direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Buitengebied, Boterhoeksestraat 15, Heteren
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1734.0318BUITbtrhkstr15-VSG1

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Initiatiefnemer is eigenaar van een agrarisch loonbedrijf dat momenteel op het perceel Boterhoeksestraat 9 te Heteren is gevestigd. Dit bedrijf wordt door de initiatiefnemer verplaatst naar de locatie Boterhoeksestraat 15 te Heteren. Het bedrijf wil de bestaande bedrijfsgebouwen op dit perceel slopen en een nieuw bedrijfsgebouw oprichten. Voor deze nieuwbouw is op 7 maart 2019 een omgevingsvergunning verleend. Recent is met de bouw gestart. De bouw van de bedrijfshal was in strijd met het geldende bestemmingsplan. Ook het gebruik als agrarisch loonbedrijf was niet in overeenstemming met het op het perceel toegestane gebruik (houtzagerij).

Daarnaast wil de initiatiefnemer de bestaande bedrijfswoning op het perceel vervangen, omdat deze in slechte staat verkeert. Op een andere plaats op het perceel wil men een nieuwe bedrijfswoning oprichten. Het oprichten van de bedrijfswoning op de gewenste plaats op het perceel is niet in overeenstemming met de bouwregels van het ter plaatse geldende bestemmingsplan. Daarom is een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk.

De gemeente wil onder voorwaarden medewerking aan het initiatief verlenen. Dit bestemmingsplan 'Buitengebied, Boterhoeksestraat 15, Heteren' voorziet in een nieuw planologisch-juridisch kader voor het bedrijfsperceel en geeft de voorwaarden voor de verplaatsing van de bedrijfswoning aan.

1.2 Ligging en beschrijving plangebied

Het plangebied ligt in het buitengebied van de gemeente Overbetuwe, tussen de kernen Heteren (circa 700 meter oostelijk van het plangebied) en Randwijk (circa 1,4 kilometer westelijk). Op afbeelding 1 is de ligging van het plangebied weergegeven. Het plangebied ligt aan de Boterhoeksestraat, die een oost-westverbinding met Heteren vormt. In de omgeving zijn agrarische bedrijven en gronden aanwezig en ten westen van de locatie het kasteel De Nijburg, dat tegenwoordig een woonfunctie heeft.

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0318BUITbtrhkstr15-VSG1_0001.png"  
Afbeelding 1: ligging van het plangebied (bron: Bing Maps)  

1.3 Huidig bestemmingsplan

In het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Buitengebied Overbetuwe', dat is vastgesteld op 5 maart 2013. In het plangebied geldt de bestemming 'Bedrijf' met een functieaanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - overige bedrijvigheid'. Binnen deze bestemming is een bedrijf in de vorm van een agrarisch loonbedrijf met opslag toegestaan. Er is een bouwvlak opgenomen rondom de bestaande bedrijfsbebouwing en bedrijfswoning. De bestaande bedrijfswoning is toegestaan. Op afbeelding 2 is een uitsnede van het huidige bestemmingsplan opgenomen, waarbij de begrenzing van het plangebied is aangegeven. De bestemming 'Bedrijf' reikt aan de west- en noordkant gedeeltelijk buiten het kadastrale perceel van het bedrijf.

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0318BUITbtrhkstr15-VSG1_0002.png"  
Afbeelding 2: uitsnede huidig bestemmingsplan 'Buitengebied Overbetuwe' (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)  


Het huidige bestemmingsplan maakt het oprichten van het nieuwe bedrijfsgebouw niet mogelijk, omdat dit gedeeltelijk buiten het bouwvlak geprojecteerd is. Ook wordt de maximale oppervlakte aan bedrijfsgebouwen, die in het plangebied is toegestaan (455 m²), overschreden. De oppervlakte bedraagt 520 m² en past daarmee wel binnen de in het plan opgenomen afwijkingsbevoegdheid (tot maximaal 523 m²). Daarnaast past het beoogde gebruik als agrarisch loonbedrijf niet binnen de gebruiksregels van de bestemming, omdat ter plaatse een houtzagerij is toegestaan. Voor de bouw van een nieuw bedrijfsgebouw en het gebruik als agrarisch loonbedrijf is op 7 maart 2019 een omgevingsvergunning verleend (kenmerk HOV-18-2482).

Ook de bedrijfswoning wordt buiten het bouwvlak opgericht. De verplaatsing van de bedrijfswoning is daarom niet in overeenstemming met het huidige bestemmingsplan. Er zijn geen afwijkings- of wijzigingsbevoegdheden opgenomen, waarmee deze ontwikkeling kan worden toegestaan. Daarom is een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk. Met deze herziening van het bestemmingsplan wordt de verleende omgevingsvergunning in het plan opgenomen, verplaatsing van de bedrijfswoning toegestaan en wordt ook de begrenzing van het (bedrijfs)perceel correct opgenomen.

1.4 Leeswijzer

Deze toelichting is als volgt opgebouwd. Na dit inleidende hoofdstuk, worden in hoofdstukken 2 en 3 respectievelijk de bestaande en de toekomstige situatie in het plangebied beschreven. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op het voor dit bestemmingsplan van toepassing zijnde rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid. In hoofdstuk 5 komen de relevante milieu- en omgevingsaspecten aan de orde. Daarmee wordt inzichtelijk gemaakt of de ontwikkeling in ruimtelijk en milieuhygiënisch opzicht aanvaardbaar en haalbaar is en voldoet aan het vereiste van een goede ruimtelijke ordening. In hoofdstuk 6 is de juridische planopzet beschreven en in hoofdstuk 7 is de financiële toelichting opgenomen. Hoofdstuk 8 gaat in op enkele procedurele aspecten, zoals overleg en inspraak.

Hoofdstuk 2 Bestaande situatie

Het plangebied betreft een deel van het perceel Boterhoeksestraat 15 te Heteren (kadastraal gemeente Heteren, sectie F, nr. 9) en omvat daarnaast een kleine strook van het openbaar gebied ten noorden van het perceel en een strook van het agrarische perceel aan de westkant van het plangebied. De begrenzing van het plangebied is op afbeelding 3 zichtbaar. Ten oosten van het plangebied is een agrarische bedrijfslocatie aanwezig en ten noorden van het plangebied de Noordhoeksestraat. Aan de west- en oostkant wordt het plangebied begrensd door onbebouwde agrarische percelen. Het zuidelijk deel daarvan behoort tot het perceel van de intiatiefnemer, dat in totaal een oppervlakte van circa 2 hectare heeft.

In het plangebied is momenteel een agrarisch loonbedrijf in oprichting, dat door initiatiefnemer zal worden geëxploiteerd. Verder is er een bedrijfswoning aanwezig. Het bedrijfsperceel beschikte over enkele bedrijfsgebouwen, die evenals de bedrijfswoning in slechte, verouderde staat verkeert, zoals te zien is op afbeelding 4. Momenteel wordt een nieuwe bedrijfsloods op het perceel opgericht op basis van de op 7 maart 2019 verleende omgevingsvergunning.

Bij de bedrijfswoning en -gebouwen is een verhard erf aanwezig, met een oprit vanaf de Boterhoeksestraat. De oprit wordt door zowel het bedrijf als de bedrijfswoning gebruikt. Het zuidelijk deel van het perceel, dat grotendeels niet tot het plangebied behoort, is agrarisch in gebruik en maakt onderdeel uit van een waardevol open landschap. Rondom het perceel zijn watergangen aanwezig aan de west-, noord- en oostkant.

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0318BUITbtrhkstr15-VSG1_0003.png"  
Afbeelding 3: recente luchtfoto en begrenzing van het plangebied (bron: Google Maps)  

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0318BUITbtrhkstr15-VSG1_0004.png"  
Afbeelding 4: zicht op de oude bebouwing in het plangebied (bron: Google Streetview)  

Hoofdstuk 3 Toekomstige situatie

De initiatiefnemer wil de bestaande bebouwing slopen en een nieuw bedrijfsgebouw voor het agrarisch loonbedrijf en een nieuwe bedrijfswoning oprichten. Gezien de huidige slechte staat van met name de bedrijfswoning, maar ook de overige gebouwen, is dit noodzakelijk. In afbeelding 5 is een situatietekening van de toekomstige indeling opgenomen. Het nieuwe bedrijfsgebouw krijgt een oppervlakte van maximaal 520 m², een goothoogte van maximaal 4,5 meter en bouwhoogte van maximaal 7 meter. Het bedrijfsgebouw wordt achter de huidige bedrijfswoning opgericht, gedeeltelijk buiten het bouwvlak van het huidige bestemmingsplan. Er vindt een vergroting van het toegestane oppervlak aan bedrijfsgebouwen (455 m²) plaats, maar de oppervlakte voldoet aan de daarvoor opgenomen binnenplanse afwijkingsmogelijkheid (tot maximaal 523 m²). Voor de bouw van het bedrijfsgebouw is op 7 maart 2019 een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen verleend. Recent is gestart met de bouwwerkzaamheden. Bij het bedrijfsgebouw komt erfverharding, waarop ook in parkeerplaatsen wordt voorzien. Een klein gedeelte van het perceel zal worden gebruikt voor buitenopslag. De buitenopslag vindt achter de nieuwe bedrijfswoning plaats en wordt daarmee grotendeels uit het zicht gehouden. Het bedrijfsperceel wordt ten opzichte van het huidige bestemmingsplan verkleind.

De nieuwe bedrijfswoning met een aanbouw wordt aan de westkant van het bedrijfsperceel voorzien. Deze krijgt een maximale goothoogte van 6 meter en een maximale bouwhoogte van 10 meter. De bedrijfswoning wordt buiten het huidige bouwvlak gebouwd. Rondom de woning worden de gronden ingericht als tuin. De bebouwing wordt verder van de weg af gebouwd dan in de huidige situatie het geval is en er ontstaat een compacter erf met aanmerkelijk meer ruimtelijke kwaliteit. Afbeelding 5 illustreert dit. De toekomstige situatie sluit bovendien beter aan op het waardevolle open landschap aan de west- en zuidkant van het bedrijfsperceel.

Een voorwaarde om medewerking aan het initiatief te kunnen verlenen, is dat het perceel landschappelijk wordt ingepast. Er is daarom een inrichtingsplan opgesteld met een beplantingslijst (zie Bijlage 1 bij de planregels en afbeelding 5). Het inrichtingsplan sluit aan bij de doelstellingen voor landschappelijke kwaliteitsverbetering uit het gemeentelijk Landschappelijk Ontwikkelingsplan (LOP). In paragraaf 4.3 wordt de landschappelijke inpassing nader beschreven in relatie tot het LOP. De bestaande watergangen rondom het perceel worden behouden. Tevens wordt gebruik gemaakt van de bestaande inrit.

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0318BUITbtrhkstr15-VSG1_0005.png"  
Afbeelding 5: toekomstige inrichting en landschappelijke inpassing in het plangebied (bron: Van Westreenen)  

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0318BUITbtrhkstr15-VSG1_0006.png"  
Afbeelding 6: impressie toekomstige situatie in vogelvlucht (bron: Van Westreenen)  

Hoofdstuk 4 Beleidskader

4.1 Rijksbeleid

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR)
In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte staan de plannen van de Rijksoverheid voor ruimte en mobiliteit. Het Rijk streeft naar een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland. Om dit te bereiken, laat het Rijk de ruimtelijke ordening meer over aan de decentrale overheden (provincie en gemeenten) en komt de gebruiker centraal te staan. Het Rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 13 nationale belangen. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid.

Beoordeling en conclusie
Dit bestemmingsplan maakt het verplaatsen van een bedrijfswoning mogelijk. Het gaat hier om een lokale ontwikkeling, die gezien de aard en omvang van het plan geen relatie met het ruimtelijke ordeningsbeleid op rijksniveau heeft. Er zijn geen nationale belangen in het geding. Het initiatief conflicteert niet met het nationaal ruimtelijke ordeningsbeleid, zoals vastgelegd in de SVIR.

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)
Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft richtlijnen voor de inhoud van ruimtelijke plannen, voor zover het gaat om ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang. De normering uit het Barro werkt zoveel mogelijk direct door op het niveau van de lokale besluitvorming. Bij besluitvorming over ruimtelijke plannen moeten de regels van het Barro worden gerespecteerd.

Beoordeling en conclusie
Het initiatief is een lokale ontwikkeling. Er zijn geen nationale belangen in het geding. Het Barro heeft geen doorwerking naar dit plan.

Ladder voor duurzame verstedelijking
Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen, is per 1 oktober 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening. De ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De ladder is een motiveringsinstrument dat moet worden toegepast bij elk ruimtelijk besluit dat een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling' mogelijk maakt. Wat onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan, is in artikel 1.1.1 Bro bepaald: 'De ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.” Uit de jurisprudentie komt naar voren dat het wel een nieuwe stedelijke ontwikkeling van enige omvang moet zijn (ECLI:NL:RVS:2016:1503).

In een bestemmingsplan moet worden aangegeven dat de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte plus een motivering als de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd: 'De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien”.

Beoordeling en conclusie
Het bestemmingsplan maakt verplaatsing van een bestaande bedrijfswoning op een bestaand bouwperceel (agrarisch loonbedrijf) mogelijk. Er worden geen extra bouw- of gebruiksmogelijkheden geboden. Het bestemmingsvlak 'Bedrijf' wordt juist verkleind. Er is geen sprake van toename van ruimtebeslag van stedelijke functies. Het bestemmingsplan maakt daarmee, in lijn met de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, geen nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk. De Ladder voor duurzame verstedelijking behoeft in het kader van dit bestemmingsplan niet doorlopen te worden.

4.2 Provinciaal beleid

Omgevingsvisie Gaaf Gelderland
Provinciale Staten hebben op 19 december 2018 de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland (hierna: de Omgevingsvisie) vastgesteld. Deze is in werking getreden op 1 maart 2019. Het doel van de Omgevingsvisie is: een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland, vanuit het verleden én met het oog op de toekomst. De provincie is als middenbestuur een belangrijke schakel bij het bereiken van deze doelstellingen en wil op een aantal manieren waarde toevoegen:

  • met een brede blik kijken naar de inrichting en kwaliteit van de Gelderse leefomgeving;
  • stimuleren van ontwikkelingen enerzijds en beschermen van waarden anderzijds;
  • focussen op duurzaamheid, onderlinge verbondenheid en een economisch krachtig Gelderland;
  • door middel van 7 ambities verder verdiepen van de focus.

De 7 ambitities van de provincie zien op de volgende thema's: energietransitie, klimaatadaptatie, circulaire economie, biodiversiteit, bereikbaarheid, vestigingsklimaat en de woon- en leefomgeving. Per ambitie is de provinciale aanpak beschreven.

Beoordeling en conclusie
De Omgevingsvisie is concreet uitgewerkt in de hierna beschreven Omgevingsverordening Gelderland. Deze verordening bevat concrete regels, waaraan het initiatief wordt getoetst. De Omgevingsvisie zelf bevat geen regels, die voor dit bestemmingsplan direct van belang zijn. Het plan is ook te kleinschalig van aard om een wezenlijke bijdrage aan de provinciale ambities uit de Omgevingsvisie bij te dragen.

Het plan is in overeenstemming met de Omgevingsvisie.

Omgevingsverordening Gelderland
Provinciale Staten hebben de Omgevingsverordening Gelderland (hierna: de Omgevingsverordening of verordening) vastgesteld op 24 september 2014. De verordening wordt geregeld geactualiseerd. De meest recente actualisatie van de Omgevingsverordening dateert van 19 december 2018.

De regels in de verordening kunnen betrekking hebben op het hele provinciale grondgebied, op delen of op gebiedsgerichte thema's. Gemeenten moeten binnen een bepaalde termijn hun bestemmingsplan afstemmen op de in de verordening opgenomen regels. De regels in de verordening zijn gebaseerd op de provinciale omgevingsvisie en hebben de status van algemeen verbindende voorschriften.

Beoordeling
Het plangebied ligt binnen de volgende aanduidingen:

  • plussenbeleid;
  • tijdelijk verbod nieuwvestiging, uitbreiding en hervestiging glastuinbouw;
  • Romeinse Limes;
  • intrekgebied.


Daarnaast ligt het plangebied aangrenzend aan een waardevol open gebied.

Het plan voorziet in verplaatsing van een bedrijfswoning bij een bestaand niet-agrarisch bedrijf, met een verkleinig van het bestemmingsvlak. Omdat er geen sprake is van niet-grondgebonden veehouderij of van glastuinbouw, zijn de aanduidingen met betrekking tot het plussenbeleid en glastuinbouw niet van belang voor de ontwikkeling. Ook is winning van fossiele energie niet aan de orde. Het plan is daarmee in overeenstemming met de regels voor intrekgebieden (artikel 2.38).

Romeinse Limes en waardevol open gebied
Het plangebied ligt aan de rand van de Romeinse Limes (archeologisch monument). De Romeinse Limes loopt dwars door Nederland, van Katwijk aan Zee in het westen tot aan de Duitse grens in het oosten. Bestemmingsplannen die onderdeel uitmaken van de Romeinse Limes (vertaald: 'grenspad'), mogen geen ontwikkelingen mogelijk maken die de kernkwaliteiten van dit erfgoed aantasten. De kernkwaliteiten van de Romeinse Limes zijn forten, burgerlijke nederzettingen, kampdorpen, grafvelden, de militaire infrastructuur, bestaande uit wegen, waterwerken en wachttorens en scheepswrakken (artikel 2.59). Het plangebied betreft een bestaand bedrijfsperceel, waar het huidige bestemmingsplan een bedrijfswoning en bedrijfsgebouwen toestaat. Met dit bestemmingsplan wordt verplaatsing van de bedrijfswoning mogelijk gemaakt, aansluitend op het bestaande bouwvlak. Gezien de huidige functie, inrichting en gebruik van het plangebied zijn er in de huidige situatie geen zichtbare of herkenbare elementen van de Romeinse Limes in het plangebied aanwezig. Het plan tast de kernkwaliteiten niet aan. Bovendien wordt het bedrijfsperceel met het plan verkleind.

Ten aanzien van het aangrenzende waardevolle open gebied is van belang dat het bestemmingsvlak wordt verkleind en dat het bouwvlak niet richting het open gebied wordt uitgebreid. De gronden aan de zuidkant van het perceel blijven open agrarische gronden en hier wordt het erf van het bedrijf verkleind, evenals op beide zijerven. Bij de inrichting van de landschappelijke inpassing van het perceel is rekening gehouden met de kwaliteiten van het gebied als open landschap. Zie hierover uitgebreider de volgende paragraaf 4.3. De buitenopslag wordt aan het zicht ontnomen en slechts in beperkte zones op het perceel toegestaan. Het plan doet recht aan de kwaliteiten van het waardevol open gebied en tast deze niet aan.

Conclusie
Het bestemmingsplan is in overeenstemming met de Omgevingsverordening Gelderland.

4.3 Gemeentelijk beleid

Toekomstvisie 2020+ Overbetuwe verbindt..
Op 8 september 2009 heeft de gemeenteraad van Overbetuwe de 'Toekomstvisie 2020, Overbetuwe verbindt..' (hierna: de Toekomstvisie+) vastgesteld. De Toekomstvisie+ van Overbetuwe is het kader voor de ontwikkeling van de gemeente Overbetuwe tot 2020. De visie geeft een richting voor de ruimtelijke, maatschappelijke en economische ontwikkeling. De Toekomstvisie+ omvat het gehele gemeentelijke beleidsterrein. Voor wat betreft de ruimtelijke onderdelen is de Toekomstvisie+ te zien als structuurvisie in de zin van artikel 2.1 Wro voor het grondgebied van de gemeente Overbetuwe. In de Toekomstvisie+ zijn de aspecten leefomgeving, vergrijzing, economische gesteldheid (werk en werkgelegenheid) en duurzaamheid opgenomen om een gewenste identiteit uiteen te zetten.

In de gemeente Overbetuwe zijn 11 kernen van verschillende grootte en met verschillende identiteiten aanwezig. Behoud van de karakteristiek en (specifieke) kwaliteiten van deze kernen is een speerpunt in het beleid. Ook het buitengebied kent gebieden met verschillende kwaliteiten en kenmerken, die behouden moeten blijven en waar mogelijk moeten worden versterkt. Een andere belangrijke ontwikkeling is het kleiner worden van huishoudens. Hierdoor zijn, ook bij een gelijk blijvend aantal inwoners, meer woningen nodig en is dus meer ruimte nodig.

Beoordeling
Een belangrijke opgave is het behoud en de versterking van de eigenheid en kenmerken van het landschap (opgave 1). Het plangebied ligt in het stroomruggen- en oeverwallenlandschap op de grens tussen de oever wal aan de noordkant en het open komlandschap aan de zuidkant. Het stroomruggen- en oeverwallenlandschap is verdicht en kleinschalig, met een afwisselend landgebruik in onregelmatige blokverkaveling. Kenmerkend is verder de veelheid aan landelijke wegen met clusters aan vrijstaande woningen en (voormalige) boerderijen. De oeverwallen zijn in de afgelopen 60 jaar grootschaliger en opener geworden. De kwaliteit van het karakteristieke landschap wordt hierdoor bedreigd. Belangrijk is dat de kleinschaligheid van het landschap behouden blijft. Ook de contrasten tussen de open agrarische landschappen en de verdichte bebouwingsclusters zoals buurtschappen, moeten worden behouden of versterkt.

Zoals aangegeven ligt het plangebied op de overgang tussen de oeverwal met kleinschalige elementen en het open komlandschap ten zuiden van de Boterhoeksestraat. Het contrast tussen beide landschapstypen is zeer herkenbaar en het is belangrijk dat dit contrast ten minste wordt behouden. Bij zowel de invulling van de landschappelijke inpassing als de situering van de bedrijfswoning is hiermee rekening gehouden. Beoogd is om de openheid te versterken en een kleinschaliger, compact erf voor het bedrijf te creëren. Hiermee wordt het contrast vergroot. Bovendien wordt met de nieuwbouw van de bedrijfswoning en het vergunde nieuwe bedrijfsgebouw ook de ruimtelijke uitstraling en kwaliteit op het erf verbeterd. Ook dit past bij de doelstellingen van de Toekomstvisie+ op het gebied van landschappelijke/ruimtelijke kwaliteit.

Conclusie
Het plan draagt bij aan één van de centrale opgaven van de Toekomstvisie+. Het bestemmingsplan is dan ook in overeenstemming met de Toekomstvisie+.

Landschapsontwikkelingsplan Overbetuwe (LOP)
In het Landschapsontwikkelingsplan (LOP) uit 2009 zijn de (algemene) doelstellingen en gebiedsspecifieke opgaven voor Overbetuwe geformuleerd. De hoofddoelstelling is het ontwikkelen van een sterke samenhangende landschappelijke structuur met een eigen Betuwse identiteit, die tegenwicht biedt aan de verstedelijking en waarbij belangrijke landschappelijke waarden duurzaam in stand worden gehouden. Per deelgebied zijn daarnaast gebiedsspecifieke opgaven opgenomen. Het LOP vormt een concrete uitwerking van de opgave uit de Toekomstvisie+, die hierboven is behandeld.

Beoordeling
Met dit bestemmingsplan wordt verplaatsing van een bedrijfswoning op een bestaand bedrijfsperceel mogelijk gemaakt. Een voorwaarde om medewerking te kunnen verlenen aan deze wijziging is dat een goede landschappelijke inpassing op basis van een inrichtingsplan plaatsvindt. Er is daarom een inrichtingsplan opgesteld (Bijlage 1 bij de regels), waarbij het LOP als belangrijk kader is gebruikt.

Het plangebied maakt deel uit van het stroomruggen- en oeverwallenlandschap en ligt op de rand van deelgebied 2 (open kommen Hollanderbroek, Leindermeint, De Meilanden en Weerbroek) en grenst aan deelgebied 1c (oeverwal tussen Driel en Randwijk). De Boterhoeksestraat vormt de grens tussen deze deelgebieden. Het plangebied ligt op een overgang tussen de oeverwal tussen Driel en Randwijk en het open komlandschap zuidelijk van de locatie.

In deelgebied 2 wordt ingezet op onder meer:

  • Behoud bijzondere openheid in gebied ten westen van Heteren en ten zuiden van de Boterhoeksestraat;
  • Behouden en versterken van gradiënten en panorama vanaf de kom naar de stuwwallen;
  • Vergroten contrast tussen openheid en kleinschaligheid;
  • Aandacht voor erfbeplanting en samenhang tussen deze beplanting en bebouwing.

Bij het opstellen van het inrichtingsplan is met deze concrete doelstellingen rekening gehouden. In afbeelding 7 zijn de voorgestelde maatregelen, zoals opgenomen in het inrichtingsplan, aangegeven. In de bijlage is tevens een beplantingslijst opgenomen.

Het aan de zuid- en westkanten van het plangebied omliggende agrarische gebied is een waardevol open gebied. In de eerste plaats wordt het bestemmingsvlak 'Bedrijf' aan beide kanten verkleind, waardoor er meer ruimte tussen het bedrijf en het waardevolle open gebied wordt gecreëerd. Door verkleining van het erf tot een compact erf met clustering van bebouwing, verharding en kleinschalige buitenopslag, worden het contrast en de relatie met dit gebied versterkt. Ook is er sprake van minder verrommeling en door de nieuwbouw van meer ruimtelijke en architectonische kwaliteit.

Om de openheid van het gebied te behouden, worden geen forse beplantingselementen toegevoegd. In het voorerf komt een solitaire boom (rode beuk) en ten noordoosten van de bebouwing een boomgaard met enkele verschillende soorten. De verharding en parkeerplaatsen worden ingepast met hagen (hazelaar) en ook de buitenopslag wordt aan het zicht ontnomen door drie zomereiken en door de bebouwing. Het zicht vanaf de kom op de bebouwing en verharding wordt op deze manier beperkt, terwijl anderzijds door het gebruik van vooral lage landschapselementen in combinatie met een doorzicht tussen het bedrijfsgebouw en de bedrijfswoning, de openheid en het zicht tussen oeverwal en komlandschap wordt versterkt.

De toekomstige inrichting draagt op deze manier bij aan meerdere doelstellingen voor het deelgebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0318BUITbtrhkstr15-VSG1_0007.png"  
Afbeelding 7: landschappelijke inpassing (bron: Van Westreenen)  


Conclusie
Na realisatie van de beoogde ontwikkeling, inclusief landschappelijke inpassing, ontstaat er een kleinschaliger, compacter bedrijfsperceel, dat in duidelijker contrast staat met het omliggende open gebied. De relatie met het gebied wordt versterkt en het perceel wordt passend landschappelijk ingepast. Het plan levert een bijdrage aan meerdere doelstellingen van het LOP en is hiermee dus in overeenstemming. Binnen de bestemming 'Agrarisch met waarden' rondom het bedrijfsperceel wordt door middel van functieaanduidingen ingezet op behoud en versterking van de landschappelijke kwaliteiten. Deze aanduidingen zijn relevant bij eventuele toekomstige ontwikkelingen. Zodoende is ook op de langere termijn aandacht voor behoud en versterking van de landschappelijke kwaliteiten gewaarborgd.

Hoofdstuk 5 Milieu- en omgevingsaspecten

5.1 Milieueffectrapportage

Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r. gewijzigd. De belangrijkste aanleidingen hiervoor zijn de modernisering van de m.e.r. wetgeving in 2010 en de uitspraak van het Europese Hof van 15 oktober 2009. Uit deze uitspraak volgt dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen m.e.r.(-beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit lijst D zit, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een gevoelig natuurgebied ligt. Gemeenten en provincies moeten daarom vanaf 1 april 2011 ook bij kleine bouwprojecten, zoals het onderhavige, beoordelen of een m.e.r.(-beoordeling) nodig is.

Ook de Implementatiewet 'herziening m.e.r. richtlijn' is relevant. Sinds 16 mei 2017 is deze wet in werking. De richtlijn heeft de procedure en de inhoud van het MER en de m.e.r.-beoordeling, maar ook de vormvrije m.e.r.-beoordeling gewijzigd. Dit heeft gevolgen voor de inhoud en procedure van ruimtelijke plannen. Voor activiteiten, die zijn opgenomen in onderdeel D van de Bijlage bij het Besluit m.e.r. en waarvan de omvang beneden de in kolom 2 genoemde drempel ligt, geldt een vormvrije m.e.r.-beoordeling.

Beoordeling en conclusie
Met dit bestemmingsplan wordt een verplaatsing van een bedrijfswoning mogelijk gemaakt. De ontwikkeling behoort niet tot de in lijst C en D van het Besluit m.e.r. opgenomen categorieën, omdat er geen nieuwe functie wordt toegestaan. Het bedrijfsperceel wordt juist verkleind en de bouwmogelijkheden blijven gelijkwaardig.

Er is daarom geen sprake van een m.e.r.-plichtige activiteit in dit plan. Een m.e.r. of een m.e.r.-beoordeling is niet aan de orde.

5.2 Geluid

Op basis van de Wet geluidhinder (artikel 77 Wgh) moet bij een plan een akoestisch onderzoek worden uitgevoerd als het plan mogelijkheden biedt voor:

  • de toevoeging van een nieuwe woning of andere geluidsgevoelige functie binnen de zone van een weg;
  • de aanleg van een nieuwe weg;
  • de reconstructie van een bestaande weg.

De breedte van de zone van een weg is afhankelijk van het aantal rijstroken, het stedelijk gebied en de maximumsnelheid. Alle wegen hebben geluidzones, met uitzondering van wegen die in een als 'woonerf' aangeduid gebied liggen en wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt.

Beoordeling
Met dit bestemmingsplan wordt een nieuwe bedrijfswoning toegestaan op een andere plek dan de huidige bedrijfswoning en het bouwvlak. Voor het plangebied is uitsluitend het wegverkeerslawaai relevant. De nieuwe woning ligt binnen de geluidzone van de Boterhoeksestraat. Spoorwegen bevinden zich op grote afstand van het plangebied. Ook zijn er geen geluidgezoneerde bedrijven(terreinen) in de omgeving aanwezig. Een akoestisch onderzoek naar de geluidbelasting vanwege het wegverkeer is noodzakelijk.

Op grond van de Wgh geldt een voorkeursgrenswaarde voor de geluidbelasting op de gevels vanwege het wegverkeer van 48 dB (artikel 82 lid 1). Als de geluidbelasting hoger is, moet een nadere afweging plaatsvinden en kan een ontheffing voor een hogere geluidbelasting worden verleend (artikel 82 lid 2). De maximale ontheffingswaarde voor vervangende nieuwbouw buiten de bebouwde kom bedraagt 58 dB. De onderzoeksrapportage is opgenomen in Bijlage 1. Uit het akoestisch onderzoek blijkt, dat de voorkeursgrenswaarde op drie gevels wordt overschreden. De maximale geluidbelasting is 55 dB. Vaststelling van een hogere waarde is daarom noodzakelijk. Er wordt voldaan aan de maximale ontheffingswaarde van de Wgh. Bronmaatregelen zijn niet reëel, gezien de aard van de wijziging. Daarnaast is de afstand tot de weg al vergroot ten opzichte van de huidige situatie.

De gemeente Overbetuwe heeft beleid op het gebied van akoestiek opgesteld (Nota Geluidbeleid en Nota Hogere Grenswaarden). Het plangebied behoort tot het 'buitengebied'. De ambitieklasse in het buitengebied is 'rustig' (maximaal 43 dB voor wegverkeerslawaai). De ambitieklasse wordt niet gehaald en ook de bovengrens (53 dB, klasse 'onrustig') wordt niet gehaald. De maximale geluidbelasting valt onder de geluidsklasse 'zeer onrustig'. Een dergelijke geluidbelasting wordt niet zonder meer aanvaardbaar geacht. Er wordt wel voldaan aan de eis dat ten minste drie verblijfsruimten aan een geluidluwe zijde moeten liggen, in dit geval de zuidelijke gevel.

Er zal een bouwakoestisch onderzoek moeten worden uitgevoerd in het kader van de omgevingsvergunning voor het bouwen, waarin moet worden aangetoond dat aan de grenswaarde volgens het Bouwbesluit wordt voldaan voor de woonvertrekken. Deze grenswaarde is 33 dB. Er moet sprake zijn van een karakteristieke geluidwering van ten minste 24 dB om deze waarde te bereiken. Normaliter wordt bij moderne standaard bouwmaterialen, zoals dubbele beglazing en dakisolatie, aan deze eis voor geluidwering voldaan. Daarom levert dit op voorhand geen belemmering voor het plan op en kan een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in de woning worden verondersteld. Bovendien is in de tuin van de woning sprake van een aanvaardbaar leefklimaat.

Conclusie
Vaststelling van een hogere waarde vanwege de geluidbelasting van het wegverkeer is noodzakelijk. Hiervoor is een aanvraag ingediend door de initiatiefnemer. Er wordt voldaan aan de maximale ontheffingswaarde. Daarnaast is het initiatief in overeenstemming met het gemeentelijk geluidbeleid, op voorwaarde dat in een bouwakoestisch onderzoek wordt aangetoond dat in de verblijfsruimten een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Hiervoor zijn geen belemmeringen te verwachten. Vanuit akoestisch oogpunt zijn er daarom geen belemmeringen voor het initiatief aanwezig.

5.3 Luchtkwaliteit

De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen zijn opgenomen in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Hierin zijn grenswaarden opgenomen voor luchtvervuilende stoffen. Voor ruimtelijke projecten zijn fijn stof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) de belangrijkste stoffen.

Een project is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;
  • het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;
  • het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging;
  • het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen.

Om te bepalen of een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtkwaliteit, is een algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels zijn vastgelegd. Een project kan in twee situaties NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit:

  • het project behoort tot de lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) die is opgenomen in de Regeling NIBM;
  • het project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO2 en PM10 (1,2ìg/m3).


Beoordeling en conclusie
De ontwikkeling betreft het verplaatsen van een bedrijfswoning bij het bestaande agrarisch loonbedrijf. Daarmee is op voorhand zeker, dat het initiatief niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Er worden immers geen extra bebouwings- of gebruiksmogelijkheden geboden ten opzichte van de huidige bestemming. Het plan leidt niet tot een toename van het aantal verkeersbewegingen en levert ook geen relevante wijziging in de verkeersafwikkeling op. Een luchtkwaliteitonderzoek is niet noodzakelijk. Het aspect luchtkwaliteit vormt dan ook geen belemmering voor de ontwikkeling.

5.4 Bedrijven en milieuzonering

Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies, zoals woningen. Bij de planontwikkeling moet rekening worden gehouden met milieuzonering om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren.

Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'. In de publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd. Als bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden).

De richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit, zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype. Een rustige woonwijk of een rustig buitengebied, is ingericht volgens het principe van functiescheiding.

Beoordeling
Dit bestemmingsplan maakt een bedrijfswoning bij het agrarisch loonbedrijf mogelijk op een andere plaats dan het huidige bestemmingsplan toestaat. Een agrarisch loonbedrijf behoort tot milieucategorie 3.1 en kent een bijbehorende richtafstand van 50 meter in gebiedstype 'rustig buitengebied'. Omliggende woningen zijn ruimschoots buiten deze richtafstand gesitueerd. Het bestemmingsvlak 'Bedrijf' wordt bovendien verkleind en komt op geen enkele plaats dichter bij omliggende percelen. Om deze redenen is het uitgesloten dat de planologische wijziging leidt tot onevenredige hinder voor omliggende functies.

Een bedrijfswoning is een gevoelige functie, waarmee omliggende bedrijven rekening moeten houden. De bedrijfswoning is uitsluitend relevant voor het naastgelegen agrarische bedrijf Boterhoeksestraat 13b/c (paardenbedrijf). Met de verplaatsing van de bedrijfswoning wordt de afstand ten opzichte van het agrarisch bedrijf vergroot. De verplaatsing zorgt daarmee niet voor beperkingen voor dit bedrijf.

Conclusie
Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de ontwikkeling. Omliggende functies worden niet belemmerd, er ontstaat geen onevenredige overlast voor de omgeving en is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de bedrijfswoning.

5.5 Geurhinder

Voor veehouderijen is de regelgeving ten aanzien van het specifieke aspect geur vastgelegd in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden gekeken naar de aanvaardbaarheid van deze plannen in verband met omliggende geurbronnen, de zogenaamde omgekeerde werking.

Beoordeling en conclusie
Dit bestemmingsplan voorziet in het verplaatsen van een nieuw geurgevoelig object, namelijk een bedrijfswoning. In de omgeving zijn geen veehouderijen aanwezig. De naastgelegen agrarische bedrijfslocatie betreft een paardenbedrijf (dressuurpaarden). De Wgv levert daarom geen belemmeringen op voor het verplaatsen van de bedrijfswoning.

5.6 Bodem

De bodemkwaliteit vormt een belangrijk aspect bij bouwontwikkelingen. In het kader van functiewijziging en herinrichting vormt de bodemkwaliteit bij ontwikkeling van ruimtelijke functies een belangrijke afweging. De Bouwverordening bevat een verbod voor het bouwen van woningen op verontreinigde grond.

Beoordeling
Dit bestemmingsplan maakt het verplaatsen van een bedrijfswoning op een bestaand bedrijfsperceel mogelijk. Een onderzoek naar de bodemkwaliteit ter plaatse van de nieuwe bedrijfswoning is noodzakelijk. Daarom is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Ook zijn een verkennend en nader asbestonderzoek uitgevoerd. De rapportage van het onderzoeken is opgenomen in Bijlage 2. Hierna wordt ingegaan op de conclusies van het onderzoek.

In de bovengrond zijn lichte verontreinigingen met zink, minerale olie en PAK aangetroffen. In de ondergrond zijn geen verontreinigingen aangetroffen. In het grondwater is een lichte verontreiniging met barium aangetroffen. Dit is een van nature voorkomend licht verhoogd gehalte in het grondwater.

Omdat er uitsluitend lichte verontreinigingen zijn aangetroffen, is een aanvullend onderzoek naar de bodemkwaliteit niet nodig. De bodemkwaliteit is geschikt voor het toekomstige gebruik.

Bij het verkennend asbestonderzoek is op verschillende plaatsen asbestverdacht materiaal aangetroffen, zowel in de inspectiegaten als op het maaiveld. Daarom is direct een nader asbestonderzoek met sleuven uitgevoerd. De onderzoeksresultaten van het nader onderzoek vormen geen belemmering voor de ontwikkeling. Asbestverdacht materiaal dat nog aanwezig is op het maaiveld wordt bij voorkeur verwijderd, om vermenging met de grond te voorkomen.

Conclusie
De milieuhygiënische kwaliteit van de bodem vormt geen belemmering voor het toekomstige gebruik van het perceel. Daarnaast vormt de aanwezigheid van asbest geen belemmering voor de ontwikkeling.

5.7 Externe veiligheid

Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de veiligheidsrisico's in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze externe veiligheidsrisico's moeten worden beoordeeld voor twee risiconormen, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Voor beide risiconormen geldt dat hoe groter de afstand tussen planontwikkeling en risicobron is, des te kleiner zal de impact van het plan zijn op de hoogte van het risico.

Plaatsgebonden risico
Het plaatsgebonden risico (PR) heeft tot doel om hetzelfde minimale beschermingsniveau te bieden voor iedere burger in Nederland. Het PR beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het PR wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn, etc.), waarbij de 10-6-contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde is.

Groepsrisico
Het groepsrisico (GR) is een afwegingsinstrument dat tot doel heeft een bewuste afweging te stimuleren over het risico op een ongeval met een groot aantal slachtoffers. Het GR beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het GR geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het GR wordt uitgedrukt in een grafiek, waarin de kans op overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1.000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het GR geldt een oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm).

Voor elke verandering van het GR (af- of toename) in het invloedsgebied moet verantwoording worden afgelegd over de wijze waarop de toelaatbaarheid van deze verandering in de besluitvorming is betrokken.

Samen met de hoogte van het GR moeten andere kwalitatieve aspecten worden meegenomen in de beoordeling van het GR. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer.

Beoordeling
Het plan betreft het verplaatsen van een bedrijfswoning op een bestaand bedrijfsperceel. Er wordt daarmee een kwetsbaar object verplaatst. Deze ontwikkeling levert geen wijziging ten aanzien van het GR op. Wel is de ontwikkeling van belang ten aanzien van het PR. Daarom is op basis van de risicokaart van de provincie Gelderland een inventarisatie gemaakt van de risicobronnen in en rondom de planlocatie, die een extern veiligheidsrisico kunnen veroorzaken. In afbeelding 8 is een uitsnede opgenomen van de risicokaart.

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0318BUITbtrhkstr15-VSG1_0008.png"  
Afbeelding 8: uitsnede risicokaart (bron: http://www.risicokaart.nl), geraadpleegd op 28 mei 2019, met ligging plangebied in zwart vlak aangegeven  

De informatie van de provinciale risicokaart levert de volgende inzichten op.

Rondom de planlocatie zijn geen transportroutes en inrichtingen aanwezig met een extern veiligheidsrisico. Circa 550 meter oostelijk van het plangebied is een buisleiding aanwezig van de Gasunie (N-568-32). De PR 10-6-contour van deze leiding ligt ter plaatse van de leiding zelf en reikt dus niet tot het plangebied.

Verplaatsing van het kwetsbare object (de bedrijfswoning) vindt plaats buiten de PR 10-6-contouren van risicovolle inrichtingen, buisleidingen en transportroutes. Dit aspect levert daarom geen belemmering op.

Conclusie
De planlocatie ligt buiten de plaatsgebonden risicocontour 10-6 van een inrichting, buisleiding en transportroute met een extern veiligheidsrisico. De plaatsgebonden risicocontour van de diverse risicobronnen vormt geen belemmering voor de realisatie van het plan. Ten aanzien van het groepsrisico is er geen sprake van relevante wijzigingen. Het aspect externe veiligheid staat aan de realisatie van het plan niet in de weg.

5.8 Explosieven

De huidige gemeente Overbetuwe en buurgemeente Lingewaard maakten vanaf het begin van de geallieerde luchtlandingsoperatie 'Market Garden' op 17 september 1944 tot aan de bevrijding van Arnhem op 14 april 1945 deel uit van het frontgebied tussen de Duitsers en de Geallieerden. Overbetuwe en Lingewaard werden in hun geheel als oorlogsgebied beschouwd. Er is een gevechtspauze geweest na het oversteken van de brug bij Nijmegen. Het gebied is gedurende acht maanden frontgebied geweest waarbij het volledige eiland (gebied tussen de Rijn en de Waal) geëvacueerd is. Men sprak in die periode ook wel over 'het mannen eiland'. Tevens zijn er in die periode hevige bombardementen uitgevoerd. Tijdens de inventarisatie van oorlogsgegevens zijn 104 vliegtuigcrashes opgetekend en meer dan 1.000 oorlogsgraven. Door de oorlogshandelingen ontstonden er gebieden waarvan de bodem sterk met oorlogsmateriaal werd belast wat op dit moment nog gevaar kan opleveren voor mens en dier. De Explosieven Opruimings Dienst Defensie (EODD) gaat er in 2014 vanuit, dat slechts 35% van de munitie inmiddels uit de grond is verwijderd. Dit betekent dat we de komende decennia nog met deze explosieve erfenis te maken zullen hebben en er kans bestaat dat in het plangebied nog sprake is van onontplofte munitie.

Beoordeling en conclusie
Bij bodemroerende werkzaamheden, zoals het oprichten van gebouwen, graafwerkzaamheden, aanleg van kabels en leidingen en het uitvoeren van bepaalde onderzoeken, is de aanwezigheid van mogelijke niet-gesprongen explosieven (NGE's) van belang. Omdat de bedrijfswoning op het bestaande bedrijfsperceel wordt opgericht, is de kans dat er NGE's aanwezig zijn op deze plaats zeer gering.

5.9 Kabels en leidingen

Het verrichten van werkzaamheden in de nabijheid van hoogspanningsmasten en -kabels en dergelijke, kan gevaar met zich meebrengen. Om dit gevaar zoveel mogelijk te beperken, moet de (leiding)beheerder aangeven onder welke voorwaarden de werkzaamheden veilig plaats kunnen vinden.

Beoordeling en conclusie
In het plangebied en de directe omgeving zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig. Dit aspect levert dan ook geen belemmeringen op voor de realisatie van het plan.

5.10 Waterparagraaf

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder b) moet inzicht worden gegeven in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Daarbij zijn de hierna beschreven beleidsstukken van belang.

Rijksbeleid
Nationaal waterplan
In december 2015 stelde het kabinet het Nationaal Waterplan vast. Dit plan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016-2021 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water, en diverse vormen van gebruik van water. Ook worden de maatregelen genoemd die hiertoe worden genomen.

Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie.

Provinciaal beleid
Provinciaal Waterplan
In het Waterplan Gelderland is het waterbeleid beschreven aan de hand van een aantal thema's, zoals landbouw, wateroverlast, watertekort, natte natuur, grondwaterbescherming en hoogwaterbescherming. Voor deze thema's is beschreven welke doelstellingen voor 2027 en 2015 er liggen. Daarbij is beschreven hoe de provincie voor de planperiode de uitvoering van acties ziet om die doelstellingen te bereiken. Bij sommige thema's gelden aanvullende waterdoelstellingen voor specifieke waterhuishoudkundige functies.

Waterschap Rivierenland
Waterbeheerplan 2016-2021
Dit plan, vastgesteld op 27 november 2015, gaat over het waterbeheer in het hele rivierengebied en het omvat alle watertaken van het waterschap: waterkwantiteit, waterkwaliteit, waterkering en waterketen. In het Waterbeheerplan staat wat Waterschap Rivierenland de komende periode gaat doen om inwoners van het rivierengebied veiligheid en voldoende schoon en mooi water in sloten en plassen te kunnen blijven bieden. Het plan is in samenwerking met onder meer de gemeente Overbetuwe opgesteld.

Keur Waterschap Rivierenland 2014
Voor waterhuishoudkundige ingrepen is de 'Keur Waterschap Rivierenland 2014' van toepassing. De Keur is een waterschapsverordening die gebods- en verbodsbepalingen bevat met betrekking tot ingrepen, die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. Zo is het onder andere verboden om handelingen te verrichten waardoor het onderhoud, aanvoer, afvoer en/of berging van water kan worden belemmerd, zonder een ontheffing van het Waterschap. De wateren en waterkeringen waarop de keur van toepassing is, zijn vastgelegd in de legger wateren.

Realisatie van nieuwe bebouwing en/of verhard oppervlak moet hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. Bij het toevoegen van bebouwing of verharding geldt een compensatieplicht. Er geldt een eenmalige vrijstelling van de compensatieplicht wanneer minder verharding dan 500 m² in stedelijk gebied of minder dan 1.500 m² in landelijk gebied wordt toegevoegd.

Gemeente Overbetuwe
Waterplan Overbetuwe
In 2008 stelde de gemeente Overbetuwe in samenwerking met het Waterschap Rivierenland het Waterplan Overbetuwe vast. Het waterbeheerplan van het waterschap is later geactualiseerd (zie hierboven), ook in samenwerking met onder meer de gemeente Overbetuwe. Beide plannen gelden naast elkaar.

In het Waterplan Overbetuwe wordt het beleidskader geschetst en worden concrete maatregelen voor het watersysteem uitgewerkt. Naast het waterplan wordt parallel een Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) opgesteld waarin de maatregelen voor de riolering (waterketen) worden uitgewerkt.

Met het opstellen van een waterplan wordt inzicht gegeven in de relevante wateropgaven voor de gemeente Overbetuwe, zoals:

  • wateroverlast, het zoeken van oplossingen om wateroverlast tegen te gaan;
  • waterkwaliteit, het onderzoeken van mogelijkheden voor het verbeteren van de waterkwaliteit;
  • grondwater, het inventariseren van grondwateroverlast;
  • beleving van water, burgers betrekken bij water;
  • afspraken en taken van waterschap en gemeente.


Beoordeling (watertoets)
Het plan voorziet in het verplaatsen van een bedrijfswoning. Voor de nieuwbouw van een bedrijfsgebouw is al een omgevingsvergunning verleend. De bebouwde oppervlakte blijft gelijk ten opzichte van de huidige bestemming. Mogelijk is er sprake van een geringe toename van het verharde oppervlak bij de bebouwing. Deze toename blijft ruimschoots onder de compenstaiedrempel van 1.500 m². Daarom is compensatie niet aan de orde.

Voor de nieuwe bebouwing geldt, dat op het verhard oppervlak vallend hemelwater gescheiden moet worden afgevoerd van het vuilwater.

De planvorming heeft geen negatieve invloed op oppervlaktewater. Aan de randen van het perceel zijn enkele watergangen aanwezig. De noordelijke watergang is aangemerkt als C-watergang en de westelijke en oostelijke watergangen als B-watergang. Alle watergangen blijven behouden en er vinden geen werkzaamheden plaats in of nabij de beschermingszones van de watergangen. De noordelijke watergang wordt gekruist door de bestaande oprit. Hieraan verandert niets.

Conclusie
Waterhuishoudkundig zijn er geen bezwaren verbonden aan dit bestemmingsplan.

5.11 Flora en fauna

De bescherming van de natuur is sinds 1 januari 2017 vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze heeft de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet vervangen. De Wnb geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan moet worden onderzocht of de Wnb de uitvoering van het plan niet in de weg staat in verband met de bescherming van gebieden en dier- en plantsoorten. De provincies zijn het bevoegd gezag voor zowel de gebieds- als de soortenbescherming.

Gebiedsbescherming
In de Wnb is de bescherming opgenomen van Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan moet worden onderzocht of dit plan, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan alleen worden vastgesteld als uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Als deze zekerheid er niet is, kan het plan worden vastgesteld als wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:

  • alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden;
  • het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en
  • de noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.

Het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen: Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones. Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime. Het NNN is op provinciaal niveau uitgewerkt in het Gelders Natuurnetwerk (GNN) met de bijbehorende Groene Ontwikkelingszones (GO). Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen.

Soortenbescherming
In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen:

  • 1. soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn;
  • 2. soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn;
  • 3. de bescherming van overige soorten.

Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag.

Beoordeling
Het plan betreft uitsluitend het verplaatsen van een bedrijfswoning bij het agrarisch loonbedrijf in het plangebied. De nieuwe bedrijfswoning wordt opgericht ter plaatse van gronden die al voor bedrijfsdoeleinden worden gebruikt en deels verhard zijn. Vanwege de feitelijke situatie ter plaatse is er geen sprake van geschikt leefgebied of geschikte verblijfplaatsen voor beschermde soorten. Negatieve effecten op beschermde soorten kunnen daarom worden uitgesloten. Bij het uitvoeren van de werkzaamheden (bouw-, sloop- en grondwerkzaamheden) moet de algemene zorgplicht in acht worden genomen.

Het plangebied behoort niet tot een Natura 2000-gebied of tot het NNN. Externe effecten op beschermde natuurgebieden zijn gezien de aard van het plan op voorhand uitgesloten. Immers, er worden geen extra bouwmogelijkheden of nieuwe gebruiksmogelijkheden mogelijk gemaakt met het plan. Daarmee is uitgesloten dat er sprake is van een toename van stikstofuitstoot. Hierbij is ook van belang dat de bestaande, verouderde bedrijfswoning wordt vervangen door een nieuwe bedrijfswoning, die aan de huidige eisen op het gebied van onder meer isolatie en duurzaamheid voldoet. Het aantal verkeersbewegingen blijft gelijk en de verkeersrouting verandert ook niet.

Conclusie
Negatieve effecten op beschermde natuurgebieden en soorten zijn op voorhand uitgesloten.

5.12 Archeologie en cultuurhistorie

De bescherming van archeologisch en cultureel erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening moet in het plan rekening worden gehouden met cultuurhistorische waarden.

De gemeente Overbetuwe heeft voor haar gemeentelijk grondgebied een erfgoedplan en een archeologische beleidsadvieskaart gemaakt. Het erfgoedplan beoogt versterking van de plaats en betekenis van cultuurhistorie als factor in het ruimtelijk beleidsproces.

Beoordeling en conclusie
Ter plaatse van het plangebied is volgens de archeologische beleidsadvieskaart deels een hoge archeologische waarde aanwezig (noordelijke zone) en deels een middelmatige archeologische verwachtingswaarde (rest van het plangebied). Als er bodemingrepen dieper dan 0,30 meter en groter dan 100 m² plaatsvinden ter plaatse van de gronden met een hoge archeologische verwachtingswaarde, moet een archeologisch onderzoek worden uitgevoerd. Voor de gronden met een middelmatige archeologische verwachtingswaarde, is een onderzoek aan te orde als er bodemingrepen met een oppervlakte van minimaal 500 m² en dieper dan 0,30 meter worden uitgevoerd.

Ter plaatse van de nieuwe bedrijfswoning geldt een hoge archeologische verwachtingswaarde. Er is nog geen sprake van een definitief bouwplan. Voor zover de drempelwaarden worden overschreden, moet in het kader van de omgevingsvergunning voor het onderdeel 'bouwen' een archeologisch onderzoek worden uitgevoerd. In dit bestemmingsplan zijn de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologische verwachting 2' (hoge archeologische verwachtingswaarde) en 'Waarde - Archeologische verwachting 3' (ter plaatse van de zone met middelhoge archeologische verwachtingswaarde) opgenomen overeenkomstig de archeologische beleidskaart. Eventueel aanwezige archeologische waarden worden zodoende adequaat beschermd en het tijdig uitvoeren van een onderzoek is gewaarborgd.

In het plangebied zijn geen cultuurhistorische waarden aanwezig. Wel ligt het plangebied aan de rand van een landschappelijk waardevol gebied (openheid en zegen). Deze waarden worden niet aangetast. In paragraaf 4.3 is op dit aspect al ingegaan.

5.13 Verkeer en parkeren

Parkeren
Het planvoornemen levert geen wijziging in de parkeerbehoefte op, omdat slechts een bedrijfswoning wordt verplaatst. Bij de nieuwe bedrijfswoning moeten voldoende parkeerplaatsen beschikbaar zijn, waarbij moet worden voldaan aan de Nota Parkeernormen gemeente Overbetuwe 2016. Dit betekent dat er ten minste 2 parkeerplaatsen aanwezig moeten zijn. Daarvoor is voldoende ruimte op de erfverharding beschikbaar. Ook bij de nieuwe bedrijfsbebouwing moeten voldoende parkeerplaatsen aanwezig zijn. Dit is getoetst bij de verleende omgevingsvergunning voor het bouwen.

Het aspect parkeren zorgt niet voor belemmeringen.

Verkeer
Het plan voorziet uitsluitend in het wijzigen van de situering van een bedrijfswoning. Er worden geen extra bouwmogelijkheden of gebruiksmogelijkheden toegestaan. De verkeersgeneratie vanwege de functies in het plangebied wijzigt daarom niet. Voor wat betreft de verkeersafwikkeling zijn er geen belemmeringen. Evenals in de huidige situatie wordt gebruik gemaakt van één oprit naar de Boterhoeksestraat. Ook in dit opzicht wijzigt er dus niets.

Hoofdstuk 6 Juridische planopzet

6.1 Algemene opzet

Inleiding
Dit hoofdstuk bevat de concrete vertaling van het beleidsgedeelte (voorafgaande hoofdstukken) in het juridisch gedeelte van het bestemmingsplan (de verbeelding en regels).

Het bestemmingsplan 'Buitengebied, Boterhoeksestraat 15, Heteren' bestaat uit de volgende onderdelen:

De toelichting
In de toelichting is de ontwikkeling verantwoord, zowel op basis van het beleid, als op basis van milieu-hygiënische aspecten, aangevuld met een toelichting op de juridische opzet.

De bestemmingsregels
De bouw- en gebruiksregels zijn binnen de verschillende bestemmingen opgenomen. Daarnaast zijn waar nodig afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden opgenomen, om het plan de benodigde flexibiliteit te geven.

De verbeelding
Op de verbeelding zijn de bestemmingen 'Agrarisch met waarden', 'Bedrijf', 'Verkeer' en 'Waarde - Archeologische verwachting 2 en 3' opgenomen met de daarbij behorende aanduidingen en bouwvlakken. Verder is er een gebiedsaanduiding opgenomen met betrekking tot de bescherming van het waardevolle landschap (open landschap). Waar nodig worden de aanduidingen in paragraaf 6.2 nader toegelicht.

De opzet van het plan
Het bestemmingsplan is een juridisch plan, dat bindend is voor de burgers en voor de overheid. Qua systematiek is zoveel mogelijk aangesloten bij het huidige bestemmingsplan 'Buitengebied Overbetuwe'.

Bouwplan
Als een aanvraag om omgevingsvergunning ingediend wordt, zijn in eerste instantie de bestemming met bijhorende regels van belang. Als het nieuwe en het beoogde gebruik past binnen de toegekende bestemming, dan kan de omgevingsvergunning worden verleend.

6.2 Toelichting op de verbeelding en regels

Op de verbeelding zijn de bestemmingen onderscheiden. De bestemmingen zijn afgeleid uit het gebruik (de aanwezige functies). De bestemmingen vormen het zogenaamde casco van het plan, waarvan in beginsel niet mag worden afgeweken.

Agrarisch met waarden
Een gedeelte van het plangebied wordt bestemd als 'Agrarisch met waarden'. Het gaat hierbij om de gronden rondom het toekomstige bedrijfsperceel met bebouwing en de bedrijfswoning. Deze gronden worden landschappelijk ingericht volgens het inrichtingsplan en blijven verder agrarisch in gebruik, zoals in de huidige situatie al het geval is. Ook de strook aan de westkant van het plangebied, buiten de eigendom van initiatiefnemer, krijgt de bestemming 'Agrarisch met waarden'. Hiermee komt de bestemming overeen met het bestaande gebruik.

De gronden met de bestemming 'Agrarisch met waarden' zijn met name bestemd voor grondgebonden agrarische bedrijfsvoering, hobbymatig agrarisch grondgebruik, extensieve dagrecreatie, het behoud, de bescherming en het herstel van openheid en zegen, alsmede voor water en waterhuishoudkundige voorzieningen. Een glastuinbouwbedrijf of ander niet-grondgebonden agrarisch bedrijf is niet toegestaan.

Er zijn uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, van maximaal 1 meter hoogte toegestaan. Ten aanzien van een aantal werkzaamheden is een omgevingsvergunningplicht opgenomen (uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden).

Bedrijf
Het bedrijfsperceel wordt ten opzichte van de huidige situatie verkleind, omdat het uit landschappelijk oogpunt wenselijk is om een compact erf te behouden. Dit gedeelte behoudt de bestemming 'Bedrijf' en heeft een functieaanduiding 'agrarisch loonbedrijf'. Ter plaatse is een agrarisch loonbedrijf toegestaan met één bedrijfswoning. Met toepassing van een afwijkingsbevoegdheid kan een ander bedrijf (milieucategorie 1 of 2) worden toegestaan. De bedrijfswoning is specifiek aangeduid en voorzien van een bouwvlak, waarbinnen deze moet worden gebouwd. Voor het vergunde bedrijfsgebouw is eveneens een bouwvlak opgenomen. In de bouwregels zijn de maximum goot- en bouwhoogten van de bebouwing aangegeven en is ook de maximum oppervlakte aan bedrijfsgebouwen vastgelegd (520 m²). Verder is buitenopslag toegestaan, uitsluitend ter plaatse van de functieaanduiding 'opslag'.

Verkeer
Aan de noordkant van het plangebied is een strook openbaar gebied aanwezig, aansluitend op de Boterhoeksestraat. De bestemming 'Bedrijf' is hier gewijzigd naar 'Verkeer'. Binnen de bestemming zijn wegen, straten en paden met hoofdzakelijk een functie voor doorgaand verkeer toegestaan, evenals parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen en dergelijke. Binnen de bestemming zijn uitsluitend gebouwen ten behoeve van nutsvoorzieningen toegestaan, alsmede binnen de bestemming passen bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

Waarde - Archeologie en Waarde - Archeologische verwachting 2 en 3
In het plan is de archeologische beleidskaart vertaald in twee dubbelbestemmingen, ten behoeve het behoud en de bescherming van archeologische waarden in of nabij het plangebied. Zie hierover ook paragraaf 5.12. Naast de betreffende dubbelbestemming hebben de betrokken gronden altijd nog de betreffende hoofdbestemming. De regels van de hoofdbestemming en de dubbelbestemming zijn beide van toepassing, maar bij strijd tussen deze bepalingen prevaleren de bepalingen van de dubbelbestemming. De reden hiervoor is dat de belangen van de dubbelbestemming zwaarder wegen dan die van de hoofdbestemming. De dubbelbestemmingen bevatten een omgevingsvergunningplicht en plicht tot het doen van archeologisch onderzoek voor bodemingrepen dieper dan 0,3 meter onder het maaiveld en met een omvang groter dan 100 m² respectievelijk 500 m². Voordat een omgevingsvergunning voor het 'bouwen' wordt verleend, zal een archeologisch onderzoek moeten worden uitgevoerd, voor zover (één van) deze drempelwaarde(n) wordt overschreden.

Algemene regels
Anti-dubbeltelregel
Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.

Algemene bouwregels
In dit artikel is een regeling voor het ondergronds bouwen opgenomen.

Algemene gebruiksregels
Deze bepaling bevat de vormen van gebruik, die in ieder geval strijdig zijn met de regels van het bestemmingsplan voor alle opgenomen bestemmingen.

Algemene aanduidingsregels
Het plangebied ligt in een waardevol (open) landschap (zie ook paragraaf 4.3). Door middel van de gebiedsaanduiding 'overige zone - waardevol landschap' zijn regels gesteld, die nadere voorwaarden stellen aan het toepassen van de in het plan opgenomen wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden.

Algemene afwijkingsregels
In dit artikel wordt een opsomming gegeven van de regels waarvan door middel van een omgevingsvergunning afgeweken kan worden van het bestemmingsplan. Het gaat hierbij om de bevoegdheid om door middel van een omgevingsvergunning af te kunnen wijken van de regels die gelden voor alle bestemmingen in het plan. De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven. Opgenomen zijn bevoegdheden voor kleine afwijkingen in maatvoeringen en bouwgrenzen en voor ondergronds bouwen.

Algemene wijzigingsregels
In dit artikel wordt een opsomming gegeven van de regels waarvan door middel van een wijzigingsplan afgeweken kan worden van het bestemmingsplan. Dit betreft kleine wijzigingen van de bestemmingsgrenzen.

Algemene procedureregels
In dit artikel wordt aangegeven op welke wijze de uitvoerbaarheid van een wijzigingsplan, bij gebruikmaking van een in het plan opgenomen wijzigingsbevoegdheid, in ieder geval moet worden aangetoond.

Overgangs- en slotregels
Overgangsrecht
Het voor alle bestemmingsplannen verplichte overgangsrecht is opgenomen. Bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een omgevingsvergunning voor het bouwen is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bebouwingsregels. De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen kan worden verleend. Burgemeester en wethouders kunnen in beginsel dus nog gewoon gebruik maken van hun handhavingbevoegdheid. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan mag eveneens worden voortgezet.

Slotregel
Dit artikel geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald.

Hoofdstuk 7 Financiële toelichting

Uitgangspunt voor de ontwikkeling is dat deze voor de gemeente budgetneutraal worden ontwikkeld. Op grond van artikel 6.12 lid 1 Wet ruimtelijke ordening (Wro) is de gemeenteraad van Overbetuwe verplicht om, als sprake is van een bouwplan, de gemeentelijke kosten te verhalen. Dit bestemmingsplan voorziet in een bouwplan, omdat er een nieuwe woning kan worden opgericht.

De kosten worden verhaald op basis van een met de initiatiefnemer afgesloten anterieure overeenkomst. Met de ontwikkelende eigenaar van de gronden in het plangebied, is tevens een planschadeovereenkomst gesloten. In deze overeenkomst zijn afspraken gemaakt over het verhaal van kosten, dit is daarin op afdoende wijze vastgelegd.

Middels de afgesloten overeenkomst is het kostenverhaal voldoende verzekerd en is de financiële haalbaarheid in voldoende mate aangetoond.

 

Hoofdstuk 8 Overleg en inspraak

8.1 Inleiding

De procedures voor vaststelling van een bestemmingsplan zijn door de wetgever geregeld. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties waar nodig overleg over het plan moet worden gevoerd, voordat een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Bovendien kan het noodzakelijk zijn om belanghebbenden de gelegenheid te bieden om hun visie over het plan te kunnen geven. Dit is afhankelijk van de inspraakverordening van de gemeente. Pas daarna kan de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van het plan van start gaan.

8.2 Inspraak

De Wro zelf bevat geen bepalingen over inspraak. Dat neemt niet weg dat het de gemeente vrij staat toch inspraak te verlenen op grond van de gemeentelijke inspraakverordening. In relatie daarmee bepaalt artikel 150 van de Gemeentewet onder meer dat in een gemeentelijke inspraakverordening moet worden geregeld op welke wijze personen en rechtspersonen hun mening kenbaar kunnen maken. Voor dit bestemmingsplan heeft, gezien de aard en kleinschalige omvang van de wijziging, namelijk uitsluitend een andere positionering van de bedrijfswoning en een verkleining van het bedrijfsperceel, geen inspraak plaatsgevonden.

8.3 Overleg

Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) geeft aan dat het bestuursorgaan, dat belast is met de voorbereiding van een ruimtelijk plan, overleg pleegt met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen. Ook moet overleg worden gepleegd met die diensten van provincie en Rijk, die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of die belast zijn met de behartiging van belangen, welke in het plan in het geding zijn. Gezien de aard en omvang van de wijziging heeft in dit geval geen vooroverleg plaatsgevonden.

8.4 Vaststellingsprocedure

De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan heeft plaatsgevonden volgens artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening. Het ontwerpbestemmingsplan is in dit kader gedurende zes weken ter inzage gelegd vanaf 11 juli 2019. Gedurende deze periode kon een ieder zijn zienswijzen kenbaar maken tegen het plan. Er zijn geen zienswijzen ontvangen. Ambtshalve is één wijziging in de regels doorgevoerd met het oog op de actuele jurisprudentie over stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden.

Het plan is vervolgens op 3 december 2019 vastgesteld door de gemeenteraad van Overbetuwe.

8.5 Beroep

Na vaststelling wordt het bestemmingsplan voor de tweede maal zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking.