direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Zetten, begraafplaats en Hoofdstraat ongenummerd (ten noorden van nr. 57)
Status: onherroepelijk
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1734.0274ZTTNbgrfplaats-VSG2

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Ten noordwesten van Zetten ligt een agrarisch/bosperceel. De grond is in eigendom van stichting "Stichting Lijndensch Fonds voor Kerk en Zending", waarvan een gedeelte in erfpacht is aan de gemeente Overbetuwe. Stichting Lijndensch Fonds voor Kerk en Zending (hierna ook te noemen: de Stichting) is op verzoek van de gemeente bereid om een begraafplaats op deze planlocatie te realiseren. In Zetten bestaat namelijk een grote wens om een algemene begraafplaats te realiseren, omdat er momenteel uitsluitend kerkgebonden begraafplaatsen in deze kern aanwezig zijn. Het voornemen bestaat om het oostelijk perceelsgedeelte, nabij het Zettense Pad, in te richten met kleinschalige recreatieve functies.

Op het nabij gelegen perceel aan de Hoofdstraat (ten noorden van nr. 57) wil de Stichting een woongebouw realiseren. Een eventuele combinatie met zorg en/of kamerverhuur (onzelfstandige woonruimten) is hierbij toegestaan.

Het planvoornemen op beide planlocaties past niet binnen de huidige bestemming 'Agrarisch'. Een herziening van het bestemmingsplan is dan ook noodzakelijk. Dit bestemmingsplan 'Zetten, begraafplaats en Hoofdstraat ongenummerd (ten noorden van nr. 57)' maakt de gewenste ontwikkeling van een begraafplaats, extensieve recreatieve functies alsmede de bouw van een woongebouw ten noorden van Hoofdstraat 57 mogelijk. Het bestemmingsplan bepaalt de kaders waarbinnen deze ontwikkelingen kunnen plaatsvinden.

1.2 Ligging plangebied

De beoogde locatie voor de begraafplaats ligt aan de noordwestkant van Zetten, tegen de bebouwde kom van deze kern aan. Het terrein is aan de zuidkant toegankelijk via de Burgemeester Lewe van Aduardstraat. Deze planlocatie wordt aan de zuidkant begrensd door de woonpercelen aan de Dr. A. R. Holstraat en Burgemeester Lewe van Aduardstraat, aan de oostkant door het Zettensepad en aan de noord-, west- en zuidwestkant door agrarische percelen en bospercelen.

De beoogde locatie voor het woongebouw is een onbebouwd agrarisch perceel aan de noordkant van de bebouwde kom van Zetten. Het perceel ligt aan de rand van de kern Zetten. Aan de oostkant wordt het perceel begrensd door de Hoofdstraat en aan de westkant door een agrarisch perceel.

Op afbeelding 1 is de globale ligging van het plangebied in groter verband weergegeven. Daaronder is een luchtfoto afgebeeld waarop de ligging van het plangebied in de nabije omgeving te zien is. De exacte begrenzing van het plangebied staat op de verbeelding van dit bestemmingsplan.

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0274ZTTNbgrfplaats-VSG2_0001.png"  
afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0274ZTTNbgrfplaats-VSG2_0002.png"  
Afbeelding 1: boven: globale ligging plangebied in groter verband, onder: gedetailleerde ligging plangebied (bron: Bing Maps)  

1.3 Vigerende bestemmingsplannen

In het plangebied geldt momenteel het bestemmingsplan 'Zetten - Hemmen', dat op 24 oktober 2017 is vastgesteld. Op afbeelding 2 is een uitsnede van de verbeelding behorende bij dit bestemmingsplan opgenomen.

Locatie begraafplaats
Op de planlocatie bij de beoogde begraafplaatsen gelden de bestemmingen en 'Agrarisch' en 'Agrarisch met waarden'. De tussenliggende gronden hebben de bestemming 'Bos'. Er zijn geen bouwvlakken in het plangebied opgenomen. Daarnaast gelden op een gedeelte van de locatie de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie' en 'Waarde - Archeologische verwachting 2 en 3'.

Locatie Hoofdstraat ong.
Ter plaatse van het woonperceel aan de Hoofdstraat ongenummerd gelden de bestemmingen 'Agrarisch' en 'Waarde - Archeologische verwachting 1, 2 en 3'. Op de locatie is geen bouwvlak opgenomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0274ZTTNbgrfplaats-VSG2_0003.png"  
Afbeelding 2: Uitsnede bestemmingsplan 'Hemmen - Zetten' (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl).  


Het voornemen op beide planlocaties is ruimtelijk en functioneel niet mogelijk op basis van het bestemmingsplan 'Hemmen - Zetten'. De agrarische en bosbestemmingen laten de ontwikkeling van een begraafplaats met een bijbehorend kleinschalig gebouw en het realiseren van een woongebouw niet toe. Een bestemmingsplanherziening is dan ook noodzakelijk. Dit bestemmingsplan 'Zetten, begraafplaats en Hoofdstraat ongenummerd (ten noorden van nr. 57)' maakt de ontwikkelingen op beide planlocaties mogelijk en schept de kaders waarbinnen deze kunnen worden gerealiseerd.

1.4 Leeswijzer

In hoofdstuk 2 is een beschrijving opgenomen van de huidige situatie in het plangebied en van de voorgenomen ontwikkelingen. Vervolgens wordt in hoofdstuk 3 ingegaan op het beleid dat relevant en van toepassing is op deze ontwikkelingen. Daarna worden in hoofdstuk 4 de relevante milieu- en omgevingsaspecten beschreven. Hoofdstuk 5 bevat de juridische vertaling van de gewenste ontwikkelingen. Daaropvolgend wordt de financiële haalbaarheid van het plan aangeduid. Afgesloten wordt met het hoofdstuk over de te volgen procedure (hoofdstuk 7).

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving

2.1 Huidige situatie

Het plangebied is gelegen in Zetten en maakt onderdeel uit van landgoed Hemmen. Het landgoed heeft een grondgebied ca. 700 ha. Het bestaat uit een afwisselend landschap van hoogstamboomgaarden tot weilanden afgezet met vlechtheggen. Daarnaast wordt het landschap gekenmerkt door weelderige waterpartijen en robuuste eikenlanen. Het plangebied is onder te verdelen in twee gedeelten (zie afbeelding 1): het plangebied voor de begraafplaats en dat voor het woongebouw.

Locatie begraafplaats
Deze planlocatie ligt ten noordwesten van het centrum van Zetten in het buitengebied van de gemeente. De directe omgeving van de planlocatie bestaat uit de kern Zetten en maatschappelijke voorzieningen in de vorm van scouting en een basisschool. Daarnaast ligt het plangebied nabij de kern Hemmen (noordzijde). De aangrenzende percelen bestaan uit agrarische gronden en bosgebied.

De planlocatie is geheel vrij van bebouwing. Een beperkt deel van de planlocatie bestaat uit een bos dat onderdeel uitmaakt van het Gelders Natuur Netwerk (zie paragraaf 3.2). Het overig gedeelte van het plangebied bestaat uit agrarische grond in de vorm van grasland. De planlocatie heeft een oppervlakte van ca. 4 ha.

Locatie Hoofdstraat ongenummerd
Deze planlocatie ligt in de bebouwde kom van Zetten. De directe omgeving bestaat voornamelijk uit woonpercelen. Ten noorden van de planlocatie is een Bed en Breakfast (B&B) "Betuwe Gaard" (Molenstraat 1) aanwezig. Aan de oostzijde sluit de planlocatie aan op een agrarisch perceel. De planlocatie is onbebouwd en in gebruik als agrarisch perceel. De planlocatie heeft een oppervlakte van ca. 2.700 m2.

2.2 Voorgenomen ontwikkeling

Locatie begraafplaats
De Stichting is voornemens om een begraafplaats op een deel van deze planlocatie te realiseren. Omdat er enkel kerkgebonden begraafplaatsen in Zetten aanwezig zijn, wordt het een algemene begraafplaats. Bij de begraafplaats wordt een knevelhuisje gerealiseerd en verder wordt een parkeervoorziening aangelegd, die aan de westkant wordt ontsloten op de Burgemeester Lewe van Aduardstraat. De begraafplaats krijgt een capaciteit van maximaal 400 graven.

Om de omgeving bij het natuurlijke karakter van het planvoornemen te betrekken, wordt tevens gefaciliteerd in extensieve recreatie. Het voornemen bestaat om het gebied tussen de nieuw te realiseren begraafplaats en het Zettense pad in te richten voor extensieve recreatie.

In afbeelding 4 is de beoogde situering en inrichting van de begraafplaats, de bijbehorende voorzieningen en de omgeving aangegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0274ZTTNbgrfplaats-VSG2_0004.png"  
Afbeelding 4: inrichtingsplan begraafplaats en omgeving  


Locatie Hoofdstraat ong.
Aan de Hoofdstraat in Zetten wil de Stichting een woongebouw realiseren, al dan niet in combinatie met zorgeenheden (zorgwoningen). Het voornemen is om in het gebouw maximaal 4 zelfstandige woonheden te realiseren, al dan niet in combinatie met zorgeenheden (zorgwoning) of kamerverhuur. Het maximum van 4 zelfstandige wooneenheden zal niet worden overschreden. Het woongebouw krijgt een goot- en bouwhoogte van maximaal 6 en 9,5 meter en wordt voorzien van één volwaardige verdieping, een begane grond en een zolder. Aan de voorkant (oostkant, georiënteerd op de Hoofdstraat) wordt een lagere goothoogte voorzien dan aan de achterkant. De gewenste situering van het woongebouw en een impressie van de bebouwing zijn in afbeelding 5 opgenomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0274ZTTNbgrfplaats-VSG2_0005.png"  
Afbeelding 5: impressie en situering van het beoogde woongebouw  

Hoofdstuk 3 Beleidskader

3.1 Rijksbeleid

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) en Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)
In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte staan de plannen van de Rijksoverheid voor ruimte en mobiliteit. Het Rijk streeft naar een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland. Om dit te kunnen bereiken, laat het Rijk de ruimtelijke ordening meer over aan de decentrale overheden (provincie en gemeenten) en komt de gebruiker centraal te staan. Het Rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 13 nationale belangen. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid.

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft richtlijnen voor de inhoud van bestemmingsplannen voor zover het gaat om ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang. De normering uit het Barro werkt zoveel mogelijk direct door op het niveau van de lokale besluitvorming. Bij besluitvorming over bestemmingsplannen moeten de regels worden gerespecteerd.

Beoordeling en conclusie
Dit bestemmingsplan maakt de realisatie van één woongebouw (bestaande uit maximaal 4 wooneenheden, zorgeenheden en/of kamers) op een onbebouwd agrarisch perceel mogelijk, alsmede de ontwikkeling van een begraafplaats op een bos- en agrarisch perceel. Verder worden kleinschalige, extensieve recreatieve activiteiten mogelijk gemaakt. Deze ontwikkelingen hebben, gezien de aard en de beperkte omvang daarvan, geen relatie met het ruimtelijke ordeningsbeleid op nationaal niveau.

Geconcludeerd wordt dat de initiatieven niet conflicteren met het nationaal ruimtelijk ordeningsbeleid.

Ladder voor duurzame verstedelijking
Per 1 oktober 2012 is in artikel 3.1.6 Bro een lid 2 ingevoegd waarin een motiveringsplicht is opgenomen voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen in bestemmingsplannen. In de toelichting van het bestemmingsplan moet, voor zover nieuwe stedelijke ontwikkelingen plaatsvinden, een verantwoording aan de hand van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. De eerste trede in deze ladder is een beschrijving dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een (actuele regionale) behoefte. Hierbij kan het gaan om zowel kwantitatieve als kwalitatieve aspecten. De tweede trede ziet op de vraag of de behoefte binnen het bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien.

Per 1 juli 2017 is een gewijzigde Ladder in werking getreden. Hierin is de tekst van de Ladder teruggebracht naar de essentie, namelijk de noodzaak om aan te geven dat de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte plus een motivering indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.”

Doorwerking plangebied
Dit bestemmingsplan voorziet enerzijds in de aanleg van een begraafplaats aan de kernrand van Zetten en anderzijds in de realisatie van een woongebouw met maximaal 4 woningen grenzend aan het bestaand stedelijk gebied.

Locatie Begraafplaats
Gezien de aard van de functie en het gegeven dat een gedeelte van de planontwikkeling voorziet in de realisatie van een begraafplaats met een groen karakter en het toevoegen van groene functies alsook natuur- en landschapswaarden is er geen sprake is van een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling' - en hoeft de Ladder voor Duurzame Verstedelijking niet doorlopen te worden voor deze functie. Dit volgt onder meer uit een uitspraak van de rechtbank waarbij is uitgesproken dat de aanleg van een begraafplaats niet aan te merken is als een nieuwe stedelijke ontwikkeling (Afdeling d.d.18 februari 2015/ECLI:NL:RVS:2015:448) omdat bij de aanleg van een begraafplaats waarbij zoals in dit geval geen bebouwing plaatsvindt, niet kan worden gesproken van een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, in samenhang met artikel 1.1.1, eerste lid, onder i, van het Bro. Aangezien er in het plan voor de begraafplaats voor Zetten geen sprake is van de toevoeging van stedelijke bebouwing (bijvoorbeeld een uitvaart- of rouwcentrum), kan worden gesteld dat hier geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling.

Daarbij komt de wens voor het aanleggen van een algemene begraafplaats voort uit de lokale vraag naar ruimte voor het kunnen begraven van overledenen. Er is in de kern Zetten geen algemene begraafplaats voorhanden. Er zijn uitsluitend kerkelijke begraafplaatsen. De vraag naar een algemene begraafplaats blijkt uit een burgerinitiatief (handtekeningenactie). Op basis daarvan heeft de gemeenteraad van Overbetuwe een motie aangenomen voor de realisatie van een algemene begraafplaats in Zetten. Gezien de aard van de functie is een rustige, door groen omgeven locatie aan de rand van de kern gezocht. De gekozen locatie ligt direct grenzend aan de bebouwde kom van Zetten.

Locatie Hoofdstraat ong.
Juridisch-planologisch worden er (maximaal) 4 extra woningen mogelijk gemaakt. Als het gaat om kleinschalige woningbouw, dan volgt uit de jurisprudentie dat de ladder niet van toepassing is. Waar de grens precies ligt hangt af van de omstandigheden van het geval. Een plan van 8 woningen vindt de Afdeling bestuursrechtspraak bijvoorbeeld kleinschalig (ABRvS, 24 december 2014, 201405237/1/R2), maar een plan met 14 woningen is dit niet meer (ABRvS 9 april 2014, 201307658/1/R4). In de regel wordt voor de 'grensbepaling' uiteindelijk aansluiting gezocht bij de minimumnorm van twaalf woningen uit de Crisis- en herstelwet. In dit geval is sprake van een planologische toename met 4 woningen. Gelet op de aard en omvang van de ontwikkeling en de toename van het aantal woningen, is er geen sprake van een stedelijke ontwikkeling. De ontwikkeling vindt plaats in de bebouwde kom, direct grenzend aan het stedelijk gebied. Artikel 3.1.6 lid 2 Bro is dan ook niet van toepassing op deze ontwikkeling.

Conclusie
Gezien het feit dat er met de ontwikkeling geen sprake is van toevoeging van stedelijke bebouwing en de gezien de aard van de functie in relatie tot de gekozen locatie in de bebouwde kom, gelegen tussen bestaande bebouwing, kan gesteld worden dat de ladder voor duurzame verstedelijking niet doorlopen hoeft te worden. Daarnaast is er voor wat betreft de begraafplaats sprake van een vooral lokale vraag en een aantoonbare behoefte.

De Wet op de lijkbezorging
Begraafplaatsen moeten voldoen aan de inrichtingseisen die de Wet (de Wet op de lijkbezorging, na nu 'Wlb' of 'de Wet') stelt. Het type begraafplaats is daarin niet leidend: de Wet kent dezelfde bepalingen voor een gemeentelijke als voor een bijzondere (kerkelijke) begraafplaats en maakt geen onderscheid voor de verschillende begraafplaatsvormen. Een natuurlijke begraafplaats onderscheidt zich in dat opzicht niet van een traditionele begraafplaats.

De Wet stelt geen eisen aan kwaliteitsaspecten noch aan capaciteitsaspecten. Wel kunnen de wettelijke bepalingen zorgen voor een bovengrens aan het aantal graven dat op de begraafplaats mogelijk is en daarmee de ruimtelijke kwaliteit waarin voorzien wordt. De maximale capaciteit (400 graven) is in het geval van de begraafplaats te Zetten met respect voor deze bepalingen vastgesteld door vooraf het gewenste beeld op de begraafplaats en het gewenste aantal graven te bepalen.

3.2 Provinciaal en regionaal beleid

Omgevingsvisie Gelderland
Provinciale Staten hebben de Omgevingsvisie Gelderland op 9 juli 2014 vastgesteld. Nadien zijn nog enkele actualisatieplannen vastgesteld, waarvan de meest recente in juli 2017 is vastgesteld. De provincie kiest er in de Omgevingsvisie voor om vanuit twee hoofddoelen bij te dragen aan gemeenschappelijke maatschappelijke opgaven. Deze zijn:

  • een duurzame economische structuur(versterking);
  • het borgen van de kwaliteit en veiligheid van onze leefomgeving.


Deze twee hoofddoelen benadrukken de rol en kerntaken van de provincie als middenbestuur. Zij beïnvloeden elkaar. Economische structuurversterking vraagt om een aantrekkelijk vestigingsklimaat. Dat is een goede bereikbaarheid en voldoende vestigingsmogelijkheden. Het betekent ook een aantrekkelijke woon- en leefomgeving met de unieke kwaliteiten van natuur, water en landschap in Gelderland. De provinciale hoofddoelen zijn uitgewerkt en vertaald in provinciale ambities, die moeten resulteren in een divers, dynamisch en mooi Gelderland.

Conclusie
De Omgevingsvisie is concreet uitgewerkt in de hierna beschreven Omgevingsverordening Gelderland. Deze bevat concrete regels, waaraan de voorliggende initiatieven worden getoetst. De Omgevingsvisie zelf bevat geen aanduidingen, die voor dit bestemmingsplan van belang zijn.

Omgevingsverordening Gelderland
Provinciale Staten hebben de Omgevingsverordening Gelderland vastgesteld op 24 september 2014. De meest recente actualisatie van de Verordening dateert van juli 2017.

De regels in de verordening hebben betrekking op het hele provinciale grondgebied, delen of gebiedsgerichte thema's. Gemeenten moeten binnen een bepaalde termijn hun bestemmingsplan afstemmen op de in de verordening opgenomen regels. De regels in de verordening zijn gebaseerd op de provinciale omgevingsvisie en hebben de status van algemeen verbindende voorschriften.

Thema Wonen
De Omgevingsverordening bevat concrete regels met betrekking tot het thema 'wonen'. Nieuwe woonlocaties zijn uitsluitend toegestaan wanneer dit past in het vigerende door Gedeputeerde Staten vastgestelde Kwalitatief Woonprogramma successievelijk de door Gedeputeerde Staten vastgestelde kwantitatieve opgave wonen voor de betreffende regio (artikel 2.2.1.1). De gemeente Overbetuwe heeft haar woningbouwprogramma, zowel kwalitatief als kwantitatief, vastgelegd in de Woonagenda 2020. De voorgenomen ontwikkeling betreft het toevoegen van 4 woningen c.q. zorgwoningen/kamers binnen de bebouwde kom op een inbreidingslocatie. Deze ontwikkeling past binnen het woningbouwprogramma zoals vastgelegd is in de Woonvisie. In paragraaf 3.3 onder 'Woonagenda Overbetuwe' wordt dit nader toegelicht.

Thema Gelders Natuur Netwerk
Een gedeelte van het plangebied behoort tot het Gelders Natuur Netwerk (GNN). In het binnen het GNN gelegen deel van het plangebied zullen geen graven worden aangelegd. Aanleg van graven is op basis van dit bestemmingsplan uitsluitend mogelijk binnen de bestemming 'Maatschappelijk - Begraafplaats', die aan weerszijden van het als GNN begrensde perceelsgedeelte ligt.

Conclusie
Dit bestemmingsplan is in overeenstemming met de Omgevingsverordening.

Regionaal Plan 2005-2020, Stadsregio Arnhem-Nijmegen
Het 'Regionaal Plan 2005-2020' is in 2006 door de Stadsregio Arnhem-Nijmegen vastgesteld met als doel bewoners, bedrijven en bezoekers aan de regio te binden door het verbeteren van condities voor 'het goede leven': het bieden van mogelijkheden voor prettig wonen en succesvol werken in een mooi, aantrekkelijk landschap en waar men zich snel en comfortabel kan verplaatsen. Het Regionaal Plan zet hiervoor de hoofdlijnen uit en biedt andere partijen aanknopingspunten om de komende jaren hieraan samen te werken. Er worden vier doelstellingen onderscheiden:

  • versterken van het economisch vestigingsklimaat;
  • verbetering van de bereikbaarheid;
  • vergroten van de toegankelijkheid en aantrekkelijkheid van het landelijk gebied voor de natuur en voor de recreatie;
  • verbeteren van de kwaliteit van het wonen in stad, dorp en landelijk gebied, waarbij de relatie met landschap, bereikbaarheid en voorzieningen kwaliteitsfactoren zijn.

Het Regionaal Plan is inmiddels onderdeel van de Omgevingsvisie Gelderland.

Conclusie
Locatie Begraafplaats
De ontwikkeling van de begraafplaats wordt aangegrepen om de ruimtelijke kwaliteit en toegankelijkheid van de omgeving te vergroten. De begraafplaats wordt op een natuurlijke wijze in het bestaande landschap ingepast. De extra beplanting ten behoeve van de begraafplaats sluit goed aan op het bestaande bos en vormt daarmee een versterking van de landschappelijke kwaliteit. Door de extra wandelmogelijkheden draagt dit initiatief bij aan de kwaliteit van het wonen in het dorp en is het initiatief van positieve invloed op de aantrekkelijkheid van het landelijk gebied.

Locatie Hoofdstraat ong. (woongebouw)
De Stadsregio zet met het plan in op het verbeteren van de bestaande kwaliteiten in stad en land boven nieuw ruimtebeslag. De voorgenomen ontwikkeling vindt plaats binnen de bebouwde kom van Zetten op een perceel gelegen tussen twee stedelijke functies. Daarmee past de ontwikkeling in deze kerndoelstelling. Bovendien wordt bijgedragen aan de vierde doelstelling: het verbeteren van de kwaliteit van wonen. Nieuwbouw leidt tot een aanheling van het bebouwingslint en in die zin tot verbetering van de ruimtelijke kwaliteit en het woonmilieu. De voorgenomen ontwikkeling is gezien het voorgaande dan ook in overeenstemming met het regionaal beleid.

Dit bestemmingsplan is in overeenstemming met het Regionaal Plan 2005-2025.

3.3 Gemeentelijk beleid

Toekomstvisie 2020+ Overbetuwe verbindt.
Op 8 september 2009 heeft de gemeenteraad van de Overbetuwe de 'Toekomstvisie 2020, Overbetuwe verbindt.' vastgesteld. De Toekomstvisie+ van Overbetuwe is het kader voor de ontwikkeling van de gemeente Overbetuwe tot 2020. De visie geeft een richting voor de ruimtelijke, maatschappelijke en economische ontwikkeling. De Toekomstvisie+ omvat het gehele gemeentelijke beleidsterrein. Voor wat betreft de ruimtelijke onderdelen is de Toekomstvisie+ te zien als structuurvisie in de zin van artikel 2.1 van de Wro voor het grondgebied van de gemeente Overbetuwe. In de Toekomstvisie zijn de aspecten leefomgeving, vergrijzing, economische gesteldheid (werk en werkgelegenheid) en duurzaamheid opgenomen om een gewenste identiteit uiteen te zetten. De opgave die is vastgelegd in de Toekomstvisie, is gebaseerd op een lagenbenadering.

In de gemeente Overbetuwe zijn 11 kernen van verschillende grootte en met verschillende identiteiten aanwezig. Behoud van de karakteristiek en (specifieke) kwaliteiten van de kernen is een speerpunt in het beleid.

Een andere belangrijke ontwikkeling is het kleiner worden van huishoudens. Hierdoor zijn, ook bij een gelijk blijvend aantal inwoners, meer wooneenheden nodig en is dus meer ruimte nodig. Ook het toenemende belang van de kwaliteit van de woonomgeving leidt tot een grotere ruimtebehoefte voor wonen. Extra aandacht dient te worden besteed aan kwaliteitsaspecten zoals een attractief, gezond en veilig woonmilieu. Verder moet rekening worden gehouden met de sterker wordende wens op een herkenbare en 'eigen' plek te wonen. Ook is sprake van een toenemende behoefte aan (on)zelfstandige betaalbare woonruimte voor jeugdigen. Ten slotte leiden de ontwikkelingen op de woningmarkt tot extra aandacht voor levensloopbestendige woningen.

Na 2010 komt het vergrijzingsproces in een stroomversnelling. Het aantal 65´ers is in 2015 met 70% toegenomen ten opzichte van 2008. Dit heeft verschillende effecten, waaronder een stijgende behoefte aan wooneenheden die in een bepaalde zorgbehoefte kunnen voorzien. Het aandeel ouderen en de vraag naar voorzieningen en huisvesting voor deze groep nemen toe. Ook zal de beroepsbevolking verouderen en op termijn afnemen.

Conclusie
Locatie begraafplaats
Gezien de veranderingen in de bevolkingssamenstelling (vergrijzing) ontstaat er op termijn behoefte aan begraafplaatsen. Deze behoefte is er in de huidige situatie al. Dit bestemmingsplan anticipeert op de veranderende bevolkingssamenstelling door het toevoegen van een openbare en toegankelijke voorziening.

Locatie Hoofdstraat ong.
De planlocatie Hoofdstraat ong. ligt in de bebouwde kom van Zetten. Bij groei van kernen gaat de Toekomstvisie+ uit van de bestaande contouren en uitbreidingsrichtingen.

Het plangebied ligt op een inbreidingslocatie. De beoogde bebouwing is qua hoogte en omvang passend in de omgeving. De locatie is een goed bereikbare woonlocatie op korte afstand van het centrum van Zetten en de uitvalswegen van deze kern. Met de mogelijkheden tot kamerverhuur en zorgwoningen, wordt ingespeeld op de toenemende behoefte aan betaalbare woonruimte voor jeugdigen en aan woonheden waarin een bepaalde zorgbehoefte kan worden voorzien.

Gelet op het voorgaande past dit bestemmingsplan in de Toekomstvisie+.

Woonagenda Overbetuwe 2020
In de Woonagenda 2020 verwoordt de gemeente Overbetuwe haar doelen en ambities op het gebied van wonen. Als basis voor deze woonagenda is een opgavennotitie opgesteld. Deze woningmarktanalyse geeft zicht op huidige en toekomstige kansen en knelpunten en is het startpunt voor de uitwerking van de woonagenda. De woonagenda bevat geen gedetailleerd uitvoeringsprogramma, maar de koers waarbinnen de komende jaren plannen voor kernen en locaties kunnen worden uitgewerkt. De ontwikkelingen die de komende jaren afkomen op de gemeente (vergrijzing, gezinsverdunning) vragen om meer variatie in het woonaanbod. Over het algemeen zijn inwoners tevreden over hun woonsituatie. Niet voor iedereen is het echter even makkelijk om een woning naar wens te vinden. De gemeente wil over voldoende woningen met de juiste kwaliteit beschikken om huishoudens de gewenste stappen in hun wooncarrière te laten maken. Dat wil zeggen voor iedere stap in de levensloop een geschikt woonalternatief.

Accentpunten zijn:

  • Aandacht voor urgente huisvestingsnood: inzetten op geschikte woningen voor bijzondere doelgroepen;
  • Betaalbaarheid en beschikbaarheid: meer betaalbare huurwoningen beschikbaar;
  • Wijs omgaan met de bestaande woningvoorraad: inzetten op verduurzaming;
  • Een levensloopvriendelijke gemeente: langer thuis wonen en er op uit;
  • Een gezonde woningmarkt in balans: prioriteren én versnellen van onze woningbouwplannen.

Het aantal huishoudens binnen de gemeente neemt in de periode 2015-2040 naar verwachting toe met ca. 2.250. Tot 2025 is een uitbreiding van de woningvoorraad met 1.400 woningen nodig voor het oplossen van bestaande tekorten en het opvangen van de autonome huishoudengroei.

Variatie in het woonaanbod is bij realisatie van nieuwbouw een speerpunt. De grootste vraag bestaat naar woningen voor starters en ouderen. Een ander uitgangspunt is dat nieuwe woningen zoveel mogelijk levensloopbestendig worden gebouwd. De gemeente legt het accent op het bestaande bebouwde gebied: kwaliteitsverbetering van de woningvoorraad en mogelijkheden voor inbreiding en intensivering, bijvoorbeeld door functieverandering. Daarnaast blijft nieuwbouw nodig om in te spelen op de ambities. Doel van de nieuwbouw is, naast het in de pas lopen met die groei van het aantal huishoudens, meer variatie in het woonaanbod te realiseren en beter aan te sluiten op de kwalitatieve behoefte.

Overbetuwe heeft een rol in het opvangen van de regionale woningbehoefte door de toenemende druk vanuit het stedelijk gebied van Arnhem en Nijmegen. Uit de woningbouwopgave, die in hoofdstuk 8 van de Woonagenda is vastgelegd, blijkt dat er tot 2020 nog ruimte is om ca. 1.000 woningen te realiseren. Dit bestemmingsplan maakt 4 extra woningen c.q. zorgwoningen mogelijk. Dit aantal past binnen de nog resterende woningbouwopgave voor Overbetuwe.

Conclusie
Het gemeentelijk beleid, zoals vastgelegd in de Woonagenda 2020, is gericht op kwaliteitsverbetering van de bestaande woningvoorraad en op mogelijkheden voor inbreiding en intensivering. Dit initiatief past binnen deze uitgangspunten, aangezien er sprake is van een inbreidingslocatie in de bebouwde kom van Zetten. Daarnaast is het woningbouwprogramma van Overbetuwe voldoende groot om te kunnen voorzien in maximaal 4 woningen en/of zorgwoningen en/of kamerverhuur. Met de mogelijkheid van zorgeenheden en/of kamers, kan ingespeeld worden op de lokale behoefte aan passende woonruimte voor jong en oud.

Daarmee past het plan in de beleidslijn van de Woonagenda.

Hoofdstuk 4 Milieu- en omgevingsaspecten


Er bestaat een duidelijke relatie tussen het milieubeleid en de ruimtelijke ordening. De laatste decennia groeien het ruimtelijk en milieubeleid naar elkaar in de vorm van omgevingsbeleid. De milieukwaliteit is derhalve een belangrijke afweging bij de ontwikkeling van ruimtelijke functies. In dat verband dient bij de afweging bij de ontwikkeling van het al dan niet toelaten van bepaalde ruimtelijke ontwikkelingen te worden onderzocht welke milieuaspecten daarbij een rol (kunnen) spelen. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op alle milieuaspecten.

4.1 Geluid

In de Wet geluidhinder (Wgh) is vastgelegd dat, indien in het plangebied geluidgevoelige functies (zoals woningen) zijn voorzien binnen de invloedssfeer van (rail- en weg)verkeerslawaai, akoestisch onderzoek uitgevoerd dient te worden. Alle wegen hebben geluidzones, met uitzondering van:

  • wegen die in een als 'woonerf' aangeduid gebied liggen;
  • wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt.


Op grond van de Wgh geldt een voorkeursgrenswaarde voor de geluidbelasting op de gevels vanwege het wegverkeer van 48 dB (artikel 82 lid 1). Indien de geluidbelasting hoger is, dient een nadere afweging plaats te vinden en kan een ontheffing voor een hogere geluidbelasting worden verleend (artikel 82 lid 2).

Locatie begraafplaats
Een begraafplaats is geen geluidsgevoelig object in het kader van de Wet geluidhinder. Daarom is nader onderzoek voor deze functie niet noodzakelijk.

Locatie Hoofdstraat ong.
Woningen, (onzelfstandige) kamers en zorgwoningen zijn geluidgevoelige functies in het kader van de Wet geluidhinder. De (zorg)woningen liggen in de geluidzone van de Heldringstraat en de Molenstraat (60 km/u). Door Abovo is een akoestisch onderzoek naar de akoestische gevolgen van deze wegen uitgevoerd. De Hoofdstraat betreft een weg met een maximumsnelheid van 30km/u. De Wgh is dus niet van toepassing op deze weg. Het onderzoek is als Bijlage 1 bij dit bestemmingsplan opgenomen.

Uit het onderzoek wordt geconcludeerd dat voor de Heldringstraat en de Molenstraat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet wordt overschreden. Er worden geen extra eisen gesteld vanuit de Nota geluidsbeleid.

4.2 Luchtkwaliteit

De Wet luchtkwaliteit (verankerd in de Wet milieubeheer, hoofdstuk 5, titel 5.2) is een implementatie van diverse Europese richtlijnen omtrent luchtkwaliteit, waarin onder andere grenswaarden voor vervuilende stoffen in de buitenlucht zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu. In Nederland zijn stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes als PM10 (fijn stof) de maatgevende stoffen waar de concentratieniveaus het dichtst bij de grenswaarden liggen. Overschrijdingen van de grenswaarden komen, uitzonderlijke situaties daargelaten, bij andere stoffen niet voor. Vanaf 1 januari 2015 dient het bevoegd gezag de luchtkwaliteit ook te toetsen aan de grenswaarde voor PM2,5. Op basis van onderzoek door het Planbureau voor de Leefomgeving kan worden gesteld dat als aan de grenswaarden voor PM10 wordt voldaan, ook aan de grenswaarde voor PM2,5 wordt voldaan.

De wet- en regelgeving onderscheidt projecten die ‘in betekenende mate’ (IBM) en ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) leiden tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. Daarnaast worden er bestemmingen benoemd die extra gevoelig zijn voor luchtvervuiling (gevoelige bestemmingen).

Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening moet daarnaast worden afgewogen of het aanvaardbaar is om een bepaald project op een bepaalde plaats te realiseren. Hierbij speelt de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol, ook als het project zelf niet of nauwelijks bijdraagt aan de luchtverontreiniging.

Conclusie
Uitgaande van de worst case scenario (een plechtigheid en vier woningen, zie paragraaf 4.11) is de verkeersaantrekkende werking 81,4 verkeersbewegingen per weekdaggemiddelde. Uit de NIBM-tool volgt dat de bijdrage van het extra verkeer niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit. Een luchtkwaliteitonderzoek is niet noodzakelijk. In geval van kamerverhuur of zorgeenheden, zou dat als gevolg van het grotere aantal mensen dat ter plaatse samenwoont, kunnen leiden tot een verkeersaantrekkende beweging. Omdat het gebruik van auto's door zorgbehoeftige mensen en kamerbewoners van nature erg laag is, en op het eigen terrein bovendien voldoende ruimte is voor eventueel noodzakelijke extra parkeergelegenheid is de beoogde ruimtelijke ontwikkeling goed inpasbaar.

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.3 Bedrijven en milieuzonering

Bij de planontwikkeling dient rekening gehouden te worden met milieuzoneringen van bestaande en toekomstige bedrijven om zodoende de kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Bij milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde Lijst van Bedrijfsactiviteiten (VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering', editie 2009). Hierin wordt per bedrijfssoort aangegeven welke milieu-invloed (in de vorm van geur, stof, geluid en gevaar) hiervan kan uitgaan en welke indicatieve afstand hierbij (minimaal) in acht genomen worden. Deze afstanden kunnen als basis worden gehanteerd, maar zijn indicatief. Hiervan kan gemotiveerd worden afgeweken. In het algemeen wordt door middel van het aanbrengen van een zonering (afstand) tussen bedrijvigheid en woonbebouwing de overlast ten gevolge van de bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden.

Onderscheid wordt gemaakt in twee omgevingstypen, uitgaande van het principe van functiescheiding: rustige woonwijk c.q. rustig buitengebied en gemengd gebied. In gemengd gebied worden de richtafstanden één afstandsstap verlaagd.

Locatie begraafplaats
Voorop staat dat voor een aan te houden afstand tussen een begraafplaats en bebouwing geen wettelijk te houden piëteitszone bestaat. Bebouwing in de directe nabijheid van begraafplaatsen behoeft niet bij voorbaat uitgesloten te worden geacht. Dit doet er echter niet aan af dat in het kader van een goede ruimtelijke ordening moet worden bezien of de bouw- en gebruiksmogelijkheden voor gronden in de directe nabijheid van een begraafplaats met de aanwezigheid van die begraafplaats verenigbaar zijn. Het gebruik van de betrokken gronden dient elkaar in het bijzonder vanuit het oogpunt van geluid en zicht zo weinig mogelijk negatief te beïnvloeden. Bij de beoordeling daarvan zijn uitgangspunt de maximale mogelijkheden van het plan Zetten-Hemmen. Het bestemmingsplan maakt het mogelijk bebouwing op te richten op een afstand van ca. 10 meter van de begraafplaats. De mogelijk gemaakte bebouwing en het gebruik daarvan zullen, gelet op de omvang en de relatief grote afstand tot de begraafplaats, niet of niet onevenredig van invloed zijn op de beleving en het gebruik van de begraafplaats waarmee er voldoende sprake zal zijn van rust en de ingetogenheid van de begraafplaats alsmede begrafenis- en herdenkingsplechtigheden.

Locatie Hoofdstraat ong.
Aan de H. Piersonstraat 23 en 21 zijn maatschappelijke voorzieningen in de vorm van een basisschool en scoutingclub aanwezig. Deze activiteiten zijn een categorie 2 inrichting met een richtafstand van 30 meter voor het aspect geluid. De werkelijke afstand tot de grens van de planlocatie is 167 meter. Daarmee wordt voldaan aan de richtafstand.

Aan de Molenstraat naast nummer 5 is een bedrijf voor de opslag van levensmiddelen gevestigd. Dit type bedrijf is een categorie 2 inrichting met een richtafstand van 30 meter voor het aspect geluid. De werkelijke afstand tot de grens van de planlocatie is 160 meter. Daarmee wordt voldaan aan de richtafstand.

Aan de Molenstraat 1 is een bed and breakfast gevestigd. Dit type bedrijf is een categorie 1 inrichting met een richtafstand van 10 meter. Het bouwvlak voor het te realiseren woongebouw op de planlocatie ligt op een afstand van ongeveer 20 meter van de bed and breakfast, waardoor er wordt voldaan aan de richtafstand.

Het woongebouw ligt op voldoende afstand tot omliggende activiteiten.

4.4 Geurhinder

Op 1 januari 2007 is de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) in werking getreden. Deze wet vormt het toetsingskader voor vergunningen op grond van de Wet milieubeheer, waar het gaat om geurhinder veroorzaakt door het houden van dieren. Daarnaast is de wet van belang in verband met de zogenoemde 'omgekeerde werking' in het kader van de ruimtelijke ordening.

De Wgv kent een aantal standaardnormen. Daarnaast hebben gemeenten de mogelijkheid gekregen om binnen een wettelijk bepaalde bandbreedte van deze standaardnormen af te wijken. Op deze wijze kan de gemeente een geurhinderbeleid vaststellen, dat is afgestemd op de plaatselijke situatie. Voor het plangebied en omgeving is geen gemeentelijke verordening vastgesteld.

Naast de Wgv is sinds 1 januari 2013 ook het Activiteitenbesluit milieubeheer van belang in het kader van de omgekeerde werking. De meeste veehouderijen vallen sindsdien onder de werking van het Activiteitenbesluit. Het Activiteitenbesluit vormt voor wat betreft de 'omgekeerde werking' het toetsingskader voor deze veehouderijen.

Beoordeling
Het planvoornemen heeft geen betrekking op het houden van dieren. Wel wordt met het woongebouw aan de Hoofdstraat een nieuw geurgevoelig object toegestaan. In de omgeving van deze planlocatie zijn echter geen veehouderijen aanwezig. De realisatie van het woongebouw levert dan ook geen beperkingen voor veehouderijen op. Ook is gezien de afstand tot veehouderijen

Conclusie
Geur is geen relevant aspect binnen het planvoornemen en vormt daarom geen belemmering.

4.5 Bodem

De bodemkwaliteit vormt een belangrijk aspect bij bouwontwikkelingen. In het kader van functiewijziging en herinrichting vormt de bodemkwaliteit bij ontwikkeling van ruimtelijke functies een belangrijke afweging. De Bouwverordening bevat een verbod voor het bouwen van woningen op verontreinigde grond.

Locatie Hoofdstraat ong.
Op de Hoofdstraat is in het verleden (september 1996) een verkennend bodemonderzoek gedaan, zie Bijlage 2.   De planlocatie maakt onderdeel uit van dit onderzoek. Uit dit onderzoek kan geconcludeerd worden dat er licht verhoogde gehalten aan chroom, arseen en tolueen zijn gemeten. Deze blijven wel ruim beneden de streefwaarde. Op basis van de onderzoeksresultaten gelden er vanuit milieuhygiënisch oogpunt geen gebruiksbeperkingen. Na 1996 hebben geen vervuilende activiteiten binnen de planlocatie plaats gevonden. De conclusies uit het onderzoek zijn daarmee nog toepasbaar.

Locatie begraafplaats
Voor de functie begraafplaats vormt de bodemkwaliteit geen belemmering. De functie voorziet namelijk niet in woon- of langdurende verblijfsruimten.

4.6 Externe veiligheid

Beleid en normstelling
Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de veiligheidsrisico's in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze externe veiligheidsrisico's dienen te worden beoordeeld voor twee risiconormen, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Voor beide risiconormen geldt hoe groter de afstand tussen planontwikkeling en risicobron, des te kleiner zal de impact van het plan zijn op de hoogte van het risico.

Plaatsgebonden risico
Het plaatsgebonden risico heeft tot doel om hetzelfde minimale beschermingsniveau te bieden voor iedere burger in Nederland. Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.), waarbij de 10-6 contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde is.

Groepsrisico
Het groepsrisico is een afwegingsinstrument dat tot doel heeft een bewuste afweging te stimuleren over het risico op een ongeval met een groot aantal slachtoffers. Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, waarin de kans op overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het groepsrisico geldt de oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm).

Voor elke verandering van het groepsrisico (af- of toename) in het invloedsgebied moet verantwoording worden afgelegd, over de wijze waarop de toelaatbaarheid van deze verandering in de besluitvorming is betrokken.

Samen met de hoogte van groepsrisico moeten andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer.

Beoordeling
Dit bestemmingsplan maakt een begraafplaats en een nieuw woongebouw (tussen Molenstraat 1 en Hoofdstraat 57 te Zetten), mogelijk. Voor de begraafplaats worden - behoudens een klein gebouw/knevelhuisje ten behoeve van de begraafplaats - geen bouwwerken opgericht. In het woongebouw komen 4 wooneenheden, al dan niet in combinatie met kamerverhuur/zorgeenheden. Het betreft twee locaties waarbij de gronden in de bestaande situaties voor agrarische doeleinden worden gebruikt. Het knevelhuisje ten behoeve van de begraafplaats is niet aan te merken als een kwetsbaar of beperkt kwetsbare object Daarom is toetsing aan externe veiligheid voor de begraafplaats niet noodzakelijk. De realisatie van het woongebouw moet echter wel getoetst worden aan dit aspect.

Op basis van de risicokaart van de provincie Gelderland is een inventarisatie gemaakt van de risicobronnen in en rondom het plangebied, die een extern veiligheidsrisico kunnen veroorzaken. In de volgende afbeelding is een uitsnede opgenomen van de provinciale risicokaart.

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0274ZTTNbgrfplaats-VSG2_0006.png"  
Afbeelding 6: uitsnede risicokaart  


De informatie van de risicokaart levert de volgende inzichten op.

Rondom de locatie voor het woongebouw zijn geen buisleidingen en inrichtingen aanwezig met een externe veiligheidsrisico. Wel ligt de Betuweroute op ± 1.950 meter van het plangebied, de snelweg A15 op ± 2.000 meter en de snelweg A50 op ± 3.950 meter. Over deze transportroutes vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Op basis van de regeling basisnet is vastgesteld dat de plaatsgebonden risicocontour 10-6 van deze risicobronnen niet over het plangebied ligt.

Ten aanzien van het groepsrisico is de locatie voor het woongebouw gelegen binnen het invloedsgebied van de Betuweroute en de snelwegen A15 en A50. Ontwikkelingen binnen het invloedsgebied hebben mogelijk invloed op de hoogte van het groepsrisico. Echter is de afstand tussen de ontwikkeling en de drie risicobronnen dermate groot (groter dan 200 meter), dat de wetgever heeft aangegeven dat het groepsrisico alleen beperkt verantwoord hoeft te worden. Hierdoor hoeft niet de hoogte van het groepsrisico in beeld gebracht te worden, maar enkel nog de aspecten zelfredzaamheid en beheersbaarheid.

Verantwoording groepsrisico
Het plangebied ligt in het invloedsgebied groepsrisico van een drietal risicobronnen. Conform vigerende wetgeving moet de gemeente hierdoor het groepsrisico verantwoorden. Meer specifiek gaat het om de wettelijke verplichting op grond van Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) artikel 7 en 9, vanwege het vervoer gevaarlijke stoffen over de Betuweroute, de snelweg A15 en A50. Doordat het plan op meer dan 200 meter van deze drie transportroutes ligt hoeft enkel ingegaan te worden op de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Hierop heeft de Veiligheids- en Gezondheidsregio Gelderland-Midden (VGGM) op 30 augustus (kenmerk: 170830-0042) het volgende geadviseerd:
De ontwikkeling leidt tot een beperkte toename van het aantal aanwezigen en ze worden over het algemeen voldoende zelfredzaam geacht. De VGGM ziet dan ook geen reden om aanvullend te adviseren over de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid.

Onderstaand een beschouwing van deze aspecten.

Bestrijdbaarheid
Bij een calamiteit zal de brandweer zich inzetten om de effecten ten gevolge van het incident te beperken. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden dicht bij de bron. De mate van bestrijdbaarheid wordt vooral bepaald door de veiligheidsvoorzieningen en het aantal aanwezigen dicht bij de risicobron. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen.

Zelfredzaamheid
Bij een calamiteit is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij een incident. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS palen) en NL-Alert. Bij een scenario waarin toxische stoffen vrijkomen, is het advies om te schuilen in een gebouw, waarvan ramen, deuren en ventilatie gesloten kunnen worden. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid zijn voldoende.

Conclusie
Het plangebied ligt buiten de plaatsgebonden risicocontour 10-6 van een inrichting, buisleiding en transportroute met extern veiligheidsrisico's. De plaatsgebonden risicocontour van de diverse risicobronnen vormt geen belemmering voor de realisatie van het plan.

Ten aanzien van het groepsrisico ligt het plangebied in het invloedsgebied van de Betuweroute, de snelweg A15 en A50. Op basis van de beperkte verantwoording groepsrisico kan worden geconcludeerd dat het ruimtelijke initiatief geen significant effect heeft op het groepsrisico en op de mogelijkheden voor de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. De VGGM ziet eveneens geen reden om aanvullend te adviseren over de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid.

Daarmee is het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de realisatie van het initiatief.

4.7 Kabels en leidingen

Het verrichten van werkzaamheden in de nabijheid van hoogspanningsmasten, warmwaterleidingen e.d. kan gevaar met zich meebrengen. Om dit gevaar zoveel mogelijk te beperken dient de leidingbeheerder aan te geven onder welke voorwaarden de werkzaamheden veilig plaats kunnen vinden.

Beoordeling en conclusie
In het plangebied zijn geen planologisch relevante kabels en/of leidingen gelegen. Er is dan ook geen sprake van belemmeringen.

4.8 Waterparagraaf

Rijksbeleid
Nationaal waterplan
In december 2015 heeft het kabinet het Nationaal Waterplan vastgesteld. Dit plan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016-2021 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water, en diverse vormen van gebruik van water. Ook worden de maatregelen genoemd die hiertoe worden genomen.

Het Nationaal Waterplan is opgesteld op basis van de Waterwet, die met ingang van 22 december 2009 van kracht is. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie.

Provinciaal beleid
Provinciaal Waterplan
In het Waterplan Gelderland is het waterbeleid beschreven aan de hand van een aantal thema's, zoals landbouw, wateroverlast, watertekort, natte natuur, grondwaterbescherming en hoogwaterbescherming. Voor deze thema's is beschreven welke doelstellingen voor 2027 en 2015 er liggen. Daarbij is beschreven hoe wij voor de planperiode de uitvoering van acties zien om die doelstellingen te bereiken. Bij sommige thema's gelden aanvullende waterdoelstellingen voor specifieke waterhuishoudkundige functies.

In het kort zijn de belangrijkste doelstellingen voor de planperiode:

  • voor de 35 gebieden van de TOP-lijst is het Gewenste Grond- en Oppervlaktewater Regiem (GGOR) bestuurlijk vastgesteld en zijn de maatregelen voor herstel uitgevoerd;
  • de maatregelen voor herstel van de wateren van het hoogste ecologisch niveau (HEN-wateren) zijn uitgevoerd;
  • de natte ecologische verbindingszones zijn gerealiseerd, tenzij onvoldoende financiële middelen beschikbaar zijn;
  • wateroverlast vanuit het regionale watersysteem wordt voorkomen door inrichting van waterbergingsgebieden en verruiming van watergangen;
  • in het stedelijk gebied is urgente wateroverlast opgelost;
  • de zwemwateren voldoen als minimum aan de categorie aanvaardbaar;
  • toekomstvast hoogwaterbeleid.

Waterschap Rivierenland
Waterbeheerplan 2016-2021
Dit plan, vastgesteld op 27 november 2015, gaat over het waterbeheer in het hele rivierengebied en het omvat alle watertaken van het waterschap: waterkwantiteit, waterkwaliteit, waterkering en waterketen. In het Waterbeheerplan staat wat Waterschap Rivierenland de komende periode gaat doen om inwoners van het rivierengebied veiligheid en voldoende schoon en mooi water in sloten en plassen te kunnen blijven bieden. Het plan is in samenwerking met onder meer de gemeente Overbetuwe opgesteld.

Keur Waterschap Rivierenland 2014
Voor waterhuishoudkundige ingrepen is de 'Keur Waterschap Rivierenland 2014' van toepassing. De Keur is een waterschapsverordening die gebods- en verbodsbepalingen bevat met betrekking tot ingrepen, die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. Zo is het onder andere verboden om handelingen te verrichten waardoor het onderhoud, aanvoer, afvoer en/of berging van water kan worden belemmerd, zonder een ontheffing van het Waterschap. De wateren en waterkeringen waarop de keur van toepassing is zijn vastgelegd in de legger wateren.

Realisatie van nieuwe bebouwing en/of verhard oppervlak moet hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. Bij het toevoegen van bebouwing of verharding geldt een compensatieplicht. Er geldt een eenmalige vrijstelling van de compensatieplicht wanneer minder verharding dan 500 m² in stedelijk gebied of minder dan 1.500 m² in landelijk gebied wordt toegevoegd.

Gemeente Overbetuwe
Waterplan Overbetuwe
In 2008 heeft de gemeente Overbetuwe in samenwerking met het Waterschap Rivierenland het Waterplan Overbetuwe vastgesteld. Het waterbeheerplan van het waterschap is recent geactualiseerd (zie hierboven), eveneens in samenwerking met onder meer de gemeente Overbetuwe. Beide plannen gelden echter naast elkaar.

In het Waterplan Overbetuwe wordt het beleidskader geschetst en worden concrete maatregelen voor het watersysteem uitgewerkt. Naast het waterplan wordt parallel een Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) opgesteld waarin de maatregelen voor de riolering (waterketen) worden uitgewerkt.
Met het opstellen van een waterplan wordt inzicht gegeven in de relevante wateropgaven voor de gemeente Overbetuwe, zoals:

  • wateroverlast, het zoeken van oplossingen om wateroverlast tegen te gaan;
  • waterkwaliteit, het onderzoeken van mogelijkheden voor het verbeteren van de waterkwaliteit;
    grondwater, het inventariseren van grondwateroverlast;
  • beleving van water, burgers betrekken bij water;
  • afspraken en taken van waterschap en gemeente.

In het waterplan is een RO-attentiekaart per kern opgenomen en een overzichtskaart van de gehele gemeente.

Locatie begraafplaats
Beschermde zones
De planlocatie ligt in de relevante (grond)waterbeschermingszone's 'Intrekgebieden' en 'Boringsvrije zone'. Het planvoornemen voorziet niet in de winning van fossiele energie. Daarnaast betreffen de noodzakelijke werkzaamheden geen handelingen waardoor direct of indirect warmte aan de bodem of het grondwater wordt onttrokken of toegevoegd. De beschermingszones leggen daardoor geen restricties aan het planvoornemen.

Hemel- en oppervlaktewater
Het onderhavige plan voorziet in de realisatie van een begraafplaats, een kleinschalig maatschappelijk gebouw (knevelhuisje) en een parkeerplaats van halfverharding. Ten opzichte van de huidige situatie neemt het verhard oppervlak dus toe. Echter, de kern van het project betreft het ontwikkelen van een begraafplaats met een groen karakter. Vandaar dat er veelvuldig gebruik wordt gemaakt van halfverharding en natuurontwikkeling. De infiltratiemogelijkheden binnen de planlocatie nemen daarom niet af.

In de Keur is opgenomen dat de toename van verhard oppervlak maximaal 2.000 m² mag bedragen. Het plan voorziet in de aanleg van een semiverharde ontsluitingsweg en parkeerplaatsen met een oppervlakte van totaal ca. 3.500 m2. De toename van verhard oppervlak wordt ruimschoots gecompenseerd door de aanleg van een ringsloot rondom de begraafplaats. De aanleg van deze ringsloot is door initiatiefnemer gemeld bij het Waterschap. Het waterschap heeft laten weten in te kunnen stemmen met uitvoering. Los van de bergingscapaciteit in de ringsloot, kan het hemelwater worden opgevangen op het perceel. Gezien het bodemtype en de oppervlakte van het perceel zal dit niet tot problemen leiden. Er is sprake van een hydrologisch neutrale ontwikkeling.

Riolering
De riolering (drukriolering) is niet aanwezig in de planlocatie. Dit is ook niet noodzakelijk.

Waterhuishoudkundig zijn er geen bezwaren of voorwaarden verbonden aan dit bestemmingsplan voor deze planlocatie. Het plan heeft geen negatieve effecten op de waterhuishouding.

Locatie Hoofdstraat ong. 
Beschermde zones
De planlocatie ligt in de relevante (grond)waterbeschermingszones 'Intrekgebieden' en 'Boringsvrije zone'. Het planvoornemen voorziet niet in de winning van fossiele energie. Daarnaast betreffen de noodzakelijke werkzaamheden geen handelingen waardoor direct of indirect warmte aan de bodem of het grondwater wordt onttrokken of toegevoegd. De beschermingszones leggen daardoor geen restricties aan het planvoornemen.

Hemel- en oppervlaktewater
Het onderhavige plan voorziet in de realisatie van een woongebouw met oprit en in een kleinschalig gebouwtje bij de begraafplaats. Het totaal aan verhard oppervlak zal ten opzichte van de huidige situatie met ruim 500 m2 toenemen. In de Keur is opgenomen dat de toename van verhard oppervlak maximaal 1.500 m² mag bedragen. Aangezien er slechts sprake is van een toename van ruim 500 m2, zijn geen compenserende maatregelen nodig voor onderhavig initiatief. Daarnaast kan het hemelwater worden opgevangen op het perceel, gezien de oppervlakte van het perceel zal dit niet tot problemen leiden.

Riolering
De riolering (drukriolering) is nog niet aanwezig in de planlocatie. Deze zal nog moeten worden aangelegd. Hiervoor worden nadere afspraken gemaakt met gemeente Overbetuwe.

Waterhuishoudkundig zijn er geen bezwaren of voorwaarden verbonden aan dit bestemmingsplan voor deze planloatie. Het plan heeft geen negatieve effecten op de waterhuishouding.

4.9 Flora en Fauna

Natuurwetgeving
De bescherming van de natuur is per 1 januari 2017 in Nederland vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze wet vormt voor wat betreft soortenbescherming en gebiedsbescherming een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Omtrent houtopstanden is de voormalige nationale Boswet eveneens in de Wet natuurbescherming opgenomen. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS).

Voor alle ruimtelijke ontwikkelingen geldt dat deze in overeenstemming met de Wet natuurbescherming moeten worden uitgevoerd. Ten behoeve van de realisatie van de begraafplaats met voorzieningen en woongebouw is door middel van een verkennend flora- en faunaonderzoek (quickscan) een beoordeling gemaakt van de mogelijke effecten die het plan zal hebben op beschermde natuurwaarden. Hierdoor wordt duidelijk of het plan in overeenstemming is met de natuurwetgeving. De complete quickscan is als Bijlage 3 bij het bestemmingsplan opgenomen, hieronder worden enkel de conclusies van de quickscan gegeven.

Locatie begraafplaats
Gezien de afstand tot een Natura 2000-gebied (circa 3 en 3,4 km) en de aard van de plannen (een begraafplaats met bijbehorende parkeervoorziening en extensieve recreatieve functies), zijn negatieve effecten op Natura 2000-gebieden uitgesloten. De planlocatie ligt voor een beperkt deel in het GNN (westelijk gedeelte van de planlocatie), ca. 8.500 m², doch in het als GNN begrensde bosgebied worden geen planologische inrichtingsmaatregelen getroffen, zodat geen compensatiemaatregelen nodig zijn.

De aanwezige bosrand in de planlocatie biedt mogelijkheden voor (winter)verblijf- en kraamplaatsen van vleermuizen. De aanwezigheid van de vleermuis kan dan ook niet worden uitgesloten. Daarom is nader onderzoek naar de aanwezigheid van vleermuizen uitgevoerd, waarbij is getoetst aan de Wnb (Bijlage 4). In het onderzoek is ook ingegaan op de bosuil en algemene broedvogels. Hierna worden de resultaten van het nader onderzoek besproken.

In het onderzoeksgebied zijn geen kwaamverblijfplaatsen en zomerverblijfplaatsen van vleermuizen aangetroffen. Wel zijn er 3 locaties met (mogelijke) paarverblijven van de gewone dwergvleermuis aangetroffen. Negatieve effecten op de paarverblijfplaatsen worden echter uitgesloten, vanwege de aard van de werkzaamheden en omdat dwergvleermuizen regelmatig wisselen van paarverblijfplaats. De foerageermogelijkheden voor vleermuizen binnen het plangebied worden verbeterd door de omvorming van akkerland naar een meer natuurlijke omgeving. Om de mogelijkheden voor vleermuizen verder te verbeteren, kunnen kasten worden geplaatst. Dit is echter niet noodzakelijk. Er hoeft geen ontheffing van de Wnb te worden verleend voordat de werkzaamheden worden uitgevoerd.

De laatvlieger, ruige dwergvleermuis en gewone grootoorvleermuis zijn af en toe foeragerend aangetroffen. Omdat de foerageermogelijkheden worden verbeterd, is ten aanzien van deze soorten ook geen ontheffing Wnb nodig.

In het onderzoeksgebied worden geen verblijfplaatsen van de bosuil aangetast en de habitat zal verbeteren. Een ontheffing Wnb voor de bosuil is niet aan de orde. Met het plaatsen van een nestkast, kunnen de nestmogelijkheden voor de bosuil worden verbeterd. Deze maatregel is niet noodzakelijk.

In het plangebied kunnen algemeen beschermde broedvogels komen, waarvan de nesten niet-jaarrond beschermd zijn. Wanneer de werkzaamheden buiten het broedseizoen worden uitgevoerd, wordt de Wnb niet overtreden. Een ontheffing is dan ook niet noodzakelijk, mits de werkzaamheden onder deze voorwaarden worden uitgevoerd.

Locatie Hoofdstraat ong.
Gezien de afstand tot een Natura 2000-gebied (circa 3 en 3,4 km) en de aard van de plannen, zijn negatieve effecten op Natura 2000-gebieden uitgesloten. De planlocatie ligt daarnaast niet in een gebied dat is aangewezen als Gelders Natuurnetwerk.

Binnen de planlocatie zijn alleen algemeen beschermde soorten aanwezig. Naast de zorgplicht gelden er vanuit de Wet natuurbescherming geen restricties voor het planvoornemen.

4.10 Archeologische waarden

Sinds de invoering van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (WAMZ) op 1 september 2007 is de verantwoordelijkheid ten aanzien van het bodemarchief gedecentraliseerd naar de gemeente. De provincie Gelderland blijft hierbij bestemmingsplannen (en afwijkingen hierop) toetsen op archeologie en cultuurhistorie, maar gaat er daarbij wel vanuit dat de gemeente zijn eigen taak naar behoren zelfstandig zal uitvoeren. De gemeente Overbetuwe heeft voor haar gemeentelijk grondgebied een erfgoedplan en een archeologische beleidsadvieskaart vervaardigd. Het erfgoedplan beoogt versterking van de plaats en betekenis van cultuurhistorie als factor in het ruimtelijk beleidsproces. Op basis van de nieuwe archeologische beleidskaart van de gemeente komt de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' niet meer voor in het plangebied en zijn de archeologische verwachtingswaarden op de locatie van het woongebouw aangepast.

Voor het plangebied gelden volgens de nieuwe beleidskaart de dubbelbestemingen 'Waarde - Archeologische verwachting 1', 'Waarde - Archeologische verwachting 2' en 'Waarde - Archeologische verwachting 3'. Vooralsnog is gekozen voor planologische bescherming middels een dubbelbestemming. Waar nodig wordt archeologisch onderzoek uitgevoerd bij de uitvoering.

4.11 Verkeer en parkeren

Verkeer
Locatie begraafplaats
Voor de verkeersgeneratie is gekeken naar CROW-publicatie 317. De CROW-publicatie gaat uit van de hoofdgroep 'begraafplaats per plechtigheid'. Uitgaande van de worst case scenario (de maximale verkeersaantrekkende werking) is de verkeersaantrekkende werking per plechtigheid 51,4 verkeersbewegingen, afgerond 52. Naar verwachting zijn er 16 plechtigheden per jaar.

In het kader van de bestemmingsplanprocedure is onderzoek verricht naar de verkeerskundige consequenties van het realiseren van de begraafplaats. De bevindingen, die in twee notities zijn vervat, zijn opgenomen in Bijlage 5.

De wegen in de omgeving van de begraafplaats maken deel uit van een grote 30 km/uur-zone. De wegen zijn ingericht als erftoegangswegen met diverse snelheidsremmende maatregelen. De ontsluiting van de begraafplaats is in eerste instantie voorzien via de Burgemeester Lewe van Aduardstraat en de Sleënburgsestraat. Uit het onderzoek blijkt, dat dit de meest logische ontsluiting is. Deze wegen hebben een wegbreedte van ongeveer 5,5 meter, conform de CROW-richtlijnen. In het Gemeentelijk Mobiliteitsplan Overbetuwe is opgenomen, dat de verkeersintensiteit op erftoegangswegen binnen de bebouwde kom maximaal 3.000 mvt/etmaal mogen bedragen. In de huidige situatie is de etmaalintensiteit op de genoemde wegen ongeveer 300 motorvoertuigen. In de toekomstige situatie is er sprake van een etmaalintensiteit van 352 motorvoertuigen in geval van plechtigheden. Dit is ruim binnen de gemeentelijke norm voor erftoegangswegen. De ontsluiting via de Burgemeester Lewe van Aduardstraat en Sleënburgsestraat zal de verkeersbewegingen naar de Hoofdstraat daarom zonder problemen kunnen afwikkelen. De verkeersveiligheid en doorstroming zijn voldoende gewaarborgd.

Er worden ook twee aansluitingen vanaf het parkeerterrein bij de begraafplaats op de Dr. A.R. Holstraat gerealiseerd, langs de daar aanwezige parkeerboxen. Hier worden slagbomen geplaatst, maar niet uitgesloten is dat deze in de toekomst als volwaardige toegangen voor de begraafplaats worden gebruikt. Daarom is aanvullend onderzoek verricht naar deze ontsluitingswijze (Bijlage 5, eerste memo). In deze situatie zal het verkeer van en naar de begraafplaats zich verdelen over de Dr. A.R. Holstraat en de Burgemeester Lewe van Aduardstraat. Qua verkeersafwikkeling zal dit niet tot problemen leiden. Op alle wegen blijven de etmaalintensiteiten ruim onder de richtlijnen. Omdat de Dr. A.R. Holstraat een lastigere route is, blijft de ontsluiting via de Burgemeester Lewe van Aduardstraat de voorkeursroute in verkeerskundig opzicht. In het onderzoek worden aanbevelingen gedaan, waarmee deze voorkeursroute daadwerkelijk als hoofdontsluiting blijft functioneren. De toename van verkeer op de Dr. A.R. Holstraat wordt daarmee beperkt. Als voor het openstellen van de aansluitingen op de Dr. A.R. Holstraat wordt gekozen, zal de verkeerssituatie ter plaatse regelmatig worden gemonitord en kunnen indien nodig maatregelen worden getroffen in overleg met omwonenden.

Locatie Hoofdstraat ong.
De gewenste wooneenheden worden in de CROW-publicatie 317 getypeerd als 'koop, tussen/hoek'. Uitgaande van de stedelijkheidsgraad 'matig stedelijk en rest bebouwde kom' en de worst case scenario (de maximale verkeersaantrekkende werking) is de verkeersaantrekkende werking per woning 7,5 verkeersbewegingen. De totale verkeersaantrekkende werking voor deze planlocatie is daarmee 30 motorvoertuigen per etmaal. De doorgaande weg Hoofdstraat heeft voldoende capaciteit om de verkeersbewegingen te verwerken.

Parkeren
Locatie begraafplaats
Uit de Nota Parkeernormen van de gemeente Overbetuwe komt naar voren dat voor een begraafplaats in de gemeente Overbetuwe 36,6 parkeerplaatsen benodigd zijn. Onderhavig initiatief voorziet in de realisatie van 37 parkeerplaatsen. Er worden voldoende parkeerplaatsen gerealiseerd.

Locatie Hoofdstraat ong.
Een woongebouw moet in de gemeente Overbetuwe plaats bieden aan 2,8 auto's. Dit betekent dat de 4 woningen een totale parkeerbehoefte van 12 parkeerplaatsen hebben. Het perceel is voldoende groot om in deze behoefte te kunnen voorzien en ze op eigen terrein te realiseren.

4.12 Milieueffectrapportage

Het bestemmingsplan voorziet in de realisatie van een natuurbegraafplaats en vier wooneenheden. Dit kan leiden tot een m.e.r.(beoordelings)-plicht. Of er sprake is van een m.e.r.-procedure hangt af van het feit of er sprake is van een m.e.r.-plichtige activiteit en of de drempelwaarden uit lijst C en D van het Besluit m.e.r. worden overschrijden. Daarnaast is van belang of de ontwikkeling in een kwetsbaar gebied ligt en of er belangrijke milieugevolgen zijn.

Conclusie
Onderhavig bestemmingsplan voorziet in de realisatie van een begraafplaats en een woongebouw voor maximaal vier wooneenheden. Een begraafplaats en vier wooneenheden zijn geen activiteiten die voorkomen op lijst C en D van het Besluit m.e.r.. Een m.e.r.-procedure is niet noodzakelijk.

Hoofdstuk 5 Juridische planopzet

5.1 Algemene opzet

Inleiding
Dit hoofdstuk bevat de concrete vertaling van het beleidsgedeelte (voorafgaande hoofdstukken) in het juridisch gedeelte van het bestemmingsplan (de verbeelding en regels).

Het bestemmingsplan 'Zetten, begraafplaats en Hoofdstraat ongenummerd (ten noorden van nr. 57)' bestaat uit de volgende onderdelen:

De toelichting
In de toelichting is de ontwikkeling verantwoord, zowel op basis van het beleid, als op basis van milieu-hygiënische aspecten, aangevuld met een toelichting op de juridische opzet.

De bestemmingsregels
De bouw- en gebruiksregels binnen de verschillende bestemmingen. Daarnaast zijn waar nodig afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden opgenomen, om het plan de benodigde flexibiliteit te geven.

De verbeelding
Op de verbeelding zijn de bestemmingen 'Agrarisch', 'Bos', 'Groen', 'Maatschappelijk - Begraafplaats' en 'Wonen' opgenomen. Verder zijn de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologische verwachting 1, 2 en 3' opgenomen.

De opzet van het plan
Het bestemmingsplan is een juridisch plan, dat bindend is voor de burgers en voor de overheid. Qua systematiek is aangesloten bij het bestemmingsplan 'Zetten - Hemmen' en het bestemmingsplan 'Buitengebied Overbetuwe'. Op een aantal onderdelen is, gezien de specifieke aard van het plan, maatwerk geleverd.

Bouwplan
Indien een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend wordt, zijn in eerste instantie de bestemming met bijhorende regels van belang. Als het nieuwe en het beoogde gebruik past binnen de toegekende bestemming dan kan de omgevingsvergunning worden verleend.

5.2 Toelichting op de verbeelding en regels

Op de verbeelding zijn de bestemmingen onderscheiden. De bestemmingen zijn afgeleid uit het gebruik (de aanwezige functies). De bestemmingen vormen het zogenaamde casco van het plan, waarvan in beginsel niet mag worden afgeweken.

Agrarisch

Aan de noordkant van het plangebied, nabij het aan te planten bosperceel, blijft een perceel agrarisch in gebruik. Dit perceel behoudt daarom de bestemming 'Agrarisch'. Deze gronden zijn hoofdzakelijk bestemd voor grondgebonden agrarische bedrijvigheid, hobbymatig agrarisch grondgebruik, extensieve dagrecreatie en bijbehorende voorzieningen. Gebouwen zijn niet toegestaan.

Bos
Voorzover de planlocatie is begrensd binnen de GNN, blijft de huidige bestemming 'Bos' gehandhaafd. Deze gronden zijn bestemd voor (de ontwikkeling van) bos, extensieve dagrecreatie, het behoud, het herstel en/of de ontwikkeling van algemene natuur- en landschapswaarden, water en waterhuishoudkundige voorzieningen en voor paden. Binnen de bestemming zijn uitsluitend kleinschalige bouwwerken ten behoeve van de bestemming toegestaan.

Groen
Het perceelsgedeelte tussen de parkeerplaats en het Zettensepad, heeft de bestemming 'Groen' gekregen. Deze gronden zijn primair bestemd voor groenvoorzieningen. Daarnaast zijn kleinschalige recreatieve mogelijkheden opgenomen (extensieve dagrecreatie). Binnen de bestemming zijn geen gebouwen toegestaan.

Maatschappelijk - Begraafplaats
Het perceelsgedeelte waar de begraafplaats met bijbehorende parkeervoorzieningen (37 parkeerplaatsen) is beoogd, heeft de bestemming 'Maatschappelijk - Begraafplaats' gekregen. Binnen deze bestemming is een (natuurlijke) begraafplaats toegestaan, waarbij het maximum aantal graven (400) is vastgelegd. De graven zijn uitsluitend toegestaan binnen de specifiek aangeduide zones. De locatie van de parkeervoorzieningen is specifiek aangeduid op de verbeelding. Het te realiseren aantal parkeerplaatsen (37) is in de planregels geborgd. Binnen de bestemming zijn geen gebouwen toegestaan, met uitzondering van het opgenomen kleine bouwvlak ter plaatse van het beoogde knevelhuisje. De maximale goot- en bouwhoogte bedragen 3 en 5 meter. In de regels zijn mogelijkheden voor kleinschalige bouwwerken in de vorm van onder meer gedenktekens opgenomen.

Wonen
Ter plaatse van het woonperceel aan de Hoofdstraat ongenummerd is de bestemming 'Wonen' opgenomen. De gronden met de bestemming 'Wonen' zijn bedoeld voor woondoeleinden, al dan niet met een beroep aan huis. Binnen de bestemming zijn maximaal 4 woningen toegestaan. Een combinatie van wonen met zorg en/of kamerverhuur is mogelijk. Verder zijn bijbehorende voorzieningen zoals tuinen, erven en parkeervoorzieningen ten behoeve van het wonen toegestaan.

Er is een bouwvlak opgenomen op de beoogde locatie van het woongebouw, met een beperkte flexibiliteitsmarge. Er zijn maximaal 4 wooneenheden toegestaan binnen de bebouwing. Dit maximum geldt alleen voor het aantal woningen. De maximum goot- en bouwhoogte zijn op de verbeelding opgenomen, evenals de situering van de bijgebouwen.

Waarde - Archeologische verwachting 1 tot en met 3
In het plangebied zijn overeenkomstig de nieuwe archeologische beleidskaart van de gemeente (zie ook paragraaf 4.10) archeologische dubbelbestemmingen opgenomen ten behoeve van archeologische verwachtingswaarden in of nabij het plangebied. Op basis van deze dubbelbestemmingen is archeologisch onderzoek nodig indien sprake is van omvangrijke bodemverstorende ingrepen groter dan de opgenomen verschillende drempelwaarden. Naast de betreffende dubbelbestemming hebben de betrokken gronden altijd nog een hoofdbestemming. De regels van de hoofdbestemming en de dubbelbestemming zijn dan beide van toepassing. Bij strijd tussen deze regels prevaleren de regels van de dubbelbestemming. De reden hiervoor is dat de belangen van de dubbelbestemming zwaarder wegen dan die van de hoofdbestemming.

 

Hoofdstuk 6 Financiële toelichting

Kostenverhaal
Uitgangspunt voor de beoogde ontwikkelingen is dat deze voor de gemeente budgetneutraal worden ontwikkeld. Op grond van artikel 6.12 lid 1 Wet ruimtelijke ordening (Wro) is de gemeenteraad van Overbetuwe verplicht om, indien er sprake is van een bouwplan, de gemeentelijke kosten te verhalen.

Er zijn tussen de gemeente Overbetuwe en initiatiefnemer afspraken gemaakt met betrekking tot het kostenverhaal.

Financiële haalbaarheid
De initiatiefnemer beschikt over voldoende middelen om de voorgestane ontwikkeling te kunnen realiseren. Er zijn geen onvoorziene hoge kosten te verwachten. Ook is er geen sprake van onzekere financiële bijdragen van anderen. De financieel-economische haalbaarheid is hiermee in voldoende mate aangetoond.

Hoofdstuk 7 Overleg en inspraak

7.1 Inleiding

De procedures voor vaststelling van een bestemmingsplan zijn door de wetgever geregeld. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties waar nodig overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Bovendien kan het noodzakelijk zijn om belanghebbenden de gelegenheid te bieden om hun visie omtrent het plan te kunnen geven. Dit is afhankelijk van de inspraakverordening van de gemeente. Pas daarna kan de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van het bestemmingsplan van start gaan.

7.2 Overleg

Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) geeft aan dat het bestuursorgaan dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg pleegt met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.

Met de "Schil Zetten-Hemmen" is een uitgebreid participatietraject doorlopen. In het voortraject is contact geweest met de provincie Gelderland met betrekking tot de invulling van het plangebied binnen de als Gelders Natuurnetwerk aangewezen gronden. Op basis hiervan is het plan zo aangepast, dat het als GNN begrensde deel van het plan ongewijzigd als bos wordt gehandhaafd, zodat geen compensatie nodig is.

7.3 Vaststellingsprocedure

De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan heeft plaatsgevonden volgens artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening. Het ontwerpbestemmingsplan is in dit kader ter visie gelegd gedurende een periode van zes weken vanaf 8 februari tot en met 21 maart 2018. Gedurende deze periode kon een ieder zijn zienswijzen kenbaar maken tegen het plan. Er zijn 24 schriftelijke zienswijzen op het plan ontvangen. De zienswijzen zijn samengevat en van een reactie voorzien in het 'Rapport zienswijzen ontwerpbestemmingsplan Zetten, begraafplaats en Hoofdstraat ongenummerd (ten noorden van nr. 57)'. De zienswijzen hebben geleid tot aanpassingen in de toelichting en regels en op de verbeelding van het bestemmingsplan. Daarnaast zijn er twee nieuwe bijlagen bij de toelichting toegevoegd en is één bijlage bij de regels geschrapt. De wijzigingen zijn in het zienswijzenrapport beschreven.

Het plan is vervolgens op 29 junuari 2019 gewijzigd vastgesteld door de gemeenteraad.

7.4 Beroep

Na vaststelling wordt het bestemmingsplan voor de tweede maal zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Indien geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking.