direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Buitengebied, Baltussenweg 52, 52a, Driel
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1734.0335BUITBaltssnw52-ONT1

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Op de locatie Baltussenweg 52/52a te Driel is een installatiebedrijf met een bedrijfswoning gevestigd. Het bedrijf heeft behoefte aan meer inpandige opslagruimte voor het opslaan van staal en materieel en wil daarom de bestaande bedrijfsbebouwing aan de achterzijde uitbreiden met een nieuwe loods. De loods zal uitsluitend voor opslag- en stallingsdoeleinden worden gebruikt. Het bedrijfsperceel wordt aan de achterzijde uitgebreid om deze wijziging mogelijk te maken. Aan de oostzijde wordt een groenstrook, bestaande uit een houtwal met onderhoudsstrook, aangelegd en wordt een deel van de bestaande verharding verwijderd.

Om het initiatief mogelijk te maken, is een herziening van het bestemmingsplan nodig. Dit bestemmingsplan 'Buitengebied, Baltussenweg 52, 52a, Driel' voorziet in een nieuw planologisch-juridisch kader om de gewenste ontwikkeling mogelijk te maken.

1.2 Ligging plangebied

Het plangebied betreft het perceel aan de Baltussenweg 52/52a te Driel en ligt in het buitengebied van de gemeente Overbetuwe, circa 300 meter ten noorden van de bebouwde kom van Driel. Circa 250 meter ten noordwesten van het plangebied stroomt de Nederrijn. Het plangebied ligt buitendijks, op korte afstand van de Drielse Rijndijk. Op afbeelding 1 is de ligging van het plangebied aangeduid.

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0335BUITBaltssnw52-ONT1_0001.png"  
Afbeelding 1: ligging plangebied (bron: Bing Maps)  

1.3 Huidig bestemmingsplan

In het plangebied geldt op dit moment het bestemmingsplan 'Buitengebied Overbetuwe', dat is vastgesteld op 5 maart 2013. Er gelden de volgende bestemmingen en aanduidingen:

  • Bestemming 'Bedrijf' met een bouwvlak ter plaatse van het bestaande bedrijfsperceel;
  • Bestemming 'Agrarisch met waarden' (geen bouwvlak) met functieaanduiding 'specifieke vorm van agrarisch met waarden - kleinschaligheid' aan de noord- en oostkant van het plangebied;
  • Dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologische verwachting 1 en 2';
  • Gebiedsaanduiding 'ehs verbinding'.

De nieuwe bedrijfsloods en de daarbij behorende verharding worden buiten het huidige bestemmingsvlak en bouwvlak voorzien ter plaatse van de bestemming 'Agrarisch met waarden'. Het initiatief is daarom niet in overeenstemming met de bouw- en gebruiksregels van het huidige bestemmingsplan. Een herziening van het bestemmingsplan is noodzakelijk.

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0335BUITBaltssnw52-ONT1_0002.png"  
Afbeelding 2: uitsnede huidig bestemmingsplan 'Buitengebied Overbetuwe' (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)  

1.4 Leeswijzer

Deze toelichting is als volgt opgebouwd. Na dit inleidende hoofdstuk, worden in hoofdstukken 2 en 3 respectievelijk de bestaande en de toekomstige situatie in het plangebied beschreven. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op het voor dit bestemmingsplan van toepassing zijnde rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid. In hoofdstuk 5 komen de relevante milieu- en omgevingsaspecten aan de orde. Daarmee wordt inzichtelijk gemaakt of de ontwikkeling in ruimtelijk en milieuhygiënisch opzicht aanvaardbaar en haalbaar is en voldoet aan het vereiste van een goede ruimtelijke ordening. In hoofdstuk 6 is de juridische planopzet beschreven en in hoofdstuk 7 is de financiële toelichting opgenomen. Hoofdstuk 8 gaat in op enkele procedurele aspecten, zoals overleg en inspraak.

Hoofdstuk 2 Bestaande situatie

Het plangebied betreft de locatie Baltussenweg 52/52a te Driel. Kadastraal is het plangebied bekend als gemeente Heteren, sectie O, perceelnummers 327 (ged.), 1179 en 1180 (ged.). De begrenzing van het plangebied is indicatief aangegeven in figuur 2.1. In de directe omgeving van het plangebied zijn agrarische gronden aan de oostkant, een boomgaard aan de noordkant en zuidoostkant, het niet-agrarische bedrijf Baltussenweg 54-56 (staalconstructie en carosseriebouw) en een woonperceel (Baltussenweg 37a) aanwezig.

In de huidige situatie is op de percelen 1179 en 1180 in het plangebied het installatiebedrijf van de initiatiefnemer gevestigd. Tevens is een bedrijfswoning op het perceel aanwezig, in de zuidwestelijke hoek van het plangebied (Baltussenweg 52a). Het constructiebedrijf beschikt over een bedrijfsgebouw, dat aan de bedrijfswoning is gebouwd, van ruim 400 m² groot. In 2019 is een omgevingsvergunning voor het bouwen van een nieuw bedrijfsgebouw ten oosten van de bestaande bebouwing verleend. Deze is echter niet benut. Aan de zuid- en oostkanten van de bebouwing is het perceel vrijwel geheel verhard. Hier is het perceel ontsloten op de Baltussenweg en vindt stalling en opslag in de buitenlucht plaats. Het straatbeeld geeft hierdoor in de huidige situatie een rommelige indruk (zie figuur 2.2). Daarnaast vindt op locaties buiten het plangebied noodgedwongen opslag plaats, omdat binnen de bestaande bebouwing onvoldoende ruimte aanwezig is. Vrijwel alle werkzaamheden vinden overigens op locatie plaats.

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0335BUITBaltssnw52-ONT1_0003.png"  
Figuur 2.1: huidige situatie en begrenzing van het plangebied (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)  

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0335BUITBaltssnw52-ONT1_0004.png"  
Figuur 2.2: straatbeeld huidige situatie (bron: Google Streetview, augustus 2016)  

In het achterste deel van het plangebied (perceelnr. 327) zijn het gebruik en de inrichting momenteel tweeledig: aan de oostkant worden de gronden agrarisch gebruikt en zijn deze onbebouwd en onverhard, terwijl het westelijk deel in gebruik is ten behoeve van het constructiebedrijf/carrosseriebouwbedrijf Baltussenweg 54-56. Laatstgenoemd perceelsdeel is vrijwel geheel verhard. Er is tevens een loods aanwezig.

Hoofdstuk 3 Toekomstige situatie

Het installatiebedrijf van initiatiefnemer beschikt in de huidige situatie over te weinig inpandige opslagruimte en is daardoor genoodzaakt om materieel, staal, machines, e.d. elders en/of buiten op te slaan, zoals in het voorgaande hoofdstuk al is beschreven. Dit is om verschillende redenen niet wenselijk. Bedrijfseconomisch is deze situatie nadelig, omdat staal en materieel nu niet altijd droog kunnen worden opgeslagen en daardoor kans op roest ontstaat. Dit leidt tot minder efficiëntie en een kortere levensduur van bijvoorbeeld machines. Daarnaast zorgen de extra, onnodige verkeersbewegingen tot onnodige overlast voor de omgeving en is buitenopslag met name voor de voorgevels uit ruimtelijk en landschappelijk niet wenselijk.

De initiatiefnemer wil de bedrijfsvoering ongeveer in de huidige omvang voortzetten. Een uitbreiding is momenteel en in de toekomst niet aan de orde, omdat hij tevreden is met de huidige bedrijfsactiviteiten en een uitbreiding een ongewenst risico zou betekenen. De initiatiefnemer heeft de mogelijkheden tot verplaatsing van het bedrijf onderzocht, maar dit is financieel onhaalbaar. De initiatiefnemer wil daarom op de huidige locatie en in de huidige orde van grootte gevestigd blijven, maar een nieuwe loods van circa 20x30 meter (600 m²) groot realiseren. De loods wordt in het verlengde van de bestaande bebouwing, aan de achterzijde, gebouwd en zal uitsluitend dienen voor opslag- en bergingsdoeleinden. Dit wordt in de planregels ook vastgelegd. Het gebouw krijgt een maximale goothoogte van 4,5 meter en een maximale bouwhoogte van 7 meter.

Ten behoeve van de nieuwe loods wordt het bedrijfsperceel aan de achterzijde uitgebreid tot aan de noordelijke perceelsgrens (zie figuur 3.1). Ook wordt een deel van het bedrijfsperceel Baltussenweg 54-56 hiervoor aangewend. De daar bestaande bebouwing wordt gesloopt. Aan de oostkant wordt het bedrijfsperceel juist verkleind en wordt een deel van de bestaande verharding verwijderd. Voor de voorgevels van de bebouwing zal geen buitenopslag meer plaatsvinden. Aan de oostkant zal het perceel landschappelijk worden ingepast door de aanleg van een houtwal met onder meer de soorten zwarte els, hazelaar, Gelderse roos en kornoelje. Deze soorten kunnen ongeveer 5-7 meter hoog worden, waardoor het perceel landschappelijk wordt ingepast. De houtwal en de bijbehorende onderhoudsstrook krijgen een Groenbestemming.

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0335BUITBaltssnw52-ONT1_0005.png"  
Figuur 3.1: schetsmatige weergave uitbreiding bebouwing en toekomstige inrichting perceel (bron; initiatiefnemer)  

Hoofdstuk 4 Beleidskader

4.1 Rijksbeleid

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR)
In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte staan de plannen van de Rijksoverheid voor ruimte en mobiliteit. Het Rijk streeft naar een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland. Om dit te bereiken, laat het Rijk de ruimtelijke ordening meer over aan de decentrale overheden (provincie en gemeenten) en komt de gebruiker centraal te staan. Het Rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 13 nationale belangen. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid.

Beoordeling en conclusie
Dit bestemmingsplan maakt een relatief kleinschalige uitbreiding van een bestaand niet-agrarisch bedrijf mogelijk. Gezien de aard en omvang van de ontwikkeling en de ligging van het plangebied, zijn er geen nationale belangen in het geding. Het initiatief conflicteert daarom niet met het nationaal ruimtelijke ordeningsbeleid, zoals vastgelegd in de SVIR.

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)
Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft richtlijnen voor de inhoud van ruimtelijke plannen, voor zover het gaat om ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang. De normering uit het Barro werkt zoveel mogelijk direct door op het niveau van de lokale besluitvorming. Bij besluitvorming over ruimtelijke plannen moeten de regels van het Barro worden gerespecteerd.

Beoordeling en conclusie
Het initiatief is een lokale ontwikkeling. Er zijn geen nationale belangen in het geding. Het Barro heeft geen doorwerking naar dit plan.

Ladder voor duurzame verstedelijking
Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen, is per 1 oktober 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). De ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De ladder is een motiveringsinstrument dat moet worden toegepast bij elk ruimtelijk besluit dat een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling' mogelijk maakt. Wat onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan, is in artikel 1.1.1 Bro bepaald: 'De ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.” Uit de jurisprudentie komt naar voren dat het wel een nieuwe stedelijke ontwikkeling van enige omvang moet zijn (ECLI:NL:RVS:2016:1503).

In een bestemmingsplan moet worden aangegeven dat de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte plus een motivering als de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd: 'De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien”.

Beoordeling en conclusie
Met dit bestemmingsplan wordt een beperkte uitbreiding van een bestaand niet-agrarisch bedrijf mogelijk gemaakt. Het bouwvlak wordt met circa 600 m² uitgebreid. Hiermee is sprake van een uitbreiding van ruimtebeslag voor een stedelijke functie. De nieuwe bebouwing mag echter uitsluitend voor opslag- en stallingsdoeleinden worden gebruikt. Een (wezenlijke) uitbreiding van de bedrijfsactiviteiten en gebruiksintensiteit is daarom uitgesloten. De uitbreiding is naar aard en omvang daarom niet van zodanige omvang, dat er sprake is van een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling', zoals bedoeld in het Bro. De Ladder voor duurzame verstedelijking hoeft in het kader van dit bestemmingsplan daarom niet doorlopen te worden. Ten overvloede wordt opgemerkt dat vanuit een oogpunt van zorgvuldige belangenafweging is onderzocht of verplaatsing van het bedrijf een reëel alternatief zou zijn. Dit is echter om met name financiële redenen niet het geval.

4.2 Provinciaal beleid

Omgevingsvisie Gaaf Gelderland
Provinciale Staten hebben op 19 december 2018 de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland (hierna: de Omgevingsvisie) vastgesteld. Deze is in werking getreden op 1 maart 2019. Het doel van de Omgevingsvisie is: een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland, vanuit het verleden én met het oog op de toekomst. De provincie is als middenbestuur een belangrijke schakel bij het bereiken van deze doelstellingen en wil op een aantal manieren waarde toevoegen:

  • met een brede blik kijken naar de inrichting en kwaliteit van de Gelderse leefomgeving;
  • stimuleren van ontwikkelingen enerzijds en beschermen van waarden anderzijds;
  • focussen op duurzaamheid, onderlinge verbondenheid en een economisch krachtig Gelderland;
  • door middel van 7 ambities verder verdiepen van de focus.

De 7 ambities van de provincie zien op de volgende thema's: energietransitie, klimaatadaptatie, circulaire economie, biodiversiteit, bereikbaarheid, vestigingsklimaat en de woon- en leefomgeving. Per ambitie is de provinciale aanpak beschreven.

Beoordeling en conclusie
De Omgevingsvisie is concreet uitgewerkt in de hierna beschreven Omgevingsverordening Gelderland. Deze verordening bevat concrete regels, waaraan het initiatief wordt getoetst. De Omgevingsvisie zelf bevat geen regels, die voor dit bestemmingsplan direct van belang zijn. Het plan is ook te kleinschalig van aard om een wezenlijke bijdrage aan de provinciale ambities uit de Omgevingsvisie bij te dragen. De provincie stimuleert ontwikkelingen, die samengaan met bescherming c.q. verbetering van waarden. Hiernaar is met het plan nadrukkelijk gestreefd. Door de nieuwe loods wordt de huidige buitenopslag en stalling aan de voorzijde van het perceel verwijderd, wat het straatbeeld aanzienlijk ten goede komt. Door middel van landschappelijke inpassing in de vorm van een robuuste, hoge houtwal aan de oostkan, zorgen de uitbreiding en nieuwbouw niet voor een inbreuk op de landschappelijke waarden. Het plan is dan ook in overeenstemming met de uitgangspunten en ambities uit de Omgevingsvisie.

Omgevingsverordening Gelderland
Provinciale Staten hebben de Omgevingsverordening Gelderland (hierna: de Omgevingsverordening of verordening) vastgesteld op 24 september 2014. De verordening wordt geregeld geactualiseerd. De meest recente versie van de Omgevingsverordening dateert van 19 december 2018.

De regels in de verordening kunnen betrekking hebben op het hele provinciale grondgebied, op delen of op gebiedsgerichte thema's. Gemeenten moeten binnen een bepaalde termijn hun bestemmingsplan afstemmen op de in de verordening opgenomen regels. De regels in de verordening zijn gebaseerd op de provinciale omgevingsvisie en hebben de status van algemeen verbindende voorschriften.

Beoordeling
Beide planlocaties liggen binnen de volgende aanduidingen:

  • plussenbeleid;
  • tijdelijk verbod nieuwvestiging, uitbreiding en hervestiging glastuinbouw;
  • groene ontwikkelingszone;
  • Romeinse limes;
  • intrekgebied.

De bovengenoemde aanduidingen met betrekking tot glastuinbouw, het plussenbeleid en intrekgebieden zorgen niet voor belemmeringen. Het plan maakt geen nieuwvestiging, uitbreiding of hervestiging van een glastuinbouwbedrijf mogelijk. Daarnaast is er geen sprake van een intensieve veehouderijfunctie of van winning van fossiele energie.

Romeinse limes
De regels ten aanzien van de Romeinse Limes bepalen dat nieuwe ontwikkelingen de kernkwaliteiten van de Romeinse Limes niet mogen aantasten (artikel 2.60). In paragraaf 5.12 van dit bestemmingsplan wordt onderbouwd dat de voorgenomen ontwikkeling geen negatieve invloed heeft op de kernkwaliteiten van de Romeinse Limes.

Groene ontwikkelingszone
De regels ten aanzien van de Groene ontwikkelingszone bepalen dat een nieuwe grootschalige ontwikkeling, die tot een significante aantasting van de kernkwaliteiten Groene ontwikkelingszone kan leiden, niet is toegestaan (artikel 2.52 onder 1). Met dit bestemmingsplan wordt een relatief kleinschalige uitbreiding van een bestaand installatiebedrijf (niet-agrarisch bedrijf) mogelijk gemaakt. De uitbreiding vindt plaats achter het bestaande bedrijfsperceel op een strook grond, ingeklemd tussen een boomgaard en het bestaande bedrijfsperceel. Deze strook kan daarom niet wezenlijk bijdragen aan de kernkwaliteiten van de Groene ontwikkelingszone. Voor de oostkant van het plangebied geldt dit wél, omdat het plangebied daar grenst aan een open agrarisch gebied, dat tevens is aangewezen voor ontwikkeling van een ecologische verbindingszone. Aan de oostkant wordt een deel van het bestaande bedrijfsperceel verwijderd en wordt een robuuste houtwal aangelegd.

De ontwikkeling tast de kernkwaliteiten van de Groene ontwikkelingszone niet aan. Er is geen sprake van een grootschalige ontwikkeling.

Conclusie
Het bestemmingsplan is in overeenstemming met de Omgevingsverordening Gelderland.

4.3 Gemeentelijk beleid

Omgevingsvisie Overbetuwe 2040
Op 1 oktober 2019 heeft de gemeenteraad van Overbetuwe de Omgevingsvisie Overbetuwe 2040 (hierna: Omgevingsvisie) vastgesteld. De Omgevingsvisie geeft de integrale koers en ambities van de gemeente Overbetuwe voor de fysieke leefomgeving voor de periode tot en met 2040 aan. De Omgevingsvisie is er primair op gericht om de kwaliteit van het leefmilieu te behouden en waar mogelijk te versterken. Samenwerking tussen verschillende partijen staat centraal en is noodzakelijk om deze doelen te bereiken. De visie is opgesteld vanuit een brede blik, waarbij ruimtelijke ordening, milieu, economie en bereikbaarheid met elkaar worden verbonden.

De gemeente onderscheidt een aantal kernwaarden die als vertrekpunt en inspiratiebron voor nieuwe ontwikkelingen dienen. Deze kernwaarden zijn ontstaan in het cultuurhistorisch gegroeide Betuwse rivierenlandschap. Kernwaarden zijn beschreven op het gebied van bodem en landschap, netwerk en infrastructuur en occupatie. De verschillende kernen in de gemeente kennen elk een eigen karakteristieke identiteit en waarden. Deze worden eveneens als leidraad voor nieuwe ontwikkelingen gehanteerd. Behoud van de karakteristiek en (specifieke) kwaliteiten van deze kernen en het buitengebied is een speerpunt in het beleid.

In de Omgevingsvisie wordt de focus gelegd op zes opgaven:

  • Vitaal buitengebied in beweging;
  • Innovatieruimte voor ondernemerschap;
  • Samen werken aan energietransitie;
  • Gevarieerde dorpse woonomgeving;
  • Netwerk verbonden met samenleving;
  • Voorzieningen geclusterd.

Per thema wordt de toekomstige ontwikkeling van de Overbetuwse leefomgeving beschreven.

Beoordeling
Het plangebied behoort tot het buitengebied van Overbetuwe. Eén van de centrale opgaven volgens de Omgevingsvisie is het behouden van een vitaal buitengebied. De gemeente wil dit met (meer) differentiatie bereiken. In het buitengebied worden zeven deelgebieden onderscheiden, met specifieke ambities per deelgebied, die op concrete situaties worden toegepast. Het plangebied ligt aan de rand van de uiterwaarden en vlakbij een karakteristieke landelijke dijkweg. Het contrast tussen het omliggende open landschap en de bebouwingsclusters is aan delen van de dijk duidelijk herkenbaar en het is belangrijk dat dit contrast ten minste wordt behouden.

Het plangebied ligt aan de rand van een bebouwingscluster aan de Drielse Rijndijk en Baltussenweg. Dit cluster contrasteert duidelijk met het omliggende agrarische, open landschap, maar het landschappelijk aanzicht van het contrast is voor verbetering vatbaar. Met het plan wordt ernaar gestreefd om dit contrast te versterken door aan de oostkant van het plangebied een robuuste houtwal aan te leggen. Ook zorgt de gewijzigde vorm van het bedrijfsperceel voor een duidelijker en logischer geheel, dat beter aansluit bij de ruimtelijke structuur in de omgeving. In de toekomstige situatie zorgt het bedrijfsperceel in combinatie met de houtwal en de aangrenzende boomgaard voor een duidelijke afronding van het bebouwingscluster.

Conclusie
Het plan is in overeenstemming met de Omgevingsvisie.

Landschapsontwikkelingsplan Overbetuwe (LOP)
In het Landschapsontwikkelingsplan (LOP) uit 2009 zijn de (algemene) doelstellingen en gebiedsspecifieke opgaven voor Overbetuwe geformuleerd. De hoofddoelstelling is het ontwikkelen van een sterke samenhangende landschappelijke structuur met een eigen Betuwse identiteit, die tegenwicht biedt aan de verstedelijking en waarbij belangrijke landschappelijke waarden duurzaam in stand worden gehouden. Per deelgebied zijn daarnaast gebiedsspecifieke opgaven opgenomen.

Beoordeling
Met dit bestemmingsplan is er sprake van een uitbreiding van een bestaand installatiebedrijf (niet-agrarisch bedrijf) in het buitengebied van Overbetuwe. Een voorwaarde om medewerking te kunnen verlenen aan deze uitbreiding is dat een goede landschappelijke inpassing van het perceel en de bebouwing plaatsvindt.

Het plangebied maakt deel uit van het oeverwallen- en stroomruggenlandschap, waar gestreefd wordt naar behoud van ruimtelijke afwisseling en versterking van kleinschaligheid op de oeverwallen. Het plangebied ligt aan de rand van deelgebied 13a, 't Vlot. In dit deelgebied ligt een ecologische verbindingszone tussen de Nederrijn en Park Lingezegen. Hier wordt ingezet op onder meer:

  • Woerden beleefbaar houden;
  • Open kom ten oosten van Driel open houden;
  • Versterken contrast tussen openheid en kleinschaligheid, onder meer door laanbeplanting en erfbeplanting op lagere oeverwallen;
  • Cultuurhistorie (karakteristieke verkavelingspatronen) herkenbaarder maken.

In de huidige situatie is er sprake van een overgang tussen het bebouwingscluster, waartoe het plangebied behoort, enerzijds en de open kom ten oosten van het plangebied anderzijds. Deze overgang kan echter landschappelijk en qua aanzicht sterk worden verbeterd. Met het plan wordt ernaar gestreefd om het contrast te versterken door aan de oostkant van het plangebied een robuuste houtwal aan te leggen. Dit is in lijn met de voor het deelgebied gewenste acties. Ook zorgt de gewijzigde vorm van het bedrijfsperceel voor een duidelijker en logischer geheel, dat beter aansluit bij de ruimtelijke structuur in de omgeving en de karakteristieke verkavelingspatronen. In de toekomstige situatie zorgt het bedrijfsperceel in combinatie met de houtwal en de aangrenzende boomgaard voor een duidelijke afronding van het bebouwingscluster.

Conclusie
Het plan levert een bijdrage aan meerdere doelstellingen van het LOP en is hiermee dus in overeenstemming. De ruimtelijke kwaliteit en het landschappelijk aanzicht worden verbeterd.

Hoofdstuk 5 Milieu- en omgevingsaspecten

5.1 Milieueffectrapportage

Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r. gewijzigd. De belangrijkste aanleidingen hiervoor zijn de modernisering van de m.e.r. wetgeving in 2010 en de uitspraak van het Europese Hof van 15 oktober 2009. Uit deze uitspraak volgt dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen m.e.r.(-beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit lijst D zit, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een gevoelig natuurgebied ligt. Gemeenten en provincies moeten daarom vanaf 1 april 2011 ook bij kleine bouwprojecten, zoals het onderhavige, beoordelen of een m.e.r.(-beoordeling) nodig is.

Ook de Implementatiewet 'herziening m.e.r. richtlijn' is relevant. Sinds 16 mei 2017 is deze wet in werking. De richtlijn heeft de procedure en de inhoud van het MER en de m.e.r.-beoordeling, maar ook de vormvrije m.e.r.-beoordeling gewijzigd. Dit heeft gevolgen voor de inhoud en procedure van ruimtelijke plannen. Voor activiteiten, die zijn opgenomen in onderdeel D van de Bijlage bij het Besluit m.e.r. en waarvan de omvang beneden de in kolom 2 genoemde drempel ligt, geldt een vormvrije m.e.r.-beoordeling.

Beoordeling en conclusie
Met dit bestemmingsplan wordt een kleinschalige uitbreiding van een bestaand niet-agrarisch bedrijf in het landelijk gebied mogelijk gemaakt. Hierbij wordt circa 600 m² bebouwing toegevoegd in de vorm van een opslagloods. Het bedrijfsperceel verandert van vorm en wordt beperkt uitgebreid. De ontwikkeling behoort niet tot de in lijst D van het Besluit m.e.r. opgenomen categorieën. De ontwikkeling is ook niet aan te merken als een stedelijk ontwikkelingsproject, zoals bedoeld in het Besluit m.e.r. Er is namelijk sprake van een kleinschalige ontwikkeling, waarbij een wezenlijke uitbreiding van de bestaande bedrijfsactiviteiten en -omvang uitgesloten is en het aantal verwachte verkeersbewegingen niet toeneemt.

Er is daarom geen sprake van een m.e.r.-plichtige of m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteit in dit plan. Een m.e.r. of een m.e.r.-beoordeling is niet aan de orde.

5.2 Geluid

Op basis van de Wet geluidhinder (artikel 77 Wgh) moet bij een plan een akoestisch onderzoek worden uitgevoerd als het plan mogelijkheden biedt voor:

  • de toevoeging van een nieuwe woning of andere geluidsgevoelige functie binnen de zone van een weg;
  • de aanleg van een nieuwe weg;
  • de reconstructie van een bestaande weg.

De breedte van de zone van een weg is afhankelijk van het aantal rijstroken, het stedelijk gebied en de maximumsnelheid. Alle wegen hebben geluidzones, met uitzondering van wegen die in een als 'woonerf' aangeduid gebied liggen en wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt.

In de Wgh zijn grenswaarden opgenomen met betrekking tot de geluidbelasting op de gevels van woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen. De voorkeursgrenswaarde voor de geluidbelasting op de gevel is 48 dB en mag in principe niet worden overschreden. Onder bepaalde voorwaarden mag de geluidbelasting hoger zijn dan de voorkeursgrenswaarde. Hiervoor moet met een ontheffing een hogere waarde worden vastgesteld.

De gemeente Overbetuwe heeft specifiek beleid vastgesteld in de Nota geluidbeleid en de Nota hogere grenswaarden.

Beoordeling
Met dit bestemmingsplan wordt geen nieuw geluidsgevoelig object toegestaan. De nieuwe loods dient uitsluitend voor opslag en stalling en is daarom niet aan te merken als een geluidsgevoelig object. Nader onderzoek is niet noodzakelijk.

Conclusie
Vanuit akoestisch oogpunt zijn er geen belemmeringen voor het plan aanwezig.

5.3 Luchtkwaliteit

De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen zijn opgenomen in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Hierin zijn grenswaarden opgenomen voor luchtvervuilende stoffen. Voor ruimtelijke projecten zijn fijn stof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) de belangrijkste stoffen.

Een project is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;
  • het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;
  • het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging;
  • het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen.


Om te bepalen of een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtkwaliteit, is een algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels zijn vastgelegd. Een project kan in twee situaties NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit:

  • het project behoort tot de lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) die is opgenomen in de Regeling NIBM;
  • het project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO2 en PM10 (1,2ìg/m3).


Beoordeling en conclusie
De ontwikkeling betreft een kleinschalige uitbreiding van een bestaand bedrijf. Er wordt een nieuwe loods van circa 600 m², ten dienste van opslag van materieel opgericht. Dit materieel wordt momenteel in de buitenlucht of elders opgeslagen. De verwachting is dat er per saldo geen sprake zal zijn van een toename van het aantal verkeersbewegingen van en naar het plangebied in vergelijking met de huidige situatie. In de huidige situatie zijn er 2-3 vrachtwagens per dag, die de locatie aandoen (maximaal 6 mvt/etmaal met vrachtwagens). In de nieuwe loods kan het materieel efficiënter en langer worden opgeslagen, waardoor een marginale vermindering van het aantal verkeersbewegingen verwacht wordt. De overige bedrijfsactiviteiten blijven gelijk naar aard en omvang.

Gezien het voorgaande valt het project zonder meer onder de in de regeling NIBM opgenomen lijst met categorieën van gevallen en blijft ruimschoots onder de drempelwaarde. Zeker is dus dat het initiatief niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Een luchtkwaliteitonderzoek is niet noodzakelijk.

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.

5.4 Bedrijven en milieuzonering

Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies, zoals woningen. Bij de planontwikkeling moet rekening worden gehouden met milieuzonering om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren.

Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'. In de publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd. Als bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden).

De richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit, zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype. Een rustige woonwijk of een rustig buitengebied is ingericht volgens het principe van functiescheiding.

Beoordeling
Dit bestemmingsplan maakt de uitbreiding van een milieubelastende functie, namelijk een installatiebedrijf, mogelijk. Deze wijziging kan bij de beoordeling van het aspect bedrijven en milieuzonering relevant zijn. Een installatiebedrijf heeft een relatief geringe milieu-impact en wordt geschaard onder milieucategorie 2. In een rustig buitengebied behoort hierbij een richtafstand van 30 meter. Omliggende woningen zijn op minimaal 60 meter afstand van het uitbreidingsterrein van het bedrijf gesitueerd. De woningen liggen buiten de richtafstand. Bovendien vindt de uitbreiding plaats aan de achterkant, verder van de omliggende woningen af dan het bestaande deel van het bedrijfsperceel. Onevenredige hinder vanwege de uitbreiding is daarom uitgesloten en nader onderzoek is niet noodzakelijk.

Spuitzones
Ten aanzien van boom- en fruitteeltbedrijven is niet alleen de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' van belang, maar ook spuitzones in verband met het gebruik van bestrijdingsmiddelen bij deze bedrijven. In het bestemmingsplan 'Buitengebied Overbetuwe' is opgenomen dat een afstand van 50 meter tussen gevoelige functies en (glas)tuinbouw, fruit- en boomteelt in acht moet worden genomen (artikel 3.4.1). Deze afstand wordt algemeen aanvaard, maar er kan volgens de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State gemotiveerd worden afgeweken van deze afstand.

Direct ten noorden van het plangebied ligt een boomgaard. De nieuwe loods en de uitbreiding van het bedrijfsperceel komen binnen de spuitzone te liggen. De spuitzone vormt echter geen belemmering voor de ontwikkeling, omdat er geen gevoelige functie mogelijk wordt gemaakt in de nieuwe bebouwing.

Conclusie
Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de ontwikkeling. Omliggende functies worden niet belemmerd. Ook spuitzones vormen geen belemmering voor het oprichten van de nieuwe bebouwing.

5.5 Geurhinder

Voor veehouderijen is de regelgeving ten aanzien van het specifieke aspect geur vastgelegd in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden gekeken naar de aanvaardbaarheid van deze plannen in verband met omliggende geurbronnen, de zogenaamde omgekeerde werking.

Beoordeling
Dit bestemmingsplan voorziet in het oprichten van een nieuwe loods ten behoeve van opslag en stalling van materieel en een daarmee gepaard gaande uitbreiding en wijziging van een bedrijfsperceel (installatiebedrijf). De nieuwe bebouwing mag uitsluitend worden gebruikt voor opslag en stalling. Van langdurig verblijf van personen in de bebouwing is dan ook geen sprake. Met het plan wordt geen nieuw geurgevoelig object mogelijk gemaakt. Er liggen overigens ook geen veehouderijen in de omgeving van het bedrijfsperceel. Om voorgaande redenen is gewaarborgd, dat er geen belemmeringen voor veehouderijen optreden.

Conclusie
Er zijn vanuit het aspect geurhinder geen belemmeringen voor het initiatief.

5.6 Bodem

De bodemkwaliteit vormt een belangrijk aspect bij bouwontwikkelingen. In het kader van functiewijziging en herinrichting vormt de bodemkwaliteit bij ontwikkeling van ruimtelijke functies een belangrijke afweging. De Bouwverordening bevat een verbod voor het bouwen van woningen op verontreinigde grond.

Beoordeling
Dit bestemmingsplan maakt de bouw van een nieuwe bedrijfsloods ten dienste van opslag en stalling mogelijk. Gezien de functie van de nieuwe loods, is er geen sprake van langdurig verblijf van personen. Dit betekent dat de er geen nieuwe gevoelige functie mogelijk wordt gemaakt, waardoor een onderzoek naar de bodemkwaliteit niet noodzakelijk is.

Conclusie
Het aspect bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor het plan.

5.7 Externe veiligheid

Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de veiligheidsrisico's in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze externe veiligheidsrisico's moeten worden beoordeeld voor twee risiconormen, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Voor beide risiconormen geldt dat hoe groter de afstand tussen planontwikkeling en risicobron is, des te kleiner zal de impact van het plan zijn op de hoogte van het risico.

Plaatsgebonden risico
Het plaatsgebonden risico (PR) heeft tot doel om hetzelfde minimale beschermingsniveau te bieden voor iedere burger in Nederland. Het PR beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het PR wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn, etc.), waarbij de 10-6-contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde is.

Groepsrisico
Het groepsrisico (GR) is een afwegingsinstrument dat tot doel heeft een bewuste afweging te stimuleren over het risico op een ongeval met een groot aantal slachtoffers. Het GR beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het GR geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het GR wordt uitgedrukt in een grafiek, waarin de kans op overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1.000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het GR geldt een oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm).

Voor elke verandering van het GR (af- of toename) in het invloedsgebied moet verantwoording worden afgelegd over de wijze waarop de toelaatbaarheid van deze verandering in de besluitvorming is betrokken.

Samen met de hoogte van het GR moeten andere kwalitatieve aspecten worden meegenomen in de beoordeling van het GR. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer.

Beoordeling
De ontwikkeling betreft het realiseren van een nieuwe bedrijfsloods voor opslag en berging van materieel, met bijbehorend een wijziging en relatief geringe uitbreiding van een bestaand bedrijfsperceel. Met deze ontwikkeling neemt het aantal personen dat in het plangebied verblijft, naar verwachting niet toe, gezien de aard van het gebruik van de loods en de reden voor de ontwikkeling. Omdat het bedrijfsperceel in vorm en omvang wijzigt, kan deze wel van belang zijn in het kader van externe veiligheid. Op basis van de risicokaart van de provincie Gelderland is daarom een inventarisatie gemaakt van de risicobronnen in en rondom de planlocatie, die een extern veiligheidsrisico kunnen veroorzaken. In figuur 4.1 is een uitsnede opgenomen van de risicokaart.

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0335BUITBaltssnw52-ONT1_0006.png"  
Figuur 4.1: uitsnede risicokaart (bron: http://www.risicokaart.nl), geraadpleegd op 7 januari 2020, met ligging plangebied in zwarte cirkel aangegeven  

De informatie van de provinciale risicokaart levert de volgende inzichten op.

Transportroutes
Het plangebied ligt op ± 2.100 meter van de spoorlijn Arnhem-Nijmegen en op ± 3.500 meter van de snelweg A50. Over deze transportassen vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Op basis van de regeling basisnet en de provinciale risicokaart is vastgesteld dat de plaatsgebonden risicocontour 10-6 van deze vier risicobronnen niet over het plangebied ligt.

Ten aanzien van het groepsrisico ligt het plangebied in het invloedsgebied van de spoorlijn Arnhem-Nijmegen en de snelweg A50. Ontwikkelingen binnen het invloedsgebied hebben mogelijk invloed op de hoogte van het groepsrisico. Echter is de afstand tussen het plan en de risicobronnen dermate groot (meer dan 200 meter), dat de wetgever heeft aangegeven dat het groepsrisico alleen beperkt verantwoord hoeft te worden. Hierdoor hoeft niet de hoogte van het groepsrisico in beeld gebracht te worden, maar enkel nog de aspecten zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid.

Buisleidingen
Op meer dan 2 kilometer zuidelijk en westelijk van het plangebied liggen enkele gasleidingen. Het plangebied is, vanwege de grote afstand tot deze tracees, niet gelegen binnen de plaatsgebonden risicocontour of het invloedsgebied van de leidingen. Dit vormt dan ook geen belemmering voor het plan.

Inrichtingen
Het plangebied ligt op minimaal 1.400 meter afstand van Bevi-inrichtingen. De plaatsgebonden risicocontouren en invloedsgebieden van dergelijke inrichtingen reiken niet over het plangebied. Deze vormen geen belemmering voor het plan.

Verantwoording groepsrisico
Het plan is gelegen in het invloedsgebied groepsrisico van twee transportroutes voor gevaarlijke stoffen. Conform vigerende wetgeving moet de gemeente hierdoor het groepsrisico verantwoorden. Meer specifiek gaat om de wettelijke verplichting op grond van Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) artikel 7 en 9 (zie onderdelen H en I) vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over de spoorlijn Arnhem-Nijmegen en de snelweg A50. De gemeente heeft bij het invullen van de verantwoordingsplicht een grote mate van beoordelingsvrijheid. Ten aanzien van de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid heeft de veiligheidsregio adviesrecht.

Omdat het aantal structureel in het plangebied aanwezige personen naar verwachting niet wijzigt, heeft het plan geen invloed op de hoogte van het groepsrisico. Daarom wordt enkel ingegaan op de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid.

Bestrijdbaarheid
Bij een calamiteit zal de brandweer zich inzetten om effecten ten gevolge van het incident met toxische stoffen te beperken. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron. De brandweer richt zich dan niet direct op het bestrijden van effecten in of nabij het plangebied. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen.

Zelfredzaamheid
Bij een calamiteit is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij een incident. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS palen) en NL-Alert. Bij een scenario waarin toxische stoffen vrijkomen is het advies om te schuilen in een gebouw, waarvan ramen, deuren en ventilatie gesloten kunnen worden. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid zijn in de reeds bestaande bebouwing voldoende.

Conclusie
Het plan ligt buiten de plaatsgebonden risicocontour 10-6 van een inrichting, buisleiding en transportroute met een externe veiligheidsrisico. De plaatsgebonden risicocontour van de diverse risicobronnen vormt geen belemmering voor de realisatie van het plan.

Ten aanzien van het groepsrisico ligt het plangebied in het invloedsgebied van de spoorlijn Arnhem-Nijmegen en de snelweg A50. Op basis van de beperkte verantwoording groepsrisico (zie hierboven) kan worden geconcludeerd dat het ruimtelijke initiatief geen effect heeft op het groepsrisico, dan wel de mogelijkheden voor de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Daarmee is het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de realisatie van het plan.

5.8 Explosieven

De huidige gemeente Overbetuwe en buurgemeente Lingewaard maakten vanaf het begin van de geallieerde luchtlandingsoperatie 'Market Garden' op 17 september 1944 tot aan de bevrijding van Arnhem op 14 april 1945 deel uit van het frontgebied tussen de Duitsers en de Geallieerden. Overbetuwe en Lingewaard werden in hun geheel als oorlogsgebied beschouwd. Er is een gevechtspauze geweest na het oversteken van de brug bij Nijmegen. Het gebied is gedurende acht maanden frontgebied geweest waarbij het volledige eiland (gebied tussen de Rijn en de Waal) geëvacueerd is. Tevens zijn er in die periode hevige bombardementen uitgevoerd. Tijdens de inventarisatie van oorlogsgegevens zijn 104 vliegtuigcrashes opgetekend en meer dan 1.000 oorlogsgraven. Door de oorlogshandelingen ontstonden er gebieden waarvan de bodem sterk met oorlogsmateriaal werd belast, wat op dit moment nog gevaar kan opleveren voor mens en dier. De Explosieven Opruimings Dienst Defensie (EODD) gaat er in 2014 vanuit, dat slechts 35% van de munitie inmiddels uit de grond is verwijderd. Dit betekent dat we de komende decennia nog met deze explosieve erfenis te maken zullen hebben en er kans bestaat dat in het plangebied nog sprake is van onontplofte munitie.

Beoordeling en conclusie
Bij bodemroerende werkzaamheden, zoals het oprichten van gebouwen, graafwerkzaamheden, aanleg van kabels en leidingen en het uitvoeren van bepaalde onderzoeken, is de aanwezigheid van mogelijke niet-gesprongen explosieven (NGE's) van belang. Hoewel er na de Tweede Wereldoorlog op een deel van het uitbreidingsperceel geen sprake is geweest van bouwactiviteiten op het uitbreidingsterrein waar de loods grotendeels wordt voorzien, is de kans dat er NGE's aanwezig zijn daar waar de bodem geroerd wordt, gering. Op het andere perceelsdeel is in de huidige situatie al bebouwing en verharding aanwezig. In het kader van dit bestemmingsplan vormen NGE's naar verwachting dus geen belemmering.

5.9 Kabels en leidingen

Het verrichten van werkzaamheden in de nabijheid van hoogspanningsmasten en -kabels en dergelijke, kan gevaar met zich meebrengen. Om dit gevaar zoveel mogelijk te beperken, moet de (leiding)beheerder aangeven onder welke voorwaarden de werkzaamheden veilig plaats kunnen vinden.

Beoordeling en conclusie
In het plangebied en in de directe omgeving zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig. Dit aspect levert dan ook geen belemmeringen op voor het plan.

5.10 Waterparagraaf

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder b) moet inzicht worden gegeven in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Daarbij zijn de hierna beschreven beleidsstukken van belang.

Rijksbeleid
Nationaal waterplan
In december 2015 stelde het kabinet het Nationaal Waterplan vast. Dit plan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016-2021 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water, en diverse vormen van gebruik van water. Ook worden de maatregelen genoemd die hiertoe worden genomen.

Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie.

Provinciaal beleid
Provinciaal Waterplan
In het Waterplan Gelderland is het waterbeleid beschreven aan de hand van een aantal thema's, zoals landbouw, wateroverlast, watertekort, natte natuur, grondwaterbescherming en hoogwaterbescherming. Voor deze thema's is beschreven welke doelstellingen voor 2027 en 2015 er liggen. Daarbij is beschreven hoe de provincie voor de planperiode de uitvoering van acties ziet om die doelstellingen te bereiken. Bij sommige thema's gelden aanvullende waterdoelstellingen voor specifieke waterhuishoudkundige functies.

Waterschap Rivierenland
Waterbeheerplan 2016-2021
Dit plan, vastgesteld op 27 november 2015, gaat over het waterbeheer in het hele rivierengebied en het omvat alle watertaken van het waterschap: waterkwantiteit, waterkwaliteit, waterkering en waterketen. In het Waterbeheerplan staat wat Waterschap Rivierenland de komende periode gaat doen om inwoners van het rivierengebied veiligheid en voldoende schoon en mooi water in sloten en plassen te kunnen blijven bieden. Het plan is in samenwerking met onder meer de gemeente Overbetuwe opgesteld.

Keur Waterschap Rivierenland 2014
Voor waterhuishoudkundige ingrepen is de 'Keur Waterschap Rivierenland 2014' van toepassing. De Keur is een waterschapsverordening die gebods- en verbodsbepalingen bevat met betrekking tot ingrepen, die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. Zo is het onder andere verboden om handelingen te verrichten waardoor het onderhoud, aanvoer, afvoer en/of berging van water kan worden belemmerd, zonder een ontheffing van het Waterschap. De wateren en waterkeringen waarop de keur van toepassing is, zijn vastgelegd in de legger wateren.

Realisatie van nieuwe bebouwing en/of verhard oppervlak moet hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. Bij het toevoegen van bebouwing of verharding geldt een compensatieplicht. Er geldt een eenmalige vrijstelling van de compensatieplicht wanneer minder verharding dan 500 m² in stedelijk gebied of minder dan 1.500 m² in landelijk gebied wordt toegevoegd.

Gemeente Overbetuwe
Waterplan Overbetuwe
In 2008 stelde de gemeente Overbetuwe in samenwerking met het Waterschap Rivierenland het Waterplan Overbetuwe vast. Het waterbeheerplan van het waterschap is later geactualiseerd (zie hierboven), ook in samenwerking met onder meer de gemeente Overbetuwe. Beide plannen gelden naast elkaar.

In het Waterplan Overbetuwe wordt het beleidskader geschetst en worden concrete maatregelen voor het watersysteem uitgewerkt. Naast het waterplan wordt parallel een Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) opgesteld waarin de maatregelen voor de riolering (waterketen) worden uitgewerkt.

Met het opstellen van een waterplan wordt inzicht gegeven in de relevante wateropgaven voor de gemeente Overbetuwe, zoals:

  • wateroverlast, het zoeken van oplossingen om wateroverlast tegen te gaan;
  • waterkwaliteit, het onderzoeken van mogelijkheden voor het verbeteren van de waterkwaliteit;
  • grondwater, het inventariseren van grondwateroverlast;
  • beleving van water, burgers betrekken bij water;
  • afspraken en taken van waterschap en gemeente.


Beoordeling (watertoets)
Het plan voorziet in de uitbreiding van een bestaande bedrijfslocatie met een loods (circa 600 m²) en verharding. Daar staat tegenover dat aan de oostkant een gedeelte van het huidige verhard oppervlak wordt verwijderd. De totale omvang van de verharding is minder dan 1.500 m². Daarom is een compensatieverplichting niet aan de orde.

Hemel- en afvalwater zullen gescheiden worden afgevoerd. De ontwikkeling is hydrologisch neutraal.

De planvorming heeft geen negatieve invloed op oppervlaktewater. Aan de achterzijde van het perceel is een B-watergang aanwezig volgens de legger van het waterschap Rivierenland aanwezig. Deze bestaande watergang blijft intact. Er wordt geen bebouwing of verharding direct tegen de watergang gerealiseerd.

Conclusie
In waterhuishoudkundig opzicht zijn er geen bezwaren verbonden aan dit bestemmingsplan. De ontwikkeling wordt hydrologisch neutraal uitgevoerd en zijn er geen negatieve effecten op de waterhuishouding of op oppervlaktewater aan de orde.

5.11 Flora en fauna

De bescherming van de natuur is sinds 1 januari 2017 vastgelegd in de Wet Natuurbescherming (Wnb). Deze heeft de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet vervangen. De Wnb geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan moet worden onderzocht of de Wnb de uitvoering van het plan niet in de weg staat in verband met de bescherming van gebieden en dier- en plantsoorten. De provincies zijn het bevoegd gezag voor zowel de gebieds- als de soortenbescherming.

Gebiedsbescherming
In de Wnb is de bescherming opgenomen van Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan moet worden onderzocht of dit plan, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan alleen worden vastgesteld als uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Als deze zekerheid er niet is, kan het plan worden vastgesteld als wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:

  • alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden;
  • het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en
  • de noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.

Het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen: Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones. Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime. Het NNN is op provinciaal niveau uitgewerkt in het Gelders Natuurnetwerk (GNN) met de bijbehorende Groene Ontwikkelingszones (GO). Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen.

Soortenbescherming
In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen:

  • 1. soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn;
  • 2. soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn;
  • 3. de bescherming van overige soorten.

Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag.

Beoordeling
Het plan betreft het realiseren van een nieuwe bedrijfsloods, inclusief een vormverandering met uitbreiding van het bedrijfsperceel. Ten behoeve van de nieuwe loods wordt een bestaand bouwwerk gesloopt. De nieuwe loods en het nieuwe perceelsdeel worden deels op een bestaand bedrijfsperceel en deels op een onverhard perceel, waar momenteel gras aanwezig is, voorzien. De voor de ontwikkeling benodigde ingrepen betreffen met name de sloop van het bestaande bouwwerk, realisatie van de nieuwe loods, het verharden van het terreindeel waar momenteel gras aanwezig is, het verwijderen van verharding en het omzetten van een strook agrarische grond naar een groenvoorziening. Gezien de aard van de ingrepen en het huidige gebruik c.q. de huidige inrichting van de betreffende gronden, zijn negatieve effecten op beschermde soorten als gevolg van deze ingrepen redelijkerwijs uit te sluiten. Bij de uitvoering van de werkzaamheden moet de algemene zorgplicht in acht worden genomen. Bij voorkeur wordt rekening gehouden met het broedseizoen voor algemene vogelsoorten. Het aspect soortenbescherming staat de ontwikkeling niet in de weg.

Het plangebied ligt niet in een Natura 2000-gebied. Dergelijke gebieden liggen op circa 700 meter afstand van het plangebied (Rijntakken). Negatieve externe effecten in de vorm van stof-, licht- en geluidhinder, verstoring, en dergelijke zijn gezien deze afstand op voorhand uitgesloten. De ontwikkeling is kleinschalig in omvang en leidt niet tot een structurele toename van bedrijfsactiviteiten. Gezien de relatief korte afstand tot Natura 2000-gebieden, is op voorhand echter niet uitgesloten dat een toename van stikstofdepositie op gevoelige habitats in Natura 2000-gebieden optreedt. Daarom is een stikstofdepositieberekening door middel van de Aerius-calculator uitgevoerd voor de aanleg- en gebruiksfase. De berekeningen, inclusief een toelichtende beknopte rapportage, zijn opgenomen in Bijlage 1. Uit de berekeningen blijkt dat er geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jr op treden in zowel de aanleg- als de gebruiksfase. De uitgangspunten van de berekeningen zijn in de bijlage beschreven. Negatieve externe werking op Natura 2000-gebieden kan daarom worden uitgesloten.

Externe effecten op het GNN zijn evenmin aan de orde. De planlocatie ligt niet in de directe omgeving van een dergelijk gebied. Wel ligt het plangebied binnen een Groene Ontwikkelingszone. Hierop is in paragraaf 4.2 nader ingegaan.

Wat betreft gebiedsbescherming zijn er geen belemmeringen voor het plan.

Conclusie
Negatieve effecten op beschermde soorten en natuurgebieden zijn op voorhand uit te sluiten. Ten aanzien van beschermde soorten is de algemene zorgplicht van toepassing.

5.12 Archeologie en cultuurhistorie

De bescherming van archeologisch en cultureel erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening moet in het plan rekening worden gehouden met cultuurhistorische waarden.

De gemeente Overbetuwe heeft voor haar gemeentelijk grondgebied een erfgoedplan en een archeologische beleidsadvieskaart gemaakt. Het erfgoedplan beoogt versterking van de plaats en betekenis van cultuurhistorie als factor in het ruimtelijk beleidsproces.

Beoordeling en conclusie
In het plangebied geldt deels een hoge en deels een zeer hoge archeologische verwachtingswaarde op basis van de beleidskaart en het huidige bestemmingsplan. Ter plaatse van de beoogde nieuwe loods geldt hoofdzakelijk een zeer hoge verwachtingswaarde. De drempelwaarden voor een archeologische onderzoeksplicht (50 m², diepte van 0,30 meter) worden in oppervlakte overschreden, maar de werkzaamheden zullen naar verwachting niet dieper dan 0,30 meter plaatsvinden. Een deel van de loods wordt bovendien gerealiseerd ter plaatse van bestaande verharding en bebouwing. Archeologisch onderzoek is daarom vooralsnog niet aan de orde. De huidige archeologische dubbelbestemmingen worden in het plan gehandhaafd.

Het plangebied maakt volgens de provinciale Omgevingsverordening tevens onderdeel uit van de Romeinse limes. Nieuwe ontwikkelingen mogen de kernkwaliteiten van de Romeinse Limes niet aantasten (artikel 2.60). Deze kernkwaliteiten bestaan uit: forten (castella), burgerlijke nederzettingen, kampdorpen (vici) grafvelden, de militaire infrastructuur, bestaande uit wegen, waterwerken en wachttorens en scheepswrakken. Met het plan worden deze kernkwaliteiten niet aangetast. De uitbreiding van het bedrijfsperceel vindt plaats op een perceelsdeel dat momenteel als grasland is ingericht. Daarnaast wordt gedeeltelijk gebruik gemaakt van een bestaand bedrijfsperceel. Kenmerken van de Romeinse limes zijn in en rondom het plangebied niet zichtbaar of herkenbaar. Het plan is in overeenstemming met artikel 2.60 van de Omgevingsverordening.

Cultuurhistorisch waardevolle gebouwen, gebieden en elementen zijn in de omgeving van het plangebied niet aanwezig. Dit aspect levert geen belemmeringen op.

5.13 Verkeer en parkeren

Parkeren
In de toekomstige situatie moeten voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein aanwezig zijn. Hierbij moet worden voldaan aan de Nota Parkeernormen gemeente Overbetuwe 2016. Het bedrijf in het plangebied betreft een installatiebedrijf en kan worden aangemerkt als een arbeidsextensief/bezoekersextensief bedrijf. Op de locatie zelf vinden namelijk beperkt werkzaamheden plaats. De nieuwe loods wordt uitsluitend gebruikt ten dienste van opslag en stalling, wat momenteel in de buitenlucht plaatsvindt. Realisatie van de nieuwe loods leidt naar verwachting feitelijk niet tot een toename van de parkeerbehoefte. De parkeernorm voor een arbeidsextensief/bezoekersextensief bedrijf in het buitengebied is volgens de parkeernota 1,3 parkeerplaatsen per 100 m² (bruto vloeroppervlak, bvo). In de toekomstige situatie is het bvo van het bedrijf circa 1.000 m² (400 m² bestaand bedrijfsgebouw, 600 m² nieuwe opslagloods). Dit betekent een theoretische parkeerbehoefte van 13 parkeerplaatsen. De daadwerkelijke behoefte is aanzienlijk lager. Aan de voorzijde van het perceel zijn circa 6 vaste parkeerplaatsen aanwezig. Deze worden behouden. Daarnaast is op het voorerf na verwijdering van de huidige buitenopslag op de te behouden verharding nog in ruime mate eventuele extra parkeergelegenheid aanwezig. Hiermee kan op eigen terrein worden voldaan aan de parkeernorm.

Verkeer
De ontwikkeling betreft een kleinschalige uitbreiding van een bestaand bedrijf. Er wordt een nieuwe loods van circa 600 m², ten dienste van opslag van materieel opgericht. Dit materieel wordt momenteel in de buitenlucht of elders opgeslagen. De verwachting is dat er per saldo geen sprake zal zijn van een toename van het aantal verkeersbewegingen van en naar het plangebied in vergelijking met de huidige situatie. In de huidige situatie zijn er 2-3 vrachtwagens per dag, die de locatie aandoen (maximaal 6 mvt/etmaal met vrachtwagens). In de nieuwe loods kan het materieel efficiënter en langer worden opgeslagen, waardoor een marginale vermindering van het aantal verkeersbewegingen verwacht wordt. De overige bedrijfsactiviteiten blijven gelijk naar aard en omvang. De ontsluiting van het perceel zal niet wijzigen. Er is een brede oprit aan de Baltussenweg aanwezig, die zowel voor het bedrijf als de bedrijfswoning in gebruik blijft.

Voor wat betreft de verkeersafwikkeling zijn er geen belemmeringen te verwachten.

Hoofdstuk 6 Juridische planopzet

6.1 Algemene opzet

Inleiding
Dit hoofdstuk bevat de concrete vertaling van het beleidsgedeelte en het initiatief (voorafgaande hoofdstukken) in het juridisch gedeelte van het bestemmingsplan (de verbeelding en regels).

Het bestemmingsplan 'Buitengebied, Baltussenweg 52, 52a, Driel' bestaat uit de volgende onderdelen:

De toelichting
In de toelichting is de ontwikkeling verantwoord, zowel op basis van het beleid, als op basis van milieu-hygiënische aspecten, aangevuld met een toelichting op de juridische opzet.

De regels
De bouw- en gebruiksregels zijn binnen de verschillende bestemmingen opgenomen. Daarnaast zijn waar nodig afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden opgenomen, om het plan de benodigde flexibiliteit te geven. Ook zijn algemene regels opgenomen, die binnen alle bestemmingen van toepassing zijn.

De verbeelding
Op de verbeelding zijn de bestemmingen 'Agrarisch met waarden', 'Bedrijf', 'Groen', en 'Waarde - Archeologische verwachting 1 en 2' opgenomen, met de daarbij behorende aanduidingen en een bouwvlak. Deze worden waar nodig in paragraaf 6.2 toegelicht.

De opzet van het plan
Het bestemmingsplan is een juridisch plan dat bindend is voor de burgers en voor de overheid. Qua systematiek is zoveel mogelijk aangesloten bij het huidige bestemmingsplan 'Buitengebied Overbetuwe'. Op enkele onderdelen is maatwerk voor het initiatief toegepast.

Bouwplan
Als een aanvraag om omgevingsvergunning ingediend wordt, zijn in eerste instantie de bestemming met bijhorende regels van belang. Als het nieuwe en het beoogde gebruik past binnen de toegekende bestemming, dan kan de omgevingsvergunning worden verleend.

6.2 Toelichting op de verbeelding en regels

Op de verbeelding zijn de bestemmingen onderscheiden. De bestemmingen zijn afgeleid uit het gebruik (de aanwezige functies). De bestemmingen vormen het zogenaamde casco van het plan, waarvan in beginsel niet mag worden afgeweken.

Agrarisch met waarden
De gronden ten oosten van de houtwal krijgen de bestemming 'Agrarisch met waarden'. Dit sluit aan bij de bestemming van de aangrenzende gronden. Deze gronden zijn primair bestemd voor agrarische doeleinden, maar tevens voor onder meer extensieve dagrecreatie en behoud, herstel en ontwikkeling van kleinschalige landschapselementen. Binnen de bestemming mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd.

Bedrijf
Het toekomstige bedrijfsperceel is geheel bestemd als 'Bedrijf' met de functieaanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - installatiebedrijf'. Ter plaatse is uitsluitend een installatiebedrijf toegestaan, met één bedrijfswoning. Voor de nieuwe loods is een nadere specificatie opgenomen; deze mag uitsluitend worden gebruikt voor opslag en stalling ten behoeve van het bedrijf. Hiertoe is een functieaanduiding 'opslag' opgenomen op de verbeelding. Ingebruikname van de nieuwe bebouwing en gronden is uitsluitend toegestaan op voorwaarde dat de landschappelijke inpassing (houtwal) met inachtname van de beplantingslijst en -wijze, opgenomen in de bijlage, tijdig is gerealiseerd en deze in stand wordt gehouden.

De bestemming is voorzien van één bouwvlak, bestaande uit het bestaande bouwvlak plus de nieuwe loods (uitbreiding met circa 20x30 meter). Bedrijfsgebouwen en de bedrijfswoning mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd. De maximum goot- en bouwhoogte voor de bedrijfsgebouwen zijn op de verbeelding aangegeven en bedragen respectievelijk 4,5 en 7 meter. Voor bijgebouwen bij de bedrijfswoning, alsmede voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn specifieke bouwregels opgenomen. Deze mogen ook buiten het bouwvlak worden gebouwd.

Groen
De houtwal en de bijbehorende onderhoudsstrook van 5 meter breedte hebben de bestemming 'Groen' gekregen. Deze gronden zijn primair bestemd voor groenvoorzieningen. Binnen de bestemming mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd.

Waarde - Archeologische verwachting 1 en 2
In het plan is de archeologische beleidskaart vertaald in twee dubbelbestemmingen, ten behoeve van het behoud en de bescherming van archeologische waarden in of nabij het plangebied. Zie hierover ook paragraaf 5.12. Deze dubbelbestemmingen zijn gehandhaafd, omdat er in het kader van het plan geen onderzoeksplicht aan de orde is.

Naast de betreffende dubbelbestemming hebben de betrokken gronden altijd nog de betreffende hoofdbestemming. De regels van de hoofdbestemming en de dubbelbestemming zijn beide van toepassing, maar bij strijd tussen deze bepalingen prevaleren de bepalingen van de dubbelbestemming. De reden hiervoor is dat de belangen van de dubbelbestemming zwaarder wegen dan die van de hoofdbestemming. De dubbelbestemmingen bevatten een omgevingsvergunningplicht en plicht tot het doen van archeologisch onderzoek voor bodemingrepen dieper dan 0,3 meter onder het maaiveld en met een omvang groter dan 50 m² respectievelijk 100 m².

Algemene regels
Anti-dubbeltelregel
Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.

Algemene bouwregels
In dit artikel is een regeling voor het ondergronds bouwen opgenomen.

Algemene gebruiksregels
Deze bepaling bevat de vormen van gebruik, die in ieder geval strijdig zijn met de regels van het bestemmingsplan voor alle opgenomen bestemmingen.

Algemene aanduidingsregels
Het plangebied behoort tot een gebied dat is aangewezen als een gebied waarin een ecologische verbinding gerealiseerd wordt. De huidige gebiedsaanduiding is met dit plan overgenomen. In dit artikel worden regels gesteld, die aanvullend van toepassing zijn bij toepassing van een in het plan opgenomen afwijkings- of wijzigingsbevoegdheid.

Algemene afwijkingsregels
In dit artikel wordt een opsomming gegeven van de regels waarvan door middel van een omgevingsvergunning afgeweken kan worden van het bestemmingsplan. Het gaat hierbij om de bevoegdheid om door middel van een omgevingsvergunning af te kunnen wijken van de regels die gelden voor alle bestemmingen in het plan. De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven. Opgenomen zijn bevoegdheden voor kleine afwijkingen in maatvoeringen, de inhoud van de woning, bouwgrenzen en voor ondergronds bouwen.

Algemene wijzigingsregels
In dit artikel wordt een opsomming gegeven van de regels waarvan door middel van een wijzigingsplan afgeweken kan worden van het bestemmingsplan. Dit betreft kleine wijzigingen van de bestemmingsgrenzen.

Algemene procedureregels
In dit artikel wordt aangegeven op welke wijze de uitvoerbaarheid van een wijzigingsplan, waarbij gebruik wordt gemaakt van een in het plan opgenomen wijzigingsbevoegdheid, in ieder geval moet worden aangetoond.

Overgangs- en slotregels
Overgangsrecht
Het voor alle bestemmingsplannen verplichte overgangsrecht is opgenomen. Bouwwerken, welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een omgevingsvergunning voor het bouwen is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bebouwingsregels. De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen kan worden verleend. Burgemeester en wethouders kunnen in beginsel dus nog gewoon gebruik maken van hun handhavingsbevoegdheid. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan, mag eveneens worden voortgezet.

Slotregel
Dit artikel geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald.

Hoofdstuk 7 Financiële toelichting

Uitgangspunt voor de ontwikkeling is dat deze voor de gemeente budgetneutraal wordt ontwikkeld. Op grond van artikel 6.12 lid 1 Wet ruimtelijke ordening (Wro) is de gemeenteraad van Overbetuwe verplicht om, als sprake is van een bouwplan, de gemeentelijke kosten te verhalen. Dit bestemmingsplan voorziet niet in een bouwplan. Er is weliswaar sprake van een uitbreiding van een hoofdgebouw, maar de uitbreiding is minder dan 1.000 m² (namelijk ongeveer 600 m²).

Er is geen verplichting tot kostenverhaal. Wel is met de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst en een planschadeovereenkomst gesloten. In deze overeenkomst zijn afspraken gemaakt over het verhaal van kosten. Dit is daarin op afdoende wijze vastgelegd.

Met de afgesloten overeenkomsten is de financiële haalbaarheid in voldoende mate aangetoond.

Hoofdstuk 8 Overleg en inspraak

8.1 Inleiding

De procedures voor vaststelling van een bestemmingsplan zijn door de wetgever geregeld. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties waar nodig overleg over het plan moet worden gevoerd, voordat een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Bovendien kan het noodzakelijk zijn om belanghebbenden de gelegenheid te bieden om hun visie over het plan te kunnen geven. Dit is afhankelijk van de inspraakverordening van de gemeente. Pas daarna kan de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van het plan van start gaan.

8.2 Inspraak

De Wro zelf bevat geen bepalingen over inspraak. Dat neemt niet weg dat het de gemeente vrij staat toch inspraak te verlenen op grond van de gemeentelijke inspraakverordening. In relatie daarmee bepaalt artikel 150 van de Gemeentewet onder meer dat in een gemeentelijke inspraakverordening moet worden geregeld op welke wijze personen en rechtspersonen hun mening kenbaar kunnen maken. Voor dit bestemmingsplan heeft, gezien de aard en kleinschalige omvang van de wijziging, geen inspraak plaatsgevonden. Wel heeft de initiatiefnemer voorafgaand aan de publicatie van het ontwerpbestemmingsplan een informatieavond voor omwonenden gehouden. Dit in verband met bezwaren van omwonenden tegen een eerder ingediend plan van de initiatiefnemer. De informatieavond heeft op 16 oktober 2019 plaatsgevonden. De initiatiefnemer heeft het initiatief toegelicht en vragen van de aanwezigen beantwoord. Specifiek is onder meer ingegaan op de hoogte en uitstraling van het nieuwe bedrijfsgebouw, op de redenen waarom verplaatsing van het bedrijf niet reeël en niet wenselijk is en op het aantal transportbewegingen. Er wordt een tweede bijeenkomst georganiseerd, waarin ook 3D-tekeningen van het nieuwe gebouw worden gepresenteerd.

8.3 Overleg

Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) geeft aan dat het bestuursorgaan, dat belast is met de voorbereiding van een ruimtelijk plan, overleg pleegt met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen. Ook moet overleg worden gepleegd met die diensten van provincie en Rijk, die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of die belast zijn met de behartiging van belangen, welke in het plan in het geding zijn. Het bestemmingsplan wordt in het vooroverleg aan de overlegpartners gestuurd.

8.4 Vaststellingsprocedure

De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan vindt plaats volgens artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening. Het ontwerpbestemmingsplan wordt in dit kader gedurende zes weken ter inzage gelegd. Gedurende deze periode kan een ieder zijn zienswijzen kenbaar maken op het plan. Eventuele zienswijzen worden samengevat en van een reactie voorzien. Waar nodig wordt het plan aangepast.

Het plan wordt vervolgens, al dan niet gewijzigd, ter vaststelling aangeboden aan de gemeenteraad van Overbetuwe.

8.5 Beroep

Na vaststelling wordt het bestemmingsplan voor de tweede maal zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking.