterschap Rivierenland
Waterbeheerplan 2016-2021
Dit plan, vastgesteld op 27 november 2015, gaat over het waterbeheer in het hele rivierengebied en het omvat alle watertaken van het waterschap: waterkwantiteit, waterkwaliteit, waterkering en waterketen. In het Waterbeheerplan staat wat Waterschap Rivierenland de komende periode gaat doen om inwoners van het rivierengebied veiligheid en voldoende schoon en mooi water in sloten en plassen te kunnen blijven bieden. Het plan is in samenwerking met onder meer de gemeente Overbetuwe opgesteld.

Keur Waterschap Rivierenland 2014
Voor waterhuishoudkundige ingrepen is de 'Keur Waterschap Rivierenland 2014' van toepassing. De Keur is een waterschapsverordening die gebods- en verbodsbepalingen bevat met betrekking tot ingrepen, die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. Zo is het onder andere verboden om handelingen te verrichten waardoor het onderhoud, aanvoer, afvoer en/of berging van water kan worden belemmerd, zonder een ontheffing van het Waterschap. De wateren en waterkeringen waarop de keur van toepassing is, zijn vastgelegd in de legger wateren.

Realisatie van nieuwe bebouwing en/of verhard oppervlak moet hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. Bij het toevoegen van bebouwing of verharding geldt een compensatieplicht. Er geldt een eenmalige vrijstelling van de compensatieplicht wanneer minder verharding dan 500 m² in stedelijk gebied of minder dan 1.500 m² in landelijk gebied wordt toegevoegd.

Gemeente Overbetuwe
Waterplan Overbetuwe
In 2008 stelde de gemeente Overbetuwe in samenwerking met het Waterschap Rivierenland het Waterplan Overbetuwe vast. Het waterbeheerplan van het waterschap is later geactualiseerd (zie hierboven), ook in samenwerking met onder meer de gemeente Overbetuwe. Beide plannen gelden naast elkaar.

In het Waterplan Overbetuwe wordt het beleidskader geschetst en worden concrete maatregelen voor het watersysteem uitgewerkt. Naast het waterplan wordt parallel een Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) opgesteld waarin de maatregelen voor de riolering (waterketen) worden uitgewerkt.

Met het opstellen van een waterplan wordt inzicht gegeven in de relevante wateropgaven voor de gemeente Overbetuwe, zoals:

  • wateroverlast, het zoeken van oplossingen om wateroverlast tegen te gaan;
  • waterkwaliteit, het onderzoeken van mogelijkheden voor het verbeteren van de waterkwaliteit;
  • grondwater, het inventariseren van grondwateroverlast;
  • beleving van water, burgers betrekken bij water;
  • afspraken en taken van waterschap en gemeente.


Beoordeling (watertoets)
In het kader van dit plan wordt vrijwel alle bestaande agrarische bebouwing van de kwekerij gesloopt en een groot deel van de verharding verwijderd. In plaats daarvan worden drie woonpercelen voorziet, waarbij een centraal woonerf en een nieuwe ontsluiting op de Wageningsestraat worden gerealiseerd. De totale omvang aan bebouwd en verhard oppervlak in het plangebied neemt aanmerkelijk af. In dit opzicht is er dus sprake van een positieve ontwikkeling in hydrologisch oogpunt. Watercompensatie is niet aan de orde.

Voor de nieuwe woningen geldt, dat op het verhard oppervlak vallend hemelwater gescheiden moet worden afgevoerd van het vuilwater. Hiervoor zijn geen belemmeringen te verwachten.

De planvorming heeft geen negatieve invloed op oppervlaktewater. Aan de randen van het perceel zijn enkele watergangen aanwezig. De noordelijke en zuidelijke watergangen zijn aangemerkt als C-watergangen. Deze blijven behouden. Er vinden geen ingrepen aan de watergangen plaats. De westelijke watergang is aangemerkt als B-watergang. Voor de nieuwe gezamenlijk in-/uitrit naar de woningen zal een duiker moeten worden aangelegd. Hiervoor is een watervergunning nodig. De bestaande ontsluiting op de Wageningsestraat, met een duiker, zal daarentegen worden verwijderd.

Conclusie
Het plan leidt tot een aanzienlijke vermindering van bebouwd en verhard oppervlak en kan hydrologisch neutraal worden gerealiseerd. Voor de aanleg van een nieuwe in-/uitrit is een watervergunning nodig. Voor het overige heeft het plan geen effecten op de waterhuishouding.

5.11 Flora en fauna

De bescherming van de natuur is sinds 1 januari 2017 vastgelegd in de Wet Natuurbescherming (Wnb). Deze heeft de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet vervangen. De Wnb geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan moet worden onderzocht of de Wnb de uitvoering van het plan niet in de weg staat in verband met de bescherming van gebieden en dier- en plantsoorten. De provincies zijn het bevoegd gezag voor zowel de gebieds- als de soortenbescherming.

Gebiedsbescherming
In de Wnb is de bescherming opgenomen van Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan moet worden onderzocht of dit plan, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan alleen worden vastgesteld als uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Als deze zekerheid er niet is, kan het plan worden vastgesteld als wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:

  • alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden;
  • het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en
  • de noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.


Het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen: Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones. Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime. Het NNN is op provinciaal niveau uitgewerkt in het Gelders Natuurnetwerk (GNN) met de bijbehorende Groene Ontwikkelingszones (GO). Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen.

Soortenbescherming
In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen:

  • 1. soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn;
  • 2. soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn;
  • 3. de bescherming van overige soorten.

Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag.

Beoordeling
Het plangebied behoort niet tot een Natura 2000-gebied of tot het NNN. Externe effecten op Natura 2000-gebieden zijn gezien de aard van het plan op voorhand uitgesloten. Weliswaar worden er drie nieuwe woningen mogelijk gemaakt, maar er wordt een omvangrijke kwekerij (agrarische bedrijfslocatie) wegebestemd. Bovendien ligt het plangebied op grote afstand van Natura 2000-gebieden (ruim 2 kilometer kilometer). Per saldo zal er daarmee geen sprake zijn van een toename van stikstofdepositie. Het plangebied ligt op ruime afstand (1,5 kilometer) van gebieden die tot het NNN behoren. Negatieve effecten op dergelijke gebieden zijn daarom uitgesloten.

Het plan heeft mogelijk effecten op beschermde soorten, onder meer vanwege de sloop van bebouwing. Daarom is een quickscan flora en fauna uitgevoerd, waarin het plangebied is beoordeeld op geschiktheid voor beschermde soorten en is gezocht naar (sporen van) beschermde soorten. De rapportage is opgenomen als Bijlage 3. Hierna worden de bevindingen besproken.

Flora

Beschermde soorten zijn niet aangetroffen en worden in het plangebied niet verwacht. De vegetatie op het terrein is van een te algemeen karakter om beschermde of anderszins bijzonder soorten te verwachten.

Vleermuizen

Er zijn geen sporen van vleermuizen aangetroffen. De te slopen bebouwing is ongeschikt voor verblijf van vleermuizen, gelet op het materiaalgebruik, de hoge mate van lichtinval en het gebruik van de locatie. Esentieel foerageergebied of essentiële verplaatsingsstructuren zijn niet aanwezig. Negatieve effecten op vleermuizen kunnen worden uitgesloten.

Overige zoogdieren

Door de ligging en inrichting van het plangebied, is de aanwezigheid van beschermde grondgebonden zoogdieren waarvoor geen vrijstelling geldt, zoals steenmarter, bunzing, hermelijn en wezel, op voorhand niet uitgesloten. Nader veldonderzoek naar de (mogelijke) aanwezigheid van deze soorten is noodzakelijk.

Voor soorten waarvoor een vrijstelling geldt, moet in het late najaar en het winterseizoen met het oog op de zorgplicht rekening worden gehouden met overwinterende exemplaren (met name egel).

Vogels

Vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten kunnen worden uitgesloten. Voor de huismus, gierzwaluw, steenuil en kerkuil ontbreken geschikte nestgelegenheden. Daarnaast is er geen sprake van essentieel foerageergebied. Negatieve effecten op jaarrond beschermde soorten zijn uitgesloten.

Ten aanzien van niet-jaarrond beschermde soorten is uitsluitend een broedgeval van een witte kwikstaart aangetroffen. Voor deze en andere soorten geldt dat rekening moet worden gehouden met het broedseizoen bij het slopen van bebouwing en verwijderen van groen. Voorafgaand aan deze werkzaamheden moet worden nagegaan of er daadwerkelijk broedgevallen aanwezig zijn.

Verder zijn enkele algemene soorten aangetroffen (koolmees, ekster). Dit vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan.

Reptielen en amfibieën

Aanwezigheid van reptielen kan geheel worden uitgesloten. De enige streng beschermde amfibiesoort, die in de omgeving verwacht kan worden, is de rugstreeppad. Naar de aanwezigheid van deze soort is specifiek gezocht tijdens het veldbezoek. Er zijn geen (sporen van) rugstreeppadden aangetroffen en het plangebied is hiervoor ook weinig geschikt door haar inrichting en huidige gebruik. Deze soort wordt daarom niet verwacht. Tijdens de werkzaamheden wordt geadviseerd om te voorkomen dat onkruidbegroeiingen zich ontwikkelen en dat er tijdelijke waterplassen ontstaan. Ten aanzien van overige amfibieën geldt de algemene zorgplicht. Dergelijke soorten kunnen niet geheel uitgesloten worden.

Insecten en overige ongewervelden

Er zijn algemene vlindersoorten aangetroffen. Beschermde soorten uit deze groepen kunnen vanwege het ontbreken van geschikt habitat worden uitgesloten.

Conclusie
Het aspect flora en fauna levert op voorhand geen belemmeringen voor het plan op. Nader veldonderzoek naar de aanwezigheid van steenmarter, bunzing, hermelijn en wezel is noodzakelijk. Uit dit onderzoek zal blijken of een ontheffing in het kader van de Wnb aangevraagd moet worden. Verder is de algemene zorgplicht van toepassing. Voor een aantal soorten zijn in de ecologische quickscan concrete adviezen opgenomen om aan de zorgplicht te voldoen. Eventueel kan hiervoor een ecologisch werkprotocol worden opgesteld.

5.12 Archeologie en cultuurhistorie

De bescherming van archeologisch en cultureel erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening moet in het plan rekening worden gehouden met cultuurhistorische waarden.

De gemeente Overbetuwe heeft voor haar gemeentelijk grondgebied een erfgoedplan en een archeologische beleidsadvieskaart gemaakt. Het erfgoedplan beoogt versterking van de plaats en betekenis van cultuurhistorie als factor in het ruimtelijk beleidsproces.

Beoordeling en conclusie
Ter plaatse van het plangebied is volgens de archeologische beleidsadvieskaart een hoge archeologische verwachtingswaarde aanwezig. Als er bodemingrepen dieper dan 0,30 meter en groter dan 100 m² plaatsvinden ter plaatse van de gronden met deze archeologische verwachtingswaarde, moet een archeologisch onderzoek worden uitgevoerd.

Voor zover de drempelwaarde wordt overschreden, moet in het kader van de omgevingsvergunning voor het onderdeel 'bouwen' een archeologisch onderzoek worden uitgevoerd. In dit bestemmingsplan is de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 2' opgenomen overeenkomstig de archeologische beleidskaart. Eventueel aanwezige archeologische waarden worden zodoende adequaat beschermd en het tijdig uitvoeren van een onderzoek is gewaarborgd.

In het plangebied zijn geen bijzondere cultuurhistorische waarden aanwezig. De monumentale schuur bij de woning Wageningsestraat 22 blijft behouden. Deze maakt overigens geen onderdeel uit van het plangebied.

5.13 Verkeer en parkeren

Parkeren
De gemeente heeft haar parkeerbeleid vastgelegd in de Nota Parkeernormen gemeente Overbetuwe 2016. Met dit bestemmingsplan worden drie nieuwe woningen toegestaan. Op basis van de Nota geldt een parkeernorm van 2,7 parkeerplaatsen per woning (categorie 'Koop, vrijstaand' in overige kernen). Het inrichtingsplan voorziet in 2 parkeerplaatsen per woning op eigen terrein en in drie parkeerplaatsen op het gemeenschappelijke woonerf. Daarmee worden voldoende parkeerplaatsen bij de woningen voorzien. In de planregels is een parkeerregeling opgenomen, waarmee gewaarborgd is dat er daadwerkelijk voldoende parkeergelegenheid wordt gerealiseerd en in stand worden gehouden.

Het aspect parkeren zorgt daarom niet voor belemmeringen.

Verkeer
Het plan voorziet in het wijzigen van een kwekerijlocatie naar drie woningen. Op basis van de CROW-kencijfers (december 2018, publicatie 381) bedraagt de verkeersgeneratie voor drie vrijstaande koopwoningen op deze locatie circa 25 verkeersbewegingen per etmaal. Ten opzichte van de huidige bestemming neemt het aantal verkeersbewegingen af. Voor wat betreft de toekosmtige verkeersafwikkeling zijn er geen belemmeringen te verwachten. Er wordt een nieuwe gezamenlijke in-/uitrit naar de Wageningsestraat voorzien. Deze ligt op voldoende afstand ten opzichte van de bestaande ontsluitingen op deze weg.

Hoofdstuk 6 Juridische planopzet

6.1 Algemene opzet

Inleiding
Dit hoofdstuk bevat de concrete vertaling van het beleidsgedeelte (voorafgaande hoofdstukken) in het juridisch gedeelte van het bestemmingsplan (de verbeelding en regels).

Het bestemmingsplan 'Andelst, Wageningsestraat 24A' bestaat uit de volgende onderdelen:

De toelichting
In de toelichting is de ontwikkeling verantwoord, zowel op basis van het beleid, als op basis van milieu-hygiënische aspecten, aangevuld met een toelichting op de juridische opzet.

De bestemmingsregels
De bouw- en gebruiksregels zijn binnen de verschillende bestemmingen opgenomen. Daarnaast zijn waar nodig afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden opgenomen, om het plan de benodigde flexibiliteit te geven.

De verbeelding
Op de verbeelding zijn de bestemmingen 'Agrarisch', 'Wonen' en 'Waarde - Archeologische verwachting 2 ' opgenomen met de daarbij behorende aanduidingen en bouwvlakken. Verder zijn enkele gevellijn aangeduid op de verbeelding. Waar nodig worden de aanduidingen in paragraaf 6.2 nader toegelicht.

De opzet van het plan
Het bestemmingsplan is een juridisch plan, dat bindend is voor de burgers en voor de overheid. Qua systematiek is zoveel mogelijk aangesloten bij het bestemmingsplan 'Buitengebied Overbetuwe'.

Bouwplan
Als een aanvraag om omgevingsvergunning ingediend wordt, zijn in eerste instantie de bestemming met bijhorende regels van belang. Als het nieuwe en het beoogde gebruik past binnen de toegekende bestemming, dan kan de omgevingsvergunning worden verleend.

6.2 Toelichting op de verbeelding en regels

Op de verbeelding zijn de bestemmingen onderscheiden. De bestemmingen zijn afgeleid uit het gebruik (de aanwezige functies). De bestemmingen vormen het zogenaamde casco van het plan, waarvan in beginsel niet mag worden afgeweken.

Agrarisch
Een groot gedeelte van het plangebied blijft bestemd als 'Agrarisch'. Het gaat hierbij om gronden die niet tot de toekomstige drie woonpercelen, het woonerf en de erfontsluiting behoren en niet worden ingericht met robuuste groenvoorzieningen. De gronden met deze bestemming worden landschappelijk ingericht volgens het inrichtingsplan en zullen in de toekomstige situatie hoofdzakelijk agrarisch in gebruik zijn (weides).

De gronden met de bestemming 'Agrarisch' zijn met name bestemd voor grondgebonden agrarische bedrijfsvoering, hobbymatig agrarisch grondgebruik, extensieve dagrecreatie, alsmede voor water en waterhuishoudkundige voorzieningen. Een glastuinbouwbedrijf of ander niet-grondgebonden agrarisch bedrijf is niet toegestaan.

Er zijn uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, van maximaal 1 meter hoogte toegestaan. Het huidige agrarisch bouwvlak wordt volledig verwijderd.

Groen
Aan de noordkant van het plangebied en zuidelijk van de nieuwe ontsluitingsweg, worden robuuste groenvoorzieningen (groenstroken en bomenrijen) voorzien volgens het inrichtingsplan. Deze gronden hebben daarom de bestemming 'Groen' gekregen. Dit geldt ook voor de fruitboomgaarden bij de westelijke en oostelijke woning.

De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor groenvoorzieningen, voet- en fietspaden, in- en uitritten, beeldende kunstwerken, water en waterhuishoudkundige voorzieningen en verkeersvoorzieningen. Binnen de bestemming mogen geen gebouwen worden gebouwd, maar uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde. In de bouwregels zijn de maximale bouwhoogten opgenomen.

Wonen
De woonpercelen, het woonerf en de ontsluitingsweg voor de woningen zijn bestemd als 'Wonen'. Ook de ontsluiting van de percelen Wageningsestraat 22 en 24 is bestemd als 'Wonen'. Er zijn drie bouwvlakken opgenomen, die aangeven waar de woningen (hoofdgebouwen) moeten worden opgericht. Voorwaarden voor het oprichten van woningen met bijbehorende bouwwerk is dat de bestaande agrarische bedrijfsgebouwen zijn gesloopt en de landschappelijke inpassing volgens het inrichtings- en beplantingsplan is aangelegd. De landschappelijke inpassing moet in stand worden gehouden na realisatie. De maximale goot- en bouwhoogten voor de woningen zijn op de verbeelding aangegeven. Per bouwvlak is één woning toegestaan (maximaal 600 m³), waarbij de oriëntatie van de voorgevel door middel van een figuur op de verbeelding is aangegeven. De woningen zijn georiënteerd op het woonerf.

Voor bijbehorende bouwwerken zijn afzonderlijke bouwregels opgenomen. Deze mogen ook buiten de bouwvlakken in het achtererfgebied worden opgericht. Voor de 'schuurwoning' is een afwijkende regeling opgesteld, omdat deze woning een geïintegreerde berging krijgt. Daarvoor is een specifieke bouwaanduiding opgenomen. Op het erf mag geen bijgebouw worden opgericht, ook niet vergunningsvrij. Hiertoe is een aanduiding op de verbeelding opgenomen.

De gronden met de bestemming 'Wonen' mogen worden gebruikt voor wonen, al dan niet in combinatie met een huis gebonden broeps-/bedrijfsactiviteit onder voorwaarden, tuinen en erven, hobbymatig agrarisch gebruik en bijbehorende voorzieningen.

Waarde - Archeologische verwachting 2
In het plan is de archeologische beleidskaart vertaald in de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 2' ten behoeve het behoud en de bescherming van archeologische waarden in of nabij het plangebied. Zie hierover ook paragraaf 5.12. Naast de betreffende dubbelbestemming hebben de betrokken gronden altijd nog de betreffende hoofdbestemming. De regels van de hoofdbestemming en de dubbelbestemming zijn beide van toepassing, maar bij strijd tussen deze bepalingen prevaleren de bepalingen van de dubbelbestemming. De reden hiervoor is dat de belangen van de dubbelbestemming zwaarder wegen dan die van de hoofdbestemming. De dubbelbestemming bevat een omgevingsvergunningplicht en een plicht tot het doen van archeologisch onderzoek voor bodemingrepen dieper dan 0,3 meter onder het maaiveld en met een omvang groter dan 100 m². Voordat een omgevingsvergunning voor het 'bouwen' wordt verleend, zal een archeologisch onderzoek moeten worden uitgevoerd, voor zover deze drempelwaarde wordt overschreden.

Algemene regels
Anti-dubbeltelregel
Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.

Algemene bouwregels
In dit artikel is een regeling voor het ondergronds bouwen opgenomen.

Algemene gebruiksregels
Deze bepaling bevat de vormen van gebruik, die in ieder geval strijdig zijn met de regels van het bestemmingsplan voor alle opgenomen bestemmingen.

Algemene afwijkingsregels
In dit artikel wordt een opsomming gegeven van de regels waarvan door middel van een omgevingsvergunning afgeweken kan worden van het bestemmingsplan. Het gaat hierbij om de bevoegdheid om door middel van een omgevingsvergunning af te kunnen wijken van de regels die gelden voor alle bestemmingen in het plan. De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven. Opgenomen zijn bevoegdheden voor kleine afwijkingen in maatvoeringen en bouwgrenzen en voor ondergronds bouwen.

Algemene wijzigingsregels
In dit artikel wordt een opsomming gegeven van de regels waarvan door middel van een wijzigingsplan afgeweken kan worden van het bestemmingsplan. Dit betreft kleine wijzigingen van de bestemmingsgrenzen.

Algemene procedureregels
In dit artikel wordt aangegeven op welke wijze de uitvoerbaarheid van een wijzigingsplan in ieder geval moet worden aangetoond.

Overgangs- en slotregels
Overgangsrecht
Het voor alle bestemmingsplannen verplichte overgangsrecht is opgenomen. Bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een omgevingsvergunning voor het bouwen is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bebouwingsregels. De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen kan worden verleend. Burgemeester en wethouders kunnen in beginsel dus nog gewoon gebruik maken van hun handhavingbevoegdheid. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan mag eveneens worden voortgezet.

Slotregel
Dit artikel geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald.

Hoofdstuk 7 Financiële toelichting

Uitgangspunt voor de ontwikkeling is dat deze voor de gemeente budgetneutraal worden ontwikkeld. Op grond van artikel 6.12 lid 1 Wet ruimtelijke ordening (Wro) is de gemeenteraad van Overbetuwe verplicht om, als sprake is van een bouwplan, de gemeentelijke kosten te verhalen. Dit bestemmingsplan voorziet in een bouwplan, omdat er drie nieuwe woningen kunnen worden opgericht.

De kosten worden verhaald op basis van een met de initiatiefnemer afgesloten anterieure overeenkomst. Met de ontwikkelende eigenaar van de gronden in het plangebied, is tevens een planschadeovereenkomst gesloten. In deze overeenkomst zijn afspraken gemaakt over het verhaal van kosten, dit is daarin op afdoende wijze vastgelegd.

Door middel van de afgesloten overeenkomst is het kostenverhaal voldoende verzekerd en is de financiële haalbaarheid in voldoende mate aangetoond.

Hoofdstuk 8 Overleg en inspraak

8.1 Inleiding

De procedures voor vaststelling van een bestemmingsplan zijn door de wetgever geregeld. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties waar nodig overleg over het plan moet worden gevoerd, voordat een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Bovendien kan het noodzakelijk zijn om belanghebbenden de gelegenheid te bieden om hun visie over het plan te kunnen geven. Dit is afhankelijk van de inspraakverordening van de gemeente. Pas daarna kan de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van het plan van start gaan.

8.2 Inspraak

De Wro zelf bevat geen bepalingen over inspraak. Dat neemt niet weg dat het de gemeente vrij staat toch inspraak te verlenen op grond van de gemeentelijke inspraakverordening. In relatie daarmee bepaalt artikel 150 van de Gemeentewet onder meer dat in een gemeentelijke inspraakverordening moet worden geregeld op welke wijze personen en rechtspersonen hun mening kenbaar kunnen maken. Voor dit bestemmingsplan heeft, gezien de aard en omvang van de ontwikkeling, geen inspraak plaatsgevonden. Wel heeft de initiatiefnemer de omwonenden vroegtijdig geïnformeerd over het plan.

8.3 Overleg

Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) geeft aan dat het bestuursorgaan, dat belast is met de voorbereiding van een ruimtelijk plan, overleg pleegt met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen. Ook moet overleg worden gepleegd met die diensten van provincie en Rijk, die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of die belast zijn met de behartiging van belangen, welke in het plan in het geding zijn. Gezien de aard en omvang van de ontwikkeling heeft in dit geval geen vooroverleg plaatsgevonden.

8.4 Vaststellingsprocedure

De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan vindt plaats volgens artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening. Het ontwerpbestemmingsplan wordt in dit kader gedurende zes weken ter inzage gelegd. Gedurende deze periode kan een ieder zijn zienswijzen kenbaar maken tegen het plan.

Het plan wordt vervolgens, al dan niet gewijzigd, ter vaststelling aangeboden aan de gemeenteraad van Overbetuwe.

8.5 Beroep

Na vaststelling wordt het bestemmingsplan voor de tweede maal zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking.