direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Zetten, Heldringstraat ongenummerd
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1734.0328ZTTNheldringon-ONT1

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

De initiatiefnemer wil aan de Heldringstraat aan de noordelijke rand van Zetten een openbaar toegankelijk park en drie vrijstaande woningen realiseren. Ter plaatse van het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Zetten-Hemmen'. Op basis van de huidige bestemming is het oprichten van woningen ruimtelijk en functioneel niet toegestaan. De woningen worden namelijk gerealiseerd binnen de bestemming 'Agrarisch', waar geen woningen zijn toegestaan. Daarnaast is het wenselijk om de bestemming voor de inrichting als een openbaar toegankelijk park te wijzigen.

Om het initiatief mogelijk te maken, is daarom een herziening van het bestemmingsplan voor het plangebied noodzakelijk. Dit bestemmingsplan 'Zetten, Heldringstraat ongenummerd' stelt de kaders vast waarbinnen de nieuwbouw van de drie woningen met de daarbij bijbehorende voorzieningen kan worden toegestaan.

1.2 Ligging en beschrijving plangebied

Het plangebied ligt aan de noordelijke rand van de kern Zetten, ten zuiden van de rivier de Linge. Op afbeelding 1.1 is de ligging van het plangebied weergegeven. Het plangebied wordt begrensd door de Heldringstraat met noordelijk daarvan de Linge, het woonperceel Heldringstraat 2-2F en een agrarisch perceel aan de oostkant, vier woonpercelen aan de weg Magdalena aan de zuidkant en door de wegen Magdalena en Heldringstraat aan de westkant. De woonpercelen aan de weg Magdalena vormen de rand van de bebouwde kom in de huidige situatie. Afbeelding 1.2 geeft een indruk van de begrenzing van het plangebied en de kadastrale situatie in de omgeving.

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0328ZTTNheldringon-ONT1_0001.png"  
Afbeelding 1.1: ligging plangebied (bron: Bing Maps)  
 
afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0328ZTTNheldringon-ONT1_0002.png"  
Afbeelding 1.2: weergave kadastrale situatie en begrenzing plangebied (bron: De Regt+Danz BNA)  

1.3 Huidig bestemmingsplan

In het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Zetten-Hemmen', dat op 24 oktober 2017 is vastgesteld en inmiddels onherroepelijk in werking is getreden. Het plangebied heeft in zijn geheel de bestemming 'Agrarisch'. Er is geen bouwvlak opgenomen. Daarnaast gelden in het plangebied de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologische verwachting 2' en 'Waarde - Archeologische verwachting 3'. In afbeelding 1.3 is een uitsnede van de verbeelding van bestemmingsplan 'Zetten-Hemmen' ter plaatse van het plangebied opgenomen. De begrenzing van het plangebied is daarop indicatief aangegeven.

Binnen de bestemming 'Agrarisch' is het oprichten van woningen ruimtelijk en functioneel niet toegestaan. Daarnaast wordt een openbaar toegankelijk park met groenvoorzieningen, water(berging) en een toegangsweg voorzien, alsmede een groenzone met een natuurvriendelijke oever aan de zuidkant van het plangebied. Hiervoor zijn bestemmingswijzigingen eveneens wenselijk. Een herziening van het bestemmingsplan voor het totale initiatief is daarom noodzakelijk.

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0328ZTTNheldringon-ONT1_0003.png"  
Afbeelding 1.3: uitsnede huidig bestemmingsplan 'Zetten-Hemmen' (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)  

1.4 Leeswijzer

Deze toelichting is als volgt opgebouwd. Na dit inleidende hoofdstuk, worden in hoofdstukken 2 en 3 respectievelijk de bestaande en de toekomstige situatie in het plangebied beschreven. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op het voor dit bestemmingsplan van toepassing zijnde rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid. In hoofdstuk 5 komen de relevante milieu- en omgevingsaspecten aan de orde. Daarmee wordt inzichtelijk gemaakt of de ontwikkeling in ruimtelijk- en milieuhygiënisch opzicht aanvaardbaar en haalbaar is en voldoet aan het vereiste van een goede ruimtelijke ordening. In hoofdstuk 6 is de juridische planopzet beschreven en in hoofdstuk 7 is de financiële toelichting opgenomen. In hoofdstuk 8 is de procedure beschreven.

Hoofdstuk 2 Bestaande situatie

Het plangebied betreft een open en onbebouwd agrarisch perceel tussen de Heldringstraat en de bebouwde kom van Zetten in. Kadastraal is het plangebied bekend als gemeente Zetten, sectie F, perceelnummer 2669. De oppervlakte van het plangebied is ongeveer 1,55 hectare.

De gronden in het plangebied zijn momenteel ingericht als een weids grasland. Aan de randen zijn enkele solitaire bomen aanwezig. Aan de randen van het plangebied zijn watergangen aanwezig, met uitzondering van de gronden grenzend aan de Magdalena (westkant). Langs de oostelijke watergang zijn beeldbepalende bomen aanwezig. De Heldringstraat kenmerkt zich door laanbeplanting.

Het plangebied ligt in een gebied met verschillende functies. Zuidelijk van het plangebied is het woondomein 'Aan de Linge', bestaande uit overwegend ruime woonkavels met vrijstaande woningen, gelegen. Dit vormt de rand van de bebouwde kom van Zetten. Oostelijk van het plangebied wisselen (open) agrarische gronden en woonpercelen elkaar af en is een waardevol open gebied aanwezig. Circa 160 meter oostelijk ligt de Wageningsestraat/N836. Noordelijk van het plangebied ligt de Heldringstraat met laanbeplanting en aangrenzend stroomt de Linge. Verder noordelijk is een agrarisch gebied gelegen. Westelijk van het plangebied zijn enkele woonkavels, een open agrarisch perceel en de Herveldsche Leigraaf gelegen. In het plangebied zelf is vermoedelijk een oude riviergeul aanwezig, die op de hoogtekaart duidelijk zichtbaar is, maar in het landschap niet meer herkenbaar is. Afbeelding 2.2 geeft een schetsmatige indruk van de ruimtelijke en functionele kenmerken in het plangebied en de directe omgeving.

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0328ZTTNheldringon-ONT1_0004.png"  
Afbeelding 2.1: weergave huidige situatie en begrenzing plangebied (bron: Bing Maps)  
afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0328ZTTNheldringon-ONT1_0005.png"  
Afbeelding 2.2: schetsmatige weergave plangebied en directe omgeving (bron: De Regt-Danz BNA)  

Hoofdstuk 3 Toekomstige situatie

De initiatiefnemer wil in het plangebied drie vrijstaande woningen realiseren, aansluitend op de bestaande noordelijke dorpsrand van Zetten. De nieuwe woningen vormen de noordelijke afronding van Zetten en de bedoeling is dat een zachte overgang tussen de woonkern en het landschap wordt gecreëerd. De overige delen van het plangebied worden landschappelijk ingericht. Bij het bepalen van de inrichting zijn onder meer de volgende randvoorwaarden gehanteerd:

  • Creëren van een zachte overgang tussen het dorp Zetten en het omliggende landschap;
  • Ontsluiting van de woningen op de Heldringstraat aan de noordkant;
  • Open houden noordelijk deel van het plangebied als landschappelijke zone/park langs de Linge;
  • Park openbaar toegankelijk via afzonderlijk wandelpad;
  • Terugbrengen en herkenbaar maken van oude riviergeul, enerzijds voor benutting als waterberging en anderzijds om deze waardevolle landschapsstructuur beleefbaar te maken;
  • Licht glooiende afgravingen en ophogingen, passend bij het oeverwallenlandschap creëren;
  • Versterking karakteristieke landschapselementen;
  • Rekening houden met bestaande woningen en uitzicht daarvan. De nieuwe woningen worden niet direct in het verlengde van de bestaande woningen gesitueerd;
  • Realiseren van waterbergingsopgave voor de planontwikkeling én het woondomein 'Aan de Linge';
  • Scheiding tussen bestaande woningen en nieuwe woningen door middel van natuurlijke strook en natuurvriendelijke oever bij bestaande watergang.

Het inrichtingsplan op basis van deze uitgangspunten is op afbeelding 3.1 zichtbaar. Het volledige inrichtingsplan, inclusief uitgebreide toelichting op de hieraan ten grondslag liggende keuzes en uitgangspunten, is opgenomen in Bijlage 1 bij de planregels. Na de afbeelding wordt achtereenvolgens ingegaan op de inrichtingsprincipes van de woonerven, op de maatvoering en beeldkwaliteit van de woningen en op de landschappelijke inrichting. De realisatie van het inrichtingsplan wordt met een voorwaardelijke verplichting in de bestemmingsplanregels geborgd.

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0328ZTTNheldringon-ONT1_0006.png"  
Afbeelding 3.1: indicatief inrichtingsplan (bron: De Regt-Danz BNA)  


Woonerven
Er worden drie vrijstaande, ruime woonkavels beoogd (minimaal 1.390 m²). Deze zijn bedoeld als beëindiging van de bebouwde kom aan de noordkant van Zetten. De positionering van de woonkavels is zodanig gekozen, dat het noordelijke landschappelijke deel van het plangebied zo min mogelijk wordt aangetast, maar er anderzijds voldoende ruimte ten opzichte van de bestaande woningen (woondomein 'Aan de Linge') in acht wordt genomen. Met het oog op dit laatste uitgangspunt, wordt een groene zone van circa 10 meter breedte aan de zuidkant van het plangebied voorzien. Daarnaast zijn de woningen zo gepositioneerd, dat deze niet in het verlengde van de bestaande woningen staan, maar in de tussenliggende ruimte. Zo wordt het zicht op het open landschap vanuit de bestaande woningen gedeeltelijk behouden.

Erfafscheidingen tussen de woonerven worden als hagen uitgevoerd. Daarnaast is het de bedoeling dat de tuinen zoveel mogelijk open blijven. De bouwmogelijkheden voor bijgebouwen zijn daarom relatief beperkt en de voorkeur bestaat voor aan- en uitbouwen in plaats van bijgebouwen.

De ontsluiting van de woonerven vindt plaats door middel van een gezamenlijke ontsluitingsweg naar de Heldringstraat aan de noordkant. Deze wordt ingericht als een smal karrenspoor (verhard, uitgevoerd in keien of gebakken straatstenen, met een groen middenstuk), zodat de landschappelijke impact minimaal is.

Woningen en beeldkwaliteit
Voor het initiatief is een beeldkwaliteitsplan opgesteld, dat eveneens onderdeel uitmaakt van Bijlage 1 bij de planregels. Het aan het plangebied grenzende woondomein 'Aan de Linge' kenmerkt zich door de landelijke sfeer van de woonomgeving, met forse hagen, ruime percelen en de toegepaste bouwstijlen 'Belgische Kempen/Kempische stijl' en 'Engelse Cottage/Cottage stijl'. (Referentie)beelden van deze stijlen en uitstraling zijn opgenomen in afbeelding 3.2. De nieuwe woningen in het plangebied moeten qua bouwstijl, massa-opbouw, materialisering, kleurstelling en erf- en groeninrichting aansluiten op deze bestaande bebouwing. Kenmerkend aan de verschijningsvorm 'Kempische stijl' is een imposant hoofdgedeelte van de bebouwing, met meerdere kleinere aanbouwen in dezelfde nokrichting. Daken zijn niet afgeschuind. De verschijningsvorm 'Cottage stijl' is eveneens fors, maar kent een statig, vaak centraal hoofdgedeelte, dat wordt geflankeerd door haakse aanbouwen. Deze daken zijn vaak afgeschuind of voorzien van een wolfeind.

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0328ZTTNheldringon-ONT1_0007.png"  
afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0328ZTTNheldringon-ONT1_0008.png"  
afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0328ZTTNheldringon-ONT1_0009.png"  
Afbeelding 3.2: (referentie)beelden beeldkwaliteit nieuwe woningen (bron: De Regt-Danz BNA)  


De woningen krijgen een goothoogte van maximaal 6,50 meter en een bouwhoogte van maximaal 10,5 meter. De nokrichtingen van de hoofdmassa's verschillen en worden in de bouwregels vastgelegd. Voor aan-/uitbouwen is de nokrichting niet voorgeschreven. Deze mogen een goothoogte van maximaal 4,50 meter hebben. Er zijn drie losse bouwvlakken opgenomen, elk met een oppervlakte van ongeveer 278 m². De maximale bouwmassa van de hoofdgebouwen met aan- en uitbouwen bedraagt 1.400 m³.

Voor bijgebouwen zijn specifieke zones aangegeven. Deze mogen maximaal 50 m² zijn met een goothoogte van maximaal 3 meter.

Wat betreft de architectonische kenmerken is in het beeldkwaliteitsplan onder meer het volgende voorgeschreven:

  • Gevels in baksteen, onderdelen van gevels in hout;
  • Gebruik van houten kozijnen, voornamelijk in wit of gebroken wit;
  • Ramen uitgevoerd in hout; variatie in vorm en omvang. Dorpels bestaan uit natuursteen of baksteen;
  • Deuren en luiken uitgevoerd in hout, in kleur afwijkend van de kozijnen;
  • Bay windows (kleine en ondiepe erkers);
  • Aanbouwen/uitbouwen kleinschalig, gemetseld of in hout uitgevoerd;
  • Serre/wintertuin in de vorm van kleine glazen aanbouw;
  • Daken gedekt met dakpannen met rode, oranjerode, grijze en bruinachtige tinten, al dan niet gemeleerd;
  • Dakkapellen onder voorwaarden toegestaan als toevoeging aan daken of overgang tussen gevel en dak;
  • Bijgebouwen ondergeschikt aan hoofdvolume en eenvoudig uitgevoerd in harmonie met het hoofdgebouw;
  • Zonnecollectoren/zonnepanelen toegestaan, mits onopvallend en zorgvuldig opgenomen in ontwerp.


Landschappelijke inrichting
Het noordelijke deel van het plangebied wordt als landschappelijk, openbaar toegankelijk park ingericht. Het park sluit aan op de omliggende gebieden, waaronder de Linge. In de planregels is als randvoorwaarde voor het in gebruik nemen en houden van de nieuwe woningen opgenomen dat het park openbaar toegankelijk moet zijn. De wandelpaden worden aangesloten op bestaande routes, onder meer langs de Linge.

In het plangebied zijn enkele verschillende elementen opgenomen, zie ook afbeelding 3.3.

  • Oude riviergeul. Deze wordt teruggebracht en herkenbaar en beleefbaar gemaakt door deze op het feitelijke tracé uit te graven over een breedte van 15,50 meter breed, waarbij een deel van circa 3 meter breed onder water ligt. Deze geul wordt gebruikt voor de vereiste waterbergingsopgave voor de nieuwe woningen en de bestaande woningen van 'Aan de Linge'. Aan de randen van het talud worden solitaire bomen geplant.
  • Bloem- en kruidenrijk grasland rondom de geul, met name aan de noord- en oostkanten. De bedoeling is dat hier grote biodiversiteit ontstaat door de afwisseling van vochtige en droge gronden. Het bloem- en kruidenrijk grasland waarborgt het behoud van de waardevolle openheid van het plangebied. De bestaande solitaire bomen worden behouden.
  • Boomgaard met hoogstamfruit van circa 500 m², aansluitend aan de westelijke woonkavel en de ontsluitingsweg. Gekozen is voor verschillende soorten fruitbomen.


In het inrichtingsplan is een beplantingsplan met soorten en plantafstanden opgenomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0328ZTTNheldringon-ONT1_0010.png"  
Afbeelding 3.3: landschappelijke inrichting (bron: De Regt-Danz BNA)  

Hoofdstuk 4 Beleidskader

4.1 Rijksbeleid

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR)
In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte staan de plannen van de Rijksoverheid voor ruimte en mobiliteit. Het Rijk streeft naar een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland. Om dit te bereiken, laat het Rijk de ruimtelijke ordening meer over aan de decentrale overheden (provincie en gemeenten) en komt de gebruiker centraal te staan. Het Rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 13 nationale belangen. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid.

Beoordeling en conclusie
Het plangebied ligt niet in de nationale hoofdstructuur en het plan ziet op een ontwikkeling van lokaal belang. Er worden slechts 3 nieuwe woningen mogelijk gemaakt. Het beleid met betrekking tot het realiseren van de woningen wordt dan ook neergelegd bij de decentrale overheden. Er zijn geen nationale belangen in het geding. Het initiatief conflicteert niet met het nationaal ruimtelijke ordeningsbeleid, zoals vastgelegd in de SVIR.

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)
Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft richtlijnen voor de inhoud van bestemmingsplannen, voor zover het gaat om ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang. De normering uit het Barro werkt zoveel mogelijk direct door op het niveau van de lokale besluitvorming. Bij besluitvorming over bestemmingsplannen moeten de regels van het Barro worden gerespecteerd.

Beoordeling en conclusie
Het initiatief betreft een lokale ontwikkeling. Er zijn geen nationale belangen in het geding. Het Barro heeft geen doorwerking naar dit bestemmingsplan.

Ladder voor duurzame verstedelijking
Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen, is per 1 oktober 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening. De ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De ladder is een motiveringsinstrument dat moet worden toegepast bij elk ruimtelijk besluit dat een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling' mogelijk maakt. Wat onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan, is in artikel 1.1.1 Bro bepaald: 'De ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.” Uit de jurisprudentie komt naar voren dat het wel een nieuwe stedelijke ontwikkeling van enige omvang moet zijn (ECLI:NL:RVS:2016:1503).

In een bestemmingsplan moet worden aangegeven dat de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte en een motivering, dat de ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd als de ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied plaatsvindt: 'De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien”.

Beoordeling en conclusie
Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt, dat het toevoegen van drie woningen, gezien de kleinschaligheid van de ontwikkeling, geen stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro is. Omdat dit bestemmingsplan geen nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, is de ladder voor duurzame verstedelijking niet van toepassing en kan een nadere toetsing aan artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro achterwege blijven.

4.2 Provinciaal beleid

Omgevingsvisie Gaaf Gelderland
Provinciale Staten hebben op 19 december 2018 de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland (hierna: de Omgevingsvisie) vastgesteld. Deze is in werking getreden op 1 maart 2019. Het doel van de Omgevingsvisie is: een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland, vanuit het verleden én met het oog op de toekomst. De provincie is als middenbestuur een belangrijke schakel bij het bereiken van deze doelstellingen en wil op een aantal manieren waarde toevoegen:

  • met een brede blik kijken naar de inrichting en kwaliteit van de Gelderse leefomgeving;
  • stimuleren van ontwikkelingen enerzijds en beschermen van waarden anderzijds;
  • focussen op duurzaamheid, onderlinge verbondenheid en een economisch krachtig Gelderland;
  • door middel van 7 ambities verder verdiepen van de focus.

De 7 ambities van de provincie zien op de volgende thema's: energietransitie, klimaatadaptatie, circulaire economie, biodiversiteit, bereikbaarheid, vestigingsklimaat en de woon- en leefomgeving. Per ambitie is de provinciale aanpak beschreven.

Beoordeling en conclusie
De Omgevingsvisie is concreet uitgewerkt in de hierna beschreven Omgevingsverordening Gelderland. Deze verordening bevat concrete regels, waaraan het initiatief wordt getoetst. Wel kan worden gesteld dat het initiatief in lijn met de doelstellingen van de Omgevingsvisie is. De provincie streeft onder meer naar een duurzaam en divers woon- en leefklimaat, met aandacht voor de kwaliteit van de leefomgeving. Met het initiatief worden drie nieuwe woonpercelen van hoogwaardige ruimtelijke en architectonische kwaliteit toegevoegd. Er wordt nadrukkelijk aansluiting gezocht bij het bestaande woongebied. Door de ligging aan de rand van de bebouwde kom, de ruime kavels en de landschappelijke zone wordt een onderscheidend woonmilieu beoogd.

Het plan draagt daarnaast bij aan een verbetering van de ruimtelijk-functionele structuur door een betere overgang tussen de kern Zetten en het omliggende gebied met specifieke landschappelijke waarden te verzorgen. Onderdeel van het plan is om voor meer biodiversiteit te zorgen door de aanleg van bloem- en kruidenrijk grasland op zowel droge als natte gronden. Het terugbrengen van de oude riviergeul in het plangebied draagt bij aan de klimaatadaptieve opgave.

Omgevingsverordening Gelderland
Provinciale Staten hebben de Omgevingsverordening Gelderland (hierna: de Omgevingsverordening of verordening) vastgesteld op 24 september 2014. De verordening wordt geregeld geactualiseerd. De meest recente actualisatie van de Omgevingsverordening dateert van december 2018.

De regels in de verordening kunnen betrekking hebben op het hele provinciale grondgebied, op delen of op gebiedsgerichte thema's. Gemeenten moeten binnen een bepaalde termijn hun bestemmingsplan afstemmen op de in de verordening opgenomen regels. De regels in de verordening zijn gebaseerd op de provinciale omgevingsvisie en hebben de status van algemeen verbindende voorschriften.

Beoordeling
Het plangebied ligt binnen de volgende aanduidingen op de kaarten behorend bij de Omgevingsverordening:

  • plussenbeleid;
  • tijdelijk verbod vestiging, uitbreiding en hervestiging glastuinbouw;
  • intrekgebied.

Deze aanduidingen stellen beperkingen aan respectievelijk intensieve veehouderij, glastuinbouw en winning van fossiele energie. Deze functies en activiteiten zijn met dit bestemmingsplan niet aan de orde.

Thema 'wonen'
Het thema 'wonen' is bij deze ontwikkeling van belang, omdat er drie nieuwe woningen worden toegevoegd. Nieuwe woonlocaties zijn uitsluitend toegestaan wanneer de ontwikkeling in het geldende door Gedeputeerde Staten vastgestelde Kwalitatief/Kwantitatieve Woonprogramma past.

Het woningbouwprogramma wordt op regionaal niveau afgestemd en frequent geactualiseerd. Binnen de Subregionale Woonagenda Arnhem e.o., waartoe Overbetuwe behoort, wordt uitgegaan van het toevoegen van in totaal circa 13.500 woningen in de periode 2017-2027. De kwantitatieve prognose is gebaseerd op de meest recente Primos-prognose. Voor Overbetuwe bedraagt de kwantitatieve behoefte in de periode 2018-2027 tussen de 1.160 en 1.330 woningen. Op de lange termijn (2018-2035) bedraagt de behoefte tussen de 1.550 en 1.880 woningen. Er ligt voor de gemeente dus een woningbouwopgave voor de korte en langere termijn.

Met het bestemmingsplan worden drie woningen aan de woningvoorraad toegevoegd. In kwantitatief opzicht is het plan in overeenstemming met de regionale woningbouwprogrammering, omdat de woningbouwopgave voor de korte en lange termijn in Overbetuwe nog niet geheel is ingevuld.

In kwalitatief opzicht is het plan onderscheidend te noemen, vanwege de ligging aan de rand van de bebouwde kom, de ruime kavels met grote woningen, de architectonische uitstraling zoals voorgeschreven in het beeldkwaliteitsplan en de landschappelijke zone. Hiermee wordt een onderscheidend woonmilieu gecreëerd, dat een aanvulling vormt op de bestaande woningvoorraad en goed aansluit op het aangrenzende woongebied 'Aan de Linge'.

Het plan is in overeenstemming met het door Gedeputeerde Staten vastgestelde Woonprogramma.

Conclusie
Dit bestemmingsplan is in overeenstemming met de Omgevingsverordening Gelderland.

4.3 Gemeentelijk beleid

Omgevingsvisie Overbetuwe 2040
Op 1 oktober 2019 heeft de gemeenteraad van Overbetuwe de Omgevingsvisie Overbetuwe 2040 (hierna: Omgevingsvisie) vastgesteld. De Omgevingsvisie geeft de integrale koers en ambities van de gemeente Overbetuwe voor de fysieke leefomgeving voor de periode tot en met 2040 aan. De Omgevingsvisie is er primair op gericht om de kwaliteit van het leefmilieu te behouden en waar mogelijk te versterken. Samenwerking tussen verschillende partijen staat centraal en is noodzakelijk om deze doelen te bereiken. De visie is opgesteld vanuit een brede blik, waarbij ruimtelijke ordening, milieu, economie en bereikbaarheid met elkaar worden verbonden.

De gemeente onderscheidt een aantal kernwaarden die als vertrekpunt en inspiratiebron voor nieuwe ontwikkelingen dienen. Deze kernwaarden zijn ontstaan in het cultuurhistorisch gegroeide Betuwse rivierenlandschap. Kernwaarden zijn beschreven op het gebied van bodem en landschap, netwerk en infrastructuur en occupatie. De verschillende kernen in de gemeente kennen elk een eigen karakteristieke identiteit en waarden. Deze worden eveneens als leidraad voor nieuwe ontwikkelingen gehanteerd. Behoud van de karakteristiek en (specifieke) kwaliteiten van deze kernen en het buitengebied is een speerpunt in het beleid.

In de Omgevingsvisie wordt de focus gelegd op zes opgaven:

  • Vitaal buitengebied in beweging;
  • Innovatieruimte voor ondernemerschap;
  • Samen werken aan energietransitie;
  • Gevarieerde dorpse woonomgeving;
  • Netwerk verbonden met samenleving;
  • Voorzieningen geclusterd.

Per thema wordt de toekomstige ontwikkeling van de Overbetuwse leefomgeving beschreven.

Beoordeling
Het plangebied ligt aangrenzend aan het bestaand stedelijk gebied en vormt een nieuwe afronding van de bebouwde kom van Zetten. Het initiatief draagt bij aan het bereiken van de woningbouwopgave van de gemeente Overbetuwe.

In kwalitatief opzicht is van belang dat het plan bijdraagt aan verbetering van de ruimtelijke en landschappelijke samenhang tussen de kern en het omliggende gebied (landelijk gebied, Linge). De Lingezone is in de Omgevingsvisie als een belangrijke landschappelijke pijler aangewezen. Aan weerszijden van de Linge streeft de gemeente naar verbetering van de waterberging en waterkwaliteit. Dit komt in paragraaf 5.10 aan bod. Daarnaast wordt in deze zone versterking van de Linge als landschappelijke, recreatieve en cultuurhistorische drager beoogd. Met het initiatief worden ecologische, cultuurhistorische en recreatieve potenties beter benut door de ontwikkeling van respectievelijk bloemen- en kruidenrijk grasland, terugbrengen van een oude riviergeul en het realiseren van een openbaar toegankelijk landschapspark. In hoofdstuk 3 is dit nader toegelicht. Het plan draagt dus bij aan het bereiken van een concrete doelstelling van de Omgevingsvisie.

De elf kernen van Overbetuwe hebben allemaal hun eigen dynamiek en kenmerken. Daarbij kenmerkt het westelijk deel van de gemeente, waartoe Zetten behoort, zich als een gebied met een meer landelijke functie. Zetten kenmerkt zich als een landelijk en groen dorp, dat aantrekkelijk is voor wonen en werken en te midden van natuurlijk buitengebied ligt. Het dorp heeft een subregionale functie met een relatief hoog voorzieningenniveau. De aantrekkelijkheid als woonomgeving is in het plangebied en in het bestaande woongebied 'Aan de Linge' goed zichtbaar. Het initiatief beoogt om drie nieuwe aantrekkelijke woonpercelen te realiseren, die recht doen aan de kenmerken en kwaliteiten van Zetten en de omgeving van het dorp. Er is sprake van een geschikte woonlocatie, die bovendien goed ontsloten is op een gebiedsontsluitingsweg. Het plan doet, zoals hiervoor is gemotiveerd, geen afbreuk aan de karakteristiek en specifieke kwaliteiten van Zetten, maar sluit in ruimtelijk en functioneel opzicht juist aan op de omgeving. Het plan is daarom in lijn met de Omgevingsvisie.

Conclusie
Dit bestemmingsplan past in de met de Omgevingsvisie gewenste beleidslijn.

Woonagenda Overbetuwe 2020
In de Woonagenda 2020 verwoordt de gemeente Overbetuwe haar doelen en ambities op het gebied van wonen. Als basis voor deze woonagenda is een opgavennotitie opgesteld. Deze woningmarktanalyse geeft zicht op huidige en toekomstige kansen en knelpunten en is het startpunt voor de uitwerking van de woonagenda. De woonagenda bevat geen detaillistisch uitvoeringsprogramma, maar de koers waarbinnen de komende jaren plannen voor kernen en locaties kunnen worden uitgewerkt. De ontwikkelingen die de komende jaren afkomen op de gemeente (vergrijzing, gezinsverdunning) vragen om meer variatie in het woonaanbod. Over het algemeen zijn inwoners tevreden over hun woonsituatie. Niet voor iedereen is het echter even makkelijk om een woning naar wens te vinden. De gemeente wil over voldoende woningen met de juiste kwaliteit beschikken om huishoudens de gewenste stappen in hun wooncarrière te laten maken. Dat wil zeggen voor iedere stap in de levensloop een geschikt woonalternatief.

Accentpunten zijn:

  • Aandacht voor urgente huisvestingsnood: inzetten op geschikte woningen voor bijzondere doelgroepen;
  • Betaalbaarheid en beschikbaarheid: meer betaalbare huurwoningen beschikbaar;
  • Wijs omgaan met de bestaande woningvoorraad: inzetten op verduurzaming;
  • Een levensloopvriendelijke gemeente: langer thuis wonen en er op uit;
  • Een gezonde woningmarkt in balans: prioriteren én versnellen van onze woningbouwplannen.


Het aantal huishoudens binnen de gemeente neemt in de periode 2015-2040 naar verwachting toe met ca. 2.250. Tot 2025 is een uitbreiding van de woningvoorraad met 1.400 woningen nodig voor het oplossen van bestaande tekorten en het opvangen van de autonome huishoudengroei.

Variatie in het woonaanbod is bij realisatie van nieuwbouw een speerpunt. De grootste vraag bestaat naar woningen voor starters en ouderen. Een ander uitgangspunt is dat nieuwe woningen zoveel mogelijk levensloopgeschikt worden gebouwd. De gemeente legt het accent op het bestaande bebouwde gebied: kwaliteitsverbetering van de bestaande woningvoorraad en mogelijkheden voor inbreiding en intensivering, bijvoorbeeld door functieverandering. Naast verbetering van de bestaande voorraad blijft nieuwbouw nodig om in te spelen op de ambities. Doel van de nieuwbouw is, naast het in de pas lopen met de groei van het aantal huishoudens, meer variatie in het woonaanbod te realiseren en beter aan te sluiten op de kwalitatieve behoefte.

Beoordeling
Het plangebied ligt grenzend aan het bestaand stedelijk gebied. Het uitgangspunt in de Woonagenda is om in de eerste plaats mogelijkheden voor inbreiding en intensivering zoveel mogelijk te benutten. Het plan voorziet echter in een specifiek woonmilieu, bestaande uit ruime, landschappelijke woonkavels met relatief grote woningen, aansluitend op zowel het bestaande woongebied als het landschap in de omgeving. Voor een dergelijk woonmilieu zijn inbreidingslocaties veelal ongeschikt, maar kan een locatie grenzend aan bestaand stedelijk gebied juist uitermate geschikt zijn. Voorwaarde is dat een dergelijke ontwikkeling past in de ruimtelijke, functionele en landschappelijke structuur van de omgeving en in één of meerdere opzichten een meerwaarde (ruimtelijke kwaliteitsverbetering) oplevert. Zoals eerder in deze toelichting uitgebreid is beschreven, sluit het plan aan op de ruimtelijk-functionele structuur in de omgeving en levert het in verschillende opzichten (ecologisch, landschappelijk, cultuurhistorisch en recreatief) een aantoonbare meerwaarde op. Met de gekozen invulling, is het plan in lijn met het gemeentelijk beleid, zoals onder meer vastgelegd in de Woonagenda.

Met het bestemmingsplan worden drie woningen aan de woningvoorraad toegevoegd. In kwantitatief opzicht is het plan in overeenstemming met de regionale afgestemde woningbouwprogrammering. De woningbouwopgave voor de korte en lange termijn in Overbetuwe is nog niet geheel ingevuld.

De woningen in het plangebied zijn duurdere woningen, waaraan volgens de Woonagenda behoefte bestaat. Daarnaast is het plan in kwalitatief opzicht onderscheidend, vanwege de ligging aan de rand van de bebouwde kom, de ruime kavels met grote woningen, de architectonische uitstraling zoals voorgeschreven in het beeldkwaliteitsplan en de landschappelijke zone. Hiermee wordt een onderscheidend woonmilieu gecreëerd, dat een aanvulling vormt op de bestaande woningvoorraad en goed aansluit op het aangrenzende woongebied 'Aan de Linge'. Het programma is in kwalitatief opzicht dan ook passend in de Woonagenda.

Conclusie
Het plan is in overeenstemming met de Woonagenda Overbetuwe 2020.

Hoofdstuk 5 Milieu- en omgevingsaspecten

5.1 Milieueffectrapportage

Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r. gewijzigd. De belangrijkste aanleidingen hiervoor zijn de modernisering van de m.e.r. wetgeving in 2010 en de uitspraak van het Europese Hof van 15 oktober 2009. Uit deze uitspraak volgt dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen m.e.r.(-beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit lijst D zit, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een gevoelig natuurgebied ligt. Gemeenten en provincies moeten daarom vanaf 1 april 2011 ook bij kleinere bouwprojecten beoordelen of een m.e.r.(-beoordeling) nodig is.

Ook de Implementatiewet 'herziening m.e.r. richtlijn', die sinds 16 mei 2017 in werking is, is voor dit bestemmingsplan van belang. De richtlijn wijzigt de procedure en de inhoud van het MER en de m.e.r.-beoordeling, maar ook de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Dit heeft gevolgen voor de inhoud en procedure van ruimtelijke plannen. Voor activiteiten, die zijn opgenomen in onderdeel D van de Bijlage bij het Besluit m.e.r. en waarvan de omvang beneden de in kolom 2 genoemde drempel ligt, geldt een vormvrije m.e.r.-beoordeling.

Beoordeling en conclusie
Dit bestemmingsplan maakt de bouw van 3 nieuwe woningen mogelijk. Deze ontwikkeling wordt niet genoemd in lijst C van het Besluit m.e.r. Met betrekking tot de ontwikkeling is in onderdeel D (11.2) van de bijlage van het Besluit m.e.r. het volgende opgenomen: “De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterrein.” De voorgenomen ontwikkeling ligt ver onder de drempelwaarde die is opgenomen in kolom 2, namelijk slechts 3 woningen in plaats van 2.000 woningen. Gezien de aard en omvang van de ontwikkeling is er geen sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject.

Er is daarom geen sprake van een m.e.r.-plichtige of m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteit in dit plan. Een m.e.r. of een m.e.r.-beoordeling is niet aan de orde.

5.2 Geluid

Op basis van de Wet geluidhinder (artikel 77 Wgh) moet bij een plan een akoestisch onderzoek worden uitgevoerd als het plan mogelijkheden biedt voor:

  • de toevoeging van een nieuwe woning of andere geluidsgevoelige functie binnen de zone van een weg;
  • de aanleg van een nieuwe weg;
  • de reconstructie van een bestaande weg.


De breedte van de zone van een weg is afhankelijk van het aantal rijstroken, het stedelijk gebied en de maximumsnelheid. Alle wegen hebben geluidzones, met uitzondering van wegen die in een als 'woonerf' aangeduid gebied liggen en wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt.

In de Wgh zijn grenswaarden opgenomen met betrekking tot de geluidbelasting op de gevels van woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen. De voorkeursgrenswaarde voor de geluidbelasting op de gevel is 48 dB en mag in principe niet worden overschreden. Onder bepaalde voorwaarden mag de geluidbelasting hoger zijn dan de voorkeursgrenswaarde. Hiervoor moet met een ontheffing een hogere waarde worden vastgesteld. De maximale ontheffingswaarde voor nieuwe woningen in stedelijk gebied is 63 dB. De gemeente heeft een beleidsnota voor het toepassen van hogere waarden opgesteld.

Beoordeling
Dit bestemmingsplan maakt de bouw van 3 nieuwe woningen, dus nieuwe geluidgevoelig objecten, mogelijk. De woningen zijn geprojecteerd binnen de geluidzone van de Wageningsestraat en de Heldringstraat. Daarom is een akoestisch onderzoek wegverkeer naar de geluidbelasting vanwege deze wegen noodzakelijk op basis van de Wgh. De onderzoeksrapportage is opgenomen in Bijlage 1. De weg Magdalena is in het onderzoek niet beschouwd, omdat dit een 30 km/uurweg betreft met een geringe verkeersintensiteit.

De geluidbelasting op de nieuwe woningen vanwege zowel de Heldringstraat als de Wageningsestraat voldoet aan de voorkeursgrenswaarde conform de Wgh (48 dB). De maximale belasting bedraagt namelijk 48 dB vanwege de Heldringstraat en 43 dB vanwege de Wageningsestraat. De Wgh vormt geen belemmering voor het plan.

De cumulatieve geluidbelasting is eveneens berekend en is ten hoogste 53 dB. Om aan de normstelling van het Bouwbesluit voor wat betreft het binnenniveau te voldoen, is een karakteristieke geluidwering van 20 dB vereist. Dit zal naar verwachting geen belemmering opleveren.

Conclusie
Het thema 'akoestiek' zorgt niet voor belemmeringen. Op basis van het uitgevoerde onderzoek wordt geconcludeerd dat er bij elke woning sprake is van een goed woon- en leefklimaat.

5.3 Luchtkwaliteit

De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Hierin zijn grenswaarden opgenomen voor luchtvervuilende stoffen. Voor ruimtelijke projecten zijn fijn stof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) de belangrijkste stoffen.

Een project is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;
  • het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;
  • het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging;
  • het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen.


Om te bepalen of een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtkwaliteit is een algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels zijn vastgelegd. Een project kan in twee situaties NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit:

  • het project behoort tot de lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) die is opgenomen in de Regeling NIBM;
  • het project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO2 en PM10 (1,2ìg/m3).

Beoordeling
Dit bestemmingsplan maakt in totaal 3 nieuwe woningen mogelijk. De planontwikkeling behoort tot een in de Regeling NIBM genoemde categorie van gevallen, namelijk woningen en blijft ruimschoots onder de drempelwaarde van 1.500 woningen. Daarom kan worden geconcludeerd dat de luchtkwaliteit met het initiatief niet in betekenende mate wordt aangetast en dat een luchtkwaliteitonderzoek niet noodzakelijk is.

Conclusie
De ontwikkeling valt onder de regeling NIBM. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de ontwikkeling. Nader onderzoek is niet nodig.

5.4 Bedrijven en milieuzonering

Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies, zoals woningen. Bij de planontwikkeling moet rekening worden gehouden met milieuzonering om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren.

Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'. In de publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd. Als bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden).

De richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit, zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype. Een rustige woonwijk is een woonwijk, die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Binnen gemengde gebieden heeft men te maken met milieubelastende en milieugevoelige functies, die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. Direct naast woningen komen andere functies voor, zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. In gemengde gebieden kunnen de richtafstanden met één afstandsstap worden verlaagd. Ten slotte kan sprake zijn van gebieden met een sterke functiemenging (functiemengingsgebieden), zoals stads- en dorpscentra en horecaconcentratiegebieden. In deze gebieden is een andere categorie-indeling van toepassing.

Beoordeling
Dit bestemmingsplan maakt nieuwe gevoelige functies, namelijk woningen, mogelijk in het plangebied. Het plangebied ligt op de grens tussen de bebouwde kom van Zetten en het buitengebied. Omdat in de omgeving van het plangebied voornamelijk woningen en agrarische gronden aanwezig zijn, wordt uitgegaan van het gebiedstype 'rustige woonwijk' en zijn de standaard richtafstanden van toepassing.

Invloed initiatief op omgeving
Woningen zijn geen milieubelastende functies. Er worden ook geen andere milieubelastende functies mogelijk gemaakt. Het plan zorgt daarom ook niet voor belemmeringen voor omliggende gevoelige functies.

Invloed omgeving op initiatief
In de directe omgeving van het plangebied zijn geen milieubelastende functies aanwezig. Circa 250 meter ten oosten van het plangebied is een agrarisch bedrijf (grondgebonden, milieucategorie maximaal 3.2) aanwezig. De woningen liggen ruimschoots buiten de richtafstand van 100 meter tot het agrarisch bedrijf. Ruim 300 meter ten noorden van de woonkavels ligt een rioolwaterzuiveringsinstallatie (RWZI). Gezien de beperkte omvang van de RWZI wordt uitgegaan van milieucategorie 4.1, met een bijbehorende richtafstand van 200 meter. De woningen zijn buiten de hindercontour van de RWZI voorzien.

Gezien het voorgaande is ter plaatse van de nieuwe woningen een aanvaardbaar woon- en leefklimaat aanwezig.

Conclusie
Bedrijven en andere milieubelastende functies in de omgeving zorgen niet voor belemmeringen voor de nieuwe woningen. De woningen leveren daarnaast ook geen belemmeringen op voor de omgeving. Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat. Het aspect 'bedrijven en milieuzonering' levert geen belemmeringen voor de ontwikkeling op.

5.5 Geurhinder

Voor veehouderijen is de regelgeving ten aanzien van het specifieke aspect geur vastgelegd in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden gekeken naar de aanvaardbaarheid van deze plannen in verband met omliggende geurbronnen, de zogenaamde omgekeerde werking.

Beoordeling
Dit bestemmingsplan maakt het oprichten van nieuwe geurgevoelige objecten (woningen) mogelijk. In de directe nabijheid van het plangebied zijn geen veehouderijen aanwezig. Daarom is uitgesloten dat er vanuit het aspect geurhinder belemmeringen voor de ontwikkeling van de woningen in het plangebied optreden en is nader onderzoek niet nodig.

Conclusie
In het plangebied is een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voldoende gegarandeerd en er worden geen agrarische bedrijven belemmerd. Vanuit het aspect geurhinder zijn er geen belemmeringen voor de ontwikkeling in het plangebied.

5.6 Bodem

De bodemkwaliteit vormt een belangrijk aspect bij bouwontwikkelingen. In het kader van functiewijziging en herinrichting vormt de bodemkwaliteit bij ontwikkeling van ruimtelijke functies een belangrijke afweging. De Bouwverordening bevat een verbod voor het bouwen van woningen en andere gevoelige functies op verontreinigde grond.

Beoordeling
Dit bestemmingsplan maakt de bouw van drie nieuwe woningen mogelijk. Daarmee wordt er nieuwe bebouwing mogelijk gemaakt, waarin permanent personen verblijven. Een onderzoek naar de bodemkwaliteit is noodzakelijk. Daarom is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De onderzoeksrapportage is opgenomen in Bijlage 2. Hierna volgt een samenvatting van de onderzoeksresultaten.

In de bovengrond op het westelijk deel van het plangebied zijn geen verontreinigingen aangetroffen. De gestelde hypothese dat de locatie verdacht is ten aanzien van bestrijdingsmiddelen, is niet juist gebleken, omdat in de toplaag van de bodem geen bestrijdingsmiddelen zijn gemeten boven de achtergrondwaarde. In de bovengrond op het oostelijk plandeel zijn lichte verontreinigingen met kobalt en nikkel gemeten. Dit betreft lichte verontreinigingen, vergelijkbaar met de resultaten van in 1994 en 1997 rondom de onderzoekslocatie uitgevoerde onderzoeken. Omdat het maximaal om lichte verontreinigingen gaat, vormen deze geen belemmering voor het initiatief. De bodem is geschikt voor het toekomstige gebruik.

Het grondwater bevat een licht verhoogd gehalte aan barium. Vermoedelijk is dit van nature in een verhoogde concentratie in het grondwater aanwezig. Het betreft een lichte overschrijding van de streefwaarde, die geen belemmering voor het initiatief vormt.

Conclusie
Het aspect 'bodem' zorgt niet voor belemmeringen. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. De bodemkwaliteit is geschikt voor het gewenste gebruik.

5.7 Externe veiligheid

Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de veiligheidsrisico's in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze externe veiligheidsrisico's moeten worden beoordeeld voor twee risiconormen, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Voor beide risiconormen geldt dat hoe groter de afstand tussen planontwikkeling en risicobron is, des te kleiner zal de impact van het plan zijn op de hoogte van het risico.

Plaatsgebonden risico
Het plaatsgebonden risico (PR) heeft tot doel om hetzelfde minimale beschermingsniveau te bieden voor iedere burger in Nederland. Het PR beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het PR wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn, etc.), waarbij de 10-6-contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde is.

Groepsrisico
Het groepsrisico (GR) is een afwegingsinstrument dat tot doel heeft een bewuste afweging te stimuleren over het risico op een ongeval met een groot aantal slachtoffers. Het GR beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het GR geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het GR wordt uitgedrukt in een grafiek, waarin de kans op overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1.000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het GR geldt een oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm).

Voor elke verandering van het GR (af- of toename) in het invloedsgebied moet verantwoording worden afgelegd over de wijze waarop de toelaatbaarheid van deze verandering in de besluitvorming is betrokken.

Samen met de hoogte van het GR moeten andere kwalitatieve aspecten worden meegenomen in de beoordeling van het GR. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer.

Beoordeling
Dit bestemmingsplan maakt het oprichten van nieuwe kwetsbare objecten in de vorm van drie woningen aan de noordkant van Zetten mogelijk. De bestemmingswijziging is relevant in het kader van zowel het PR als het GR. Er is sprake van nieuwe kwetsbare objecten en een toename van het aantal personen. In de huidige situatie is het terrein onbebouwd. Op basis van de risicokaart van de provincie Gelderland is daarom een inventarisatie gemaakt van de risicobronnen in en rondom het plangebied, die een extern veiligheidsrisico kunnen veroorzaken. In figuur 5.1 is een uitsnede opgenomen van de provinciale risicokaart.

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0328ZTTNheldringon-ONT1_0011.png"  
Afbeelding 5.1: uitsnede provinciale Risicokaart (raadpleging 30 juni 2019)  

De informatie van de provinciale risicokaart levert de volgende inzichten op.

Rondom de planlocatie zijn geen inrichtingen aanwezig met een extern veiligheidsrisico. Wel liggen op ongeveer 2.050 meter ten zuiden van het plangebied de Betuweroute en de snelweg A15, op ongeveer 3.700 meter ten oosten de snelweg A50 en op 215 meter ten noorden de buisleiding N574-10. Op basis van de Regeling basisnet en de risicokaart is vastgesteld dat de plaatsgebonden risicocontour 10-6 van de diverse risicobronnen niet over het plangebied ligt.

Ten aanzien het groepsrisico ligt het plangebied alleen binnen het invloedsgebied van de Betuweroute en de snelwegen A15 en A50. Ontwikkelingen hierbinnen hebben mogelijk invloed op de hoogte van het groepsrisico. Omdat de afstand tussen het plangebied en deze risicobronnen groter dan 200 meter is, heeft de wetgever aangegeven dat het groepsrisico alleen beperkt verantwoord hoeft te worden. Hierdoor hoeft niet de hoogte van het groepsrisico in beeld gebracht te worden, maar enkel de aspecten zelfredzaamheid en beheersbaarheid.

Verantwoording groepsrisico
Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van verschillende externe veiligheidsrisicobronnen. Ontwikkelingen binnen het invloedsgebied hebben mogelijk invloed op de hoogte van het groepsrisico. Conform de wetgeving moet de gemeente hierdoor het groepsrisico verantwoorden. Meer specifiek gaat het om de wettelijke verplichting op grond van artikel 7 en 9 van het Bevt vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over de Betuweroute en de snelwegen A15 en A50.

Doordat het plan op meer dan 200 meter van deze transportroutes ligt, hoeft er enkel te worden ingegaan op de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Hierop heeft de Veiligheids- en Gezondheidsregio Gelderland Midden (VGGM) op 8 juli 2019 (kenmerk 190708-0023) het volgende geadviseerd:

"Het plan levert mogelijk een kleine wijziging van het aantal aanwezigen. Het ligt in de verwachting dat de personen zichzelf in veiligheid kunnen brengen, mits geïnformeerd en tijdig gewaarschuwd. Binnenshuis schuilen is het te adviseren handelingsperspectief. VGGM ziet dan ook geen aanleiding om nader te adviseren in het kader van rampenbestrijding en zelfredzaamheid."

Hieronder volgt een beschouwing van de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid.

A. Bestrijdbaarheid
Bij een calamiteit zal de brandweer zich inzetten om effecten ten gevolge van het incident met toxische stoffen te beperken. Bij het toxisch scenario is het handelingsperspectief schuilen in gebouwen. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen.

B. Zelfredzaamheid
Bij een calamiteit is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij een incident. Bij een scenario waarin toxische stoffen vrijkomen is het advies om te schuilen in een gebouw, waarvan ramen, deuren en ventilatie gesloten kunnen worden. De aanwezigen dienen te worden geïnformeerd over de risico's en hun handelingsperspectief. De aanwezige personen in de woningen goed zelfredzaam.

Conclusie
Het plangebied ligt buiten de plaatsgebonden risicocontour 10-6 van inrichtingen en transportroutes met een extern veiligheidsrisico. Deze contouren vormen geen belemmering voor de realisatie van het plan.

Ten aanzien van het groepsrisico ligt het plangebied in het invloedsgebied van de Betuweroute en de snelwegen A15 en A50. Op basis van de verantwoording groepsrisico (zie hierboven) kan worden geconcludeerd dat het initiatief niet tot een toename van het groepsrisico leidt en geen significant effect heeft op de mogelijkheden voor rampenbestrijden en zelfredzaamheid.

Het aspect externe veiligheid is geen belemmering voor de realisatie van het initiatief.

5.8 Explosieven

De huidige gemeente Overbetuwe en buurgemeente Lingewaard maakten vanaf het begin van de geallieerde luchtlandingsoperatie 'Market Garden' op 17 september 1944 tot aan de bevrijding van Arnhem op 14 april 1945 deel uit van het frontgebied tussen de Duitsers en de Geallieerden. Overbetuwe en Lingewaard werden in hun geheel als oorlogsgebied beschouwd. Er is een gevechtspauze geweest na het oversteken van de brug bij Nijmegen. Het gebied is gedurende acht maanden frontgebied geweest waarbij het volledige eiland (gebied tussen de Rijn en de Waal) geëvacueerd is. Tevens zijn er in die periode hevige bombardementen uitgevoerd. Tijdens de inventarisatie van oorlogsgegevens zijn 104 vliegtuigcrashes opgetekend en meer dan 1.000 oorlogsgraven. Door de oorlogshandelingen ontstonden er gebieden waarvan de bodem sterk met oorlogsmateriaal werd belast wat op dit moment nog gevaar kan opleveren voor mens en dier. De Explosieven Opruimings Dienst Defensie (EODD) gaat er in 2014 vanuit, dat slechts 35% van de munitie inmiddels uit de grond is verwijderd. Dit betekent dat we de komende decennia nog met deze explosieve erfenis te maken zullen hebben en er kans bestaat dat in het plangebied nog sprake is van onontplofte munitie.

Beoordeling en conclusie
Bij bodemroerende werkzaamheden, zoals het oprichten van gebouwen, graafwerkzaamheden, aanleg van beplanting, kabels en leidingen en het uitvoeren van bepaalde onderzoeken, is de aanwezigheid van mogelijke niet-gesprongen explosieven (NGE's) van belang. Omdat er na de Tweede Wereldoorlog voor zover bekend geen sprake is geweest van bouwactiviteiten en vergelijkbare ingrepen in het plangebied, bestaat de kans dat er NGE's aanwezig zijn. Er is sprake van nieuwbouw van gebouwen, graafwerkzaamheden voor de watergang en de aanleg van landschapselementen. Daarom moet voorafgaand aan het uitvoeren van deze werkzaamheden bij de gemeente worden geïnformeerd of een nader onderzoek naar de aanwezigheid van NGE's noodzakelijk is. In het kader van dit bestemmingsplan vormt dit geen belemmering.

5.9 Kabels en leidingen

Het verrichten van werkzaamheden in de nabijheid van hoogspanningsmasten en -kabels en dergelijke, kan gevaar met zich meebrengen. Om dit gevaar zoveel mogelijk te beperken moet de leidingbeheerder aangeven onder welke voorwaarden de werkzaamheden veilig plaats kunnen vinden.

Beoordeling en conclusie
In het plangebied en in de directe omgeving zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig. Dit aspect levert dan ook geen belemmeringen op voor de realisatie van het plan.

5.10 Waterparagraaf

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder b) moet inzicht worden gegeven in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Daarbij zijn de hierna beschreven beleidsstukken van belang.

Rijksbeleid
Nationaal waterplan
In december 2015 stelde het kabinet het Nationaal Waterplan vast. Dit plan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016-2021 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water, en diverse vormen van gebruik van water. Ook worden de maatregelen genoemd die hiertoe worden genomen.

Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie.

Provinciaal beleid
Provinciaal Waterplan
In het Waterplan Gelderland is het waterbeleid beschreven aan de hand van een aantal thema's, zoals landbouw, wateroverlast, watertekort, natte natuur, grondwaterbescherming en hoogwaterbescherming. Voor deze thema's is beschreven welke doelstellingen voor 2027 en 2015 er liggen. Daarbij is beschreven hoe de provincie voor de planperiode de uitvoering van acties ziet om die doelstellingen te bereiken. Bij sommige thema's gelden aanvullende waterdoelstellingen voor specifieke waterhuishoudkundige functies.

Waterschap Rivierenland
Waterbeheerplan 2016-2021
Dit plan, vastgesteld op 27 november 2015, gaat over het waterbeheer in het hele rivierengebied en het omvat alle watertaken van het waterschap: waterkwantiteit, waterkwaliteit, waterkering en waterketen. In het Waterbeheerplan staat wat Waterschap Rivierenland de komende periode gaat doen om inwoners van het rivierengebied veiligheid en voldoende schoon en mooi water in sloten en plassen te kunnen blijven bieden. Het plan is in samenwerking met onder meer de gemeente Overbetuwe opgesteld.

Keur Waterschap Rivierenland 2014
Voor waterhuishoudkundige ingrepen is de 'Keur Waterschap Rivierenland 2014' van toepassing. De Keur is een waterschapsverordening die gebods- en verbodsbepalingen bevat met betrekking tot ingrepen, die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. Zo is het onder andere verboden om handelingen te verrichten waardoor het onderhoud, aanvoer, afvoer en/of berging van water kan worden belemmerd, zonder een ontheffing van het Waterschap. De wateren en waterkeringen waarop de keur van toepassing is, zijn vastgelegd in de legger wateren.

Realisatie van nieuwe bebouwing en/of verhard oppervlak moet hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. Bij het toevoegen van bebouwing of verharding geldt een compensatieplicht. Er geldt een eenmalige vrijstelling van de compensatieplicht wanneer minder verharding dan 500 m² in stedelijk gebied of minder dan 1.500 m² in landelijk gebied wordt toegevoegd.

Gemeente Overbetuwe
Waterplan Overbetuwe
In 2008 stelde de gemeente Overbetuwe in samenwerking met het Waterschap Rivierenland het Waterplan Overbetuwe vast. Het waterbeheerplan van het waterschap is later geactualiseerd (zie hierboven), ook in samenwerking met onder meer de gemeente Overbetuwe. Beide plannen gelden naast elkaar.

In het Waterplan Overbetuwe wordt het beleidskader geschetst en worden concrete maatregelen voor het watersysteem uitgewerkt. Naast het waterplan wordt parallel een Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) opgesteld waarin de maatregelen voor de riolering (waterketen) worden uitgewerkt.

Met het opstellen van een waterplan wordt inzicht gegeven in de relevante wateropgaven voor de gemeente Overbetuwe, zoals:

  • wateroverlast, het zoeken van oplossingen om wateroverlast tegen te gaan;
  • waterkwaliteit, het onderzoeken van mogelijkheden voor het verbeteren van de waterkwaliteit;
  • grondwater, het inventariseren van grondwateroverlast;
  • beleving van water, burgers betrekken bij water;
  • afspraken en taken van waterschap en gemeente.


Beoordeling (watertoets)
Hemelwater
Het plangebied is in de huidige situatie onbebouwd en onverhard. Met dit bestemmingsplan worden nieuwe bebouwing en verhardingen mogelijk gemaakt in de vorm van drie nieuwe woningen met bijbehorende bouwwerken en verhardingen, alsmede een toegangsweg (uitgevoerd als 'karrenspoor' en daarmee beperkt verhard). De wandelpaden zijn onverhard. Het plan leidt per saldo tot een toename van verhard oppervlak van circa 1.140 m² op basis van het inrichtingsplan (circa 290 m² verharding per erf, circa 270 m² verharding voor de ontsluitingsweg).

De waterbergingsopgave wordt aangesloten op de bestaande sloten aan de randen van het plangebied. Per hectare nieuw verhard oppervlak moet in dat geval 436 m³ waterberging worden gerealiseerd, waarbij de peilstijging niet meer dan 30 cm mag bedragen. Bij een toename met 1.140 m² verhard oppervlak is de compensatie-opgave 49,7 m³. Bij een peilstijging van maximaal 30 cm komt dit overeen met een oppervlakte van 166 m².

Vanuit de bestaande woonwijk (woondomein 'Aan de Linge') ligt nog een waterbergingsopgave van 366 m³. Dit komt overeen met 1.221 m². Deze opgave wordt met het voorliggende plan opgelost.

De totale waterbergingsopgave die in het plan moet worden voorzien, komt daarmee uit op 166 + 1.221 = 1.387 m² in aansluiting op het bestaande slotenstelsel.

Vanuit de landschappelijke analyse is gebleken dat er een oude riviergeul in het plangebied aanwezig is. Deze zal tot op waterpeil worden uitgegraven. Dit is in de omgeving circa 5,70 +NAP. De uitgraving bedraagt ongeveer 1,5 meter, plus 0,50 meter voor het diepste gedeelte over een breedte van 2 meter (exclusief taluds). Het totale volume van de uitgraving bedraagt circa 2.952 m³. De verbinding met de omliggende sloten zal via drie duikers worden gemaakt. De waterbergende 'oude riviergeul' en de hemelwater aanvoerende sloot worden opgeschaald naar een B-watergang. Met de voorgestelde oplossing wordt noodzakelijke waterbergingsopgave ruimschoots ingevuld.

In afbeelding 5.2 is het toekomstige watersysteem schetsmatig aangegeven. Voor uitgebreidere beschrijving wordt verwezen naar Bijlage 1, paragraaf 5. Hierin is ook een profiel van de riviergeul na afgraving opgenomen. Op de afbeelding zijn ook de op te hogen plandelen aangegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0328ZTTNheldringon-ONT1_0012.png"  
Afbeelding 5.2: waterberging en opgehoogde delen (bron: De Regt + Danz BNA)  

Vuilwaterafvoer
Vuilwater moet bij de nieuwe woningen gescheiden worden afgevoerd van het hemelwater. Bij de technische uitwerking moet worden onderzocht wat de mogelijkheden voor vuilwaterafvoer zijn.

Oppervlaktewater
Aan de noord-, oost- en zuidkant van het plangebied zijn watergangen aanwezig. Dit betreft B-watergangen. Ook aan de overzijde van de weg Magdalena is een watergang aanwezig. Tevens ligt het plangebied op korte afstand van de Linge.

Het bestaande oppervlaktewater blijft gehandhaafd. Zoals bovenstaand al is beschreven, wordt nieuw oppervlaktewater aangelegd door middel van het terugbrengen van de oude riviergeul in het plangebied. Deze wordt door middel van duikers verbonden met de bestaande watergangen en zal ook de status van B-watergang krijgen. Een watervergunning is noodzakelijk. Het plan heeft geen negatieve effecten op het oppervlaktewater en versterkt het bestaande watersysteem. Daarnaast wordt de bestaande watergang aan de zuidelijke rand van het plangebied voorzien van een natuurvriendelijke oever. De ecologische potenties van deze watergang worden hiermee versterkt.

Waterkeringen
Het plangebied ligt niet binnen de beschermingszone van een waterkering.

Conclusie
De ontwikkeling waarin dit bestemmingsplan voorziet, leidt tot een toename van verhard oppervlak ten opzichte van de huidige situatie. Daarnaast wordt met het plan een nog resterende waterbergingsopgave voor het recent ontwikkelde woongebied aan de Magdalena gerealiseerd. De totale compensatie-opgave bedraagt ongeveer 416 m³ (1.387 m² bij aansluiting op het bestaande slotenstelsel). Deze wordt in het plangebied ruimschoots bereikt.

Bij de uitwerking van het initiatief moeten schoon hemelwater en vuilwater gescheiden worden afgevoerd. Negatieve effecten op oppervlaktewater of op de veiligheid van een waterkering zijn uitgesloten.

Gezien het bovenstaande heeft het plan geen negatieve gevolgen voor de waterhuishouding en vormt het aspect water dan ook geen belemmering in het kader van dit bestemmingsplan.

5.11 Flora en fauna

De bescherming van de natuur is sinds 1 januari 2017 vastgelegd in de Wet Natuurbescherming (Wnb). Deze heeft de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet vervangen. De Wnb geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan moet worden onderzocht of de Wnb de uitvoering van het plan niet in de weg staat in verband met de bescherming van gebieden en dier- en plantsoorten. De provincies zijn het bevoegd gezag voor zowel de gebieds- als de soortenbescherming.

Gebiedsbescherming
In de Wnb is de bescherming opgenomen van Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan moet worden onderzocht of dit plan, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan alleen worden vastgesteld als uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Als deze zekerheid er niet is, kan het plan worden vastgesteld als wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:

  • alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden;
  • het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en
  • de noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.


Het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen: Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones. Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime. Het NNN is op provinciaal niveau uitgewerkt in het Gelders Natuurnetwerk (GNN) met de bijbehorende Groene Ontwikkelingszones (GO). Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen.

Soortenbescherming
In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen:

  • 1. soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn;
  • 2. soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn;
  • 3. de bescherming van overige soorten.

Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag.

Beoordeling
Het plan voorziet in de realisatie van drie nieuwe woonkavels, groenvoorzieningen en bodemingrepen (uitgravingen en ophoging) ter plaatse van agrarische gronden.

Soortenbescherming
In het kader van deze bestemmingsplanprocedure is een ecologische quickscan uitgevoerd (Bijlage 3), omdat negatieve effecten op beschermde soorten op voorhand niet uitgesloten zijn. In de quickscan is onderzocht of van negatieve effecten mogelijk sprake is. Hieronder worden de onderzoeksresultaten besproken.

Het plangebied bestaat momenteel uit intensief beheerd agrarisch cultuurland. Het plangebied behoort (vermoedelijk) tot functioneel leefgebied van verschillende vogel-, vleermuis- en grondgebonden zoogdiersoorten. De genoemde soortgroepen benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied. Mogelijk zijn er rust- en/of voortplantingsplaatsen van sommige grondgebonden zoogdieren en nestelen er vogels in de aanwezig solitaire bomen aan de randen van het plangebied. Voor de beschermde grondgebonden zoogdiersoorten, die een rust- en/of voortplantingslocatie in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling voor het vangen en het beschadigen/vernielen van deze locaties. Deze dieren mogen als gevolg van de ingrepen echter niet worden gedood. De verwachting is dat het plan kan worden uitgevoerd zonder overtreding van dit verbod. In het plangebied worden geen jaarrond beschermde vogelsoorten verwacht, maar enkel soorten waarvan het bezette nest beschermd is. De voorgenomen ingrepen hebben geen negatief effect op mogelijk aanwezige bezette vogelnesten. De bomen worden gehandhaafd.

Vleermuizen bezetten geen verblijfplaats in het plangebied en het plangebied vormt een ongeschikt leefgebied voor amfibieën. De functie als foerageergebied voor vleermuizen wordt door de toekomstige inrichting versterkt.

Met het plan wordt gestreefd naar versterking van de ecologische waarde van het plangebied, die met de huidige inrichting en het huidige gebruik beperkt is. Naar verwachting dragen de realisatie van bloem- en kruidenrijk grasland op verschillende bodemtypen (nat en droog), de realisatie van nieuw oppervlaktewater en van een natuurvriendelijke oever bij aan de geschiktheid van het plangebied voor verschillende soortgroepen.

Het aspect soortenbescherming vormt geen belemmering voor het initiatief.

Gebiedsbescherming
Het plangebied ligt op minimaal 2,2 kilometer afstand van Natura 2000-gebieden. Het Gelders Natuur Netwerk en de Groene Ontwikkelingszones bevinden zich op ongeveer 390 meter afstand.

De invloedssfeer van de voorgenomen ingrepen en activiteiten is lokaal. Deze hebben geen negatief effect op Het GNN.

Gezien de relatief grote afstand tot Natura 2000-gebieden en de beperkte uitstraling van de werkzaamheden en activiteiten, zijn negatieve effecten op Natura 2000-gebieden op voorhand uit te sluiten.

Met de ontwikkeling van 3 woningen is geen toename van stikstofuitstoot te verwachten. Zorgvuldigheidshalve is een stikstofdepositieberekening uitgevoerd voor de aanleg- en gebruiksfase om na te gaan of dit tot een toename van depositie op gevoelige Natura 2000-gebieden leidt. Deze berekeningen zijn in Bijlage 4 opgenomen. Uit de berekeningen blijkt dat er, zowel in de aanlegfase als de toekomstige gebruiksfase, geen sprake is van stikstofdepositie hoger dan 0,00 mol/ha/jr op Natura 2000-gebieden. De instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden komen niet in gevaar. Negatieve effecten zijn niet aan de orde.

Vanuit het oogpunt van gebiedsbescherming bestaan er geen belemmeringen voor het plan.

Conclusie
Het aspect flora en fauna levert geen belemmering voor de realisatie van het plan op. Negatieve effecten op beschermde natuurgebieden of soorten zijn op voorhand redelijkerwijs uit te sluiten. Bij uitvoering van de werkzaamheden geldt de algemene zorgplicht.

5.12 Archeologie en cultuurhistorie

De bescherming van archeologisch en cultureel erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening moet in het plan rekening worden gehouden met cultuurhistorische waarden.

De gemeente Overbetuwe heeft voor haar gemeentelijk grondgebied een erfgoedplan en een archeologische beleidsadvieskaart gemaakt. Het erfgoedplan beoogt versterking van de plaats en betekenis van cultuurhistorie als factor in het ruimtelijk beleidsproces.

Beoordeling
Cultuurhistorie
De omgeving van het plangebied is cultuurhistorisch zeer waardevol. De kernen Zetten en Hemmen zijn voor 1850 ontstaan. De waardevolle bebouwingskern van Zetten reikt tot nabij het plangebied. Daarnaast is de Linge een waardevolle rivier. Ook zijn in de omgeving verschillende bouwkundige monumenten aanwezig. In het plangebied zelf zijn echter geen beschermde cultuurhistorische elementen aanwezig.

Archeologie
In het plangebied geldt op basis van de archeologische beleidskaart en het huidige bestemmingsplan grotendeels een hoge archeologische verwachtingswaarde. De drempelwaarde voor archeologisch onderzoek (100 m² met een diepte van 0,5 meter) wordt overschreden. Archeologisch onderzoek is noodzakelijk.

Er is een verkennend bureau- en booronderzoek uitgevoerd, waarvan de rapportage in Bijlage 5 is opgenomen. Uit het onderzoek volgt, dat in het plangebied een middelhoge archeologische verwachting op het aantreffen van nederzettingssporen uit de IJzertijd tot en met de Nieuwe tijd geldt. Deze op het bureau-onderzoek gebaseerd verwachting is in het booronderzoek bevestigd. De oeverafzettingen met deze middelhoge verwachting zijn grotendeels intact aangetroffen. Op basis van deze bevindingen bestaat er een kans op mogelijke archeologische vindplaatsen in het plangebied. Vervolgonderzoek in de vorm van proefsleuven, op de locaties waar de woningen worden gerealiseerd en waar de oude riviergeul wordt uitgegraven, wordt in het verkennend onderzoek geadviseerd. In opdracht van de initiatiefnemer is een second opinion op het verkennend archeologisch onderzoek uitgevoerd (Bijlage 6), waarin is nagegaan of de gevolgde onderzoeksmethodiek, de conclusies en de aanbevelingen juist zijn. De door Hamaland Advies opgestelde second opinion bevestigt de juistheid van de onderzoeksmethodiek, maar nuanceert de aan de bevindingen verbonden conclusies en aanbevelingen. Op basis van de analyse wordt de kans, dat in het plangebied daadwerkelijk archeologische resten aanwezig zijn, klein geacht. In de second opinion wordt een karterend bodemonderzoek als vervolg geadviseerd.

Een dergelijk onderzoek is verricht. De onderzoeksrapportage is opgenomen in Bijlage 7. Tijdens het karterend booronderzoek zijn geen aanwijzingen aangetroffen voor menselijke activiteiten in het plangebied. Geadviseerd wordt om het plangebied vrij te geven voor de geplande ontwikkelingen, omdat de kans dat archeologische vindplaatsen verloren gaan nihil is. De dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologische verwachting 2 en 3' worden op de verbeelding gehandhaafd.

Conclusie
Het plan brengt geen aantasting van cultuurhistorische waarden met zich mee. In het kader van het plan zijn een verkennend archeologisch onderzoek en een karterend booronderzoek uitgevoerd. Op basis van deze onderzoeken is de kans dat archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, die door de uitvoering van het plan worden verstoord, nihil. Nader onderzoek of nadere maatregelen zijn niet aan de orde.

5.13 Verkeer en parkeren

Met dit bestemmingsplan worden drie nieuwe woningen mogelijk gemaakt. In het kader van dit bestemmingsplan moeten de effecten van het plan voor de thema's verkeer en parkeren inzichtelijk worden gemaakt.

Parkeren
De gemeente Overbetuwe heeft parkeernormen vastgesteld in de Nota Parkeernormen gemeente Overbetuwe 2016 (hierna: de Nota). Het plangebied wordt aangemerkt als 'rest bebouwde kom' bij de kern Zetten. De woningen in het plangebied behoren tot de categorie 'koop, vrijstaand'. Per woning geldt een parkeernorm van minimaal 2,6 parkeerplaatsen per woning. Op eigen terrein zal per woning moeten worden voorzien in voldoende parkeerplaatsen (afgerond 3 plaatsen). Gelet op de ruime verkaveling van de woningen, is hiervoor voldoende ruimte aanwezig. Dit aspect zal daarom geen belemmering vormen.

In de planregels is een parkeerregeling opgenomen. Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor het bouwen, zal moeten worden aangetoond dat er voldoende parkeerplaatsen gerealiseerd worden.

Verkeer
Bij het bepalen van de verkeersgeneratie, kan gebruik worden gemaakt van de kencijfers van CROW-publicatie 381 (maart 2019). In deze publicatie zijn kencijfers opgenomen voor de verkeersgeneratie van autoverkeer voor verschillende typen woningen. De verkeersgeneratie is met behulp van de CROW-rekentool berekend, uitgaande van het gebied 'rest bebouwde kom', 'weinig stedelijk' en met toepassing van de gemiddelde normen voor een vrijstaande woning. Per woning bedraagt deze 8,2 verkeersbewegingen per etmaal. De drie woningen genereren gezamenlijk gemiddeld 25 verkeersbewegingen per etmaal (afgerond). In de huidige situatie is er slechts sprake van incidenteel verkeer voor de bewerking en het beheer van de agrarische gronden. De toename wordt daarom op 25 verkeersbewegingen per etmaal ingeschat.

De woningen worden middels een gezamenlijke ontsluiting op de Heldringstraat afgewikkeld. De woningen zijn daarmee goed bereikbaar en direct op een gebiedsontsluitingsweg ontsloten. Met betrekking tot de verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid zijn er geen belemmeringen te verwachten. De toename van verkeersbewegingen is zodanig gering, dat dit niet tot een merkbaar verschil of tot verkeerskundige knelpunten, zoals opstoppingen, leidt. De ontsluiting kan op een verkeersveilige wijze plaatsvinden.

Hoofdstuk 6 Juridische planopzet

6.1 Algemene opzet

Inleiding
Dit hoofdstuk bevat de concrete vertaling van het beleidsgedeelte en de gewenste ontwikkeling (voorafgaande hoofdstukken) in het juridisch gedeelte van het bestemmingsplan (de verbeelding en regels).

Het bestemmingsplan 'Zetten, Heldringstraat ongenummerd' bestaat uit de volgende onderdelen:

De toelichting
In de toelichting is de ontwikkeling beschreven en verantwoord, zowel op basis van het beleid als op basis van milieu-hygiënische aspecten, aangevuld met een toelichting op de juridische opzet.

De regels
Deze bevatten de bouw- en gebruiksregels binnen de verschillende bestemmingen en algemene regels die in het gehele plangebied gelden. Daarnaast zijn waar nodig afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden opgenomen, om het plan de benodigde flexibiliteit te geven.

De verbeelding
Op de verbeelding zijn de bestemmingen 'Groen', 'Natuur', 'Water', 'Wonen' en 'Verkeer - Verblijfsgebied' opgenomen. Binnen de bestemming 'Wonen' zijn drie bouwvlakken en enkele aanduidingen opgenomen. Daarnaast zijn de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologische verwachting 2 en 3' opgenomen.

De opzet van het plan
Het bestemmingsplan is een juridisch plan, dat bindend is voor inwoners en voor de overheid. Gekozen is voor een concreet, gedetailleerd plan, omdat sprake is van een concreet initiatief. Daarbij is aansluiting gezocht bij de planregels van het huidige bestemmingsplan en overige komplannen binnen de gemeente Overbetuwe. Tevens is beoogd om de gewenste inrichting volgens het inrichtingsplan in de opgenomen bestemmingen te laten terugkomen en deze zichtbaar te maken op de verbeelding.

Bouwplan
Als een aanvraag om omgevingsvergunning wordt ingediend, zijn in eerste instantie de bestemming met bijhorende regels van belang. Als het nieuwe en het beoogde gebruik past binnen de toegekende bestemming, dan kan de omgevingsvergunning worden verleend.

6.2 Toelichting op de verbeelding en regels

Op de verbeelding zijn de bestemmingen onderscheiden. De bestemmingen zijn afgeleid uit het gebruik (de aanwezige functies). De bestemmingen vormen het zogenaamde casco van het plan, waarvan in beginsel niet mag worden afgeweken.

Groen
Een deel van de gronden wordt ingericht met robuust groen en een natuurvriendelijke oever (zuidelijke zone van 10 meter breedte) en als fruitboomgaard (centraal in het plangebied). Voor deze gronden is de bestemming 'Groen' het meest passend.

Deze gronden zijn onder meer bestemd voor groenvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen, fiets- en voetpaden en (al dan niet hobbymatig) agrarisch grondgebruik. Binnen de bestemming mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd. De maximum bouwhoogten zijn in de bouwregels opgenomen.

Natuur
Aan de noordkant van het plangebied wordt de huidige bestemming 'Agrarisch' grotendeels gewijzigd naar 'Natuur'. Dit betreft de gronden waar een open gebied gehandhaafd wordt, ten noorden en ten zuidoosten van de nieuwe waterpartij. De bestemming 'Natuur' wordt voor de toekomstige functie en inrichting het meest passend gevonden.

De gronden met de bestemming 'Natuur' zijn bestemd voor het behoud, het herstel en/of de ontwikkeling van landschappelijke, ecologische en natuurwaarden, extensieve dagrecreatie met bijbehorende voorzieningen (zoals paden), (hobbymatig) agrarisch grondgebruik en voor water en waterhuishoudkundige voorzieningen. Binnen de bestemming mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, alsmede natuurobservatieposten worden gebouwd. De maximum bouwhoogten zijn in de bouwregels opgenomen.

Verkeer - Verblijfsgebied
De drie woningen worden via een gezamenlijke voorziening op de Heldringstraat ontsloten. Conform het inrichtingsplan krijgt de ontsluiting de vorm van een karrenspoor. Deze gronden hebben de bestemming 'Verkeer - Verblijfsgebied' gekregen en zijn bestemd voor wegen, straten en paden met hoofdzakelijk een verblijfsfunctie, voet- en fietspaden, parkeervoorzieningen en groenvoorzieningen.

Water
Een belangrijk onderdeel van het plan is de realisatie van een nieuwe waterpartij, die enerzijds noodzakelijk is voor de benodigde extra waterberging en anderzijds de oorspronkelijke riviergeul in het landschap terugbrengt en beleefbaar maakt. De voor deze waterpartij beoogde gronden zijn daarom bestemd als 'Water'.

Binnen deze bestemming zijn waterwaterhuishoudkundige doeleinden, waterberging en waterlopen, extensieve dagrecreatie, de aanleg, het behoud en de versterking van de natuurlijke en/of ecologische waarden en groenvoorzieningen toegestaan. Binnen de bestemming mag beperkt worden gebouwd.

Wonen
Het plan maakt de realisatie van drie vrijstaande woningen met bijbehorende erven mogelijk. De drie woonpercelen zijn bestemd als 'Wonen'. Binnen deze bestemming mogen de gronden en bouwwerken worden gebruikt voor wonen, al dan niet in combinatie met beroeps- of bedrijfsmatige activiteiten aan huis, tuinen en erven en overige voorzieningen behorende bij de woningen.

Er zijn drie bouwvlakken op de verbeelding opgenomen. Per bouwvlak is maximaal één woning toegestaan. De maximum goot- en bouwhoogten zijn op de verbeelding aangegeven en bedragen respectievelijk 6,5 en 10,5 meter; dit is in lijn met het inrichtingsplan. Hoofdgebouwen mogen uitsluitend binnen de bouwvlakken worden gebouwd. Bij het positioneren van de bouwvlakken is een beperkte flexibiliteit geboden ten opzichte van het stedenbouwkundig plan. De nokrichting is voorgeschreven door middel van een bouwaanduiding. Bijgebouwen en overkappingen mogen ook buiten het bouwvlak worden gebouwd. Hiervoor zijn specifieke bouwregels opgenomen. Voor bijgebouwen is een specifieke zone opgenomen op de verbeelding.

Aan het oprichten en in gebruik nemen van de woningen is een aantal voorwaarden in de planregels gekoppeld:

  • voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein;
  • voldoende waterberging gerealiseerd ter plaatse van de bestemming 'Water' en de daarop aansluitende gronden;
  • realisatie, onderhoud en beheer van de landschappelijke inrichting volgens het inrichtingsplan;
  • realisatie, onderhoud en beheer van een natuurvriendelijke oever aan de zuidkant van het plangebied.

Waarde - Archeologische verwachting 2 en 3
Op basis van de gemeentelijke archeologische beleidskaart zijn in het plangebied de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologische verwachting 2 en 3' opgenomen. Ter plaatse geldt een respectievelijk hoge en middelhoge archeologische verwachting. De bestemmingen bevatten een onderzoeks- en omgevingsvergunningplicht voor het uitvoeren van bouw- en andere grondwerkzaamheden met een omvang van meer dan 100 respectievelijk 500 m² en met een diepte van ten minste 0,30 meter. Hiermee is het uitvoeren van voldoende onderzoek voorafgaande aan de werkzaamheden geborgd.

Algemene regels
Anti-dubbeltelregel
Deze regel is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het overgebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.

Algemene bouwregels
In dit artikel is een regeling met betrekking tot ondergronds bouwen opgenomen. Dit is in beginsel uitsluitend toegestaan, daar waar bovengronds ook gebouwen zijn toegestaan. Verder is een regeling voor het overschrijden van bouwgrenzen door ondergeschikte bouwdelen opgenomen.

Algemene gebruiksregels
Dit artikel bevat de vormen van gebruik, die in ieder geval strijdig zijn met de regels van het bestemmingsplan.

Algemene afwijkingsregels
In dit artikel wordt een opsomming gegeven van de regels waarvan door middel van een omgevingsvergunning afgeweken kan worden van het bestemmingsplan. Het gaat hier om kleinschalige afwijkingen van de voorschreven maatvoering en overschrijdingen van de bouwgrenzen.

Algemene wijzigingsregels
In dit artikel wordt een opsomming gegeven van de regels waarvan door middel van een wijzigingsplan afgeweken kan worden van het bestemmingsplan. Dit betreft kleine wijzigingen van de bestemmingsgrenzen.

Overgangs- en slotregels
Overgangsrecht
Het voor alle bestemmingsplannen verplichte overgangsrecht is opgenomen. Bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een omgevingsvergunning voor het bouwen is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bebouwingsregels. De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, ook brengt het niet met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen kan worden verleend. Burgemeester en wethouders kunnen in beginsel dus nog gewoon gebruik maken van hun handhavingsbevoegdheid. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan mag eveneens worden voortgezet.

Slotregel
Dit artikel geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald.

Hoofdstuk 7 Financiële toelichting

Uitgangspunt voor de beoogde ontwikkeling is dat deze voor de gemeente budgetneutraal plaatsvindt. Op grond van artikel 6.12 lid 1 Wet ruimtelijke ordening (Wro) is de gemeenteraad van Overbetuwe verplicht om, als sprake is van een bouwplan, de gemeentelijke kosten te verhalen. Dit bestemmingsplan voorziet in een nieuw bouwplan, omdat er drie nieuwe woningen (hoofdgebouwen) worden toegestaan.

Met de initiatiefnemer is een anterieure overeenkomst afgesloten, waarin afspraken zijn gemaakt over het kostenverhaal. Het kostenverhaal is hiermee voor de gemeente geborgd en is anderszins verzekerd. Ook is een planschadeovereenkomst afgesloten.

De initiatiefnemer beschikt over voldoende middelen om de voorgestane ontwikkeling te kunnen realiseren. Er zijn geen onvoorziene hoge kosten te verwachten. Ook is er geen sprake van onzekere financiële bijdragen van anderen.

De financieel-economische haalbaarheid is hiermee in voldoende mate aangetoond.

Hoofdstuk 8 Overleg en inspraak

8.1 Inleiding

De procedures voor vaststelling van een bestemmingsplan zijn door de wetgever geregeld. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties waar nodig overleg over het plan moet worden gevoerd, voordat een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Bovendien kan het noodzakelijk zijn om belanghebbenden de gelegenheid te bieden om hun visie omtrent het plan te kunnen geven. Dit is afhankelijk van de inspraakverordening van de gemeente. Pas daarna kan de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van het bestemmingsplan van start gaan.

8.2 Inspraak

De Wro zelf bevat geen bepalingen over inspraak. Dat neemt niet weg dat het de gemeente vrij staat toch inspraak te verlenen op grond van de gemeentelijke inspraakverordening. In relatie daarmee bepaalt artikel 150 van de Gemeentewet onder meer dat in een gemeentelijke inspraakverordening moet worden geregeld op welke wijze personen en rechtspersonen hun mening kenbaar kunnen maken. Voor dit bestemmingsplan heeft geen inspraak plaatsgevonden.

8.3 Overleg

Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) geeft aan dat het bestuursorgaan, dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan, overleg pleegt met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen. Ook moet overleg worden gepleegd met die diensten van provincie en Rijk, die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of die belast zijn met de behartiging van belangen, welke in het plan in het geding zijn.

Het bestemmingsplan wordt tijdig aan de betrokken vooroverlegpartners voorgelegd.

8.4 Vaststellingsprocedure

De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan vindt plaats volgens artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening. Het bestemmingsplan wordt in dit kader ter visie gelegd gedurende een periode van zes weken. Gedurende deze periode kan een ieder zijn zienswijzen kenbaar maken tegen het plan. Eventuele zienswijzen worden samengevat en van een reactie voorzien.

Het plan wordt vervolgens, al dan niet gewijzigd, ter vaststelling aangeboden aan de gemeenteraad.

8.5 Beroep

Na vaststelling wordt het bestemmingsplan voor de tweede maal zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking.