direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Oosterhout, Rietgraaf 13
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1734.0310OOSTrietgraf13-ONT1

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Initiatiefnemer wil een tankstation met Liquified Natural Gas (hierna ook: LNG) exploiteren op het bedrijventerrein Park 15 te Oosterhout. De locatie betreft het perceel aan de Rietgraaf 13, waar al een tankstation is gerealiseerd (juni 2018). Het plan ziet daarom uitsluitend op de realisatie van een LNG-installatie, aanvullend op het bestaande tankstation. Het tankstation wordt daarbij voorzien van een tankpunt voor voertuigen die rijden op Bio-LNG. De initiatiefnemer wil met deze nieuwe locatie haar netwerk voor LNG-tanklocaties uitbreiden.

Om de gewenste ontwikkeling van een LNG-installatie mogelijk te maken, is een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk. Dit bestemmingsplan, 'Oosterhout, Rietgraaf 13', voorziet daarin en geeft de bouw- en gebruiksmogelijkheden voor de kavel aan.

1.2 Ligging en beschrijving plangebied

Het plangebied bestaat uit het perceel Rietgraaf 13 te Oosterhout. Daarnaast omvat het plangebied de in acht te nemen veiligheidszone van 50 meter rondom het vulpunt voor LNG. Deze zone ligt gedeeltelijk buiten de kavel. Zie over dit aspect uitgebreider paragraaf 5.7 en Bijlage 3 Risico-analyse externe veiligheid. Kadastraal is het plangebied bekend als gemeente Valburg, sectie L, nr. 2324 (perceel tankstation) en 2440 (ged., binnen de veiligheidszone). Het plangebied maakt onderdeel uit van het bedrijventerrein Park 15, dat momenteel in ontwikkeling is en ligt circa 800 meter ten noorden van de kern Oosterhout. De locatie ligt ten zuiden van de A15, nabij de op- en afrit naar deze snelweg. Het plangebied maakt onderdeel uit van de bebouwde kom.

De ligging van het plangebied is in figuur 1.1 zichtbaar en de begrenzing in figuur 1.2.

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0310OOSTrietgraf13-ONT1_0001.png"  
Figuur 1.1: ligging plangebied (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)  

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0310OOSTrietgraf13-ONT1_0002.png"  
Figuur 1.2: begrenzing plangebied, met in paars de kavel van het tankstation en in rood de veiligheidszone (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)  

1.3 Huidig bestemmingsplan

In het plangebied geldt momenteel het bestemmingsplan 'De Nieuwe Rietgraaf', dat sinds 1 maart 2012 onherroepelijk is. Op de kavel van het tankstation is de bestemming 'Bedrijventerrein' van toepassing, met nadere aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 4.2'. De maximum bouwhoogte is 20 meter en de gehele kavel is tevens een bouwvlak. Het bouwvlak mag volledig worden bebouwd en er geldt een minimum bebouwingspercentage van 40%. Verder is in een groot deel van het plangebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' van toepassing, met bijbehorende functieaanduiding 'specifieke vorm van waarde - archeologie middelhoog'. Voor de plandelen buiten de kavel van het tankstation (binnen de veiligheidszone) zijn deels de bestemming 'Bedrijventerrein' (met bouwvlak en aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 4.2) en deels de bestemming 'Verkeer' van toepassing.

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0310OOSTrietgraf13-ONT1_0003.png"  
Figuur 1.3: Uitsnede huidig bestemmingsplan 'De Nieuwe Rietgraaf', met in paars de kavel van het tankstation en in rood de veiligheidszone (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)  


De uitbreiding van het tankstation met LNG is op grond van de bestemming 'Bedrijventerrein' niet mogelijk. Binnen deze bestemming zijn uitsluitend bedrijven tot en met milieucategorie 4.2, genoemd in de bijbehorende Lijst van bedrijfsactiviteiten, toegestaan. In deze lijst zijn uitsluitend benzineservicestations zonder LPG toegestaan. Een LNG-tankstation valt niet onder deze categorie. Risicovolle inrichtingen zijn bovendien expliciet uitgesloten volgens de gebruiksregels. Verder is de realisatie van een LNG-tankstation uitsluitend mogelijk als er binnen 50 meter van het vulpunt geen (beperkt) kwetsbare objecten aanwezig of toegestaan zijn. Binnen deze zone gelden de bestemmingen 'Bedrijventerrein' en 'Verkeer'. Binnen de eerstgenoemde bestemming zijn (beperkt) kwetsbare objecten niet uitgesloten. Daarom moet een veiligheidszone worden opgenomen (zie nader paragraaf 5.7 en Bijlage 3 Risico-analyse externe veiligheid). Tevens wordt niet voldaan aan het minimum bebouwingspercentage van 40% van het bouwperceel. Om deze redenen wordt het bestemmingsplan herzien.

1.4 Leeswijzer

Deze toelichting is als volgt opgebouwd. Na dit inleidende hoofdstuk worden in hoofdstukken 2 en 3 respectievelijk de bestaande en de toekomstige situatie in het plangebied beschreven. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op het voor dit bestemmingsplan van toepassing zijnde rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid. In hoofdstuk 5 komen de relevante milieu- en omgevingsaspecten aan de orde. Daarmee wordt inzichtelijk gemaakt dat de ontwikkeling in ruimtelijk en milieuhygiënisch opzicht aanvaardbaar en haalbaar is en voldoet aan het vereiste van een goede ruimtelijke ordening. In hoofdstuk 6 is de juridische planopzet beschreven en in hoofdstuk 7 is de financiële toelichting opgenomen. Hoofdstuk 8 gaat in op enkele procedurele aspecten, zoals overleg en inspraak.

Hoofdstuk 2 Bestaande situatie

In de huidige situatie is op de Rietgraaf 13 een tankstation aanwezig. Dit is in juni 2018 opgeleverd. Het perceel is nagenoeg geheel verhard, met uitzondering van stroken gras aan de zuid- en westkant van het perceel. Bebouwing is aanwezig in de vorm van een overkapping bij enkele pompstations, de pompstations zelf en een reclamezuil. In de zuidwestelijke hoek is een nutsgebouwtje aanwezig. In figuur 2 is de huidige situatie zichtbaar. Het tankstation is geschikt voor zowel personenauto's als vrachtwagens.

Het perceel wordt ontsloten op de Rietgraafsingel aan de noordwestkant en de Rietgraaf aan de oostkant. Het perceel wordt omgeven door deze twee wegen met een rotonde ten zuidwesten van het perceel, een vestiging van McDonalds ten oosten van het perceel en een braakliggende bedrijfskavel aan de noordkant van het perceel. Verder oostelijk is een aantal windturbines aanwezig.

Het plangebied maakt onderdeel uit van het bedrijventerrein Park 15, dat momenteel ontwikkeld wordt. In de nabije toekomst zal het plangebied dan ook onderdeel uitmaken van een bedrijventerrein. Circa 40 meter noordelijk van het perceel, tussen het bedrijventerrein en de A15, is een groenstrook/berm met een watergang aanwezig. Op korte afstand ten oosten van het perceel wordt de Rietgraaf ontsloten op de A15; het tankstation ligt dan ook op een locatie aan de entree van het bedrijventerrein.

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0310OOSTrietgraf13-ONT1_0004.png"  
Figuur 2: zicht op het plangebied (bron: Google Streetview)  

Hoofdstuk 3 Toekomstige situatie

Met de ontwikkeling van het omliggende bedrijventerrein, is het van belang dat het tankstation in het plangebied voor alle gebruikers van het bedrijventerrein in de behoefte kan voorzien. De exploitant van het tankstation wil, naast de al beschikbare brandstoffen voor vrachtwagens en personenauto's, een installatie voor Liquefied Natural Gas (LNG) oprichten. LNG is een brandstof in de vorm van vloeibaar aardgas (voornamelijk methaan), die geschikt is voor langeafstandsvervoer. Vrachtwagens die op LNG rijden zijn daar speciaal voor ontworpen; enkel deze specifieke vrachtwagens kunnen LNG tanken. Voordelen van het gebruik van LNG als brandstof zijn, naast de grote actieradius, dat dit een lagere CO2-uitstoot heeft dan diesel, een veel lagere fijn stof- en roetuitstoot heeft en dat de vrachtwagens stiller zijn. Mede vanwege deze voordelen is de initiatiefnemer bezig om haar netwerk van LNG-tankstations uit te breiden. Een goed netwerk is immers essentieel om het gebruik van LNG te stimuleren en te doen toenemen. Met de nieuwe locatie in het plangebied wil de initiatiefnemer een stap in deze uitbreiding zetten. Deze locatie leent zich hier goed voor, vanwege de ligging aan de entree van een modern bedrijventerrein én op zeer korte afstand van de transportroutes A15 en A325.

Voor het LNG-tankstation wordt een verticale bovengrondse opslagtank (inhoud 70-80 m³) geplaatst, met koelmiddel in een bovengrondse tank (vloeibaar stikstof, inhoud 3.000-12.000 liter). De LNG-installatie bestaat verder uit één vulpunt unit, twee afleverzuilen, verdampers en een technische ruimte. Voor een technische specificatie van de installatie wordt verwezen naar paragraaf 2.1 van Bijlage 3 Risico-analyse externe veiligheid.

In figuur 3 is een situatietekening van de beoogde situatie opgenomen. Hierop is zichtbaar dat een groot deel van het terrein onveranderd blijft. Het vulpunt voor LNG wordt centraal in het zuidelijk deel van het perceel voorzien, net als de boven- en ondergrondse tank. De LNG kan worden getankt centraal op het perceel, ten zuiden van de overkapping.

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0310OOSTrietgraf13-ONT1_0005.png"  
Figuur 3: toekomstige situatie, met onderdelen van de LNG-installatie aangegeven  

Hoofdstuk 4 Beleidskader

4.1 Rijksbeleid

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR)
In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte staan de plannen van de Rijksoverheid voor ruimte en mobiliteit. Het Rijk streeft naar een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland. Om dit te bereiken, laat het Rijk de ruimtelijke ordening meer over aan de decentrale overheden (provincie en gemeenten) en komt de gebruiker centraal te staan. Het Rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 13 nationale belangen. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid.

Beoordeling en conclusie
Met dit bestemmingsplan wordt een lokale ontwikkeling, die geen relatie met het ruimtelijke ordeningsbeleid op rijksniveau heeft, mogelijk gemaakt. Er zijn geen nationale belangen in het geding. Uit de SVIR en ander rijksbeleid blijkt wel nadrukkelijk dat er wordt gestreefd naar het gebruik van meer duurzame energie, zoals alternatieve brandstoffen. De ontwikkeling levert hieraan een bijdrage. LNG is een veel schonere brandstof dan traditionele brandstoffen, zoals diesel. Uitbreiding van het netwerk van LNG-tankstations is cruciaal om het gebruik van deze schonere energievorm te doen toenemen. De ontwikkeling is dan ook in lijn met het nationaal ruimtelijke ordeningsbeleid, zoals vastgelegd in de SVIR.

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)
Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft richtlijnen voor de inhoud van bestemmingsplannen, voor zover het gaat om ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang. De normering uit het Barro werkt zoveel mogelijk direct door op het niveau van de lokale besluitvorming. Bij besluitvorming over bestemmingsplannen moeten de regels van het Barro worden gerespecteerd.

Beoordeling en conclusie
De ontwikkeling in dit bestemmingsplan is een lokale ontwikkeling. Er zijn geen nationale belangen in het geding. Het Barro heeft geen doorwerking naar dit bestemmingsplan.

Ladder voor duurzame verstedelijking
Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen, is per 1 oktober 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). De ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De ladder is een motiveringsinstrument dat moet worden toegepast bij elk ruimtelijk besluit dat een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling' mogelijk maakt. Wat onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan, is in artikel 1.1.1 Bro bepaald: “De ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.” Uit de jurisprudentie komt naar voren dat het wel een nieuwe stedelijke ontwikkeling van enige omvang moet zijn (ECLI:NL:RVS:2016:1503).

In een bestemmingsplan moet worden aangegeven dat de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte, plus een motivering als de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien”.

Beoordeling
Met dit bestemmingsplan wordt op een bestaand tankstation op een bedrijventerrein een LNG-installatie toegestaan. Het perceel heeft al een stedelijke functie en bestemming en ligt in de bebouwde kom. Van een functiewijziging is geen sprake, maar uitsluitend van een verbreding van de gebruiksmogelijkheden van het perceel. Ook is er geen sprake van een uitbreiding van het ruimtebeslag of van een intensivering van het gebruik van de locatie. Het plan voorziet niet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, zoals bedoeld in het Bro. De Ladder voor duurzame verstedelijking is niet van toepassing.

Conclusie
Dit bestemmingsplan maakt geen nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk. Artikel 3.1.6 Bro is niet van toepassing.

4.2 Provinciaal beleid

Omgevingsvisie Gaaf Gelderland
Provinciale Staten hebben op 19 december 2018 de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland (hierna: de Omgevingsvisie) vastgesteld. Deze is in werking getreden op 1 maart 2019. Het doel van de Omgevingsvisie is: een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland, vanuit het verleden én met het oog op de toekomst. De provincie is als middenbestuur een belangrijke schakel bij het bereiken van deze doelstellingen en wil op een aantal manieren waarde toevoegen:

  • met een brede blik kijken naar de inrichting en kwaliteit van de Gelderse leefomgeving;
  • stimuleren van ontwikkelingen enerzijds en beschermen van waarden anderzijds;
  • focussen op duurzaamheid, onderlinge verbondenheid en een economisch krachtig Gelderland;
  • door middel van 7 ambities verder verdiepen van de focus.

De 7 ambities van de provincie zien op de volgende thema's: energietransitie, klimaatadaptatie, circulaire economie, biodiversiteit, bereikbaarheid, vestigingsklimaat en de woon- en leefomgeving. Per ambitie is de provinciale aanpak beschreven.

Beoordeling en conclusie
De Omgevingsvisie is concreet uitgewerkt in de hierna beschreven Omgevingsverordening Gelderland. Deze verordening bevat concrete regels, waaraan de ontwikkeling moet worden getoetst. Wel kan worden gesteld, dat het initiatief in lijn met enkele doelstellingen van de Omgevingsvisie is. Onder de concrete ambities van de provincie is namelijk onder meer het streven naar energietransitie genoemd. Met de toevoeging van een LNG-tankinstallatie wordt het gebruik van een schonere, duurzamere brandstof voor vrachtwagentransport gefaciliteerd. Vanwege de ligging aan de rand van een modern bedrijventerrein en in de directe omgeving van een belangrijk transportroute, is de locatie vanuit het oogpunt van bereikbaarheid zeer geschikt. Ook dit past in de provinciale ambities.

Het plan is in overeenstemming met de Omgevingsvisie.

Omgevingsverordening Gelderland
Provinciale Staten hebben de Omgevingsverordening Gelderland (hierna: de Omgevingsverordening of verordening) vastgesteld op 19 december 2018.

De regels in de verordening kunnen betrekking hebben op het hele provinciale grondgebied, op delen of op gebiedsgerichte thema's. Gemeenten moeten binnen een bepaalde termijn hun bestemmingsplan afstemmen op de in de verordening opgenomen regels. De regels in de verordening zijn gebaseerd op de provinciale omgevingsvisie en hebben de status van algemeen verbindende voorschriften.

Beoordeling en conclusie
De regels van de Omgevingsverordening, die betrekking hebben op bedrijvigheid, zijn voor dit bestemmingsplan niet specifiek van toepassing. De vestiging van een LNG-tankstation op een bestaand bedrijventerrein past bij de aard van de functies op een bedrijventerrein. Bedrijventerreinen zijn, zoals uit de toelichting bij de Omgevingsverordening ook volgt, met name bedoeld voor functies die zich moeilijk laten combineren met andere functies vanwege omvang, vervoersbewegingen en/of milieuhinder. Dit geldt ook voor een (LNG-)tankstation, dat niet wenselijk en niet toegestaan is in bijvoorbeeld een woonwijk. De vestiging wordt daarnaast passend geacht bij de op het bedrijventerrein aanwezige functies, omdat er geen sprake is van onevenredige belemmeringen voor de omliggende functies (zie nader paragraaf 5.4 en 5.7) en de overige bedrijven (bestaand en toekomstig) juist van het het LNG-tankstation gebruik kunnen maken.

Het plangebied ligt aan de rand van een intrekgebied. Binnen deze zone mag een bestemmingsplan de winning van fossiele energie niet mogelijk maken (artikel 2.38). Het plan voorziet hierin ook niet en is in overeenstemming met dit artikel.

Geconcludeerd wordt dat het bestemmingsplan in overeenstemming met de Omgevingsverordening Gelderland is.

4.3 Gemeentelijk beleid

Omgevingsvisie Overbetuwe 2040
Op 1 oktober 2019 heeft de gemeenteraad van Overbetuwe de Omgevingsvisie Overbetuwe 2040 (hierna: Omgevingsvisie) vastgesteld. De Omgevingsvisie geeft de integrale koers en ambities van de gemeente Overbetuwe voor de fysieke leefomgeving voor de periode tot en met 2040 aan. De Omgevingsvisie is er primair op gericht om de kwalitiet van het leefmilieu te behouden en waar mogelijk te versterken. Samenwerking tussen verschillende partijen staat centraal en is noodzakelijk om deze doelen te bereiken. De visie is opgesteld vanuit een brede blik, waarbij ruimtelijke ordening, milieu, economie en bereikbaarheid met elkaar worden verbonden.

De gemeente onderscheidt een aantal kernwaarden die als vertrekpunt en inspiratiebron voor nieuwe ontwikkelingen dienen. Deze kernwaarden zijn ontstaan in het cultuurhistorisch gegroeide Betuwse rivierenlandschap. Kernwaarden zijn beschreven op het gebied van bodem en landschap, netwerk en infrastructuur en occupatie. De verschillende kernen in de gemeente kennen elk een eigen karakteristieke identiteit en waarden. Deze worden eveneens als leidraad voor nieuwe ontwikkelingen gehanteerd. Behoud van de karakteristiek en (specifieke) kwaliteiten van deze kernen en het buitengebied is een speerpunt in het beleid.

In de Omgevingsvisie wordt de focus gelegd op zes opgaven:

  • 1. Vitaal buitengebied in beweging;
  • 2. Innovatieruimte voor ondernemerschap;
  • 3. Samen werken aan energietransitie;
  • 4. Gevarieerde dorpse woonomgeving;
  • 5. Netwerk verbonden met samenleving;
  • 6. Voorzieningen geclusterd.

Per thema wordt de toekomstige ontwikkeling van de Overbetuwse leefomgeving beschreven.

Beoordeling en conclusie
Tot de gemeentelijke opgaven behoren onder meer het bieden van innovatieruimte voor ondernemerschap, (samen) werken aan energietransitie en het clusteren van voorzieningen. Deze opgaven zijn voor het plan relevant. Bij verschillende kernen in de gemeente liggen aantrekkelijke bedrijventerreinen van verschillende omvang en met een verschillende functie. Het plangebied maakt onderdeel uit van het bedrijventerrein Park 15, dat momenteel ontwikkeld wordt. Dit is een groot bedrijventerrein met een regionale functie en ligt langs de belangrijke infrastructuur van de A15 en de Betuweroute.

Bedrijvigheid wordt omarmd in de Omgevingsvisie en er wordt belang gehecht aan het genereren van ruimte voor toekomstgerichtheid en innovatie. Bedrijven moeten snel kunnen reageren op de snelle en vele veranderingen. Hierbij is innovatief handelen gewenst. Met betrekking tot flexibel en innovatief ondernemen zijn de volgende aspecten benoemd:

  • Mogelijkheden bieden voor bedrijven om zich te vestigingen in of te verplaatsen binnen de gemeente. Voldoende ruimte voor nieuwe functies en doorontwikkeling of verplaatsing van bestaande functies, draagt bij aan gunstige (fysieke) randvoorwaarden voor innovatie vanuit het bedrijfsleven;
  • Meerwaarde voor de gemeente Overbetuwe generen door 'toekomstbestendig' te koppelen met belangen die het collectief en de toekomst dienen (zoals de energietransitie);
  • Het aanvullende vermogen in de regio vergroten door beter gebruik te maken van het onderscheid in kwaliteit en potentie van de verschillende werklocaties (waaronder bedrijventerreinen). Qua functie (regionaal of lokaal), locatiekenmerken en omgevingswaarden in de nabije omgeving.

Het plangebied ligt op een bedrijventerrein dat momenteel in ontwikkeling is. Voor een goede, duurzame en toekomstbestendige ontwikkeling van het bedrijventerrein, is een aantal aspecten van belang, waaronder goede bereikbaarheid en goede voorzieningen. Met het plan wordt een voorziening bij het bedrijventerrein, een tankstation, verbeterd. Door de toevoeging van een LNG-installatie, kan naast het bestaande aanbod door bedrijven op het bedrijventerrein ook gebruik worden gemaakt van LNG als brandstof. De aanwezigheid van een LNG-tankstation kan potentiële bedrijven, die van LNG-vrachtwagens gebruik maken of willen maken, voor het bedrijventerrein aantrekken. De regionale functie van het bedrijventerrein kan hiermee verder worden versterkt. Ook ligt het voor de hand om een dergelijke voorziening op een bedrijventerrein met een regionale functie te vestigen, direct bij belangrijke infrastructuur.

Daarnaast voorziet het initiatief in een randvoorwaarde om de transitie naar een schonere brandstof te kunnen maken. Dit past bij het streven naar de noodzakelijke energietransitie. In dit opzicht is het plan zowel innovatief als duurzaam en biedt het een meerwaarde. Omdat er van een bestaand tankstation gebruik wordt gemaakt, is er bovendien sprake van multifunctioneel en efficiënt ruimtegebruik.

Het plan draagt daarom bij aan het bereiken van de gemeentelijke opgaven, zoals beschreven in de Omgevingsvisie.

Hoofdstuk 5 Milieu- en omgevingsaspecten

5.1 Milieueffectrapportage

Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r. gewijzigd. De belangrijkste aanleidingen hiervoor zijn de modernisering van de m.e.r. wetgeving in 2010 en de uitspraak van het Europese Hof van 15 oktober 2009. Uit deze uitspraak volgt dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen m.e.r.(-beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit lijst D zit, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een gevoelig natuurgebied ligt. Gemeenten en provincies moeten daarom vanaf 1 april 2011 ook bij kleine bouwprojecten, zoals de initiatieven in dit plan, beoordelen of een m.e.r.(-beoordeling) nodig is.

Sinds 16 mei 2017 is de Implementatiewet 'herziening m.e.r. richtlijn' in werking. De richtlijn wijzigt de procedure en de inhoud van het MER en de m.e.r.-beoordeling, maar ook de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Dit heeft gevolgen voor de inhoud en procedure van ruimtelijke plannen. Voor activiteiten, die zijn opgenomen in onderdeel D van de Bijlage bij het Besluit m.e.r. en waarvan de omvang beneden de in kolom 2 genoemde drempel ligt, geldt een vormvrije m.e.r.-beoordeling.

Beoordeling en conclusie
Met dit bestemmingsplan wordt een LNG-tankinstallatie toegestaan ter plaatse van een bestaand tankstation op een bedrijventerrein. Deze activiteit komt niet voor op lijst C van de Bijlage bij het Besluit m.e.r. Een directe m.e.r.-plicht is daarom niet aan de orde. Op grond van categorie 25.2 van Lijst D, is er wel sprake van een m.e.r.-beoordelingsplicht bij een project dat ziet op het oprichten, wijzigen of uitbreiden van een installatie bestemd voof bovengrondse opslag van aardgas, voor zover de opslagcapaciteit 1000.000 m³ of meer is. In dit geval is er sprake van bovengrondse opslag van LNG en is deze categorie dus van toepassing. De opslagcapaciteit is echter slechts maximaal 80 m³ (LNG) en 12 m³ (LIN). De activiteit blijft daarmee ver onder de drempelwaarde. Een directe m.e.r.-beoordelingsplicht is niet aan de orde, er moet een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaatsvinden.

Daarom is een aanmeldnotitie opgesteld, die in Bijlage 2 is opgenomen. In de aanmeldnotitie is een beschrijving van de activiteiten gegeven, is ingegaan op de mogelijke milieu-effecten die zich kunnen voordoen en op de afstand tot gevoelige objecten. Voor een beschrijving van deze effecten wordt verwezen naar genoemde bijlage, alsmede de opvolgende paragrafen van dit hoofdstuk van de toelichting.

Op basis van de aanmeldnotitie kan worden vastgesteld, dat er geen sprake is van significant nadelige milieu-effecten. Bij een calamiteit zal er gedurende korte tijd overlast kunnen ontstaan, maar dit betreft kortdurende en niet-onomkeerbare overlast. Door middel van de in het plan opgenomen veiligheidszone van 50 meter rondom het vulpunt, wordt voorkomen dat er kwetsbare en beperkte kwetsbare functies op te korte afstand van het vulpunt worden opgericht. Het doorlopen van een m.e.r.-beoordelingsprocedure wordt daarom niet nodig geacht. Hierover wordt een afzonderlijk besluit genomen voor de publicatie van het ontwerpbestemmingsplan.

5.2 Geluid

Op basis van de Wet geluidhinder (artikel 77 Wgh) moet bij een bestemmingsplan een akoestisch onderzoek worden uitgevoerd als het plan mogelijkheden biedt voor:

  • de toevoeging van een nieuwe woning of andere geluidsgevoelige functie binnen de zone van een weg;
  • de aanleg van een nieuwe weg;
  • de reconstructie van een bestaande weg.

De breedte van de zone van een weg is afhankelijk van het aantal rijstroken, het stedelijk gebied en de maximumsnelheid. Alle wegen hebben geluidzones, met uitzondering van wegen die in een als 'woonerf' aangeduid gebied liggen en wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt.



Beoordeling
Dit bestemmingsplan voorziet niet in het toevoegen van geluidsgevoelige functies. Tevens is er geen sprake van een geluidzoneringsplichtige inrichting. De Wgh legt daarom geen beperkingen op aan het plan. Er zijn in de omgeving van het plangebied geen geluidsgevoelige functies aanwezig of toegestaan. Bovendien zijn de activiteiten op de locatie ten behoeve van bestaand verkeer. Daarom is er ook in het kader van een goede ruimtelijke ordening geen reden tot het uitvoeren van akoestisch onderzoek.

Conclusie
Het aspect 'geluid' zorgt niet voor belemmeringen in het kader van dit bestemmingsplan.

5.3 Luchtkwaliteit

De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Hierin zijn grenswaarden opgenomen voor luchtvervuilende stoffen. Voor ruimtelijke projecten zijn fijn stof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) de belangrijkste stoffen.

Een project is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;
  • het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;
  • het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging;
  • het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen.

Om te bepalen of een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtkwaliteit is een algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld, waarin de uitvoeringsregels zijn vastgelegd. Een project kan in twee situaties NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit:

  • het project behoort tot de lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) die is opgenomen in de Regeling NIBM;
  • het project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO2 en PM10 (1,2 µg/m3).

Beoordeling
De ontwikkeling betreft de vestiging van een LNG-installatie op een bestaand tankstation op een bedrijventerrein. Deze of een daarmee direct vergelijkbare ontwikkeling wordt niet genoemd in de Regeling NIBM. De activiteiten op de locatie zijn grotendeels ten behoeve van bestaand verkeer. Verwacht wordt dat er circa 32 vrachtwagens per dag LNG tanken (64 verkeersbewegingen). Daarnaast zijn extra vrachtwagenbewegingen te verwachten voor de bevoorrading van het tankstation met LNG-brandstof (twee- tot viermaal per week). Op basis van deze verwachtingen is met behulp van de NIBM-tool nagegaan of het plan NIBM bijdraagt. Tabel 5.1 laat zien dat het plan NIBM bijdraagt. Daarbij wordt opgemerkt dat de NIBM-tool uitgaat van 'standaard' vrachtwagens met fossiele brandstoffen. De resultaten zijn dus worst case. Nader onderzoek is niet nodig.

Het afleveren van motorbrandstoffen op het perceel zelf kan emissie naar de lucht veroorzaken. Hiervoor zijn in de bestaande situatie al dampretoursystemen aangebracht.

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0310OOSTrietgraf13-ONT1_0006.png"  
Tabel 1: resultaten NIBM-tool (bron: infomil.nl)  



Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering in het kader van dit bestemmingsplan.

5.4 Bedrijven en milieuzonering

Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies, zoals woningen. Bij de planontwikkeling moet rekening worden gehouden met milieuzonering om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren.

Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'. In de publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd. Als bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden).

De richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit, zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype. Een rustige woonwijk is een woonwijk, die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Binnen gemengde gebieden heeft men te maken met milieubelastende en milieugevoelige functies, die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. Direct naast woningen komen andere functies voor, zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. In gemengde gebieden kunnen de richtafstanden met één afstandsstap worden verlaagd. Ten slotte kan sprake zijn van gebieden met een sterke functiemenging (functiemengingsgebieden), zoals stads- en dorpscentra en horecaconcentratiegebieden. In deze gebieden is een andere categorie-indeling van toepassing.

Beoordeling
Het plangebied behoort tot een bedrijventerrein en kan gezien deze functie en de ligging direct bij de A15 als 'gemengd gebied' worden beschouwd. De richtafstanden van de VNG-brochure worden daarom met één afstandsstap verlaagd.

Dit bestemmingsplan voorziet niet in de toevoeging van gevoelige functies. Er wordt wel een potentieel milieubelastende functie in de vorm van een LNG-tankstation mogelijk gemaakt. Dit bedrijfstype is niet in de VNG-brochure opgenomen. Qua geur- en geluidhinder kan gezien de aard van de functie, het best worden aangesloten bij de in de brochure opgenomen categorie benzineservicestations (SBI-code 473). Ten aanzien van deze aspecten geldt een richtafstand van 30 meter in gemengd gebied. Binnen deze afstand bevinden zich geen gevoelige objecten. De dichtstbijzijnde woning is op circa 500 meter afstand gelegen. Hiermee wordt ook voldaan aan de richtafstanden voor het gebiedstype 'rustige woonwijk' c.q. 'rustig buitengebied'.

Voor het aspect gevaar moet een richtafstand van 50 meter worden aangenomen tot het vulpunt van de LNG-installatie. Dit volgt uit de Circulaire externe veiligheid LNG-tankstations. Het aspect gevaar is dan ook maatgevend. Dit aspect komt in paragraaf 5.7 (externe veiligheid) nader aan de orde. In dit bestemmingsplan wordt met een gebiedsaanduiding bepaald dat er geen (beperkt) kwetsbare objecten mogen worden gerealiseerd binnen de betreffende richtafstand. De gebiedsaanduiding reikt deels buiten het perceel van het tankstation, grotendeels over de wegen Rietgraaf en Rietgraafsingel, over een deel van het parkeerterrein bij de McDonaldsvestiging en over een kleine zone van de bedrijfskavel ten noorden van het tankstation. Binnen de aanduiding zijn geen gevoelige of (beperkt) kwetsbare objecten aanwezig en zijn ook geen nieuwe kwetsbare objecten mogelijk. Op de bedrijfskavels zijn in de huidige situatie wel nieuwe beperkt kwetsbare objecten toegestaan, namelijk bedrijfsgebouwen. Op deze percelen blijft echter voldoende ruimte aanwezig voor het oprichten van bedrijfsbebouwing en voor het ontplooien van bedrijfsmatige activiteiten ter plaatse. Er is sprake van beperkingen voor deze bedrijfslocaties, maar de gemeente acht het opnemen van de veiligheidszone binnen een beperkt perceelsgedeelte van derden, vanwege het feit dat een doelmatige bedrijfsuitoefening mogelijk blijft, aanvaardbaar. Er is geen sprake van onevenredige beperkingen voor de nabijgelegen bedrijfslocaties. Aan de te hanteren richtafstanden ten opzichte van bestaande gevoelige objecten wordt bovendien voldaan. Het plan is daarmee niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening.

Conclusie
Het aspect 'bedrijven en milieuzonering' zorgt niet voor belemmeringen voor dit plan.

5.5 Geurhinder

Voor veehouderijen is de regelgeving ten aanzien van het specifieke aspect geur vastgelegd in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden gekeken naar de aanvaardbaarheid van deze plannen in verband met omliggende geurbronnen, de zogenaamde omgekeerde werking.

Beoordeling
Dit bestemmingsplan voorziet niet in realisatie van een geurgevoelig object en of van een (agrarische) functie, waarop de Wgv van toepassing is. De Wgv staat niet aan de ontwikkeling in de weg.

Conclusie
Vanuit het aspect geurhinder zijn er geen belemmeringen voor de ontwikkeling in het plangebied.

5.6 Bodem

De bodemkwaliteit vormt een belangrijk aspect bij bouwontwikkelingen. In het kader van functiewijziging en herinrichting vormt de bodemkwaliteit bij ontwikkeling van ruimtelijke functies een belangrijke afweging. De Bouwverordening bevat een verbod op het bouwen van woningen op verontreinigde grond.

Beoordeling
Dit bestemmingsplan voorziet in de realisatie van een LNG-tankinstallatie op een bestaand tankstation. De huidige en toekomstige (toegestane en aanwezige) gebruiksvormen zijn gelijk voor wat betreft de gevoeligheid voor bodemverontreiniging. In beide gevallen is er geen sprake van een gevoelige functie. Bodemonderzoek is zodoende niet noodzakelijk.

Bij een (LNG-)tankstation is er sprake van werken met potentieel bodembedreigende stoffen vanwege de aan- en afvoer en het tanken van brandstoffen. De bodembeschermde voorzieningen moeten voldoen aan de eisen van de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming 2012 en het Activiteitenbesluit. Op de plekken waar de brandstof wordt bijgevuld en waar het tanken van vrachtwagens plaatsvindt, is een vloeistofdichte vloer aanwezig. Het risico op emissies van brandstoffen naar de bodem is daarom verwaarloosbaar.

Conclusie
Ten aanzien van het aspect bodem zijn er geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling. Een bodemonderzoek is op de planlocatie niet noodzakelijk.

5.7 Externe veiligheid

Aan het op- en overslaan van Liquefied Natural Gas (LNG) zijn risico's verbonden. Deze risico's moeten getoetst worden aan het beleid voor externe veiligheid. Externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van de risico's voor omgeving vanwege de handelingen met gevaarlijke stoffen. Vanuit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de 'Circulaire externe veiligheid LNG tankstations' vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico's ten gevolge van deze handelingen.

Liquefied Natural Gas (LNG)
Oftewel vloeibaar aardgas wordt in verschillende delen van de wereld al langere tijd gebruikt als motorbrandstof. Voor Europa is LNG een opkomend fenomeen. Vanwege de vloeibare vorm heeft LNG een grotere energie-inhoud per liter dan bijvoorbeeld CNG (gecomprimeerd aardgas). Dit maakt LNG uitermate geschikt voor lange afstandsvervoer en is daarom interessant voor de transportsector.  

De risico's moeten aan drie aspecten worden beoordeeld, te weten plaatsgebonden risico, het groepsrisico en de effect georiënteerde aanpak.

Plaatsgebonden risico
Het plaatsgebonden risico (PR) heeft tot doel om hetzelfde minimale beschermingsniveau te bieden voor iedere burger in Nederland. Het PR beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het PR wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn, etc.), waarbij de 10-6-contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde is.

Groepsrisico
Het groepsrisico (GR) is een afwegingsinstrument dat tot doel heeft een bewuste afweging te stimuleren over het risico op een ongeval met een groot aantal slachtoffers. Het GR beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het GR geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het GR wordt uitgedrukt in een grafiek, waarin de kans op overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1.000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het GR geldt een oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm).

Voor elke verandering van het GR (af- of toename) in het invloedsgebied moet verantwoording worden afgelegd over de wijze waarop de toelaatbaarheid van deze verandering in de besluitvorming is betrokken.

Samen met de hoogte van het GR moeten andere kwalitatieve aspecten worden meegenomen in de beoordeling van het GR. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de veiligheidsregio.

Effect georiënteerde aanpak

Om te anticiperen op de maatschappelijke en politieke wens om ook effecten van ongevallen bij besluitvorming te betrekken, is een effectgerichte lijn ontwikkeld. De effectgerichte lijn bij LNG-tanstations richt de aandacht op de beperking van het aantal slachtoffers binnen de effectafstand, uitgaande van het meest risicorelevante ongevalsscenario. Het meest risicorelevante scenario is het falen van een losslang bij verlading van een tankwagen.

Beoordeling
Uit de verkregen risicoberekening 'Risicoanalyse/LNG tankstation Park15 Oosterhout' (Bijlage 3), blijkt dat de 10-6 risicocontour een reikwijdte heeft van 50 meter. Deze contour is gelegen over twee naast gelegen percelen en openbare weg (zie figuur 4).

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0310OOSTrietgraf13-ONT1_0007.png"  
Figuur 4: ligging 10-6-risicocontour van het LNG-tankstation (rode lijn)  

Op de twee naast gelegen percelen zijn conform het huidige bestemmingsplan “De Nieuwe Rietgraaf” (onherroepelijk 1 maart 2012) zowel geprojecteerd kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten mogelijk. Binnen de 10-6 risicocontour zijn geen bestaande kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gelegen.

Conform het beleid externe veiligheid zijn geprojecteerd kwetsbare objecten niet toegestaan binnen de 10-6 risicocontour. In dit bestemmingsplan wordt hiervoor een veiligheidszone opgenomen ter grote van de 10-6 risicocontour waarin kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten worden uitgesloten. Hiermee wordt voldaan aan het beleid voor externe veiligheid.

Groepsrisico

De gemeente Overbetuwe is op grond van het Bevi verplicht voor de komst van het LNG tankstation het groepsrisico te verantwoorden. De gemeente heeft bij het invullen van de verantwoordingsplicht een grote mate van beoordelingsvrijheid. Ten aanzien van de motivatieonderdelen H en I heeft de Veiligheidsregio adviesrecht.

Voor de verantwoording groepsrisico is gebruik gemaakt van het advies van Veiligheids- en Gezondheidsregio Gelderland Midden (VGGM) van 18 december 2018 (kenmerk: 181218-0027),de rapportage 'Risicoanalyse/LNG tankstation Park15 Oosterhout', d.d. 23 april 2019 van AVIV en de notitie 'Voorbereiding verantwoording groepsrisico Heinz Park LNG, d.d. 29 mei 2019' van AVIV. In overeenstemming met het Bevi artikel 13 worden in de motivering (verantwoording) van het betrokken besluit de volgende gegevens (A tot en met I) opgenomen:

A. Aanwezige dichtheid personen invloedsgebied

In paragraaf 2.16 van de rapportage 'Risicoanalyse/LNG tankstation Park15' is een overzicht opgenomen van de dichtheid van het aantal aanwezigen in het invloedsgebied. Hierbij is onderscheid gemaakt in maximale dichtheid vanuit bestemmingsplancapaciteit en de te verwachten feitelijke dichtheid. Dit resulteert in de volgende aanwezigheid van personen in het invloedsgebied (zie tabel 2).

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0310OOSTrietgraf13-ONT1_0008.png"  
Tabel 2: aantal personen aanwezig binnen invloedsgebied  

B. Hoogte groepsrisico

Uit de risicoberekening blijkt dat door de realisatie van het LNG-tankstation een groepsrisico ontstaat. Het groepsrisico berekend conform maximale bestemmingsplan capaciteit laat zien dat het groepsrisico op de orientatiewaarde ligt (zie figuur 5). Bij een meer realistische weergave van de personendichtheid binnen het invloedsgebied, volgt dat groepsrisico onder de orientatiewaarde blijft (zie figuur 3). Dit komt omdat er nu al een aantal grote distributiecentra gevestigd zijn, waarvan de personendichtheid een stuk lager is. Vanuit het bestemmingsplan zijn bijvoorbeeld ook hotels en kantoren toegestaan, deze functies hebben veel hogere personendichtheden. De maximale bestemmingsplancapaciteit is echter leidend voor onderhavige verantwoording.

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0310OOSTrietgraf13-ONT1_0009.png"  
Figuur 5: Weergave van het groepsrisico ten opzichte van de oriëntatiewaarde bij bestemmingsplancapaciteit. Overgenomen uit de rapportage 'Risicoanalyse/LNG-tankstation Park15 Oosterhout'.  

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0310OOSTrietgraf13-ONT1_0010.png"  
Figuur 6: Weergave van het groepsrisico ten opzichte van de oriëntatiewaarde bij opgave projectontwikkelaar. Overgenomen uit de rapportage 'Risicoanalyse/LNG-tankstation Park15 Oosterhout'.  

C. Maatregelen tot beperking van het groepsrisico door inrichting houder

De initiatiefnemer treft onderstaande maatregelen ter beperking van de risico's. Daarnaast moet de LNG installatie voldoen aan de Best Beschikbare Techniek, vastgelegd in PGS 33-1.

  • 7. Er wordt een 'Emergency Shutdown (ESD)' systeem toegepast. Het doel van dit systeem is dat bij een noodsituatie op het tankstation of tankcontainer tijdens het vullen van de tank het complete systeem binnen of gelijk aan 5 seconden automatisch wordt stilgezet. Conform de circulaire moet aangetoond worden doormiddel van een testrapport de ESD responstijd daadwerkelijke 5 seconde bedraagt. Hiervoor heeft initiatiefnemer onafhankelijk advies ingewonnen bij het RIVM. Het RIVM heeft geadviseerd de uitgevoerde test als voldoende te beschouwen.
  • 8. Bovenvulling wordt toegepast. Hiermee wordt voorkomen dat bij het laden en lossen terugstroming mogelijk is.
  • 9. Verlading vindt plaats doormiddel van een pomp met een voordruk kleiner dan 3,2 barg. Doordat de pomp blokkeert bij falen van de slang en dit de uitstroom belemmert, veroorzaakt dit een potentieel kleinere uitstroom.

D. Maatregelen tot beperking van het groepsrisico in het besluit

In het ruimtelijk besluit worden geprojecteerd (beperkt) kwetsbare objecten uitgesloten binnen de 10-6 risicocontour. Hierdoor kunnen nabij de risicobron zich geen objecten van derden vestigen met een hoge personendichtheid.

E. Voorschriften ter beperking van het groepsrisico in de omgevingsvergunning

In de omgevingsvergunning wordt uit gegaan van de best beschikbare techniek en hieraan verbonden voorschriften.

F. Voor- en nadelen van andere mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkelingen

De gemeente Overbetuwe heeft beleid ontwikkeld voor externe veiligheid. De gemeente accepteert op bedrijventerreinen een minder streng veiligheidsregime dan in woongebieden. Hierdoor zijn op deze terreinen de komst van risicobronnen onder voorwaarde mogelijk.
De vestiging van het LNG tankstation op Park15 voldoet aan deze voorwaarde.

Daarnaast is LNG een opkomende duurzame brandstof. Om hiervoor tankstations te kunnen ontwikkelen moeten afnemers nabij zijn en is locatiekeuze een wezenlijke. De gekozen locatie voor het LNG tankstation voldoet hieraan. Er zijn dan ook geen andere mogelijkheden om deze ontwikkeling te kunnen realiseren.

G. De mogelijkheden tot beperking van het groepsrisico in de nabije toekomst

Naast de maatregelen genoemd onder c. en d. zijn er in de toekomst geen toekomstige maatregelen te verwachten.

H. Mogelijkheden rampenbestrijding

Uit het advies van VGGM (kenmerk: 181218-0027) blijkt het volgende:

Volgens de circulaire externe veiligheid LNG-tankstations is het meest risicorelevante ongevalsscenario het falen van de slang van de tankwagen tijdens het lossen gevolgd door een wolkbrand. Een LNG (plas)brand is door de brandweer niet te bestrijden. Vanwege de potentiële escalatie zal het brandweeroptreden zich beperken tot het afschermen van aangestraalde installatieonderdelen.

De VGGM geeft in hun advies aan dat er geen aanleiding is om planologische maatregelen te adviseren. Wel adviseert de VGGM dat de LNG installatie moet aansluiten bij de voorschriften uit PGS 33-1 en bij de uitwerking van het plan rekening te houden met de bereikbaarheid en bluswatervoorziening(en) en brandpreventieve zaken. Deze zaken zullen betrokken worden bij de verlening van de omgevingsvergunning.

I. Mogelijkheden zelfredzaamheid

Uit het advies van de VGGM (kenmerk: 181218-0027) blijkt het volgende:

Omdat het tankstation op een bedrijventerrein ligt zullen de aanwezige personen mits geïnformeerd en tijdig gewaarschuwd zich zeer waarschijnlijk zelfstandig in veiligheid kunnen brengen.

Effectgeoriënteerde aanpak

De initiatiefnemer heeft aangegeven te gaan voldoen aan de kleinste effectafstand (50 meter). Hiervoor past de initiatiefnemer de volgende systeem beveiligingen toe op het LNG tankstation.

  • Er wordt een 'Emergency Shutdown (ESD)' systeem toegepast. Het doel van dit systeem is dat bij een noodsituatie op het tankstation of tankcontainer tijdens het vullen van de tank het complete systeem binnen of gelijk aan 5 seconden automatisch wordt stilgezet. Conform de circulaire moet aangetoond worden doormiddel van een testrapport de ESD responstijd daadwerkelijke 5 seconde bedraagt. Hiervoor heeft initiatiefnemer onafhankelijk advies ingewonnen bij het RIVM. Het RIVM heeft geadviseerd de uitgevoerde test als voldoende te beschouwen.
  • Bovenvulling wordt toegepast. Hiermee wordt voorkomen dat bij het laden en lossen terugstroming mogelijk is.
  • Verlading vindt plaats doormiddel van een pomp met een voordruk kleiner dan 3,2 barg. Doordat de pomp blokkeert bij falen van de slang en dit de uitstroom belemmert, veroorzaakt dit een potentieel kleinere uitstroom.

Aangezien er binnen de 50 meter geen kwetsbare objecten zijn toegestaan voldoet het LNG tankstation aan de effectgeoriënteerde aanpak.

Beoordeling externe veiligheid overige risicobronnen

Plaatsgebonden risico

Rondom het plangebied zijn de volgende risicobronnen aanwezig: de snelweg A15, de Betuweroute, het emplacement CUP en een nabijgelegen windmolen. Doordat het plan alleen een BEVI inrichting mogelijk maakt kan toetsing van het plaatsgebonden risico achterwege gelaten worden. Risicobronnen worden niet onderling aan elkaar getoetst voor het plaatsgebonden risico (zie Bevi artikel 1 lid 2).

Wellicht ten overvloede ligt het plangebied buiten de 10-6 risicocontour van de snelweg A15, de Betuweroute conform de regeling basisnet. Het plangebied is eveneens niet gelegen binnen de 10-6 risicocontour van het CUP en de windmolen. Verder blijkt uit de QRA 'Risicoanalyse/LNG tankstation Park15 Oosterhout' dat de aanwezige windturbine geen risicoverhogend object is voor het tankstation

Groepsrisico

Ten aanzien van het groepsrisico is het plan alleen gelegen in het invloedsgebied van de snelweg A15, de Betuweroute en het CUP. Ontwikkelingen binnen het invloedsgebied hebben mogelijk invloed op de hoogte van het groepsrisico. Echter doordat het plangebied al bestemd is als bedrijventerrein en al gebruikt wordt als tankstation, neemt het aantal personen niet toe. Hierdoor zal de gevraagde wijziging wanneer berekend in een risicoberekening voor het groepsrisico niet zichtbaar zijn. Hierdoor kan een verdere beoordeling van het groepsrisico achtwege blijven.

Conclusie

Met dit bestemmingsplan wordt de mogelijkheid geboden voor het bestemmen van een LNG tankstation. Deze ontwikkeling moet getoetst worden aan het plaatsgebonden risico, het groepsrisico en effectgeoriënteerde aanpak.

Plaatsgebonden risico

De 10-6 risicocontour is gelegen over twee naastgelegen percelen. Op deze percelen kunnen zowel kwetsbare als beperkt kwetsbare objecten gerealiseerd worden. In het bestemmingsplan wordt een veiligheidszone opgenomen waarmee kwetsbare objecten en beperkt kwetsbare objecten worden uitgesloten. Hiermee voldoet het bestemmingsplan aan de grens- en richtwaarde van het Bevi.

Groepsrisico

De gemeente Overbetuwe acht de toename van het groepsrisico als gevolg van het ruimtelijk mogelijk maken van een LNG tankstation acceptabel, om de volgende redenen:

  • 1. De hoogte van het groepsrisico bedraagt maximaal de orientatiewaarde.
  • 2. De realisatie van de LNG tankstation draagt bij aan een duurzaam energiegebruik en is maatschappelijk en economisch belangrijk voor het bedrijf en de gemeente Overbetuwe.
  • 3. De realisatie van een LNG tankstation op Park15 past in het beleid externe veiligheid van de gemeente Overbetuwe (vastgesteld op 5 november2013).
  • 4. Veiligheids- en Gezondheidsregio Gelderland Midden geeft in haar advies (kenmerk: 181218-0027) geen onoverkomelijke bezwaren aan met betrekking tot rampenbestrijding en zelfredzaamheid door oprichting van een LNG tankstation op deze locatie.

In de afweging weegt de gemeente Overbetuwe mee dat bij een maatgevend ongevalsscenario de schade in het plangebied, ondanks getroffen maatregelen, aanzienlijk kan zijn. De gemeente Overbetuwe acht dit restrisico acceptabel.

Effect georiënteerde aanpak

Voor het LNG-tankstation geldt een effectafstand van 50 meter.

5.8 Kabels en leidingen

Het verrichten van werkzaamheden in de nabijheid van hoogspanningsmasten en -kabels en dergelijke, kan gevaar met zich meebrengen. Om dit gevaar zoveel mogelijk te beperken moet de leidingbeheerder aangeven onder welke voorwaarden de werkzaamheden veilig plaats kunnen vinden.

Beoordeling en conclusie
In en nabij het plangebied zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig. Dit aspect levert geen belemmeringen op voor het plan.

5.9 Waterparagraaf

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder b) moet inzicht worden gegeven in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Daarbij zijn de hierna beschreven beleidsstukken van belang.

Rijksbeleid
Nationaal waterplan
In december 2015 stelde het kabinet het Nationaal Waterplan vast. Dit plan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016-2021 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water, en diverse vormen van gebruik van water. Ook worden de maatregelen genoemd die hiertoe worden genomen.

Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie.

Provinciaal beleid
Provinciaal Waterplan
In het Waterplan Gelderland is het waterbeleid beschreven aan de hand van een aantal thema's, zoals landbouw, wateroverlast, watertekort, natte natuur, grondwaterbescherming en hoogwaterbescherming. Voor deze thema's is beschreven welke doelstellingen voor 2027 en 2015 er liggen. Daarbij is beschreven hoe de provincie voor de planperiode de uitvoering van acties ziet om die doelstellingen te bereiken. Bij sommige thema's gelden aanvullende waterdoelstellingen voor specifieke waterhuishoudkundige functies.

Waterschap Rivierenland
Waterbeheerplan 2016-2021
Dit plan, vastgesteld op 27 november 2015, gaat over het waterbeheer in het hele rivierengebied en het omvat alle watertaken van het waterschap: waterkwantiteit, waterkwaliteit, waterkering en waterketen. In het Waterbeheerplan staat wat Waterschap Rivierenland de komende periode gaat doen om inwoners van het rivierengebied veiligheid en voldoende schoon en mooi water in sloten en plassen te kunnen blijven bieden. Het plan is in samenwerking met onder meer de gemeente Overbetuwe opgesteld.

Keur Waterschap Rivierenland 2014
Voor waterhuishoudkundige ingrepen is de 'Keur Waterschap Rivierenland 2014' van toepassing. De Keur is een waterschapsverordening die gebods- en verbodsbepalingen bevat met betrekking tot ingrepen, die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. Zo is het onder andere verboden om handelingen te verrichten waardoor het onderhoud, aanvoer, afvoer en/of berging van water kan worden belemmerd, zonder een ontheffing van het Waterschap. De wateren en waterkeringen waarop de keur van toepassing is, zijn vastgelegd in de legger wateren.

Realisatie van nieuwe bebouwing en/of verhard oppervlak moet hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. Bij het toevoegen van bebouwing of verharding geldt een compensatieplicht. Er geldt een eenmalige vrijstelling van de compensatieplicht wanneer minder verharding dan 500 m² in stedelijk gebied of minder dan 1.500 m² in landelijk gebied wordt toegevoegd.

Gemeente Overbetuwe
Waterplan Overbetuwe
In 2008 stelde de gemeente Overbetuwe in samenwerking met het Waterschap Rivierenland het Waterplan Overbetuwe vast. Het waterbeheerplan van het waterschap is later geactualiseerd (zie hierboven), ook in samenwerking met onder meer de gemeente Overbetuwe. Beide plannen gelden naast elkaar.

In het Waterplan Overbetuwe wordt het beleidskader geschetst en worden concrete maatregelen voor het watersysteem uitgewerkt. Naast het waterplan wordt parallel een Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) opgesteld waarin de maatregelen voor de riolering (waterketen) worden uitgewerkt.

Met het opstellen van een waterplan wordt inzicht gegeven in de relevante wateropgaven voor de gemeente Overbetuwe, zoals:

  • wateroverlast, het zoeken van oplossingen om wateroverlast tegen te gaan;
  • waterkwaliteit, het onderzoeken van mogelijkheden voor het verbeteren van de waterkwaliteit;
  • grondwater, het inventariseren van grondwateroverlast;
  • beleving van water, burgers betrekken bij water;
  • afspraken en taken van waterschap en gemeente.


Beoordeling (watertoets)
Dit bestemmingsplan maakt een LNG-installatie op een bestaand tankstation mogelijk. Ter plaatse van de nieuwe LNG-installatie is het oppervlak in de bestaande situatie al geheel verhard. Het verhard oppervlak wijzigt ten gevolge van het plan niet.

Dit betekent niet, dat het plan niet relevant is in het kader van het aspect waterhuishouding. Een (LNG-)tankstation kan zorgen voor vervuiling van water met brandstof. Eventueel verontreinigd hemelwater wordt daarom via een olie-waterafscheider geloosd op de gemeentelijke riolering. Niet verontreinigd hemelwater wordt geloosd op de nabijgelegen watergangen. Schoon en vervuild water worden zodoende gescheiden afgevoerd.

In het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. In de directe omgeving zijn enkele watergangen aanwezig. Het plan heeft hierop geen invloed.

De planlocatie ligt niet binnen de beschermingszone van een waterkering. Ten aanzien van deze aspecten treden er geen belemmeringen op.

Conclusie
Het aspect waterhuishouding vormt geen belemmering in het kader van dit plan onder de voorwaarde dat een adequate voorziening in de vorm van een olie-waterafscheider aanwezig is, waarmee vermenging van vervuild water met schoon hemel- en oppervlaktewater wordt voorkomen.

5.10 Flora en fauna

De bescherming van de natuur is sinds 1 januari 2017 vastgelegd in de Wet Natuurbescherming (Wnb). Deze heeft de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet vervangen. De Wnb geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan moet worden onderzocht of de Wnb de uitvoering van het plan niet in de weg staat in verband met de bescherming van gebieden en dier- en plantsoorten. De provincies zijn het bevoegd gezag voor zowel de gebieds- als de soortenbescherming.

Gebiedsbescherming
In de Wnb is de bescherming opgenomen van Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan moet worden onderzocht of dit plan, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan alleen worden vastgesteld als uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Als deze zekerheid er niet is, kan het plan worden vastgesteld als wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:

  • alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden;
  • het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en
  • de noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.

Het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen: Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones. Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime. Het NNN is op provinciaal niveau uitgewerkt in het Gelders Natuurnetwerk (GNN) met de bijbehorende Groene Ontwikkelingszones (GO). Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen.

Soortenbescherming
In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen:

  • soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn;
  • soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn;
  • de bescherming van overige soorten.

Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag.

Beoordeling
Gebiedsbescherming
Het plangebied ligt niet in een Natura 2000-gebied. Deze gebieden liggen op circa 0,7 kilometer afstand ('Uiterwaarden Waal').

Significant negatieve effecten op Natura 200-gebieden zijn, gezien de afstand tot beschermde natuurgebieden en de aard van de ontwikkeling, met uitzondering van een toename van stikstofdepositie op voorhand uitgesloten. Om te beoordelen of er sprake zal zijn van een toename van stikstofdepositie, is onderzoek verricht door middel van AERIUS-berekeningen voor de aanlegfase (Bijlage 5) en de gebruiksfase (Bijlage 6). Tevens is een toelichtende notitie, waarin de relevante wet- en regelgeving, onderzoeksopzet, de uitgangspunten en de resultaten zijn beschreven (Bijlage 4). Uit de berekeningen blijkt dat stikstofgevoelige habitats op circa 1,8 kilometer afstand liggen. De berekeningen tonen aan dat er geen rekenrsultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jr op stikstofgevoelige habitats optreden in zowel de aanleg- als de gebruiksfase. Significant negatieve gevolgen door stikstofdepositie kunnen daarom uitgesloten worden. Er geldt geen vergunningplicht op grond van de Wnb.

Het plangebied ligt niet binnen de invloedssfeer van gebieden, die tot het GNN en de GO behoren. Nadere toetsing ten aanzien van deze gebieden is niet aan de orde.

Het aspect gebiedsbescherming vormt geen belemmering voor de realisatie van een LNG-tankstation in het plangebied.

Soortenbescherming
In de huidige situatie is in het plangebied al een tankstation aanwezig. Gezien de inrichting van het terrein en de functies en inrichting in de omgeving, is het aannemelijk dat er op de locatie geen beschermde flora en fauna aanwezig (gevestigd is). Het plangebied is niet geschikt als leefgebied voor beschermde soorten en zal hooguit door een enkele passant worden aangedaan. Negatieve effecten vanwege de LNG-installatie op beschermde soorten zijn daarom op voorhand uitgesloten.

Conclusie
In het kader van deze bestemmingsplanprocedure zijn er geen belemmeringen te verwachten met betrekking tot flora en fauna.

5.11 Archeologie en cultuurhistorie

De bescherming van archeologisch en cultureel erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening moet in het plan rekening worden gehouden met cultuurhistorische waarden.

De gemeente Overbetuwe heeft voor haar gemeentelijk grondgebied een erfgoedplan en een archeologische beleidsadvieskaart gemaakt. Het erfgoedplan beoogt versterking van de plaats en betekenis van cultuurhistorie als factor in het ruimtelijk beleidsproces.

Beoordeling
Archeologie
Dit bestemmingsplan maakt het oprichten van een LNG-tankinstallatie op een bestaand bedrijfsperceel (tankstation) mogelijk. In het plangebied is volgens de archeologische beleidskaart een hoge tot zeer hoge archeologische verwachtingswaarde aanwezig. Er zijn slechts beperkte bodemingrepen nodig voor de realisatie van het plan. De opslag van LNG vindt bovengronds plaats. De drempelwaarden voor archeologisch onderzoek (50-100 m² met een diepte van ten minste 0,30 meter) worden niet overschreden. Een archeologisch onderzoek is dus niet noodzakelijk.

In het plan worden conform de archeologische beleidskaart de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologische verwachting 1' en 'Waarde - Archeologische verwachting 2' opgenomen. Hiermee is het belang van behoud van eventuele archeologische waarden bij toekomstige ingrepen gewaarborgd. Voor zover er in de toekomst sprake is van een bouwplan, waarbij de drempelwaarden worden overschreden, is een archeologisch onderzoek noodzakelijk.

Cultuurhistorie
In het plangebied en in de directe omgeving zijn geen cultuurhistorisch waardevolle elementen of bebouwing aanwezig. Aantasting van cultuurhistorische waarden vanwege het plan is dan ook uitgesloten.

Conclusie
De aspecten archeologie en cultuurhistorie zorgen niet voor belemmeringen in het kader van dit bestemmingsplan.

5.12 Verkeer en parkeren

Parkeren
De gemeente Overbetuwe heeft haar parkeerbeleid en -normen vastgelegd in de Nota Parkeernormen gemeente Overbetuwe 2016. Uitgangspunt is dat parkeren op eigen terrein plaatsvindt. Het plangebied behoort tot het gebied 'rest bebouwde kom'. Voor een LNG-tankstation is, gezien de specifieke gebruiksvorm, geen specifieke norm opgenomen in de nota. In de huidige situatie is het perceel al in gebruik als tankstation en dit blijft ongewijzigd. Het oprichten van een LNG-installatie leidt niet tot een hogere parkeerbehoefte voor de functie. Er is slechts sprake van een parkeerbehoefte voor kortstondig parkeren. Hiervoor is op het perceel ruimschoots voldoende verhard oppervlak beschikbaar.

Het aspect parkeren levert geen belemmeringen op in het kader van dit bestemmingsplan.

Verkeer
De realisatie van een nieuw (LNG-)tankstation kan een verkeersaantrekkende werking tot gevolg hebben. Een LNG-tankstation is specifiek gericht op vrachtwagens, die voor dit type brandstof uitgerust moeten zijn. Met name in de transportsector wordt van LNG gebruik gemaakt. In dit geval is er echter sprake van een bestaand tankstation. Het toevoegen van een LNG-installatie zal leiden tot een toename van het aantal verkeersbewegingen, dat het plangebied aandoet. Naar verwachting is het aandeel LNG-vrachtwagens ten opzichte van ander verkeer relatief gering, zeker in de eerste jaren. Niet uitgesloten is dat dit aandeel op termijn groeit, maar daarmee samenhangend valt een dalend aantal 'reguliere' vrachtwagenbewegingen te verwachten. Op zichzelf betreft het LNG-vrachtverkeer geen nieuwe verkeersbewegingen, omdat het LNG-tankstation bestaand verkeer bedient, dat onderweg is van de ene naar de andere locatie. Dit kan zowel vrachtverkeer van en naar het bedrijventerrein zijn als vrachtverkeer dat onderweg is van de ene naar de andere locatie elders. De ontwikkeling leidt dus niet tot een toename van verkeer in de omgeving/regio.

De infrastructuur in de omgeving van het plangebied is berekend op het verwerken van vrachtwagens. Dit is noodzakelijk voor een goed functioneren van dit nieuwe bedrijventerrein. In dit kader is ook van belang, dat het plangebied op korte afstand (minder dan 0,5 kilometer) afstand van de op- en afrit naar de A15 ligt. Dit betekent dat verkeer, dat vanaf deze weg specifiek naar het tankstation rijdt, slechts een korte extra route aflegt. Dit geldt evenzeer voor vrachtwagens die vanaf het bedrijventerrein het tankstation aandoen. Het perceel zelf betreft een bestaand tankstation, waarvoor de benodigde verharding en ontsluitingsvoorzieningen al aanwezig zijn. Wat betreft de verkeersafwikkeling wijzigt er dus niets.

Het aspect verkeer levert geen belemmeringen op voor het plan.

Hoofdstuk 6 Juridische planopzet

6.1 Algemene opzet

Inleiding
Dit hoofdstuk bevat de concrete vertaling van het beleidsgedeelte en de gewenste ontwikkeling (voorafgaande hoofdstukken) in het juridisch gedeelte van het bestemmingsplan (de verbeelding en regels).

Het bestemmingsplan 'Oosterhout, Rietgraaf 13' bestaat uit de volgende onderdelen:

De toelichting
In de toelichting is de ontwikkeling beschreven en verantwoord, zowel op basis van het beleid als op basis van milieu-hygiënische aspecten, aangevuld met een toelichting op de juridische opzet.

De regels
Deze bevatten de bouw- en gebruiksregels binnen de verschillende bestemmingen en algemene regels die in het gehele plangebied gelden. Daarnaast zijn waar nodig afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden opgenomen, om het plan de benodigde flexibiliteit te geven.

De verbeelding
Op de verbeelding zijn de bestemmingen 'Bedrijventerrein', 'Verkeer', 'Waarde - Archeologische verwachting 1' en 'Waarde - Archeologische verwachting 2' opgenomen. Ook zijn enkele aanduidingen en een bouwvlak opgenomen.

De opzet van het plan
Het bestemmingsplan is een juridisch plan, dat bindend is voor inwoners en voor de overheid. Qua systematiek is aangesloten bij het huidige bestemmingsplan 'De Nieuwe Rietgraaf'. Daarbij zijn de huidige planologische mogelijkheden zoveel mogelijk overgenomen.

Bouwplan
Als een aanvraag om omgevingsvergunning wordt ingediend, zijn in eerste instantie de bestemming met bijhorende regels van belang. Als het nieuwe en het beoogde gebruik past binnen de toegekende bestemming, dan kan de omgevingsvergunning worden verleend.

6.2 Toelichting op de verbeelding en regels

Op de verbeelding zijn de bestemmingen onderscheiden. De bestemmingen zijn afgeleid uit het gebruik (de aanwezige functies). De bestemmingen vormen het zogenaamde casco van het plan, waarvan in principe niet mag worden afgeweken.

Bedrijventerrein
Het perceel van het tankstation behoudt de bestemming 'Bedrijventerrein'. De functieaanduiding 'specifieke vorm van bedrijventerrein - LNG-tankstation' is toegevoegd. De overige gronden binnen de veiligheidszone, die in de huidige situatie al een bedrijventerreinbestemming hebben, behouden deze bestemming met de bijbehorende bouw- en gebruiksmogelijkheden.

Gebruik
De gronden zijn bestemd voor:

  • bedrijven genoemd in de als bijlage toegevoegde Lijst van bedrijfsactiviteiten, van maximaal milieucategorie 4.2;
  • een verkooppunt voor motorbrandstoffen, inclusief LNG, uitsluitend op het perceel van het tankstation. Het vulpunt voor LNG is specifiek aangeduid;
  • productiegebonden detailhandel;
  • niet zelfstandige kantoren, als onderdeel van de bedrijven, mits het kantooraandeel niet meer bedraagt dan 40% van de bedrijfsvestiging;
  • wegen, (collectieve) parkeervoorzieningen en fiets- en voetpaden;
  • groenvoorzieningen;
  • nutsvoorzieningen en bluswatervoorziening;
  • waterhuishoudkundige voorzieningen, waaronder retentie en waterberging.

Bouwen
Binnen de bestemming is een bouwvlak opgenomen, evenals in de huidige situatie. Er mogen bedrijfsgebouwen en overige bouwwerken worden opgericht. Bedrijfswoningen zijn niet toegestaan. Er is geen minimum- of maximum bebouwingspercentage opgenomen. De maximum hoogten zijn overgenomen overeenkomstig het huidige bestemmingsplan.

Verkeer
Binnen een deel van de veiligheidszone is de huidige bestemming 'Verkeer' overgenomen. De bouw- en gebruiksmogelijkheden sluiten integraal aan op het huidige bestemmingsplan. Dit betekent dat onder meer (gebiedsontsluiting)wegen met maximaal 2 x 2 rijstroken, inclusief de daarbij behorende vluchtstroken, in- en uitvoegstroken en rotondes, voet- en fietspaden, parkeervoorzieningen, bermen en groenvoorzieningen zijn toegestaan.

Waarde - Archeologische verwachting 1 en 2
In het plan is de archeologische dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologische verwachting 1 en 2' opgenomen, ten behoeve het behoud en de bescherming van archeologische waarden in of nabij het plangebied. Deze dubbelbestemmingen komen overeen met de archeologische beleidskaart van de gemeente. Naast de betreffende dubbelbestemming hebben de betrokken gronden altijd nog de betreffende hoofdbestemming. De regels van de hoofdbestemming en de dubbelbestemming zijn beide van toepassing, maar bij strijd tussen deze bepalingen prevaleren de bepalingen van de dubbelbestemming. De reden hiervoor is dat de belangen van de dubbelbestemming zwaarder wegen dan die van de hoofdbestemming. De dubbelbestemmingen bevatten een omgevingsvergunningplicht en een plicht tot het doen van archeologisch onderzoek voor bodemingrepen dieper dan 0,3 meter onder het maaiveld, met een oppervlakte van meer dan 50 respectievelijk 100 m².

Algemene regels
Anti-dubbeltelregel
Deze regel is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.

Algemene gebruiksregels
Dit artikel bevat de vormen van gebruik, die in ieder geval strijdig zijn met de regels van het bestemmingsplan.

Algemene afwijkingsregels
In dit artikel wordt een opsomming gegeven van de regels waarvan door middel van een omgevingsvergunning afgeweken kan worden van het bestemmingsplan. Het gaat hier onder meer om kleinschalige afwijkingen van de voorschreven maatvoering en overschrijdingen van de bouwgrenzen.

Algemene aanduidingsregels
Met het oog op het aspect externe veiligheid, is een veiligheidszone op de verbeelding opgenomen door middel van een gebiedsaanduiding. Deze beslaat een gebied van 50 meter rondom het vulpunt voor LNG. Binnen deze zone, 'veiligheidszone - LNG', mogen geen nieuwe kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten worden opgericht.

Algemene wijzigingsregels
In dit artikel zijn wijzigingsbevoegheden opgenomen voor kleinschalige wijzigingen in de bestemmingsgrenzen, onder meer ten behoeve van een afwijkend beloof of profiel van een watergang of weg. De voorwaarden waaronder de wijziging kan worden toegelaten, zijn opgesomd in het artikel.

Overgangs- en slotregels
Overgangsrecht
Het voor alle bestemmingsplannen verplichte overgangsrecht is opgenomen. Bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een omgevingsvergunning voor het bouwen is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bebouwingsregels. De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, ook brengt het niet met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen kan worden verleend. Burgemeester en wethouders kunnen in beginsel dus nog gewoon gebruik maken van hun handhavingbevoegdheid. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan mag eveneens worden voortgezet.

Slotregel
Dit artikel geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald.

Hoofdstuk 7 Financiële toelichting

Kostenverhaal
Uitgangspunt voor de beoogde ontwikkeling is dat deze voor de gemeente budgetneutraal worden ontwikkeld. Op grond van artikel 6.12 lid 1 Wet ruimtelijke ordening (Wro) is de gemeenteraad van Overbetuwe verplicht om, als sprake is van een bouwplan, de gemeentelijke kosten te verhalen. Met dit bestemmingsplan wordt geen nieuw bouwplan in de zin van artikel 6.2.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) mogelijk gemaakt. Er geldt daarom geen verplichting tot het vaststellen van een exploitatieplan.

Financiële haalbaarheid
De kosten, die gemaakt worden voor de realisatie van het plan, komen voor rekening van de initiatiefnemer. Er zijn geen onvoorziene hoge kosten te verwachten. Ook is er geen sprake van onzekere financiële bijdragen van anderen. De financieel-economische haalbaarheid is hiermee in voldoende mate aangetoond.

Hoofdstuk 8 Overleg en inspraak

8.1 Inleiding

De procedures voor vaststelling van een bestemmingsplan zijn door de wetgever geregeld. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties waar nodig overleg over het plan moet worden gevoerd, voordat een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Bovendien kan het noodzakelijk zijn om belanghebbenden de gelegenheid te bieden om hun visie omtrent het plan te kunnen geven. Dit is afhankelijk van de inspraakverordening van de gemeente. Pas daarna kan de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van het bestemmingsplan van start gaan.

8.2 Inspraak

De Wro zelf bevat geen bepalingen over inspraak. Dat neemt niet weg dat de gemeente toch inspraak kan verlenen op grond van de gemeentelijke inspraakverordening. In relatie daarmee bepaalt artikel 150 van de Gemeentewet onder meer dat in een gemeentelijke inspraakverordening moet worden geregeld op welke wijze personen en rechtspersonen hun mening kenbaar kunnen maken. Voor dit bestemmingsplan vond, gezien de aard van de ontwikkeling, geen inspraak plaats.

8.3 Overleg

Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) geeft aan dat het bestuursorgaan, dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan, overleg pleegt met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen. Ook moet overleg worden gepleegd met die diensten van provincie en Rijk, die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of die belast zijn met de behartiging van belangen, welke in het plan in het geding zijn. Gezien de aard en omvang van de ontwikkeling, vond in dit geval geen vooroverleg plaats. Wel is het plan voortijdig aan de Veiligheidsregio Gelderland-Midden (VGGM) voorgelegd en in de gelegenheid gesteld om een advies uit te brengen. De VGGM heeft geadviseerd over de mogelijkheden voor rampenbestrijding en zelfredzaamheid. In paragraaf 5.7 is dit uitgebreid beschreven.

8.4 Vaststellingsprocedure

De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan vindt plaats volgens artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening. Het bestemmingsplan wordt in dit kader ter visie gelegd gedurende een periode van zes weken. Gedurende deze periode kan een ieder zijn zienswijzen kenbaar maken tegen het plan. Eventuele zienswijzen worden samengevat en van een reactie voorzien.

Het plan wordt vervolgens, al dan niet gewijzigd, ter vaststelling aangeboden aan de gemeenteraad.

8.5 Beroep

Na vaststelling wordt het bestemmingsplan voor de tweede maal zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking.