direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Elst, Groenestraat 84
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1734.0336ELSTgroenest84-ONT1

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Aan de Groenestraat 84 te Elst ligt het erf 'Brienenshof'. Het erf en de omgeving hebben van oudsher een agrarische functie (land- en tuinbouw) gehad, maar deze functie is inmiddels geheel verdwenen en de bebouwing op het erf is recent gesloopt. Het perceel ligt aan de rand van een woonwijk, die naar het erf is vernoemd en heeft momenteel een bedrijfsbestemming. De initiatiefnemer wil op het erf in totaal vier woningen met bijbehorende erven oprichten. De bedrijfsbestemming vervalt.

Om het initiatief mogelijk te maken, is een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk. De gemeente wil onder voorwaarden medewerking aan het initiatief verlenen. Dit bestemmingsplan 'Elst, Groenestraat 84' voorziet in een nieuw planologisch-juridisch kader voor het plangebied en geeft de voorwaarden voor het gebruiken en bebouwen van de gronden aan.

1.2 Ligging en beschrijving plangebied

Het plangebied betreft het perceel aan de Groenestraat 84 te Elst en is kadastraal bekend als gemeente Elst, sectie K, perceelnummers 4193 (ged.), 4747 (ged.), 6946 en 6947. Deze locatie ligt binnen de bebouwde kom van Elst, nabij de ontsluitingsweg Rijksweg-Zuid aan de zuidkant van de kern. Het plangebied ligt op een bijzondere plek met zowel ten noorden als ten zuidwesten van het plangebied groene ruimten. Het erf is georiënteerd op de Groenestraat, die nabij het plangebied aantakt op de Rijksweg-Zuid. Ten zuiden van het plangebied aan de Groenestraat is lintbebouwing aanwezig met een woonfunctie, terwijl ten oosten, noordoosten en zuidoosten van het plangebied de relatief jonge woonwijk 'Brienenshof' ligt. Aan de achterzijde ligt het perceel aan de H.R. Holstlaan, maar het kent geen oriëntatie op deze weg. De ligging van het plangebied is op afbeelding 1 aangegeven.

Op afbeelding 2 is de begrenzing van het plangebied zichtbaar. Het plangebied betreft een voormalig agrarisch erf, waar tot recent de voormalige boerderij en een groot agrarisch bijgebouw aanwezig waren. Het erf was meest recent in gebruik als caravanstalling met een bedrijfswoning. Op afbeelding 2 is de recent gesloopte bebouwing en de verwijderde erfverharding zichtbaar.

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0336ELSTgroenest84-ONT1_0001.png"  
Afbeelding 1: ligging van het plangebied (bron: Bing Maps)  
afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0336ELSTgroenest84-ONT1_0002.png"  
Afbeelding 2: indicatieve begrenzing plangebied, weergave directe omgeving en recent gesloopte bebouwing (bron: Buro Ontwerp & Omgeving)  

1.3 Huidig bestemmingsplan

In het plangebied geldt momenteel het bestemmingsplan 'Elst', dat sinds 20 oktober 2011 onherroepelijk is. De kadastrale percelen 6946 en 6947 hebben de bestemming 'Bedrijf' met de functieaanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - caravanstalling' en een bouwvlak rondom de voorheen aanwezige bebouwing. Ter plaatse van de voormalige bedrijfswoning is de aanduiding 'bedrijfswoning' van toepassing. Aan de noordkant van het plangebied geldt de bestemming 'Groen'. Daarnaast is in het plangebied de bestemming 'Waarde - Archeologie' van toepassing.

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0336ELSTgroenest84-ONT1_0003.png"  
Afbeelding 3: uitsnede huidig bestemmingsplan 'Elst' (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)  


Het huidige bestemmingsplan maakt het oprichten van nieuwe woningen, alsmede het gebruik voor reguliere woondoeleinden, niet mogelijk. Daarnaast is de beoogde ontsluiting van twee woningen op de H.R. Holstlaan ter plaatse van de bestemming 'Groen' niet in overeenstemming met het bestemmingsplan.Een herziening van het bestemmingsplan is noodzakelijk.

1.4 Leeswijzer

Deze toelichting is als volgt opgebouwd. Na dit inleidende hoofdstuk, worden in hoofdstukken 2 en 3 respectievelijk de bestaande en de toekomstige situatie in het plangebied beschreven. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op het voor dit bestemmingsplan van toepassing zijnde rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid. In hoofdstuk 5 komen de relevante milieu- en omgevingsaspecten aan de orde. Daarmee wordt inzichtelijk gemaakt of de ontwikkeling in ruimtelijk en milieuhygiënisch opzicht aanvaardbaar en haalbaar is en voldoet aan het vereiste van een goede ruimtelijke ordening. In hoofdstuk 6 is de juridische planopzet beschreven en in hoofdstuk 7 is de financiële toelichting opgenomen. Hoofdstuk 8 gaat in op enkele procedurele aspecten, zoals overleg en inspraak.

Hoofdstuk 2 Bestaande situatie

Het plangebied betreft het perceel aan de Groenestraat 84 te Elst. Deze locatie ligt binnen de bebouwde kom van Elst, nabij de ontsluitingsweg Rijksweg-Zuid. Het plangebied ligt op een bijzondere plek aan de rand van de kern met zowel ten noorden als ten zuidwesten van het plangebied groene ruimten. De omgeving van het plangebied was vroeger een land- en tuinbouwgebied, maar is met name na 1980 verstedelijkt. De Groenestraat is een oude landstraat. Het erf ligt nu aan de rand van de woonwijk Brienenshof, die naar het erf is vernoemd. Het erf was tot de recente sloop van de bebouwing het enige nog herkenbare element van het oorspronkelijke landschap. Deze voormalige bebouwing en erfindeling zijn op afbeelding 4 zichtbaar. Het erf was ontsloten op de Groenestraat, die nabij het plangebied aantakt op de Rijksweg-Zuid. Aan de achterzijde ligt het perceel aan de H.R. Holstlaan, maar het kent geen oriëntatie op deze weg.

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0336ELSTgroenest84-ONT1_0004.png" afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0336ELSTgroenest84-ONT1_0005.png"  
Afbeelding 4: beeld van de voormalige bebouwing en erfindeling (bron: Bruo Ontwerp & omgeving)  

Het voormalige agrarische erf werd voorheen als caravanstalling met een bedrijfswoning gebruikt. Dit gebruik is inmiddels beëindigd en na de recente sloop van de bebouwing en verwijdering van de erfverharding ligt het plangebied braak. Afbeelding 5 geeft de actuele situatie weer.

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0336ELSTgroenest84-ONT1_0006.png"  
Afbeelding 5: luchtfoto huidige situatie en begrenzing plangebied (bron: Bing Maps)  

Hoofdstuk 3 Toekomstige situatie

De initiatiefnemer wil in het plangebied vier nieuwe woningen realiseren. Het betreft twee vrijstaande woningen aan de zijde van de Rijksweg-Zuid/Groenestraat en een tweekapper op het achtererf, georiënteerd op de H.R. Holstlaan en aansluitend bij de rest van de woonwijk. De nieuwe woningen vormen hiermee een afronding van de woonwijk Brienenshof enerzijds en sluiten anderzijds aan op het meer traditionele bebouwingslint aan de Groenestraat. Door de meerzijdige oriëntatie wordt deze onderscheidende plek met vrij uitzicht in drie richtingen optimaal benut. Daarnaast is voor deze stedenbouwkundige opzet gekozen om de traditionele erfinrichting met een sierzijde en een landschappelijke zijde terug te laten komen. Aan de sierzijde lagen vroeger de siertuin en boomgaard. Daar worden nu de twee vrijstaande woningen met gezamenlijk bijgebouw en voorerf, alsmede een fruitboomgaard en een grote solitaire boom voorzien. Hiermee ontstaat ook een aantrekkelijk beeld vanaf de Groenestraat en de Rijksweg-Zuid richting het erf. Aan de landschappelijke zijde werd van oudsher gewerkt en had het landschap zijn invloed. Door middel van beplanting met onder meer hagen wordt het achtererf bij de zuidelijke vrijstaande woning en de gronden rondom de tweekapper ingericht volgens dit landschappelijke principe. Afbeelding 6 geeft de toekomstige inrichting van het plangebied weer.

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0336ELSTgroenest84-ONT1_0007.png"  
Afbeelding 6: toekomstige inrichting plangebied (bron: Buro ontwerp & Omgeving)  

De beoogde erfinrichting is in het in Bijlage 1 bij de planregels opgenomen inrichtingsplan nader beschreven en uitgewerkt met concrete inpassings- en inrichtingsmaatregelen. Het volledige inrichtingsplan, inclusief uitgebreide toelichting op de hieraan ten grondslag liggende keuzes en uitgangspunten, is opgenomen in deze bijlage. De realisatie van het inrichtingsplan wordt met een voorwaardelijke verplichting in de bestemmingsplanregels geborgd. Enkele concrete gestelde voorwaarden zijn de volgende:

  • Aanplant fruitboomgaard in noordwestelijke hoek aan de Groenestraat;
  • Aanplant beukenhagen aan sierzijde;
  • Gebruik bestaand herkenbaar hekwerk aan zijde Groenestraat;
  • Centrale solitaire boom aan voorzijde mandelig erf, omringd door gras;
  • Aanplant veldesdoornhagen aan landschappelijke zijde;
  • Aanplant solitaire bomen en kleine clusters bomen aan landschapszijde;
  • Inpassing parkeervoorzieningen.

De gekozen beplantingssoorten zijn gebiedseigen en zijn afgestemd op het Landschapsontwikkelingsplan van de gemeente Overbetuwe.

Woningen en beeldkwaliteit
Voor de herontwikkeling van het markante voormalige agrarisch erf is een aantal zorgvuldig bepaalde uitgangspunten en randvoorwaarden gesteld. In het inrichtingsplan is dit zichtbaar in de perceelsindeling en de landschappelijke inpassing/inrichting. Ook voor de woningen zelf zijn ontwerpprincipes vastgesteld. Voor het initiatief is daarnaast een beeldkwaliteitsplan opgesteld, dat onderdeel uitmaakt van Bijlage 1 bij de planregels. Het beeldkwaliteitsplan vormt een toetsingskader bij de omgevingsvergunning(en) voor het bouwen en is een aanvulling op de gemeentelijke welstandsnota.

Vrijstaande woningen en bijgebouw
Voor de twee vrijstaande woningen op het siererf is een agrarische referentie gekozen. De noordwestelijke woning kent een hogere goot- en bouwhoogte dan de overige woningen. De massa-verhoudingen tussen de woningen refereren aan een traditioneel boerenerf. De woningen vormen een ensemble. Voor de noordwestelijke (hoofd)woning worden onder meer de volgende eisen in het beeldkwaliteitsplan gesteld:

  • Kapvorm: zadeldak;
  • Rechthoekige footprint met hoge goot;
  • Maximale dakhelling 50 graden;
  • Baksteen beeldbepalend in gevelbeeld;
  • Kap uitgevoerd in gebakken dakpannen, eventueel in combinatie met zink.

Afbeelding 7 geeft referentiebeelden voor deze woning weer. In het bestemmingsplan is een bouwvlak op maat opgenomen, waarbij de maximale goot- en bouwhoogte op respectievelijk 6,5 en 12 meter zijn gesteld.

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0336ELSTgroenest84-ONT1_0008.png"  
Afbeelding 7: referentiebeelden noordwestelijke woning (bron: beeldkwaliteitplan Buro Ontwerp & Omgeving)  


De zuidelijke vrijstaande woning zal worden uitgevoerd als een schuurwoning met een lagere kap. Aangrenzend aan deze woning wordt een gemeenschappelijk bijgebouw voorzien in een schuurvorm. De woning en schuur vormen één ensemble met een gelijkwaardig materiaalgebruik en eenduidige vorm, maar onderscheid in massaverhoudingen. Voor de woning en de schuur worden onder meer de volgende beeldkwaliteitseisen gesteld:

  • Rechthoekig volume met een grote beeldbepalende kap;
  • Dakhelling maximaal 50 graden;
  • Materiaalgebruik onderling afgestemd, gebruikmakend van baksteen en eventueel aan te vullen met hout en/of stucwerk;
  • Topgevel, gericht naar het erf, oogt gesloten en robuust;
  • Baksteen beeldbepalend in het gevelbeeld;
  • Gevelopeningen groot en robuust;
  • Kap uitgevoerd in gebakken dakpannen en eventueel zink.

In afbeelding 8 zijn referentiebeelden opgenomen.

In het bestemmingsplan is een bouwvlak op maat opgenomen voor de woning, waarbij de maximale goot- en bouwhoogte op respectievelijk 3 en 9 meter zijn gesteld. Voor het bijgebouw is aan aanduidingsvlak opgenomen; de goothoogte bedraagt maximaal 3 meter en de bouwhoogte maximaal 7 meter.

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0336ELSTgroenest84-ONT1_0009.png"
afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0336ELSTgroenest84-ONT1_0010.png"  
Afbeelding 8: referentiebeelden schuurwoning en bijgebouw (bron: beeldkwaliteitsplan Buro Ontwerp & Omgeving)  


Twee-aaneengebouwde woningen
Aan de landschapszijde van het erf worden twee woningen in één bouwmassa voorzien. De woningen zijn geschakeld, met een bijgebouw in het midden, dat geheel in de bouwmassa is geïntegreerd. De footprint is rechthoekig, de massa voorzien van een zadeldak en de goothoogte is laag (maximaal 4 meter). Deze woningen hebben een agrarische referentie (agrarische schuur). Voor de bouwmassa worden onder meer de volgende beeldkwaliteitseisen gesteld:

  • Vormgeving als huis/volume, waarbij bijgebouwen onderdeel van het volume uitmaken;
  • Architectuur strak en eigentijds;
  • Gaten in volume uitgesneden door deuren en ramen;
  • Kap uitgevoerd in gebakken dakpannen of eventueel zink;
  • Gevel uitgevoerd in hout, eventueel in combinatie met baksteen, mits hout overheersend blijft.

In afbeelding 9 zijn referentiebeelden opgenomen.

In het bestemmingsplan is een bouwvlak op maat opgenomen voor de woningen, waarbij de maximale goot- en bouwhoogte op respectievelijk 4 en 8 meter zijn gesteld. Bijgebouwen moeten binnen het bouwvlak worden opgericht conform dezelfde maximale hoogten. Er zijn twee woningen binnen het bouwvlak toegestaan.

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0336ELSTgroenest84-ONT1_0011.png"  
Afbeelding 9: referentiebeelden geschakelde woningen oostkant (bron: beeldkwaliteitsplan Buro Ontwerp & Omgeving)  

Hoofdstuk 4 Beleidskader

4.1 Rijksbeleid

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR)
In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte staan de plannen van de Rijksoverheid voor ruimte en mobiliteit. Het Rijk streeft naar een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland. Om dit te bereiken, laat het Rijk de ruimtelijke ordening meer over aan de decentrale overheden (provincie en gemeenten) en komt de gebruiker centraal te staan. Het Rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 13 nationale belangen. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid.

Beoordeling en conclusie
Dit bestemmingsplan maakt het oprichten van drie extra woningen mogelijk op een perceel dat momenteel voor bedrijfsdoeleinden is bestemd. De bedrijfsbestemming vervalt daarbij. Het gaat hier om een lokale ontwikkeling, die gezien de aard en omvang van het plan geen relatie met het ruimtelijke ordeningsbeleid op rijksniveau heeft. Er zijn geen nationale belangen in het geding. Het initiatief conflicteert niet met het nationaal ruimtelijke ordeningsbeleid, zoals vastgelegd in de SVIR.

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)
Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft richtlijnen voor de inhoud van ruimtelijke plannen, voor zover het gaat om ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang. De normering uit het Barro werkt zoveel mogelijk direct door op het niveau van de lokale besluitvorming. Bij besluitvorming over ruimtelijke plannen moeten de regels van het Barro worden gerespecteerd.

Beoordeling en conclusie
Het initiatief is aangemerkt als een lokale ontwikkeling. Er zijn geen nationale belangen in het geding. Het Barro heeft geen doorwerking naar dit plan.

Ladder voor duurzame verstedelijking
Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen, is per 1 oktober 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening. De ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De ladder is een motiveringsinstrument dat moet worden toegepast bij elk ruimtelijk besluit dat een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling' mogelijk maakt. Wat onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan, is in artikel 1.1.1 Bro bepaald: 'De ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.” Uit de jurisprudentie komt naar voren dat het wel een nieuwe stedelijke ontwikkeling van enige omvang moet zijn (ECLI:NL:RVS:2016:1503).

In een bestemmingsplan moet worden aangegeven dat de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte plus een motivering als de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd: 'De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien”.

Beoordeling en conclusie
Met dit bestemmingsplan worden drie extra woningen mogelijk gemaakt en wordt de huidige bedrijfsbestemming gewijzigd naar wonen. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt, dat het toevoegen van drie woningen, gezien de kleinschaligheid van de ontwikkeling, geen stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro is. Omdat dit bestemmingsplan geen nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, is de ladder voor duurzame verstedelijking niet van toepassing en kan een nadere toetsing aan artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro achterwege blijven.

4.2 Provinciaal beleid

Omgevingsvisie Gaaf Gelderland
Provinciale Staten hebben op 19 december 2018 de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland (hierna: de Omgevingsvisie) vastgesteld. Deze is in werking getreden op 1 maart 2019. Het doel van de Omgevingsvisie is: een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland, vanuit het verleden én met het oog op de toekomst. De provincie is als middenbestuur een belangrijke schakel bij het bereiken van deze doelstellingen en wil op een aantal manieren waarde toevoegen:

  • met een brede blik kijken naar de inrichting en kwaliteit van de Gelderse leefomgeving;
  • stimuleren van ontwikkelingen enerzijds en beschermen van waarden anderzijds;
  • focussen op duurzaamheid, onderlinge verbondenheid en een economisch krachtig Gelderland;
  • door middel van 7 ambities verder verdiepen van de focus.


De 7 ambitities van de provincie zien op de volgende thema's: energietransitie, klimaatadaptatie, circulaire economie, biodiversiteit, bereikbaarheid, vestigingsklimaat en de woon- en leefomgeving. Per ambitie is de provinciale aanpak beschreven.

Beoordeling en conclusie
De Omgevingsvisie is concreet uitgewerkt in de hierna beschreven Omgevingsverordening Gelderland. Deze verordening bevat concrete regels, waaraan het initiatief wordt getoetst. De Omgevingsvisie zelf bevat geen regels, die voor dit bestemmingsplan direct van belang zijn. Het plan is ook te kleinschalig van omvang om een wezenlijke bijdrage aan de provinciale ambities uit de Omgevingsvisie bij te dragen. Op het aspect van een goede woon- en leefomgeving voor de bedrijfswoning wordt in deze toelichting nader ingegaan (met name hoofdstuk 5).

Het plan is in overeenstemming met de Omgevingsvisie.

Omgevingsverordening Gelderland
Provinciale Staten hebben de Omgevingsverordening Gelderland (hierna: de Omgevingsverordening of verordening) vastgesteld op 24 september 2014. De verordening wordt geregeld geactualiseerd. De meest recente actualisatie van de Omgevingsverordening dateert van 19 december 2018.

De regels in de verordening kunnen betrekking hebben op het hele provinciale grondgebied, op delen of op gebiedsgerichte thema's. Gemeenten moeten binnen een bepaalde termijn hun bestemmingsplan afstemmen op de in de verordening opgenomen regels. De regels in de verordening zijn gebaseerd op de provinciale omgevingsvisie en hebben de status van algemeen verbindende voorschriften.

Beoordeling
Het plangebied ligt binnen de volgende aanduidingen:

  • tijdelijk verbod nieuwvestiging, uitbreiding en hervestiging glastuinbouw;
  • intrekgebied.


Er is geen sprake van glastuinbouw. Winning van fossiele energie is niet aan de orde. Het plan is daarmee in overeenstemming met de regels voor glastuinbouw en de regels voor de intrekgebieden (artikel 2.38).

Thema 'wonen'
Het thema 'wonen' is bij deze ontwikkeling van belang, omdat er drie nieuwe woningen worden toegevoegd. Nieuwe woonlocaties zijn uitsluitend toegestaan wanneer de ontwikkeling in het geldende door Gedeputeerde Staten vastgestelde Kwalitatief/Kwantitatieve Woonprogramma past.

Het woningbouwprogramma wordt op regionaal niveau afgestemd en frequent geactualiseerd. Binnen de Subregionale Woonagenda Arnhem e.o., waartoe Overbetuwe behoort, wordt uitgegaan van het toevoegen van in totaal circa 13.500 woningen in de periode 2017-2027. De kwantitatieve prognose is gebaseerd op de meest recente Primos-prognose. Voor Overbetuwe bedraagt de kwantitatieve behoefte in de periode 2018-2027 tussen de 1.160 en 1.330 woningen. Op de lange termijn (2018-2035) bedraagt de behoefte tussen de 1.550 en 1.880 woningen. Er ligt voor de gemeente dus een woningbouwopgave voor de korte en langere termijn.

Met het bestemmingsplan worden drie woningen aan de woningvoorraad toegevoegd. In kwantitatief opzicht is het plan in overeenstemming met de regionale woningbouwprogrammering, omdat de woningbouwopgave voor de korte en lange termijn in Overbetuwe nog niet geheel is ingevuld.

In kwalitatief opzicht is het plan onderscheidend. Het plangebied ligt op een markante locatie met groen in de directe omgeving enerzijds en anderzijds op een goed bereikbare plek direct nabij een ontsluitingsweg. Ook de architectonische uitstraling, zoals voorgeschreven in het beeldkwaliteitsplan, in combinatie met de landschappelijke inpassing dragen bij aan een onderscheidend aanbod op een geschikte woonlocatie.

Het plan is in overeenstemming met het door Gedeputeerde Staten vastgestelde Woonprogramma.

Conclusie
Het bestemmingsplan is in overeenstemming met de Omgevingsverordening.

4.3 Gemeentelijk beleid

Omgevingsvisie Overbetuwe 2040
Op 1 oktober 2019 heeft de gemeenteraad van Overbetuwe de Omgevingsvisie Overbetuwe 2040 (hierna: Omgevingsvisie) vastgesteld. De Omgevingsvisie geeft de integrale koers en ambities van de gemeente Overbetuwe voor de fysieke leefomgeving voor de periode tot en met 2040 aan. De Omgevingsvisie is er primair op gericht om de kwaliteit van het leefmilieu te behouden en waar mogelijk te versterken. Samenwerking tussen verschillende partijen staat centraal en is noodzakelijk om deze doelen te bereiken. De visie is opgesteld vanuit een brede blik, waarbij ruimtelijke ordening, milieu, economie en bereikbaarheid met elkaar worden verbonden.

De gemeente onderscheidt een aantal kernwaarden die als vertrekpunt en inspiratiebron voor nieuwe ontwikkelingen dienen. Deze kernwaarden zijn ontstaan in het cultuurhistorisch gegroeide Betuwse rivierenlandschap. Kernwaarden zijn beschreven op het gebied van bodem en landschap, netwerk en infrastructuur en occupatie. De verschillende kernen in de gemeente kennen elk een eigen karakteristieke identiteit en waarden. Deze worden eveneens als leidraad voor nieuwe ontwikkelingen gehanteerd. Behoud van de karakteristiek en (specifieke) kwaliteiten van deze kernen en het buitengebied is een speerpunt in het beleid.

In de Omgevingsvisie wordt de focus gelegd op zes opgaven:

  • 1. Vitaal buitengebied in beweging;
  • 2. Innovatieruimte voor ondernemerschap;
  • 3. Samen werken aan energietransitie;
  • 4. Gevarieerde dorpse woonomgeving;
  • 5. Netwerk verbonden met samenleving;
  • 6. Voorzieningen geclusterd.

Beoordeling en conclusie
Dit bestemmingsplan voorziet in een wijziging van een bedrijfsbestemming naar wonen. Er worden drie woningen toegevoegd. Het plangebied ligt binnen het bestaand stedelijk gebied, aan de rand van de kern Elst. Gezien de aard en de kleinschalige omvang van de wijziging, belemmert het initiatief de opgaven vanuit de Omgevingsvisie niet. Het plan levert een bijdrage aan het creëren van een gevarieerde dorpse woonomgeving door op deze bijzondere plek verschillende woningtypes in een onderscheidende opzet (beeldkwaliteit, architectuur, erfopzet) te realiseren.

Het initiatief is in overeenstemming met de Omgevingsvisie.

Hoofdstuk 5 Milieu- en omgevingsaspecten

5.1 Milieueffectrapportage

Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r. gewijzigd. De belangrijkste aanleidingen hiervoor zijn de modernisering van de m.e.r. wetgeving in 2010 en de uitspraak van het Europese Hof van 15 oktober 2009. Uit deze uitspraak volgt dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen m.e.r.(-beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit lijst D zit, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een gevoelig natuurgebied ligt. Gemeenten en provincies moeten daarom vanaf 1 april 2011 ook bij kleine bouwprojecten, zoals het onderhavige, beoordelen of een m.e.r.(-beoordeling) nodig is.

Ook de Implementatiewet 'herziening m.e.r. richtlijn' is relevant. Sinds 16 mei 2017 is deze wet in werking. De richtlijn heeft de procedure en de inhoud van het MER en de m.e.r.-beoordeling, maar ook de vormvrije m.e.r.-beoordeling gewijzigd. Dit heeft gevolgen voor de inhoud en procedure van ruimtelijke plannen. Voor activiteiten, die zijn opgenomen in onderdeel D van de Bijlage bij het Besluit m.e.r. en waarvan de omvang beneden de in kolom 2 genoemde drempel ligt, geldt een vormvrije m.e.r.-beoordeling.

Beoordeling en conclusie
Dit bestemmingsplan maakt de bouw van 3 extra woningen mogelijk. Daarnaast verdwijnt een bestaande bedrijfsbestemming (caravanstalling). Deze ontwikkeling wordt niet genoemd in lijst C van het Besluit m.e.r. Met betrekking tot de ontwikkeling is in onderdeel D (11.2) van de bijlage van het Besluit m.e.r. het volgende opgenomen: “De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterrein.” De voorgenomen ontwikkeling ligt ver onder de drempelwaarde die is opgenomen in kolom 2, namelijk slechts 3 woningen in plaats van 2.000 woningen. Gezien de aard en omvang van de ontwikkeling is er geen sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject.

Er is daarom geen sprake van een m.e.r.-plichtige of m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteit in dit plan. Een m.e.r. of een m.e.r.-beoordeling is niet aan de orde.

5.2 Geluid

Op basis van de Wet geluidhinder (artikel 77 Wgh) moet bij een plan een akoestisch onderzoek worden uitgevoerd als het plan mogelijkheden biedt voor:

  • de toevoeging van een nieuwe woning of andere geluidsgevoelige functie binnen de zone van een weg;
  • de aanleg van een nieuwe weg;
  • de reconstructie van een bestaande weg.

De breedte van de zone van een weg is afhankelijk van het aantal rijstroken, het stedelijk gebied en de maximumsnelheid. Alle wegen hebben geluidzones, met uitzondering van wegen die in een als 'woonerf' aangeduid gebied liggen en wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt.

Beoordeling
Dit bestemmingsplan maakt de bouw van 4 woningen, dus geluidgevoelige objecten, mogelijk. De woningen liggen binnen de geluidzone van de Rijksweg-Zuid en de Taminiausingel. De H.R. Holstlaan betreft een 30km/uurweg en kent geen geluidzone conform de Wgh. Er is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd, waarin de eerste twee genoemde wegen zijn onderzocht. De rapportage is opgenomen in Bijlage 1.

Uit het onderzoek blijkt dat voor drie van de vier geplande woningen op alle gevels aan de voorkeursgrenswaarde (48 dB) voor alle wegen wordt voldaan. Voor deze woningen zijn er geen akoestische belemmeringen.

De westelijke vrijstaande woning voldoet op twee gevels niet aan de voorkeurgrenswaarde vanwege de geluidbelasting van de Rijksweg-Zuid. Ten aanzien van de overige wegen wordt aan de voorkeursgrenswaarde voldaan. Er moet een hogere waarde worden vastgesteld. De geluidbelasting bedraagt maximaal 51 dB. Daarmee wordt ruimschoots voldaan aan de maximale ontheffingswaarde voor nieuwe woningen in bestaand stedelijk gebied (63 dB). Daarnaast moet worden voldaan aan het gemeentelijk geluidbeleid, dat is vastgelegd in de Nota geluidsbeleid en de Nota Hogere Grenswaarden. Het plangebied ligt binnen het gebied 'buiten centrum'. De bovengrensklasse in dit gebied is 'onrustig' (maximaal 53 dB). Er wordt voldaan aan de bovengrens. De woning beschikt daarnaast over een geluidluwe gevel. Bron- en overdrachtsmaatregelen en maatregelen aan de ontvanger worden niet als doeltreffend beschouwd. In de bouwfase zal een akoestisch gevelisolatieonderzoek worden uitgevoerd, waarbij aangetoond moet worden dat er sprake zal zijn van een goed woon- en leefklimaat (binneniveau maximaal 33 dB). Hiervoor zijn geen belemmeringen te verwachten. Daarnaast zijn de volgende locatie-specifieke criteria van toepassing:

  • de locatie bevindt zich op relatief korte afstand van openbaar vervoersgelegenheden;
  • de nieuwbouw dient als vervanging van bestaande bouw;
  • het geluidsaspect wordt vanaf het eerste stadium bij het ontwerp betrokken;
  • de buitenruimte bij de woning wordt aan de geluidsluwe zijde van de woning geprojecteerd;
  • de betreffende woning ligt het dichtst bij de Rijksweg-Zuid en heeft een afschermende werking voor de overige woningen.


Er wordt voldaan aan het gemeentelijk geluidbeleid. Verlening van een hogere geluidwaarde is niet bezwaarlijk.

Conclusie
De Wgh vormt geen belemmering voor het plan. Het verlenen van een hogere waarde voor één woning past binnen het gemeentelijk geluidbeleid.

5.3 Luchtkwaliteit

De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen zijn opgenomen in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Hierin zijn grenswaarden opgenomen voor luchtvervuilende stoffen. Voor ruimtelijke projecten zijn fijn stof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) de belangrijkste stoffen.

Een project is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;
  • het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;
  • het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging;
  • het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen.


Om te bepalen of een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtkwaliteit, is een algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels zijn vastgelegd. Een project kan in twee situaties NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit:

  • het project behoort tot de lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) die is opgenomen in de Regeling NIBM;
  • het project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO2 en PM10 (1,2ìg/m3).


Beoordeling
Dit bestemmingsplan maakt in totaal 3 extra woningen mogelijk en er verdwijnt een bedrijfsbestemming (caravanstalling). De planontwikkeling behoort tot een in de Regeling NIBM genoemde categorie van gevallen, namelijk woningen en blijft ruimschoots onder de drempelwaarde van 1.500 woningen. Daarom kan worden geconcludeerd dat de luchtkwaliteit met het initiatief niet in betekenende mate wordt aangetast en dat een luchtkwaliteitonderzoek niet noodzakelijk is.

Conclusie
De ontwikkeling valt onder de regeling NIBM. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de ontwikkeling. Nader onderzoek is niet nodig.

5.4 Bedrijven en milieuzonering

Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies, zoals woningen. Bij de planontwikkeling moet rekening worden gehouden met milieuzonering om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren.

Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'. In de publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd. Als bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden).

De richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit, zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype. Een rustige woonwijk of een rustig buitengebied is ingericht volgens het principe van functiescheiding.

Beoordeling
Met dit bestemmingsplan worden nieuwe gevoelige functies (4 woningen) mogelijk gemaakt. In de huidige situatie is er sprake van één bedrijfswoning, die eveneens als een gevoelige functie wordt aangemerkt. Omdat het plan tevens voorziet in het wegbestemmen van de huidige milieubelastende bedrijfsfunctie (caravanstalling), is er geen sprake van externe werking vanwege het plan. Wel moet worden onderzocht of het oprichten van de nieuwe woningen tot belemmeringen voor omliggende functies leidt en of er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in de woningen.

Het plangebied ligt aan de rand van een woonwijk. Hoewel het plangebied nabij een drukke ontsluitingsweg (Rijksweg-Zuid) ligt, wordt uitgegaan van het gebiedstype 'rustige woonwijk'. In de omgeving van het plangebied zijn geen milieubelastende functies aanwezig, maar uitsluitend woningen, groen, water en infrastructuur. De woningen worden niet binnen de richtafstand van milieubelastende functies geprojecteerd en daarom treden er geen belemmeringen op.


Conclusie
Het aspect 'bedrijven en milieuzonering' levert geen belemmeringen voor de ontwikkeling op.

5.5 Geurhinder

Voor veehouderijen is de regelgeving ten aanzien van het specifieke aspect geur vastgelegd in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden gekeken naar de aanvaardbaarheid van deze plannen in verband met omliggende geurbronnen, de zogenaamde omgekeerde werking.

Beoordeling en conclusie
Dit bestemmingsplan maakt nieuwe geurgevoelig objecten mogelijk. In de huidige situatie is er ook al een geurgevoelig object (bedrijfswoning) toegestaan. In een straal van 500 meter rondom het plangebied zijn geen veehouderijen aanwezig. De Wgv levert daarom geen belemmeringen op voor de ontwikkeling. Er worden geen agrarische bedrijven beperkt in hun bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden en er is sprake van aan aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied.

5.6 Bodem

De bodemkwaliteit vormt een belangrijk aspect bij bouwontwikkelingen. In het kader van functiewijziging en herinrichting vormt de bodemkwaliteit bij ontwikkeling van ruimtelijke functies een belangrijke afweging. De Bouwverordening bevat een verbod voor het bouwen van woningen op verontreinigde grond.

Beoordeling
Dit bestemmingsplan maakt de bouw van vier woningen op een bestaand bedrijfsperceel mogelijk. Daarmee wordt er nieuwe bebouwing mogelijk gemaakt, waarin permanent personen verblijven. Een onderzoek naar de bodemkwaliteit is noodzakelijk. Daarom is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De onderzoeksrapportage is opgenomen in Bijlage 2.

Uit het verkennend onderzoek blijkt het volgende:

  • De bodem is verdacht voor de aanwezigheid van asbest;
  • In de bodem zijn lichte verontreinigingen met cadmium, kobalt, kwik, nikkel, lood, zink, minerale olie, PCB, DDD en hexachloorbutadieen aangetroffen;
  • In de bodem is een sterk verhoogde concentratie PAK-totaal aangetoond. Nader onderzoek is noodzakelijk.
  • Ter plaatse van één boring is een laag bestaande uit volledig baksteen aangetroffen.

De resultaten van het verkennend bodemonderzoek hebben aanleiding gegeven tot nader onderzoek naar PAK-totaal. Ook dit onderzoeksdeel is opgenomen in Bijlage 2. In het nader onderzoek is de verontreiniging met PAK-totaal voldoende in kaart gebracht. De hoeveelheid grond met Pak-totaalconcentratie hoger dan de interventiewaarde wordt geschat op circa 20 m³. De verontreiniging is vóór 1987 ontstaan. Sanerende maatregelen zijn nodig om de bodemkwaliteit in het gehele plangebied geschikt te maken voor het beoogde gebruik. Verder wordt geadviseerd om een verkennend/nader onderzoek asbest uit te voeren.

De noodzakelijke bodemsanering heeft plaatsgevonden. Van de sanering is een evaluatierapport opgesteld (zie Bijlage 3). Na de uitgevoerde sanering is het plangebied geschikt voor het beoogde gebruik. Uitzondering vormt één terreindeel (W02 in de betreffende bijlage benoemd), waar verder sanering technisch niet mogelijk is. De sanering is tot dusver afgerond. Ter plaatse van het bedoelde plandeel wordt geen woning opgericht.

Conclusie
Het aspect 'bodem' vormt geen belemmering voor de realisatie van woningen in het plangebied. De voorwaarde, dat sanerende maatregelen ten aanzien van de aangetoonde en in kaart gebrachte verontreiniging met PAK-totaal moeten worden getroffen, is vervuld. Wel wordt nog geadviseerd om een verkennend/nader onderzoek asbest uit te voeren.

5.7 Externe veiligheid

Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de veiligheidsrisico's in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze externe veiligheidsrisico's moeten worden beoordeeld voor twee risiconormen, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Voor beide risiconormen geldt dat hoe groter de afstand tussen planontwikkeling en risicobron is, des te kleiner zal de impact van het plan zijn op de hoogte van het risico.

Plaatsgebonden risico
Het plaatsgebonden risico (PR) heeft tot doel om hetzelfde minimale beschermingsniveau te bieden voor iedere burger in Nederland. Het PR beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het PR wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn, etc.), waarbij de 10-6-contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde is.

Groepsrisico
Het groepsrisico (GR) is een afwegingsinstrument dat tot doel heeft een bewuste afweging te stimuleren over het risico op een ongeval met een groot aantal slachtoffers. Het GR beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het GR geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het GR wordt uitgedrukt in een grafiek, waarin de kans op overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1.000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het GR geldt een oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm).

Voor elke verandering van het GR (af- of toename) in het invloedsgebied moet verantwoording worden afgelegd over de wijze waarop de toelaatbaarheid van deze verandering in de besluitvorming is betrokken.

Samen met de hoogte van het GR moeten andere kwalitatieve aspecten worden meegenomen in de beoordeling van het GR. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer.

Beoordeling
De ontwikkeling betreft het slopen van de bestaande woning met schuur en daarvoor in de plaats worden vier woningen terug gebouwd. Er worden nieuwe kwetsbare objecten mogelijk gemaakt. Op basis van de risicokaart van de provincie Gelderland is een inventarisatie gemaakt van de risicobronnen in en rondom het plangebied, die een extern veiligheidsrisico kunnen veroorzaken. In afbeelding 5 is een uitsnede opgenomen van de risicokaart.

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0336ELSTgroenest84-ONT1_0012.png"  
Afbeelding 5: uitsnede provinciale risicokaart, geraadpleegd op 28 januari 2020, met ligging plangebied in zwart kader aangegeven.  

De informatie van de provinciale risicokaart levert de volgende inzichten op.

Transportroutes
Het plangebied ligt op ± 1.750 meter van de Betuweroute, op ± 700 meter van de spoorlijn Arnhem – Nijmegen en op ± 2.000 meter van de snelweg A15. Over deze transportassen vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Op basis van de regeling basisnet en de provinciale risicokaart is vastgesteld dat de plaatsgebonden risicocontour 10-6 van deze drie risicobronnen niet over het plangebied ligt.

Ten aanzien van het groepsrisico is het plangebied gelegen in het invloedsgebied van de Betuweroute, de spoorlijn Arnhem–Nijmegen en de snelweg A15. Ontwikkelingen binnen het invloedsgebied hebben mogelijk invloed op de hoogte van het groepsrisico. Echter is de afstand tussen het plan en de risicobronnen dermate groot (groter dan 200 meter), dat de wetgever heeft aangegeven dat het groepsrisico alleen beperkt verantwoord hoeft te worden. Hierdoor hoeft niet de hoogte van het groepsrisico in beeld gebracht te worden, maar enkel nog de aspecten zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid.

Buisleidingen
Het plangebied ligt niet binnen de PR 10-6-risicocontouren of de invloedsgebieden van buisleidingen.

Inrichtingen
Het plangebied ligt niet binnen de PR 10-6-risicocontouren of de invloedsgebieden van inrichtingen met een extern veiligheidsrisico.

Verantwoording groepsrisico
Het plangebied ligt in het invloedsgebied groepsrisico van verschillende externe veiligheidsrisicobronnen. Conform vigerende wetgeving moet de gemeente hierdoor het groepsrisico verantwoorden. Meer specifiek gaat om de wettelijke verplichting op grond van Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) artikel 7 en 9 vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over Betuweroute, de spoorlijn Arnhem-Nijmegen en de snelweg A15. De gemeente heeft bij het invullen van de verantwoordingsplicht een grote mate van beoordelingsvrijheid. Ten aanzien van de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid heeft de veiligheidsregio adviesrecht. Hierop heeft de Veiligheids- en Gezondheidsregio Gelderland Midden (VGGM) op 6 februari 2020 (kenmerk: 200204-0055, opgenomen in Bijlage 4) het volgende geadviseerd: 'Het plan leidt tot een kleine toename van het aantal aanwezigen. Het licht in de verwachting dat de aanwezige personen zichzelf in veiligheid kunnen brengen, mits geïnformeerd en tijdig gewaarschuwd. In het kader van verantwoording groepsrisico zie ik geen aanleiding om te adviseren over rampbestrijding en zelfredzaamheid'.

Hieronder een beschouwing van de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid.

A. Bestrijdbaarheid
Bij een calamiteit zal de brandweer zich inzetten om effecten ten gevolge van het incident met toxische stoffen te beperken. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron. De brandweer richt zich dan niet direct op het bestrijden van effecten in of nabij het plangebied. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen.

B. Zelfredzaamheid
Met de term 'zelfredzaamheid' wordt bedoeld: het vermogen om jezelf en/of anderen in veiligheid te brengen bij (een dreiging van) een gevaarlijke situatie. Bij het bepalen van de mate van zelfredzaamheid spelen onder andere de fysieke gesteldheid en zelfstandigheid van de aanwezigen, de alarmeringsmogelijkheden en de vluchtmogelijkheden een rol.

Bij een calamiteit is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij een incident. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS palen) en NL-Alert. Bij een scenario waarin toxische stoffen vrijkomen is het advies om te schuilen in een gebouw, waarvan ramen, deuren en ventilatie gesloten kunnen worden. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid zijn voldoende.

Conclusie
Het plangebied ligt buiten de plaatsgebonden risicocontour 10-6 van een inrichting, buisleiding en transportroute met een externe veiligheidsrisico. De plaatsgebonden risicocontour van de diverse risicobronnen vormt geen belemmering voor de realisatie van het plan.

Ten aanzien van het groepsrisico ligt het plangebied in het invloedsgebied van de Betuweroute, de spoorlijn Arnhem-Nijmegen en de snelweg A15. Op basis van de verantwoording groepsrisico (zie hierboven) kan worden geconcludeerd dat het ruimtelijke initiatief geen significant effect heeft op het groepsrisico, dan wel de mogelijkheden voor rampenbestrijding en zelfredzaamheid. Daarmee is het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de realisatie van het plan. De VGGM zag eveneens geen aanleiding om aanvullend te adviseren.

5.8 Explosieven

De huidige gemeente Overbetuwe en buurgemeente Lingewaard maakten vanaf het begin van de geallieerde luchtlandingsoperatie 'Market Garden' op 17 september 1944 tot aan de bevrijding van Arnhem op 14 april 1945 deel uit van het frontgebied tussen de Duitsers en de Geallieerden. Overbetuwe en Lingewaard werden in hun geheel als oorlogsgebied beschouwd. Er is een gevechtspauze geweest na het oversteken van de brug bij Nijmegen. Het gebied is gedurende acht maanden frontgebied geweest waarbij het volledige eiland (gebied tussen de Rijn en de Waal) geëvacueerd is. Tevens zijn er in die periode hevige bombardementen uitgevoerd. Tijdens de inventarisatie van oorlogsgegevens zijn 104 vliegtuigcrashes opgetekend en meer dan 1.000 oorlogsgraven. Door de oorlogshandelingen ontstonden er gebieden waarvan de bodem sterk met oorlogsmateriaal werd belast, wat op dit moment nog gevaar kan opleveren voor mens en dier. De Explosieven Opruimings Dienst Defensie (EODD) gaat er in 2014 vanuit, dat slechts 35% van de munitie inmiddels uit de grond is verwijderd. Dit betekent dat we de komende decennia nog met deze explosieve erfenis te maken zullen hebben en er kans bestaat dat in het plangebied nog sprake is van onontplofte munitie.

Beoordeling en conclusie
Bij bodemroerende werkzaamheden, zoals het oprichten van gebouwen, graafwerkzaamheden, aanleg van beplanting, kabels en leidingen en het uitvoeren van bepaalde onderzoeken, is de aanwezigheid van mogelijke niet-gesprongen explosieven (NGE's) van belang. Omdat er na de Tweede Wereldoorlog voor zover bekend geen sprake is geweest van bouwactiviteiten en vergelijkbare ingrepen in een deel van het plangebied, bestaat de kans dat er NGE's aanwezig zijn. De hoofdbebouwing op het voormalige erf was vooroorlogs. Ter plaatse van deze zone worden NGE's niet verwacht. Er is sprake van nieuwbouw van gebouwen, graafwerkzaamheden voor de watergang en de aanleg van landschapselementen. Daarom moet voorafgaand aan het uitvoeren van deze werkzaamheden bij de gemeente worden geïnformeerd of een nader onderzoek naar de aanwezigheid van NGE's voor een deel van het plangebied noodzakelijk is. In het kader van dit bestemmingsplan vormt dit geen belemmering.

5.9 Kabels en leidingen

Het verrichten van werkzaamheden in de nabijheid van hoogspanningsmasten en -kabels en dergelijke, kan gevaar met zich meebrengen. Om dit gevaar zoveel mogelijk te beperken, moet de (leiding)beheerder aangeven onder welke voorwaarden de werkzaamheden veilig plaats kunnen vinden.

Beoordeling en conclusie
In het plangebied en in de directe omgeving zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig. Dit aspect levert dan ook geen belemmeringen op voor de realisatie van het plan.

5.10 Waterparagraaf

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder b) moet inzicht worden gegeven in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Daarbij zijn de hierna beschreven beleidsstukken van belang.

Rijksbeleid
Nationaal Waterplan
In december 2015 stelde het kabinet het Nationaal Waterplan vast. Dit plan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016-2021 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water, en diverse vormen van gebruik van water. Ook worden de maatregelen genoemd die hiertoe worden genomen.

Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie.

Provinciaal beleid
Provinciaal Waterplan
In het Waterplan Gelderland is het waterbeleid beschreven aan de hand van een aantal thema's, zoals landbouw, wateroverlast, watertekort, natte natuur, grondwaterbescherming en hoogwaterbescherming. Voor deze thema's is beschreven welke doelstellingen voor 2027 en 2015 er liggen. Daarbij is beschreven hoe de provincie voor de planperiode de uitvoering van acties ziet om die doelstellingen te bereiken. Bij sommige thema's gelden aanvullende waterdoelstellingen voor specifieke waterhuishoudkundige functies.

Waterschap Rivierenland
Waterbeheerplan 2016-2021
Dit plan, vastgesteld op 27 november 2015, gaat over het waterbeheer in het hele rivierengebied en het omvat alle watertaken van het waterschap: waterkwantiteit, waterkwaliteit, waterkering en waterketen. In het Waterbeheerplan staat wat Waterschap Rivierenland de komende periode gaat doen om inwoners van het rivierengebied veiligheid en voldoende schoon en mooi water in sloten en plassen te kunnen blijven bieden. Het plan is in samenwerking met onder meer de gemeente Overbetuwe opgesteld.

Keur Waterschap Rivierenland 2014
Voor waterhuishoudkundige ingrepen is de 'Keur Waterschap Rivierenland 2014' van toepassing. De Keur is een waterschapsverordening die gebods- en verbodsbepalingen bevat met betrekking tot ingrepen, die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. Zo is het onder andere verboden om handelingen te verrichten waardoor het onderhoud, aanvoer, afvoer en/of berging van water kan worden belemmerd, zonder een ontheffing van het Waterschap. De wateren en waterkeringen waarop de keur van toepassing is, zijn vastgelegd in de legger wateren.

Realisatie van nieuwe bebouwing en/of verhard oppervlak moet hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. Bij het toevoegen van bebouwing of verharding geldt een compensatieplicht. Er geldt een eenmalige vrijstelling van de compensatieplicht wanneer minder verharding dan 500 m² in stedelijk gebied of minder dan 1.500 m² in landelijk gebied wordt toegevoegd.

Gemeente Overbetuwe
Waterplan Overbetuwe
In 2008 stelde de gemeente Overbetuwe in samenwerking met het Waterschap Rivierenland het Waterplan Overbetuwe vast. Het waterbeheerplan van het waterschap is later geactualiseerd (zie hierboven), ook in samenwerking met onder meer de gemeente Overbetuwe. Beide plannen gelden naast elkaar.

In het Waterplan Overbetuwe wordt het beleidskader geschetst en worden concrete maatregelen voor het watersysteem uitgewerkt. Naast het waterplan wordt parallel een Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) opgesteld waarin de maatregelen voor de riolering (waterketen) worden uitgewerkt.

Met het opstellen van een waterplan wordt inzicht gegeven in de relevante wateropgaven voor de gemeente Overbetuwe, zoals:

  • wateroverlast, het zoeken van oplossingen om wateroverlast tegen te gaan;
  • waterkwaliteit, het onderzoeken van mogelijkheden voor het verbeteren van de waterkwaliteit;
  • grondwater, het inventariseren van grondwateroverlast;
  • beleving van water, burgers betrekken bij water;
  • afspraken en taken van waterschap en gemeente.


Beoordeling (watertoets)
Hemelwater en vuilwater
Het plangebied is in de huidige situatie onbebouwd en onverhard. De voormalige bebouwing (woning met schuur) en verharding zijn recent gesloopt respectievelijk verwijderd. Met dit bestemmingsplan worden nieuwe bebouwing en verhardingen mogelijk gemaakt in de vorm van vier woningen, een bijgebouw en verhardingen. Het plan leidt per saldo tot een toename van verhard oppervlak ten opzichte van de huidige situatie, maar niet ten opzichte van de situatie in het verleden (vóór sloop en verwijdering bebouwing en verharding). De toename aan verhard oppervlak is minder dan 500 m², waardoor er geen compensatieplicht aan de orde is.

Vuilwater moet bij de nieuwe woningen gescheiden worden afgevoerd van het hemelwater. Bij de technische uitwerking moet worden onderzocht wat de mogelijkheden voor vuilwaterafvoer zijn en op welke wijze hemelwaterafvoer zal plaatsvinden. Het plan kan hydrologisch neutraal worden uitgevoerd.

Oppervlaktewater
In het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Parallel aan de Rijksweg-Zuid, ten noordwesten van het plangebied ligt een A-watergang. De beschermings-/onderhoudszone behorend bij de watergang reikt niet tot het plangebied. De planvorming is niet van invloed op oppervlakterwateren.

Waterkeringen
Het plangebied ligt niet binnen de beschermingszone van een waterkering.

Conclusie
Het plan kan hydrologisch neutraal worden uitgevoerd en heeft geen negatieve effecten op de waterhuishouding.

5.11 Flora en fauna

De bescherming van de natuur is sinds 1 januari 2017 vastgelegd in de Wet Natuurbescherming (Wnb). Deze heeft de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet vervangen. De Wnb geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan moet worden onderzocht of de Wnb de uitvoering van het plan niet in de weg staat in verband met de bescherming van gebieden en dier- en plantsoorten. De provincies zijn het bevoegd gezag voor zowel de gebieds- als de soortenbescherming.

Gebiedsbescherming
In de Wnb is de bescherming opgenomen van Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan moet worden onderzocht of dit plan, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan alleen worden vastgesteld als uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Als deze zekerheid er niet is, kan het plan worden vastgesteld als wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:

  • alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden;
  • het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en
  • de noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.


Het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen: Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones. Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime. Het NNN is op provinciaal niveau uitgewerkt in het Gelders Natuurnetwerk (GNN) met de bijbehorende Groene Ontwikkelingszones (GO). Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen.

Soortenbescherming
In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen:

  • 1. soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn;
  • 2. soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn;
  • 3. de bescherming van overige soorten.

Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag.

Beoordeling
Gebiedsbescherming
Het plangebied behoort niet tot een Natura 2000-gebied of tot het NNN. De invloedssfeer van de voorgenomen ingrepen en activiteiten is lokaal. Deze hebben geen negatief effect op het GNN.

Het plangebied ligt op circa 5 kilometer afstand van Natura 2000-gebieden. Gezien de relatief grote afstand tot Natura 2000-gebieden en de beperkte uitstraling van de werkzaamheden en activiteiten, zijn negatieve effecten op Natura 2000-gebieden op voorhand niet te verwachten. Zorgvuldigheidshalve is een stikstofdepositieberekening uitgevoerd voor de aanleg- en gebruiksfase om na te gaan of de ontwikkeling tot een toename van stikstofdepositie op gevoelige Natura 2000-gebieden leidt. Deze berekeningen zijn in Bijlage 5 opgenomen. In Bijlage 6 is toegelicht welke gegevens bij de berekeningen zijn gebruikt. Uit de berekeningen blijkt dat er, zowel in de aanlegfase als de toekomstige gebruiksfase, geen sprake is van stikstofdepositie hoger dan 0,00 mol/ha/jr op Natura 2000-gebieden. De instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden komen niet in gevaar. Negatieve effecten zijn niet aan de orde.

Soortenbescherming
Het plangebied betreft momenteel een braakliggend terrein. De voormalige bebouwing is recent gesloopt en de erfverharding is verwijderd. Ook hebben er diverse bodemingrepen plaatsgevonden, onder meer vanwege het saneren van een deel van de grond. Gelet op de huidige inrichting van het terrein en de zeer recente werkzaamheden die hebben plaatsgevonden, is de aanwezigheid van beschermde flora en fauna op dit moment uitgesloten. Bij de realisatie van het plan zal rekening gehouden moeten worden met de algemene zorgplicht, bijvoorbeeld in relatie tot eventueel in de omgeving broedende vogels. Dit staat aan de uitvoering van het plan niet in de weg.

Conclusie
Het aspect flora en fauna levert geen belemmeringen voor het plan op. Nader onderzoek is niet noodzakelijk.

5.12 Archeologie en cultuurhistorie

De bescherming van archeologisch en cultureel erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening moet in het plan rekening worden gehouden met cultuurhistorische waarden.

De gemeente Overbetuwe heeft voor haar gemeentelijk grondgebied een erfgoedplan en een archeologische beleidsadvieskaart gemaakt. Het erfgoedplan beoogt versterking van de plaats en betekenis van cultuurhistorie als factor in het ruimtelijk beleidsproces.

Beoordeling en conclusie
Ter plaatse van het plangebied is volgens de archeologische beleidsadvieskaart en het huidige bestemmingsplan een zeer hoge tot hoge archeologische verwachtingswaarde aanwezig. Als er bodemingrepen dieper dan 0,30 meter en groter dan 50 respectievelijk 100 m² plaatsvinden ter plaatse van de gronden met deze archeologische verwachtingswaarden, moet in principe een archeologisch onderzoek worden uitgevoerd. Aangemerkt wordt hierbij dat een deel van de gronden reeds geroerd is vanwege de voormalige bebouwing en erfverharding op het terrein.

Bouwwerkzaamheden en andere bodemingrepen, waarmee de genoemde drempelwaarden worden overschreden ten opzichte van de reeds verstoorde gronden, zijn op voorhand niet aan de orde. In dit bestemmingsplan zijn daarom de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologische verwachting 1' en 'Waarde - Archeologische verwachting 2' opgenomen overeenkomstig de archeologische beleidskaart. Eventueel aanwezige archeologische waarden worden zodoende adequaat beschermd en het tijdig uitvoeren van een onderzoek is gewaarborgd, wanneer er in de toekomst sprake is van bodemingrepen, waarmee de drempelwaarden worden overschreden.

In het plangebied en de omgeving zijn geen bijzondere cultuurhistorische waarden aanwezig. De voorheen aanwezige bebouwing had enige historische waarde, maar was niet cultuurhistorisch beschermd. Ook dit aspect levert daarom geen belemmering op.

5.13 Verkeer en parkeren

Parkeren
De gemeente heeft haar parkeerbeleid vastgelegd in de Nota Parkeernormen gemeente Overbetuwe 2016. Met dit bestemmingsplan worden twee vrijstaande woningen en een tweekapper toegestaan. Het plangebied behoort tot Elst-Zetten, rest bebouwde kom. Op basis van de Nota geldt een parkeernorm van 2,5 parkeerplaatsen voor de twee-aaneengebouwde woningen en 2,6 parkeerplaatsen voor de vrijstaande woningen. De twee vrijstaande woningen krijgen een mandelig erf, waar twee bezoekersparkeerplaatsen voorzien zijn. Het parkeren voor de woningen zelf vindt deels plaats op eigen erf (opritten naast de woningen, circa drie parkeerplaatsen) en deels in de gemeenschappelijke parkeerschuur centraal in het plangebied. Hiermee worden er voldoende parkeerplaatsen voor de vrijstaande woningen gerealiseerd. De twee-aaneengebouwde woningen krijgen twee bezoekersparkeerplaatsen aan de H.R. Holstlaan en eigen parkeergelegenheid onder de doorlopende kap tussen de woningen. Op deze wijze kan ook voor deze woningen in voldoende parkeergelegenheid worden voorzien.

In de planregels is een parkeerregeling opgenomen, waarmee gewaarborgd is dat er daadwerkelijk voldoende parkeergelegenheid wordt gerealiseerd en in stand worden gehouden. Dit moet bij de aanvraag voor de omgevingsvergunning worden aangetoond.

Het aspect parkeren zorgt niet voor belemmeringen.

Verkeer
Bij het bepalen van de verkeersgeneratie kan gebruik worden gemaakt van de kencijfers van CROW-publicatie 381 (maart 2019). In deze publicatie zijn kencijfers opgenomen voor de verkeersgeneratie van autoverkeer voor verschillende typen woningen. De verkeersgeneratie is met behulp van de CROW-rekentool berekend, uitgaande van het gebied 'rest bebouwde kom', 'weinig stedelijk' en met toepassing van de gemiddelde normen voor vrijstaande en twee-aaneengebouwde woningen. Per vrijstaande woning bedraagt deze 8,2 verkeersbewegingen per etmaal en per twee-aaneengebouwde woning 7,8 verkeersbewegingen per etmaal. De vier woningen genereren gezamenlijk gemiddeld 32 verkeersbewegingen per etmaal. In de huidige situatie is er geen sprake van verkeersbewegingen. Ook ten opzichte van de voorgaande en planologische situatie (caravanstalling met een bedrijfswoning) zal er sprake zijn van een relatief beperkte toename van het aantal verkeersbewegingen.

De ontsluiting van de woningen zal tweeledig zijn. Het mandelig erf bij de twee vrijstaande woningen wordt ontsloten op de Groenestraat ter hoogte van de voormalige erfontsluiting. Het verkeer takt hier vrijwel direct aan op de Rijksweg-Zuid. De in-/uitrit wordt maximaal 8 meter breed. De woningen zijn goed ontsloten. De twee-aaneengebouwde woningen krijgen een nieuwe, eveneens gezamenlijke, ontsluiting op de H.R. Holstlaan van maximaal 10 meter breed, ten zuiden van de bestaande parkeerplaatsen. Deze ontsluitingswijze is door aankoop van een stukje gemeentegrond mogelijk. De woningen worden hier op een verkeersveilige wijze ontsloten op een rustige woonstraat.

Het verkeer wordt door de tweeledige ontsluiting verdeeld. Het geringe aantal te verwachten extra verkeersbewegingen kan met de voorziene ontsluiting van de woonpercelen zonder problemen worden verwerkt op het omliggende wegennet.

Hoofdstuk 6 Juridische planopzet

6.1 Algemene opzet

Inleiding
Dit hoofdstuk bevat de concrete vertaling van het beleidsgedeelte (voorafgaande hoofdstukken) in het juridisch gedeelte van het bestemmingsplan (de verbeelding en regels).

Het bestemmingsplan 'Elst, Groenestraat 84' bestaat uit de volgende onderdelen:

De toelichting
In de toelichting is de ontwikkeling verantwoord, zowel op basis van het beleid, als op basis van milieu-hygiënische aspecten, aangevuld met een toelichting op de juridische opzet.

De bestemmingsregels
De bouw- en gebruiksregels zijn binnen de verschillende bestemmingen opgenomen. Daarnaast zijn waar nodig afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden opgenomen, om het plan de benodigde flexibiliteit te geven.

De verbeelding
Op de verbeelding zijn de bestemmingen 'Tuin', 'Wonen' en 'Groen' en de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologische verwachting 1 en 2' opgenomen met de daarbij behorende aanduidingen en drie bouwvlakken. In paragraaf 6.2 worden de gekozen bestemmingen en aanduidingen nader toegelicht.

De opzet van het plan
Het bestemmingsplan is een juridisch plan, dat bindend is voor de burgers en voor de overheid. Qua systematiek is zoveel mogelijk aangesloten bij het huidige bestemmingsplan 'Elst' en het bestemmingsplan 'Oosterhout'.

Bouwplan
Als een aanvraag om omgevingsvergunning ingediend wordt, zijn in eerste instantie de bestemming met bijhorende regels van belang. Als het nieuwe en het beoogde gebruik past binnen de toegekende bestemming, dan kan de omgevingsvergunning worden verleend.

6.2 Toelichting op de verbeelding en regels

Op de verbeelding zijn de bestemmingen onderscheiden. De bestemmingen zijn afgeleid uit het gebruik (de aanwezige functies). De bestemmingen vormen het zogenaamde casco van het plan, waarvan in beginsel niet mag worden afgeweken. De opgenomen bestemmingen zijn niet gewijzigd ten opzichte van het huidige bestemmingsplan.

Groen
Een stukje grond aan de H.R. Holstlaan, naast de nieuwe bezoekersparkeerplaatsen, blijft groen ingericht en als 'Groen' bestemd.

Deze gronden zijn onder meer bestemd voor groenvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen en fiets- en voetpaden. Binnen de bestemming mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd. De maximum bouwhoogten zijn in de bouwregels opgenomen.

Tuin en Wonen
Het plan maakt de realisatie van vier woningen met bijbehorende erven mogelijk. De vier woonpercelen en de ontsluitingen en parkeervoorzieningen zijn grotendeels bestemd als 'Wonen'. Binnen deze bestemming mogen de gronden en bouwwerken worden gebruikt voor wonen, al dan niet in combinatie met beroeps- of bedrijfsmatige activiteiten aan huis, tuinen en erven en overige voorzieningen behorende bij de woningen.

Er zijn drie bouwvlakken op de verbeelding opgenomen: twee voor de twee vrijstaande woningen en één voor de tweekapper met doorlopend dak en inpandig bijbehorend bouwwerk. De maximum goot- en bouwhoogten zijn op de verbeelding aangegeven en sluiten aan op het inrichtingsplan. Hoofdgebouwen mogen uitsluitend binnen de bouwvlakken worden gebouwd. Bij het positioneren van de bouwvlakken is een beperkte flexibiliteit geboden ten opzichte van het stedenbouwkundig plan.

Daarnaast is bij de vrijstaande woningen een gemeenschappelijk bijbehorend bouwwerk voorzien. Hiertoe is de bouwaanduiding 'bijgebouwen' opgenomen.

Ter plaatse van de tuinen is het oprichten van gebouwen, met uitzondering van kleine erkers e.d. niet gewenst. Daarom is voor deze gronden de bestemming 'Tuin' opgnomen. Deze gronden zijn bestemd voor tuinen behorende bij de woningen, alsmede voor groenvoorzieningen. Een deel van de gronden wordt ingericht als fruitboomgaard. Voor deze gronden is een specifieke bouwaanduiding opgenomen om te voorkomen dat hier vergunningsvrij bouwwerken kunnen worden opgericht. Gelet op de stedenbouwkundige concrete opzet van het plan en de gewenste clustering/groepering van de bebouwing, zijn op deze aangewezen gronden geen bouwwerken wenselijk. Deze gronden worden dan ook niet als 'erf', zoals bedoeld in Bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht beschouwd.

Aan het oprichten en in gebruik nemen van de woningen zijn twee voorwaarden in de planregels gekoppeld:

  • voldoende parkeergelegenheid conform de gemeentelijke parkeernota;
  • realisatie, onderhoud en beheer van de landschappelijke inrichting volgens het inrichtingsplan.

Daarnaast is in het plan de maximale breedte van de inritten vastgelegd.

Waarde - Archeologische verwachting 1 en 2
In het plan is de archeologische beleidskaart vertaald in de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologische verwachting 1 en 2' ten behoeve het behoud en de bescherming van archeologische waarden in of nabij het plangebied. Zie hierover ook paragraaf 5.12. Naast de betreffende dubbelbestemming hebben de betrokken gronden altijd nog de betreffende hoofdbestemming. De regels van de hoofdbestemming en de dubbelbestemming zijn beide van toepassing, maar bij strijd tussen deze bepalingen prevaleren de bepalingen van de dubbelbestemming. De reden hiervoor is dat de belangen van de dubbelbestemming zwaarder wegen dan die van de hoofdbestemming. De dubbelbestemming bevat een omgevingsvergunningplicht en een plicht tot het doen van archeologisch onderzoek voor bodemingrepen dieper dan 0,3 meter onder het maaiveld en met een omvang groter dan 50 m² respectievelijk 100 m². Voordat een omgevingsvergunning voor het 'bouwen' wordt verleend, zal een archeologisch onderzoek moeten worden uitgevoerd, voor zover deze drempelwaarde wordt overschreden.

Algemene regels
Anti-dubbeltelregel
Deze regel is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het overgebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.

Algemene bouwregels
In dit artikel is een regeling met betrekking tot ondergronds bouwen opgenomen. Dit is in beginsel uitsluitend toegestaan, daar waar bovengronds ook gebouwen zijn toegestaan. Verder is een regeling voor het overschrijden van bouwgrenzen door ondergeschikte bouwdelen opgenomen.

Algemene gebruiksregels
Dit artikel bevat de vormen van gebruik, die in ieder geval strijdig zijn met de regels van het bestemmingsplan.

Algemene afwijkingsregels
In dit artikel wordt een opsomming gegeven van de regels waarvan door middel van een omgevingsvergunning afgeweken kan worden van het bestemmingsplan. Het gaat hier om kleinschalige afwijkingen van de voorschreven maatvoering en overschrijdingen van de bouwgrenzen.

Algemene wijzigingsregels
In dit artikel wordt een opsomming gegeven van de regels waarvan door middel van een wijzigingsplan afgeweken kan worden van het bestemmingsplan. Dit betreft kleine wijzigingen van de bestemmingsgrenzen.

Algemene procedureregels
Hierin is aangegeven op welke wijze de uitvoerbaarheid bij toepassing van een in het plan opgenomen wijzigingsbevoegdheid moet worden aangetoond.

Overgangs- en slotregels
Overgangsrecht
Het voor alle bestemmingsplannen verplichte overgangsrecht is opgenomen. Bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een omgevingsvergunning voor het bouwen is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bebouwingsregels. De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen kan worden verleend. Burgemeester en wethouders kunnen in beginsel dus nog gewoon gebruik maken van hun handhavingsbevoegdheid. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan mag eveneens worden voortgezet.

Slotregel
Dit artikel geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald.

Hoofdstuk 7 Financiële toelichting

Uitgangspunt voor de ontwikkeling is dat deze voor de gemeente budgetneutraal worden ontwikkeld. Op grond van artikel 6.12 lid 1 Wet ruimtelijke ordening (Wro) is de gemeenteraad van Overbetuwe verplicht om, als sprake is van een bouwplan, de gemeentelijke kosten te verhalen. Dit bestemmingsplan voorziet in een nieuw bouwplan, omdat er vier woningen (hoofdgebouwen) worden toegestaan.

Met de initiatiefnemer is een anterieure overeenkomst afgesloten, waarin afspraken zijn gemaakt over het kostenverhaal. Het kostenverhaal is hiermee voor de gemeente geborgd en is anderszins verzekerd. Ook is een planschadeovereenkomst afgesloten.

De initiatiefnemer beschikt over voldoende middelen om de voorgestane ontwikkeling te kunnen realiseren. Er zijn geen onvoorziene hoge kosten te verwachten. Ook is er geen sprake van onzekere financiële bijdragen van anderen.

De financieel-economische haalbaarheid is hiermee in voldoende mate aangetoond.

Hoofdstuk 8 Overleg en inspraak

8.1 Inleiding

De procedures voor vaststelling van een bestemmingsplan zijn door de wetgever geregeld. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties waar nodig overleg over het plan moet worden gevoerd, voordat een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Bovendien kan het noodzakelijk zijn om belanghebbenden de gelegenheid te bieden om hun visie over het plan te kunnen geven. Dit is afhankelijk van de inspraakverordening van de gemeente. Pas daarna kan de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van het plan van start gaan.

8.2 Inspraak

De Wro zelf bevat geen bepalingen over inspraak. Dat neemt niet weg dat het de gemeente vrij staat toch inspraak te verlenen op grond van de gemeentelijke inspraakverordening. In relatie daarmee bepaalt artikel 150 van de Gemeentewet onder meer dat in een gemeentelijke inspraakverordening moet worden geregeld op welke wijze personen en rechtspersonen hun mening kenbaar kunnen maken. Voor dit bestemmingsplan heeft, gezien de aard en omvang van de ontwikkeling, geen inspraak plaatsgevonden.

8.3 Overleg

Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) geeft aan dat het bestuursorgaan, dat belast is met de voorbereiding van een ruimtelijk plan, overleg pleegt met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen. Ook moet overleg worden gepleegd met die diensten van provincie en Rijk, die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of die belast zijn met de behartiging van belangen, welke in het plan in het geding zijn. Gezien de aard en kleinschalige omvang van de ontwikkeling heeft in dit geval geen vooroverleg plaatsgevonden. Wel is aan de Veiligheids- en Gezondheidsregio om advies omtrent de bestemmingsplanwijziging gevraagd. In paragraaf 5.7 is dit beschreven.

8.4 Vaststellingsprocedure

De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan vindt plaats volgens artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening. Het ontwerpbestemmingsplan wordt in dit kader gedurende zes weken ter inzage gelegd. Gedurende deze periode kan een ieder zijn zienswijzen kenbaar maken tegen het plan.

Het plan wordt vervolgens, al dan niet gewijzigd, ter vaststelling aangeboden aan de gemeenteraad van Overbetuwe.

8.5 Beroep

Na vaststelling wordt het bestemmingsplan voor de tweede maal zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking.