direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Buitengebied, De Hel ongenummerd (ten oosten van 4e), Randwijk
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1734.0316BUITdehelongen-VSG1

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Initiatiefnemer wil op de locatie aan De Hel ongenummerd te Randwijk, ten oosten van nr. 4e, een boomkwekerij met een bedrijfswoning vestigen. Bij de boomkwekerij wordt ook een bedrijfsloods opgericht. De gronden in het plangebied zijn door de initiatiefnemer al in gebruik als boomkwekerij, maar er zijn geen gebouwen aanwezig en toegestaan. De Stichting Advisering Agrarische Bouwplannen heeft een positief advies over het voornemen afgegeven en aangegeven dat er nu sprake is van een volwaardig agrarisch bedrijf met toekomstperspectief.


Het vestigen van een boomkwekerij en daarbij oprichten van de bedrijfsloods en bedrijfsbebouwing is in strijd met het huidige bestemmingsplan. Daarom is een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk. De gemeente wil onder voorwaarden medewerking aan het initiatief verlenen. Voorwaarde is onder meer dat het perceel en de bebouwing landschappelijk worden ingepast en dat aan de oostkant van het perceel een natuurvriendelijke oever wordt gerealiseerd. Dit bestemmingsplan 'Buitengebied, De Hel ongenummerd (ten oosten van 4e), Randwijk' voorziet in een nieuw planologisch-juridisch kader om de ontwikkeling mogelijk te maken en geeft de voorwaarden daarbij aan.

1.2 Ligging en beschrijving plangebied

Het plangebied ligt in het buitengebied van de gemeente Overbetuwe, nabij de grens met de gemeente Neder-Betuwe, circa 2 kilometer oostelijk van Opheusden (gemeente Neder-Betuwe), circa 2,5 kilometer noordwestelijk van Zetten en ruim 2,5 kilometer zuidoostelijk van Randwijk. Op afbeelding 1 is de ligging van het plangebied weergegeven.

Het plangebied ligt aan de weg De Hel, een lokale weg tussen Opheusden en de Randwijkse Rijndijk. Aan de weg zijn voornamelijk grasland en agrarische bedrijfspercelen, waaronder boomkwekerijen aanwezig. De omgeving wordt dan ook gekenmerkt als een agrarisch gebied. Dit gebied is ontstaan, nadat rond 1985 de verbindingsweg De Hel is aangelegd. Voorheen was er sprake van akkerbouw in het gebied, maar na deze tijd is een aantal boomkwekerijen opgericht. De oorspronkelijke verkaveling met slotenpatroon, gericht op de historische boerderij De Hel, is daarbij gehandhaafd.

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0316BUITdehelongen-VSG1_0001.png"  
Afbeelding 1: ligging van het plangebied (bron: Google Maps)  

1.3 Huidig bestemmingsplan

In het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Buitengebied Overbetuwe', dat is vastgesteld op 5 maart 2013. In het plangebied geldt de bestemming 'Agrarisch'. Er zijn geen bouwvlakken of specifieke aanduidingen opgenomen. Verder gelden de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologische verwachting 2, 3 en 4' in het plangebied en ligt de een zone aan de westkant van het plangebied binnen de dubbelbestemming 'Leiding - Hoogspanningsverbinding'.

In afbeelding 2 is de begrenzing van het plangebied binnen het huidige bestemmingsplan aangegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0316BUITdehelongen-VSG1_0002.png"  
Afbeelding 2: uitsnede huidig bestemmingsplan 'Buitengebied Overbetuwe' (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)  


Het huidige bestemmingsplan laat in het plangebied grondgebonden agrarische bedrijven toe. Het al bestaande gebruik als boomkwekerij is hiermee in overeenstemming. Het oprichten van agrarische bedrijfsgebouwen en een bedrijfswoning is echter in strijd met het bestemmingsplan. Hiervoor is een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk.

1.4 Leeswijzer

Deze toelichting is als volgt opgebouwd. Na dit inleidende hoofdstuk, worden in hoofdstukken 2 en 3 respectievelijk de bestaande en de toekomstige situatie in het plangebied beschreven. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op het voor dit bestemmingsplan van toepassing zijnde rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid. In hoofdstuk 5 komen de relevante milieu- en omgevingsaspecten aan de orde. Daarmee wordt inzichtelijk gemaakt of de ontwikkeling in ruimtelijk en milieuhygiënisch opzicht aanvaardbaar en haalbaar is en voldoet aan het vereiste van een goede ruimtelijke ordening. In hoofdstuk 6 is de juridische planopzet beschreven en in hoofdstuk 7 is de financiële toelichting opgenomen. Hoofdstuk 8 gaat in op enkele procedurele aspecten, zoals overleg en inspraak.

Hoofdstuk 2 Bestaande situatie

Het plangebied betreft een ongenummerd perceel aan De Hel, ten oosten van nr. 4e. Het plangebied is momenteel in gebruik als boomkwekerij. Er is geen bebouwing aanwezig. De boomkwekerij beschikt wel over een verharde ontsluiting op de weg. Het plangebied wordt begrensd door grasland aan de noord- en oostkant, het agrarisch bedrijfsperceel De Hel 4e (boomkwekerij) aan de westkant en door de weg De Hel aan de zuidkant. Aan alle randen van het plangebied zijn watergangen aanwezig en centraal door het plangebied loopt eveneens een watergang.

Aan de westkant van het plangebied is een hoogspanningsverbinding aanwezig, maar er staan geen hoogspanningsmasten in het plangebied. Ten zuiden van het plangebied is een transformatorstation aanwezig.

In afbeelding 3 is de huidige situatie in het plangebied zichtbaar.

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0316BUITdehelongen-VSG1_0003.png"  
Afbeelding 3: luchtfoto van de bestaande situatie en begrenzing van het plangebied (bron: Bing Maps)  

Hoofdstuk 3 Toekomstige situatie

Initiatiefnemer is eigenaar van een boomkwekerij. De initiatiefnemer heeft de gronden in het plangebied recent in eigendom verkregen en wil op deze locatie een volwaardig boomkwekerijbedrijf starten. Hiervoor is een bedrijfsloods noodzakelijk. In de bedrijfsloods worden de werktuigen en het materieel voor het bedrijf gestald. Hiervoor wordt momenteel nog een schuur elders gehuurd. Daarnaast wil de initiatiefnemer een bedrijfswoning oprichten en ter plaatse gaan wonen. De loods en bedrijfswoning worden met een gezamenlijke inrit toegankelijk. Ten slotte wil hij een containerveld voor teelt in potten aanbrengen. Hierdoor kan het hele jaar door worden geleverd. Dit containerveld krijgt een maximale omvang van 1,5 hectare conform het toegestane in het huidige bestemmingsplan 'Buitengebied Overbetuwe'.

Het bedrijf beschikt over 6,9 hectare aan teeltgronden, waarvan 2,76 hectare in eigendom is en de rest in langdurige pacht. Er is daarmee sprake van een volwaardig agrarisch bedrijf met toekomstperspectief. De Stichting Advisering Agrarische Bouwplannen heeft een positief advies over het voornemen afgegeven (8 augustus 2018, zie Bijlage 1).

In afbeelding 4 is de toekomstige situatie schetsmatig aangegeven. De bestaande verharde inrit wordt verbreed, zodat deze geschikt is voor het toekomstige (vracht)verkeer. Op eigen terrein wordt voorzien in parkeergelegenheid. Het perceel wordt aan de oostkant landschappelijk ingepast door middel van een bomenrij. Daarbij wordt een natuurvriendelijke oever gerealiseerd aan de westkant van de daar aanwezige watergang. Verder blijven alle bestaande watergangen gehandhaafd.

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0316BUITdehelongen-VSG1_0004.png" afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0316BUITdehelongen-VSG1_0005.png"  
Afbeelding 4: toekomstige inrichting en landschappelijke inpassing in het plangebied (bron: Buro SRO)  

Hoofdstuk 4 Beleidskader

4.1 Rijksbeleid

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR)
In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte staan de plannen van de Rijksoverheid voor ruimte en mobiliteit. Het Rijk streeft naar een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland. Om dit te bereiken, laat het Rijk de ruimtelijke ordening meer over aan de decentrale overheden (provincie en gemeenten) en komt de gebruiker centraal te staan. Het Rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 13 nationale belangen. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid.

Beoordeling en conclusie
Met dit bestemmingsplan wordt een boomkwekerij met een bedrijfswoning mogelijk gemaakt. Het gaat hier om een lokale ontwikkeling, die gezien de aard en omvang van het plan geen relatie met het ruimtelijke ordeningsbeleid op rijksniveau heeft. Er zijn geen nationale belangen in het geding. Het initiatief conflicteert niet met het nationaal ruimtelijke ordeningsbeleid, zoals vastgelegd in de SVIR.

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)
Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft richtlijnen voor de inhoud van ruimtelijke plannen, voor zover het gaat om ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang. De normering uit het Barro werkt zoveel mogelijk direct door op het niveau van de lokale besluitvorming. Bij besluitvorming over ruimtelijke plannen moeten de regels van het Barro worden gerespecteerd.

Beoordeling en conclusie
Het initiatief is een lokale ontwikkeling. Er zijn geen nationale belangen in het geding. Het Barro heeft geen doorwerking naar dit plan.

Ladder voor duurzame verstedelijking
Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen, is per 1 oktober 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening. De ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De ladder is een motiveringsinstrument dat moet worden toegepast bij elk ruimtelijk besluit dat een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling' mogelijk maakt. Wat onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan, is in artikel 1.1.1 Bro bepaald: 'De ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.” Uit de jurisprudentie komt naar voren dat het wel een nieuwe stedelijke ontwikkeling van enige omvang moet zijn (ECLI:NL:RVS:2016:1503).

In een bestemmingsplan moet worden aangegeven dat de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte plus een motivering als de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd: 'De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien”.

Beoordeling en conclusie
Met dit bestemmingsplan wordt ter plaatse van een bestaande boomkwekerij een agrarisch bouwvlak toegevoegd, waarbinnen een bedrijfsgebouw en één bedrijfswoning worden toegestaan. Er is sprake van een toename van het ruimtebeslag, omdat er nieuwe bebouwing met een bedrijfsmatige functie en woonfunctie wordt toegestaan. Gezien de aard van het toekomstige gebruik, namelijk een boomkwekerij, is er sprake van een functie die in bestaand stedelijk gebied niet reëel is, maar aan het landelijk gebied verbonden is. Van nieuw ruimtebeslag ten behoeve van stedelijke functies is dus geen sprake. In lijn met het doel van de Ladder voor duurzame verstedelijking en in het kader van een goede ruimtelijke ordening, is het van belang dat aan het toekennen van een nieuw agrarisch bouwvlak een zorgvuldige afweging en locatie-keuze heeft plaatsgevonden. Initiatiefnemer heeft onderzoek gedaan naar alternatieve locaties (bestaande agrarische bouwpercelen) binnen een straal van 5 kilometer rondom het plangebied. Er zijn in de omgeving geen geschikte bestaande locaties beschikbaar voor dit voornemen. In paragraaf 4.3 is dit nader toegelicht. Daarnaast is het toevoegen van een agrarisch bouwperceel voor een boomkwekerij op de planlocatie passend in de omgeving. In de directe omgeving van het plangebied zijn namelijk voornamelijk agrarische bedrijven en in het bijzonder meerdere boomkwekerijen aanwezig. Het plangebied ligt bovendien in een gebied, dat in de Intergemeentelijke Strategische Visie Laanboomcentrum Betuwe valt binnen het 'werkgebied laanboomcentrum'. Dit gebied, ten westen van de A50, is aangewezen als gebied waar boomteelt tot ontwikkeling kan komen. De planlocatie valt dus voor de ontwikkeling van een nieuwe boomkwekerij te prevaleren boven andere locaties. Het initiatief is passend in het sectoraal beleid op regionaal niveau en de locatie voor nieuwvestiging is zorgvuldig afgewogen.

Het plan is in overeenstemming met de Ladder voor duurzame verstedelijking.

4.2 Provinciaal beleid

Omgevingsvisie Gaaf Gelderland
Provinciale Staten hebben op 19 december 2018 de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland (hierna: de Omgevingsvisie) vastgesteld. Deze is in werking getreden op 1 maart 2019. Het doel van de Omgevingsvisie is: een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland, vanuit het verleden én met het oog op de toekomst. De provincie is als middenbestuur een belangrijke schakel bij het bereiken van deze doelstellingen en wil op een aantal manieren waarde toevoegen:

  • met een brede blik kijken naar de inrichting en kwaliteit van de Gelderse leefomgeving;
  • stimuleren van ontwikkelingen enerzijds en beschermen van waarden anderzijds;
  • focussen op duurzaamheid, onderlinge verbondenheid en een economisch krachtig Gelderland;
  • door middel van 7 ambities verder verdiepen van de focus.

De 7 ambities van de provincie zien op de volgende thema's: energietransitie, klimaatadaptatie, circulaire economie, biodiversiteit, bereikbaarheid, vestigingsklimaat en de woon- en leefomgeving. Per ambitie is de provinciale aanpak beschreven.

Beoordeling en conclusie
De Omgevingsvisie is concreet uitgewerkt in de hierna beschreven Omgevingsverordening Gelderland. Deze verordening bevat concrete regels, waaraan het initiatief wordt getoetst. De Omgevingsvisie zelf bevat geen regels, die voor dit bestemmingsplan direct van belang zijn, anders dan met betrekking tot thema's die in de Omgevingsverordening doorwerken.

Omgevingsverordening Gelderland
Provinciale Staten hebben de Omgevingsverordening Gelderland (hierna: de Omgevingsverordening of verordening) vastgesteld op 24 september 2014. De verordening wordt geregeld geactualiseerd. De meest recente actualisatie van de Omgevingsverordening dateert van 19 december 2018.

De regels in de verordening kunnen betrekking hebben op het hele provinciale grondgebied, op delen of op gebiedsgerichte thema's. Gemeenten moeten binnen een bepaalde termijn hun bestemmingsplan afstemmen op de in de verordening opgenomen regels. De regels in de verordening zijn gebaseerd op de provinciale omgevingsvisie en hebben de status van algemeen verbindende voorschriften.

Beoordeling
Het plangebied ligt binnen de in de volgende opsomming aangegeven aanduidingen. Per thema wordt ingegaan op de relatie tot het plan. De Omgevingsverordening bevat geen specifiek beleid met betrekking tot boomkwekerijen en het toevoegen van een bedrijfswoning.

  • plussenbeleid. 
    Het plan heeft geen betrekking op veehouderij. Dit thema is niet van toepassing.
  • tijdelijk verbod nieuwvestiging, uitbreiding en hervestiging glastuinbouw.
    Er is geen sprake van glastuinbouw met het plan.

  • Romeinse Limes.
    Het plangebied ligt aan de rand van de Romeinse Limes (archeologisch monument). De Romeinse Limes loopt dwars door Nederland, van Katwijk aan Zee in het westen tot aan de Duitse grens in het oosten. Bestemmingsplannen die onderdeel uitmaken van de Romeinse Limes (vertaald: 'grenspad'), mogen geen ontwikkelingen mogelijk maken die de kernkwaliteiten van dit erfgoed aantasten. De kernkwaliteiten van de Romeinse Limes zijn forten, burgerlijke nederzettingen, kampdorpen, grafvelden, de militaire infrastructuur, bestaande uit wegen, waterwerken en wachttorens en scheepswrakken (artikel 2.59). Het plangebied betreft een bestaande boomkwekerijlocatie, waar een loods en bedrijfswoning mogen worden opgericht met dit bestemmingsplan. Gezien de huidige functie en (perceels)indeling van het plangebied zijn er in de huidige situatie geen elementen van de Romeinse Limes zichtbaar in het plangebied. Het plan tast de kernkwaliteiten dus niet aan. Voordat een omgevingsvergunning voor het 'bouwen' wordt verleend, moet een verkennend archeologisch onderzoek worden uitgevoerd (zie ook paragraaf 5.12). Mocht er sprake zijn van herkenbare archeologisch waardevolle elementen, dan worden deze tijdig in beeld gebracht. De bescherming van de Romeinse Limes is hiermee voldoende gewaarborgd.
  • intrekgebied.
    Negatieve effecten op het intrekgebied zijn uitgesloten. Winning van fossiele energie wordt niet mogelijk gemaakt.
  • boringsvrije zone.
    Negatieve effecten op de boringsvrije zone zijn uitgesloten. Al dan niet directe onttrekking van warmte aan de bodem of het grondwater is niet aan de orde. Daarnaast zijn de verboden, zoals opgesomd in artikel 3.25, zoals het verrichting van boringen, niet aan de orde.
  • koude-warmteopslagvrije zone.
    Al dan niet directe onttrekking van warmte aan de bodem of het grondwater is niet aan de orde. Daarnaast zijn de verboden, zoals opgesomd in artikel 3.28, zoals het verrichting van boringen, niet aan de orde. Negatieve effecten in de koude-warmteopslagvrije zone treden niet op.

Conclusie
Het bestemmingsplan is in overeenstemming met de Omgevingsverordening Gelderland.

4.3 Gemeentelijk beleid

Toekomstvisie 2020+ Overbetuwe verbindt..
Op 8 september 2009 heeft de gemeenteraad van Overbetuwe de 'Toekomstvisie 2020, Overbetuwe verbindt..' (hierna: de Toekomstvisie+) vastgesteld. De Toekomstvisie+ van Overbetuwe is het kader voor de ontwikkeling van de gemeente Overbetuwe tot 2020. De visie geeft een richting voor de ruimtelijke, maatschappelijke en economische ontwikkeling. De Toekomstvisie+ omvat het gehele gemeentelijke beleidsterrein. Voor wat betreft de ruimtelijke onderdelen is de Toekomstvisie+ te zien als structuurvisie in de zin van artikel 2.1 Wro voor het grondgebied van de gemeente Overbetuwe. In de Toekomstvisie+ zijn de aspecten leefomgeving, vergrijzing, economische gesteldheid (werk en werkgelegenheid) en duurzaamheid opgenomen om een gewenste identiteit uiteen te zetten.

In de gemeente Overbetuwe zijn 11 kernen van verschillende grootte en met verschillende identiteiten aanwezig. Behoud van de karakteristiek en (specifieke) kwaliteiten van deze kernen is een speerpunt in het beleid. Ook het buitengebied kent gebieden met verschillende kwaliteiten en kenmerken, die behouden moeten blijven en waar mogelijk moeten worden versterkt. Een andere belangrijke ontwikkeling is het kleiner worden van huishoudens. Hierdoor zijn, ook bij een gelijk blijvend aantal inwoners, meer woningen nodig en is dus meer ruimte nodig.

Beoordeling
De Toekomstvisie+ bevat geen specifiek beleid met betrekking tot boomkwekerijen. Het plangebied ligt niet in een cultuurhistorisch waardevol gebied.

Een belangrijke opgave is het behoud en de versterking van de eigenheid en kenmerken van het landschap (opgave 1). Het plangebied ligt in het stroomruggen- en oeverwallenlandschap in een gebied met waardevolle openheid. Het stroomruggen- en oeverwallenlandschap is verdicht en kleinschalig, met een afwisselend landgebruik in onregelmatige blokverkaveling. Kenmerkend is verder de veelheid aan landelijke wegen met clusters aan vrijstaande woningen en (voormalige) boerderijen. De oeverwallen zijn in de afgelopen 60 jaar grootschaliger en opener geworden. De kwaliteit van het karakteristieke landschap wordt hierdoor bedreigd. Belangrijk is dat de kleinschaligheid van het landschap behouden blijft. Ook de contrasten tussen de open agrarische landschappen en de verdichte bebouwingsclusters, zoals buurtschappen, moeten worden behouden of versterkt. Dit aspect is in het Landschapsontwikkelingsplan Overbetuwe concreet uitgewerkt. Zie hierna onder 'Landschapsontwikkelingsplan Overbetuwe', alsmede Bijlage 2 bij de planregels voor de wijze waarop rekening is gehouden met deze opgave uit de Toekomstvisie+. Het plan past in het streefbeeld voor het stroomruggen- en oeverwallenlandschap in deze omgeving.

Conclusie
Gezien het voorgaande, draagt het plan bij aan één van de centrale opgaven van de Toekomstvisie+. Het bestemmingsplan is dan ook in overeenstemming met de Toekomstvisie+.

Landschapsontwikkelingsplan Overbetuwe (LOP)
In het Landschapsontwikkelingsplan (LOP) uit 2009 zijn de (algemene) doelstellingen en gebiedsspecifieke opgaven voor Overbetuwe geformuleerd. De hoofddoelstelling is het ontwikkelen van een sterke samenhangende landschappelijke structuur met een eigen Betuwse identiteit, die tegenwicht biedt aan de verstedelijking en waarbij belangrijke landschappelijke waarden duurzaam in stand worden gehouden. Per deelgebied zijn daarnaast gebiedsspecifieke opgaven opgenomen.

Beoordeling
Het plangebied behoort tot het deelgebied 'Oeverwal Opheusden' (deelgebied 1b). Kenmerkend in dit gebied is het contrast tussen de kleinschalige hogere en relatief vlakke oeverwal enerzijds en het kleinschalige besloten landschap anderzijds. De omgeving van het plangebied kenmerkt zich specifiek door de vestiging van agrarische bedrijven (met name boomkwekerijen) aan weerszijden van De Hel sinds circa 1985. De verkavelingsstructuur aan De Hel is bepalend voor de hele straat. De percelen ten zuiden van de weg zijn georiënteerd op de historische boerderij De Groote Hel, ten noordoosten van het plangebied. Aan de noordkant van de weg zijn de kavels daarentegen loodrecht op de weg georiënteerd. Deze verschillende bebouwingsstructuren ontmoeten elkaar ter hoogte van het plangebied. De vestiging van verschillende agrarische bedrijven in de omgeving heeft geleid tot verdichting van het landschap, waardoor een kleinschaliger besloten landschap is ontstaan. Dit heeft geleid tot afwisseling in het landschap tussen enerzijds open weiland en anderzijds besloten boomkwekerijpercelen.

Uitgangspunten voor het deelgebied zijn volgens het LOP onder meer:

  • ontwikkeling van boomkwekerijen;
  • behoud en versterking van kleinschalig besloten landschap;
  • behoud en versterking van erven en bijbehorende erfbeplanting;
  • vergroten contrast openheid en kleinschaligheid door verdichting;
  • aanleg natuurvriendelijke oevers.

In het kader van het initiatief, dat bestaat uit het oprichten van een bedrijfsloods en een bedrijfswoning bij de boomkwekerij, is een inrichtings- en beplantingsplan opgesteld (Bijlage 2 bij de planregels). Ontwikkeling van boomkwekerijen in dit gebied is in lijn met de uitgangspunten van het LOP. Het gebied is hiervoor op regionaal niveau ook specifiek aangewezen in de 'Intergemeentelijke Strategische Visie Laanboomcentrum Betuwe'. Het inrichtingsplan is opgesteld op basis van onder meer de bovengenoemde overige uitgangspunten en randvoorwaarden uit het LOP. De afwisseling tussen open en besloten landschap wordt met het inrichtingsplan versterkt door de aanleg van een natuurvriendelijke oever aan de oostkant van het plangebied, met een bomenrij (elzen). De bomenrij beperkt ook het zicht op de bebouwing en containerteelt. De aanleg van een natuurvriendelijke oever zorgt voor zowel landschappelijke als ecologische versterking.

Het erf met de bedrijfswoning en -loods wordt kleinschalig opgezet. Het bouwvlak en de bebouwing sluiten qua omvang, verkaveling en oriëntatie aan op de naastgelegen percelen. In het voorerf worden in ieder geval een solitaire boom en enkele hagen geplant om dit beeld te versterken.

Conclusie
Met de voorgestelde landschappelijke inpassing en beplanting is het initiatief in overeenstemming met het LOP. Realisatie van de landschappelijke inpassing is als voorwaardelijke verplichting in de planregels opgenomen.

Beleidsregel 'Functiewijziging en nieuwvestiging in het buitengebied'
De beleidsregel 'Functiewijziging en nieuwvestiging in het buitengebied' uit 2008 bestaat uit regels, een toelichting en een gebiedstypenkaart. De beleidsregel bevat het toetsingskader voor concrete verzoeken om functiewijzigingen in het buitengebied.

Beoordeling
Dit bestemmingsplan maakt nieuwe bedrijfsbebouwing en een bedrijfswoning bij een boomkwekerij in het buitengebied mogelijk. De beleidsregels is op het initiatief van toepassing. Het plangebied ligt in het gebiedstype 'agrarisch gebied'. Artikel 7 van de beleidsregel bevat regels voor dit gebiedstype. In artikel 7.6 zijn regels voor nieuwvestiging van agrarische bedrijven opgenomen. Hierna wordt aan de voorwaarden van dit artikel getoetst.

  • a. Het verzoek mag geen splitsing van een bestaand agrarisch bouwperceel betreffen.
    Er is geen sprake van een bestaand agrarisch bouwperceel in het plangebied.
  • b. Aangetoond moet worden dat binnen 5 kilometer van de planlocatie geen alternatieve locatie beschikbaar is of binnen redelijke termijn beschikbaar komt.
    De initiatiefnemer heeft onderzoek verricht naar alternatieve locaties binnen 5 kilometer afstand. Voor een gezonder en doelmatige exploitatie van het bedrijf is een locatie nodig waar een containerveld voor teelt met een omvang van 1,5 hectare beschikbaar is, grenzend aan een ruimte voor een loods. Het oppotten van containerplanten en op- en overslag van voorraden plantmaterialen vraagt om een goede en efficiënte terreinindeling. Aangeboden percelen binnen 5 kilometer van het plangebied zijn niet geschikt voor de specifieke bedrijfsvoering gebleken of aankoop is financieel niet haalbaar voor een startende ondernemer, zoals initiatiefnemer. Verder is in de afgelopen jaren, sinds 2014, in het perceel geïnvesteerd om een volwaardig bedrijf te kunnen uitoefenen. Het is dan ook logisch, zowel in ruimtelijk-functioneel als in bedrijfseconomisch oogpunt, om het bouwperceel op deze plek te realiseren. Daar komt bij, dat dit in de ruimtelijke en functionele structuur van de omgeving én in het intergemeentelijk beleid past. Zodoende is in voldoende mate aangetoond dat aan deze voorwaarde wordt voldaan.
  • c. Door middel van een bedrijfsplan moet worden aangetoond dat het een volwaardig bedrijf betreft. Dit moet door een onafhankelijk deskundig bureau worden onderzocht.
    Door een onafhankelijk bureau (Stichting Advisering Agrarische Bedrijven, hierna: SAAB) is in 2016 voor de eerste keer een beoordeling uitgevoerd. Op dat moment was het verzoek prematuur. Sindsdien heeft het bedrijf van de initiatiefnemer ontwikkelingen doorgemaakt. De gronden in het plangebied zijn recent in eigendom verkregen. Het bedrijf beschikt ook over de benodigde apparatuur en machines. Deze worden momenteel nog in een gehuurde schuur elders gestald. Hiervoor wordt de nieuw te bouwen loods voorzien. Ten slotte wil de initiatiefnemer een containerveld voor teelt in potten aanbrengen. Hierdoor kan het hele jaar door worden geleverd. Dit wordt door de sector steeds meer gevraagd en is dus nodig om beter aan te kunnen sluiten op de marktvraag. Het containerveld krijgt een maximale omvang van 1,5 hectare. Het bedrijf beschikt over 6,9 hectare aan teeltgronden, waarvan 2,76 hectare in eigendom is en de rest in pacht. Er is daarmee sprake van een volwaardig agrarisch bedrijf met toekomstperspectief. De SAAB heeft op basis van een heroverweging een positief advies over het voornemen afgegeven (8 augustus 2018, zie Bijlage 1). Aan deze voorwaarde wordt inmiddels dus voldaan.
  • d. Indien een verzoek tot oprichting van een bedrijfswoning wordt ingediend, moet worden aangetoond dat deze woning noodzakelijk is voor de bedrijfswoning.
    Een bedrijfswoning is met dit plan aan de orde. Bij boomkwekerijen wordt terughoudend omgegaan met het toestaan van nieuwe bedrijfswoningen. De gronden bij boomkwekerijen worden namelijk vaak gedurende relatief korte tijd intensief gebruikt, waarna de grond uitgeput raakt en niet meer geschikt is om te kweken. In dit geval is daarvan echter geen sprake. De initiatiefnemer wil een containerveld van 1,5 hectare aansluitend op het agrarisch bouwvlak aanleggen. Containerteelt put de grond niet uit, maar zorgt ervoor dat ook op lange termijn een boomkwekerij ter plaatse kan worden uitgeoefend. Verder is bewoning ter plaatse wenselijk vanuit veiligheidsoogpunt (toezicht op materiaal en bomen om diefstal en vernieling tegen te gaan) en om de bevloeiing van het pottenveld continu te kunnen monitoren en controleren. Te denken valt daarbij aan het controleren van leidingen op verstoppingen. Daarnaast is, zoals uit de motivering bij voorwaarde c. blijkt, sprake van een volwaardig bedrijf. De SAAB heeft de noodzaak van een bedrijfswoning onderstreept. Gezien de volwaardigheid en recente ontwikkelingen en investeringen van het bedrijf, is het niet aannemelijk dat de bedrijfswoning en het bedrijfsgebouw op termijn hun functie verliezen.
  • e. Het agrarisch bedrijf moet minimaal 5 hectare eigen landbouwgrond aansluitend aan het bouwperceel hebben liggen.
    De initiatiefnemer heeft 6,9 hectare grond in gebruik voor zijn bedrijf. Circa 2,76 hectare hiervan is in eigendom. Deze gronden liggen in het plangebied en er is dus een voldoende relatie tussen deze gronden en het initiatief. De overige gronden (circa 4,13 hectare) worden langdurig gepacht. Deze langdurige pachtcontracten zijn door de Grondkamer Oost goedgekeurd. Hiermee is voldoende verzekerd dat de initiatiefnemer gedurende lange termijn van deze gronden gebruik kan maken. Formeel wordt niet aan de gestelde eis, dat minimaal 5 hectare landbouwgrond aansluitend aan het bouwperceel in eigendom moet zijn, voldaan. Landbouwgrond is in de omgeving van het plangebied schaars door de grote vraag van boomkwekers. Strikt vasthouden aan deze eis zou, mede omdat het plan in overige opzichten landschappelijk, stedenbouwkundig en milieu-hygiënisch aanvaardbaar is, onevenredig nadelig zijn. Het doel van deze eis, namelijk het langdurig kunnen beschikken over voldoende grond in de directe nabijheid, zodat de toekomstbestendigheid van het bedrijf gewaarborgd is, wordt met het initiatief bereikt.

Conclusie
De ontwikkeling past in de met de beleidsregel 'Functiewijziging en nieuwvestiging in het buitengebied' beoogde doelstellingen en is in lijn met de daaraan verbonden randvoorwaarden.

Hoofdstuk 5 Milieu- en omgevingsaspecten

5.1 Milieueffectrapportage

Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r. gewijzigd. De belangrijkste aanleidingen hiervoor zijn de modernisering van de m.e.r. wetgeving in 2010 en de uitspraak van het Europese Hof van 15 oktober 2009. Uit deze uitspraak volgt dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen m.e.r.(-beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit lijst D zit, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een gevoelig natuurgebied ligt. Gemeenten en provincies moeten daarom vanaf 1 april 2011 ook bij kleine bouwprojecten beoordelen of een m.e.r.(-beoordeling) nodig is.

Ook de Implementatiewet 'herziening m.e.r. richtlijn' is relevant. Sinds 16 mei 2017 is deze wet in werking. De richtlijn heeft de procedure en de inhoud van het MER en de m.e.r.-beoordeling, maar ook de vormvrije m.e.r.-beoordeling gewijzigd. Dit heeft gevolgen voor de inhoud en procedure van ruimtelijke plannen. Voor activiteiten, die zijn opgenomen in onderdeel D van de Bijlage bij het Besluit m.e.r. en waarvan de omvang beneden de in kolom 2 genoemde drempel ligt, geldt een vormvrije m.e.r.-beoordeling.

Beoordeling en conclusie
Met dit bestemmingsplan wordt ter plaatse van een bestaande boomkwekerij een agrarisch bouwvlak toegevoegd, waarbinnen een bedrijfsgebouw en één bedrijfswoning worden toegestaan. De ontwikkeling behoort niet tot de in lijst C en D van het Besluit m.e.r. opgenomen categorieën. Er is daarom geen sprake van een m.e.r.-plichtige activiteit in dit plan. Een m.e.r. of een m.e.r.-beoordeling is niet aan de orde.

5.2 Geluid

Op basis van de Wet geluidhinder (artikel 77 Wgh) moet bij een plan een akoestisch onderzoek worden uitgevoerd als het plan mogelijkheden biedt voor:

  • de toevoeging van een nieuwe woning of andere geluidsgevoelige functie binnen de zone van een weg;
  • de aanleg van een nieuwe weg;
  • de reconstructie van een bestaande weg.


De breedte van de zone van een weg is afhankelijk van het aantal rijstroken, het stedelijk gebied en de maximumsnelheid. Alle wegen hebben geluidzones, met uitzondering van wegen die in een als 'woonerf' aangeduid gebied liggen en wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt.

Beoordeling
Met dit bestemmingsplan wordt een nieuwe bedrijfswoning toegestaan. Daarmee wordt er een nieuw geluidsgevoelig object mogelijk gemaakt. Voor het plangebied is uitsluitend het wegverkeerslawaai relevant. De nieuwe woning ligt binnen de geluidzone van De Hel (250 meter aan weerszijden van de weg). Spoorwegen bevinden zich op grote afstand van het plangebied. Ook zijn er geen geluidgezoneerde bedrijven(terreinen) in de omgeving aanwezig.

Een akoestisch onderzoek naar de geluidbelasting vanwege het wegverkeer is noodzakelijk. Op grond van de Wgh geldt een voorkeursgrenswaarde voor de geluidbelasting op de gevels vanwege het wegverkeer van 48 dB (artikel 82 lid 1). Als de geluidbelasting hoger is, moet een nadere afweging plaatsvinden en kan een ontheffing voor een hogere geluidbelasting worden verleend (artikel 82 lid 2). De maximale ontheffingswaarde voor nieuwbouw buiten de bebouwde kom bedraagt 53 dB. De onderzoeksrapportage is opgenomen in Bijlage 2.

Uit het akoestisch onderzoek blijkt, dat de voorkeursgrenswaarde vanwege het wegverkeer niet wordt overschreden. De maximale geluidbelasting is slechts 42 dB. Het is niet nodig om een hogere waarde vast te stellen.

De gemeente Overbetuwe heeft beleid op het gebied van akoestiek opgesteld (Nota Geluidbeleid en Nota Hogere Grenswaarden). Het plangebied behoort tot het 'buitengebied'. De ambitieklasse in het buitengebied is 'rustig' (maximaal 43 dB voor wegverkeerslawaai). De ambitieklasse wordt gehaald. Er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en de onderzoeksresultaten geven geen aanleiding tot specifieke maatregelen of nader akoestisch onderzoek in de bouwfase.

Conclusie
Vanuit akoestisch oogpunt zijn er geen belemmeringen voor het oprichten van de nieuwe bedrijfswoning aanwezig. In de woning is een aanvaardbaar akoestisch klimaat voldoende gegarandeerd.

5.3 Luchtkwaliteit

De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen zijn opgenomen in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Hierin zijn grenswaarden opgenomen voor luchtvervuilende stoffen. Voor ruimtelijke projecten zijn fijn stof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) de belangrijkste stoffen.

Een project is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;
  • het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;
  • het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging;
  • het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen.

Om te bepalen of een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtkwaliteit, is een algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels zijn vastgelegd. Een project kan in twee situaties NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit:

  • het project behoort tot de lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) die is opgenomen in de Regeling NIBM;
  • het project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO2 en PM10 (1,2ìg/m3).


Beoordeling en conclusie
De ontwikkeling betreft het oprichten van nieuwe bedrijfsbebouwing bij een bestaande boomkwekerij, alsmede het oprichten van één bedrijfswoning. Deze ontwikkeling ligt qua omvang en verkeersaantrekkende werking ruim onder de in de regeling NIBM opgenomen lijst met categorieën van gevallen en blijft ruimschoots onder de drempelwaarde. Daarmee is voldoende zeker, dat het initiatief niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Een luchtkwaliteitonderzoek is niet noodzakelijk. Het aspect luchtkwaliteit vormt dan ook geen belemmering voor de ontwikkeling.

5.4 Bedrijven en milieuzonering

Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies, zoals woningen. Bij de planontwikkeling moet rekening worden gehouden met milieuzonering om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren.

Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'. In de publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd. Als bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden).

De richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit, zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype. Een rustige woonwijk of een rustig buitengebied, is ingericht volgens het principe van functiescheiding.

Beoordeling
Het plangebied en de omgeving worden aangemerkt als 'rustig buitengebied'. De reguliere richtafstanden zijn van toepassing. Dit bestemmingsplan maakt een bedrijfsloods behorende bij een bestaande boomkwekerij mogelijk, alsmede een bedrijfswoning. Een boomkwekerij is een milieubelastende functie volgens de VNG-brochure, maar is niet als zelfstandige categorie in de brochure opgenomen. De situering van deze functie wijzigt niet. Voor de bedrijfsgebouwen wordt zekerheidshalve een richtafstand van 50 meter (milieucategorie 3.1) aangehouden. Er zijn geen gevoelige functies binnen deze richtafstand aanwezig. Het oprichten van bedrijfsgebouwen leidt daarom niet tot onevenredige belemmeringen.

Ten aanzien van boom- en fruitteeltbedrijven is niet alleen de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' van belang, maar ook spuitzones in verband met het gebruik van bestrijdingsmiddelen bij deze bedrijven. In het bestemmingsplan 'Buitengebied Overbetuwe' is opgenomen dat een afstand van 50 meter tussen gevoelige functies en (glas)tuinbouw, fruit- en boomteelt in acht moet worden genomen (artikel 3.4.1). Deze afstand wordt algemeen aanvaard, maar er kan volgens de jurisprudentie van de Afdeling gemotiveerd worden afgeweken van deze afstand. Er is sprake van een bestaande boomkwekerij. De teeltgronden worden niet uitgebreid. In zoverre treedt er geen wijziging op en ontstaan er ook geen belemmeringen. Daarnaast zijn in de directe omgeving van het plangebied uitsluitend agrarische functies aanwezig. Ook in dit opzicht is er geen sprake van belemmeringen.

Het bestemmingsplan maakt tevens een gevoelige functie mogelijk, namelijk een bedrijfswoning. De bedrijfswoning wordt buiten de spuitzone van omliggende bedrijven gerealiseerd. In de volgende paragraaf 'geurhinder' (5.5) wordt beschreven, dat er wat betreft het aspect geur ook geen belemmeringen zijn. Omliggende bedrijven worden niet beperkt.

Conclusie
Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de ontwikkeling in het plangebied. Omliggende functies worden niet belemmerd en is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de nieuwe bedrijfswoning. Daarnaast vormt de aanwezigheid van spuitzones geen belemmering.

5.5 Geurhinder

Voor veehouderijen is de regelgeving ten aanzien van het specifieke aspect geur vastgelegd in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden gekeken naar de aanvaardbaarheid van deze plannen in verband met omliggende geurbronnen, de zogenaamde omgekeerde werking.

Beoordeling
Dit bestemmingsplan voorziet in het oprichten van een nieuw geurgevoelig object, namelijk een bedrijfswoning. In de huidige situatie is er geen sprake van een geurgevoelige functie. Daarom kan het oprichten van de bedrijfswoning leiden tot beperkingen voor veehouderijen in de omgeving. Daarnaast is in het kader van een goede ruimtelijke ordening van belang, dat in de nieuwe bedrijfswoning een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd.

In de omgeving zijn twee veehouderijen gevestigd, waarvoor de ontwikkeling mogelijk relevant is. Dit betreft de veehouderij De Hel 1, op circa 350 meter noordoostelijk van het bouwvlak en de veehouderij De Hel 6, circa 400 meter westelijk van het bouwvlak. Ten aanzien van beide veehouderijen zijn geurberekeningen van de voorgrondbelasting gemaakt, zie de bijlagen 3 en 4. De maximale voorgrondbelasting bedraagt 8 oudourunits (ou/m³). De voorgrondbelasting vanwege de veehouderij De Hel 1 bedraagt 2,4 ou/m³ en van de veehouderij De Hel 6 3,3 ou/m³. Ten aanzien van beide veehouderijen wordt dus ruimschoots aan de normen voldaan. De beide veehouderijen worden door het oprichten van de bedrijfswoning dan ook niet beperkt in hun bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden. Daarnaast is er, gezien de berekende geurbelasting, sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in de bedrijfswoning.

Conclusie
Er zijn vanuit het aspect geurhinder geen belemmeringen voor de ontwikkeling.

5.6 Bodem

De bodemkwaliteit vormt een belangrijk aspect bij bouwontwikkelingen. In het kader van functiewijziging en herinrichting vormt de bodemkwaliteit bij ontwikkeling van ruimtelijke functies een belangrijke afweging. De Bouwverordening bevat een verbod voor het bouwen van woningen op verontreinigde grond.

Beoordeling
Dit bestemmingsplan maakt een nieuwe bedrijfswoning mogelijk op een agrarisch perceel. Het perceel is voorheen korte tijd als boomgaard in gebruik geweest. Er wordt een gevoelige functie mogelijk gemaakt, waardoor een onderzoek naar de bodemkwaliteit noodzakelijk is. Daarom is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De rapportage van het onderzoek is opgenomen in Bijlage 5.

Uit het onderzoek blijkt dat er plaatselijk een lichte verontreiniging met nikkel aanwezig is. Dit is vaak een van nature voorkomend licht verhoogd gehalte in de onderlaag van het rivierengebied. In het grondwater is een lichte verontreiniging met barium aangetroffen. Ook dit licht verhoogde gehalte heeft een natuurlijke oorsprong.

Omdat er uitsluitend lichte verontreinigingen zijn aangetroffen, waarvan verwacht mag worden dat het natuurlijk verhoogde gehalten zijn, is een aanvullend onderzoek niet nodig. De bodemkwaliteit is geschikt voor het toekomstige gebruik.

Conclusie
De milieuhygiënische kwaliteit van de bodem en het grondwater vormen geen belemmering voor het toekomstige gebruik in het plangebied.

5.7 Externe veiligheid

Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de veiligheidsrisico's in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze externe veiligheidsrisico's moeten worden beoordeeld voor twee risiconormen, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Voor beide risiconormen geldt dat hoe groter de afstand tussen planontwikkeling en risicobron is, des te kleiner zal de impact van het plan zijn op de hoogte van het risico.

Plaatsgebonden risico
Het plaatsgebonden risico (PR) heeft tot doel om hetzelfde minimale beschermingsniveau te bieden voor iedere burger in Nederland. Het PR beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het PR wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn, etc.), waarbij de 10-6-contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde is.

Groepsrisico
Het groepsrisico (GR) is een afwegingsinstrument dat tot doel heeft een bewuste afweging te stimuleren over het risico op een ongeval met een groot aantal slachtoffers. Het GR beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het GR geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het GR wordt uitgedrukt in een grafiek, waarin de kans op overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1.000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het GR geldt een oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm).

Voor elke verandering van het GR (af- of toename) in het invloedsgebied moet verantwoording worden afgelegd over de wijze waarop de toelaatbaarheid van deze verandering in de besluitvorming is betrokken.

Samen met de hoogte van het GR moeten andere kwalitatieve aspecten worden meegenomen in de beoordeling van het GR. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer.

Beoordeling
Het plan betreft het realiseren van een bedrijfswoning en -loods bij een boomkwekerij. Met het toevoegen van een bedrijfswoning wordt een nieuw kwetsbaar object mogelijk gemaakt. Op basis van de risicokaart van de provincie Gelderland is daarom een inventarisatie gemaakt van de risicobronnen in en rondom de planlocatie, die een extern veiligheidsrisico kunnen veroorzaken. In afbeelding 5 is een uitsnede opgenomen van de risicokaart.

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0316BUITdehelongen-VSG1_0006.png"  
Afbeelding 5: uitsnede risicokaart (bron: http://www.risicokaart.nl), geraadpleegd op 19 december 2018, met ligging plangebied in zwarte cirkel aangegeven  

De informatie van de provinciale risicokaart levert de volgende inzichten op.

Rondom de planlocatie zijn geen buisleidingen en inrichtingen aanwezig met een extern veiligheidsrisico. Wel ligt op ongeveer 1.850 meter ten zuiden van het plangebied de Betuweroute. Op basis van de Regeling basisnet is vastgesteld dat de plaatsgebonden risicocontour 10-6 van de Betuweroute niet over het plangebied ligt.

Ten aanzien van het groepsrisico ligt het plangebied binnen het invloedsgebied van de Betuweroute. Ontwikkelingen hierbinnen hebben mogelijk invloed op de hoogte van het groepsrisico. Omdat de afstand tussen het plangebied en deze risicobron groter dan 200 meter is, heeft de wetgever aangegeven dat het groepsrisico alleen beperkt verantwoord hoeft te worden. Hierdoor hoeft niet de hoogte van het groepsrisico in beeld gebracht te worden, maar enkel de aspecten zelfredzaamheid en beheersbaarheid.

Verantwoording groepsrisico
Het plan ligt in het invloedsgebied van de Betuweroute. Volgens de huidige wetgeving moet de gemeente hierdoor het groepsrisico verantwoorden. Meer specifiek gaat het om de wettelijke verplichting op grond van artikel 7 en 9 van het Bevt vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over de Betuweroute. Omdat het plan op meer dan 200 meter van deze transportroute ligt, hoeft enkel ingegaan te worden op de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Hierop heeft de Veiligheids- en Gezondheidsrisico Gelderland Midden (VGGM) op 9 januari 2019 (kenmerk: 190109-0044) het volgende geadviseerd: "Het plan leidt tot een toename van het aantal personen. Het ligt in de verwachting dat de personen zichzelf in veiligheid kunnen brengen, mits geïnformeerd en tijdig gewaarschuwd. Binnenshuis schuilen is het te adviseren handelingsperspectief. VGGM ziet dan ook geen aanleiding nader te adviseren in het kader van rampenbestrijding en zelfredzaamheid." 

Hieronder volgt een beschouwing van de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid.

Bestrijdbaarheid
Bij een calamiteit zal de brandweer zich inzetten om de effecten ten gevolge van het incident te beperken. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden dichtbij de bron. De mate van bestrijdbaarheid wordt vooral bepaald door de veiligheidsvoorzieningen en het aantal aanwezigen dichtbij de risicobron. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen.

Zelfredzaamheid
Bij een calamiteit is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij een incident. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS palen) en NL-Alert. Bij een scenario waarin toxische stoffen vrijkomen, is het advies om te schuilen in een gebouw, waarvan ramen, deuren en ventilatie gesloten kunnen worden. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid zijn voldoende.

Conclusie
De planlocatie ligt buiten de plaatsgebonden risicocontour 10-6 van een inrichting, buisleiding en transportroute met een extern veiligheidsrisico. De plaatsgebonden risicocontour van de diverse risicobronnen vormt geen belemmering voor de realisatie van het plan.

Ten aanzien van het groepsrisico ligt het plan in het invloedsgebied van de Betuweroute. Op basis van de beperkte verantwoording groepsrisico (zie hierboven) kan worden geconcludeerd dat het ruimtelijke initiatief geen significant effect heeft op het groepsrisico en op de mogelijkheden voor de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Daarmee is het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de realisatie van het plan.

5.8 Explosieven

De huidige gemeente Overbetuwe en buurgemeente Lingewaard maakten vanaf het begin van de geallieerde luchtlandingsoperatie 'Market Garden' op 17 september 1944 tot aan de bevrijding van Arnhem op 14 april 1945 deel uit van het frontgebied tussen de Duitsers en de Geallieerden. Overbetuwe en Lingewaard werden in hun geheel als oorlogsgebied beschouwd. Er is een gevechtspauze geweest na het oversteken van de brug bij Nijmegen. Het gebied is gedurende acht maanden frontgebied geweest waarbij het volledige eiland (gebied tussen de Rijn en de Waal) geëvacueerd is. Men sprak in die periode ook wel over 'het mannen eiland'. Tevens zijn er in die periode hevige bombardementen uitgevoerd. Tijdens de inventarisatie van oorlogsgegevens zijn 104 vliegtuigcrashes opgetekend en meer dan 1.000 oorlogsgraven. Door de oorlogshandelingen ontstonden er gebieden waarvan de bodem sterk met oorlogsmateriaal werd belast wat op dit moment nog gevaar kan opleveren voor mens en dier. De Explosieven Opruimings Dienst Defensie (EODD) gaat er in 2014 vanuit, dat slechts 35% van de munitie inmiddels uit de grond is verwijderd. Dit betekent dat we de komende decennia nog met deze explosievenerfenis te maken zullen hebben en er kans bestaat dat in het plangebied nog sprake is van onontplofte munitie.

Beoordeling en conclusie
Bij bodemroerende werkzaamheden, zoals het oprichten van gebouwen, graafwerkzaamheden, aanleg van kabels en leidingen en het uitvoeren van bepaalde onderzoeken, is de aanwezigheid van mogelijke niet-gesprongen explosieven (NGE's) van belang. Omdat er na de Tweede Wereldoorlog geen sprake is geweest van bouwactiviteiten in het plangebied, bestaat de kans dat er NGE's aanwezig zijn. Er is sprake van nieuwbouw van gebouwen en de aanleg van een natuurvriendelijke oever. Daarom moet de initiatiefnemer voorafgaand aan het uitvoeren van deze werkzaamheden bij de gemeente informeren of een nader onderzoek naar de aanwezigheid van NGE's noodzakelijk is.

5.9 Kabels en leidingen

Het verrichten van werkzaamheden in de nabijheid van hoogspanningsmasten en -kabels en dergelijke, kan gevaar met zich meebrengen. Om dit gevaar zoveel mogelijk te beperken, moet de (leiding)beheerder aangeven onder welke voorwaarden de werkzaamheden veilig plaats kunnen vinden.

Beoordeling en conclusie
Aan de westkant van het plangebied is zovel een bovengrondse hoogspanningsverbinding aanwezig als een ondergrondse hoogspanningsleiding. De bovengrondse leiding (50 kV) kent een zakelijke rechtstrook van 45 meter (22,50 meter aan weerszijden van het hart van de verbinding). De ondergrondse hoogspanningsleiding is een aantal meter dichter bij de woning gelegen en heeft een belemmerende strook van 3 meter aan beide zijden van het hart van de verbinding.

Binnen de zakelijke rechtstroken van de bovengrondse hoogspanningsleiding mogen geen hoge bouwwerken worden opgericht, tenzij de netbeheerder hier toestemming voor geeft. Bij deze zakelijke rechtstroken geldt dat voor werkzaamheden, die het normale grondgebruik te boven gaan, schriftelijke toestemming noodzakelijk is van de netbeheerder. De nieuwe bebouwing (bedrijfsgebouw en bedrijfswoning) wordt buiten de zakelijk rechtstrook opgericht. Binnen deze strook worden geen werkzaamheden of hoge bouwwerken voorzien, die de belangen van de leiding kunnen schaden. Daardoor zijn er geen belemmeringen. De woning wordt tevens buiten de belemmerende zone van 3 meter rondom de ondergrondse hoogspanningsleiding gerealiseerd. De regels met betrekking tot bouwwerken binnen deze zone leiden dan ook niet tot belemmeringen voor dit plan.

5.10 Waterparagraaf

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder b) moet inzicht worden gegeven in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Daarbij zijn de hierna beschreven beleidsstukken van belang.

Rijksbeleid
Nationaal waterplan
In december 2015 stelde het kabinet het Nationaal Waterplan vast. Dit plan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016-2021 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water, en diverse vormen van gebruik van water. Ook worden de maatregelen genoemd die hiertoe worden genomen.

Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie.

Provinciaal beleid
Provinciaal Waterplan
In het Waterplan Gelderland is het waterbeleid beschreven aan de hand van een aantal thema's, zoals landbouw, wateroverlast, watertekort, natte natuur, grondwaterbescherming en hoogwaterbescherming. Voor deze thema's is beschreven welke doelstellingen voor 2027 en 2015 er liggen. Daarbij is beschreven hoe de provincie voor de planperiode de uitvoering van acties ziet om die doelstellingen te bereiken. Bij sommige thema's gelden aanvullende waterdoelstellingen voor specifieke waterhuishoudkundige functies.

Waterschap Rivierenland
Waterbeheerplan 2016-2021
Dit plan, vastgesteld op 27 november 2015, gaat over het waterbeheer in het hele rivierengebied en het omvat alle watertaken van het waterschap: waterkwantiteit, waterkwaliteit, waterkering en waterketen. In het Waterbeheerplan staat wat Waterschap Rivierenland de komende periode gaat doen om inwoners van het rivierengebied veiligheid en voldoende schoon en mooi water in sloten en plassen te kunnen blijven bieden. Het plan is in samenwerking met onder meer de gemeente Overbetuwe opgesteld.

Keur Waterschap Rivierenland 2014
Voor waterhuishoudkundige ingrepen is de 'Keur Waterschap Rivierenland 2014' van toepassing. De Keur is een waterschapsverordening die gebods- en verbodsbepalingen bevat met betrekking tot ingrepen, die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. Zo is het onder andere verboden om handelingen te verrichten waardoor het onderhoud, aanvoer, afvoer en/of berging van water kan worden belemmerd, zonder een ontheffing van het Waterschap. De wateren en waterkeringen waarop de keur van toepassing is, zijn vastgelegd in de legger wateren.

Realisatie van nieuwe bebouwing en/of verhard oppervlak moet hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. Bij het toevoegen van bebouwing of verharding geldt een compensatieplicht. Er geldt een eenmalige vrijstelling van de compensatieplicht wanneer minder verharding dan 500 m² in stedelijk gebied of minder dan 1.500 m² in landelijk gebied wordt toegevoegd.

Gemeente Overbetuwe
Waterplan Overbetuwe
In 2008 stelde de gemeente Overbetuwe in samenwerking met het Waterschap Rivierenland het Waterplan Overbetuwe vast. Het waterbeheerplan van het waterschap is later geactualiseerd (zie hierboven), ook in samenwerking met onder meer de gemeente Overbetuwe. Beide plannen gelden naast elkaar.

In het Waterplan Overbetuwe wordt het beleidskader geschetst en worden concrete maatregelen voor het watersysteem uitgewerkt. Naast het waterplan wordt parallel een Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) opgesteld waarin de maatregelen voor de riolering (waterketen) worden uitgewerkt.

Met het opstellen van een waterplan wordt inzicht gegeven in de relevante wateropgaven voor de gemeente Overbetuwe, zoals:

  • wateroverlast, het zoeken van oplossingen om wateroverlast tegen te gaan;
  • waterkwaliteit, het onderzoeken van mogelijkheden voor het verbeteren van de waterkwaliteit;
  • grondwater, het inventariseren van grondwateroverlast;
  • beleving van water, burgers betrekken bij water;
  • afspraken en taken van waterschap en gemeente.


Beoordeling (watertoets)
In de huidige situatie is beperkt sprake van verharding in het plangebied. Deze bestaat uit de verharde ontsluiting van het agrarisch perceel. In de toekomstige situatie wordt verhard oppervlak toegevoegd in de vorm van bebouwing (bedrijfswoning en bedrijfsloods) en een verhard erf. De verharde ontsluiting wordt verbreed. Het plan leidt tot een toename van verhard oppervlak. De compensatiedrempel (1.500 m²) wordt daarbij naar verwachting overschreden. Rondom de percelen van de boomkwekerij zijn diverse watergangen aanwezig. Deze zijn allen aangemerkt als B-watergang volgens de Legger van het waterschap. In overleg met het waterschap is als oplossing gekozen om de watergang aan de oostkant van het perceel te verbreden met ten minste 1,5 meter, over een lengte van 120 meter. De watergang wordt bovendien voorzien van een natuurvriendelijke oever. Het profiel voor de natuurvriendelijke oever is in overleg met het waterschap tot stand gekomen.

De planvorming heeft geen negatieve invloed op oppervlaktewater. Alle watergangen blijven behouden en er vinden geen werkzaamheden plaats in of nabij de beschermingszones van de watergangen, anders dan de al beschreven verbreding en aanleg van een natuurvriendelijke oever. Ter plaatse van de bestaande ontsluiting van het perceel is al een duiker aanwezig.

Voor de nieuwe gebouwen geldt, dat op het verhard oppervlak vallend hemelwater gescheiden moet worden afgevoerd van het vuilwater. De bedrijfswoning zal worden aangesloten op het gemeentelijk vuilwaterriool.

Conclusie
Waterhuishoudkundig zijn er geen bezwaren verbonden aan dit bestemmingsplan. Het plan heeft geen negatieve effecten op de waterhuishouding.

5.11 Flora en fauna

De bescherming van de natuur is sinds 1 januari 2017 vastgelegd in de Wet Natuurbescherming (Wnb). Deze heeft de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet vervangen. De Wnb geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan moet worden onderzocht of de Wnb de uitvoering van het plan niet in de weg staat in verband met de bescherming van gebieden en dier- en plantsoorten. De provincies zijn het bevoegd gezag voor zowel de gebieds- als de soortenbescherming.

Gebiedsbescherming
In de Wnb is de bescherming opgenomen van Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan moet worden onderzocht of dit plan, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan alleen worden vastgesteld als uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Als deze zekerheid er niet is, kan het plan worden vastgesteld als wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:

  • alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden;
  • het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en
  • de noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.

Het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen: Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones. Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime. Het NNN is op provinciaal niveau uitgewerkt in het Gelders Natuurnetwerk (GNN) met de bijbehorende Groene Ontwikkelingszones (GO). Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen.

Soortenbescherming
In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen:

  • 1. soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn;
  • 2. soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn;
  • 3. de bescherming van overige soorten.

Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag.

Beoordeling
Het plan betreft nieuwbouw van een bedrijfsloods en bedrijfswoning met bijbehorend erf bij een bestaande boomkwekerij. De voor de ontwikkeling benodigde ingrepen (onder meer sanering bestaande boomkwekerij, nieuwbouw en aanleg verharding) kunnen mogelijk effecten hebben op beschermde soorten. Daarom is een quickscan flora en fauna uitgevoerd, waarin onderzocht is of er kans is op aanwezigheid van beschermde flora en fauna, of het plan hierop negatieve effecten kan hebben en of er eventueel vervolgstappen (maatregelen, onderzoek) nodig zijn. De rapportage is opgenomen in Bijlage 6 bij de toelichting. Hierna worden de onderzoeksresultaten beschreven.

Resultaten gebiedsbescherming
Het plangebied ligt niet in de buurt van een Natura 2000-gebied. Op circa 1 kilometer afstand van het plangebied ligt het Natura 2000-gebied Rijntakken. Overige gebieden bevinden zich op grotere afstand. Het plangebied ligt ook buiten het NNN. Dit netwerk bevindt zich op minimaal 450 meter afstand van het plangebied.

De ontwikkeling in het plangebied leidt tot een tijdelijke en beperkte toename van stikstofdepositie. Deze toename is echter zodanig gering, dat een negatief effect op kwetsbare en gevoelige habitattypen kan worden uitgesloten. Op basis van ervaringscijfers wordt vastgesteld dat er, gezien het geringe aantal te verwachten extra verkeersbewegingen in relatie tot de afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied (circa 1 kilometer), geen effecten in de vorm van stikstofdepositie ter plaatse van het Natura 2000-gebied te verwachten zijn. Aanvullend is daarbij van belang dat er ter plaatse van de nieuwe loods en het woonerf met de nieuwe bedrijfswoning momenteel nog sprake is van landbouwgrond, die voor agrarische doeleinden wordt en mag worden gebruikt. Deze landbouwgrond zal verdwijnen, waarmee ook de stikstofdepositie vanwege agrarische activiteiten op deze gronden verdwijnt. Tevens heeft het perceel een functieaanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - verbod houden dieren' wat het houden van dieren op deze locatie in verband met stikstof uitsluit. Per saldo is een toename van stikstofdepositie uitgesloten.

Voor overige potentiële effecten, zoals trillingen, geluid en verstoring, geldt eveneens dat de afstand te groot is om van dergelijke effecten te kunnen spreken.

Wat betreft gebiedsbescherming zijn er dan ook geen belemmeringen voor het bestemmingsplan.

Resultaten soortenbescherming
Vaatplanten
In het plangebied zijn geen beschermde vaatplanten aangetroffen en deze worden ook niet in het plangebied verwacht. Negatieve effecten zijn uitgesloten.

Zoogdieren
Het plangebied heeft mogelijk een functie voor algemene zoogdiersoorten, zoals egel, konijn, mol en veldmuis. In de omgeving is voldoende vergelijkbaar habitat beschikbaar voor dergelijke algemene soorten. Er geldt een vrijstelling ten aanzien van deze soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Er zijn geen sporen in en rondom het plangebied aangetroffen, die wijzen op de aanwezigheid van strenger beschermde zoogdiersoorten. Negatieve effecten op zoogdieren zijn daarom uitgesloten.

Vleermuizen
Alle in Nederland voorkomende vleermuissoorten zijn beschermd. Er zijn geen gebouwen aanwezig, zodat aanwezigheid van gebouwbewonende soorten kan worden uitgesloten. Er zijn geen grote en oude bomen aanwezig, maar uitsluitend gekweekte bomen van de huidige boomkwekerij. Deze bomen zijn te klein en te jong om een geschikte verblijfplaats voor vleermuizen te vormen. Ook zijn er geen geschikte boomholten aantroffen. Uitgesloten is dan ook, dat vleermuizen het plangebied gebruiken als vaste rust- en/of verblijfplaats. Wel kan het plangebied mogelijk als foerageergebied en/of vliegroute fungeren. Deze worden door de ontwikkeling echter nauwelijks aangetast. Omdat in de omgeving verschillende boomkwekerijen aanwezig zijn, is er voldoende vergelijkbaar foerageergebied beschikbaar. Eventueel passerende en jagende vleermuizen kunnen wel verstoord worden door verlichting. Tijdens de ontwikkeling moet daarom vleermuisvriendelijke verlichting worden toegepast. Verder zijn er geen belemmeringen ten aanzien van vleermuizen.

Amfibieën en reptielen
Tijdens het verldbezoek zijn geen reptielen en amfibieën of sporen van deze soorten aangetroffen. In de omgeving is de aanwezigheid van enkele soorten bekend of te verwachten. Voor de strenger beschermde rugstreeppad is in het plangebied geen geschikte habitat beschikbaar, zodat aanwezigheid van deze soort redelijkerwijs uitgesloten is. Negatieve effecten op beschermde amfibieën en reptielen zijn uitgesloten.

Vissen
In en rondom het plangebied zijn watergangen aanwezig. Er is geen sprake van afname van functioneel leefgebied voor vissen, omdat de watergangen behouden blijven. Eén watergang wordt van een natuurvriendelijke oever voorzien. Negatieve effecten op (beschermde) vissen zijn uitgesloten.

Insecten, libellen, ongewervelden
Er zijn geen (sporen van) beschermde vlinders, libellen en andere ongewervelden aangetroffen. Er zijn ook geen plantensoorten aangetroffen die van specifieke waarde voor dergelijke beschermde soorten zijn, of andere specifieke omstandigheden die duiden op mogelijke aanwezigheid van deze soorten. Significant negatieve effecten zijn daarom uitgesloten.

Algemene broedvogels
Het plangebied voorziet zeer beperkt in voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene vogelsoorten. Er zijn geen nesten van vogels aangetroffen. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en functionele leefomgeving van algemene vogelsoorten beschermd. Wanneer de werkzaamheden buiten het broedseizoen (circa 15 maart t/m circa 15 juli) worden uitgevoerd, zijn er geen belemmeringen. Voor zover er sprake is van werkzaamheden in het broedseizoen, moet de locatie vooraf worden geïnspecteerd door een deskundige.

Jaarrond beschermde vogels
Er zijn geen nesten van jaarrond beschermde vogelsoorten aangetroffen en evenmin zijn sporen zoals braakballen en uitwerpselen, die op aanwezigheid van dergelijke soorten kunnen duiden, aangetroffen. Voor jaarrond beschermde vogelsoorten is geen functioneel leefgebied in het plangebied aanwezig. Overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van jaarrond beschermde nestlocaties is daarom niet aan de orde.

Conclusie
Er zijn geen negatieve effecten ten aanzien van beschermde dier- en plantensoorten te verwachten. De algemene zorgplicht is van toepassing bij uitvoering van de werkzaamheden. Daarnaast moet rekening worden gehouden met nesten van eventuele algemene vogelsoorten. Dit kan door deze buiten het broedseizoen uit te voeren, het plangebied vooraf ongeschikt te maken als broedplaats, of door voorafgaande inspectie door een deskundige.

Conclusie
Negatieve effecten op beschermde natuurgebieden zijn op voorhand uit te sluiten. Negatieve effecten op beschermde soorten zijn eveneens uitgesloten, voor zover de werkzaamheden buiten het broedseizoen van algemene vogelsoorten worden uitgevoerd. Wanneer de verstorende werkzaamheden binnen het broedseizoen worden uitgevoerd, zijn maatregelen vooraf noodzakelijk om de bebouwing en begroeiing ongeschikt te maken als broedlocatie.

5.12 Archeologie en cultuurhistorie

De bescherming van archeologisch en cultureel erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening moet in het plan rekening worden gehouden met cultuurhistorische waarden.

De gemeente Overbetuwe heeft voor haar gemeentelijk grondgebied een erfgoedplan en een archeologische beleidsadvieskaart gemaakt. Het erfgoedplan beoogt versterking van de plaats en betekenis van cultuurhistorie als factor in het ruimtelijk beleidsproces.

Beoordeling en conclusie
Ter plaatse van het plangebied is volgens de archeologische beleidsadvieskaart deels een hoge archeologische waarde aanwezig, deels een middelmatige en deels een lage archeologische verwachtingswaarde. Als er bodemingrepen dieper dan 0,30 meter plaatsvinden ter plaatse van de gronden met een hoge archeologische waarde, moet een archeologisch onderzoek worden uitgevoerd. Het bouwvlak, waar de bedrijfswoning en het bedrijfsgebouw mogen worden opgericht, ligt binnen de zone met een hoge verwachtingswaarde. Voor deze gronden is een onderzoek aan te orde als er bodemingrepen met een oppervlakte van minimaal 100 m² en dieper dan 0,30 meter worden uitgevoerd.

De grondwerkzaamheden zullen naar verwachting een diepte van meer dan 0,30 meter en een omvang groter dan 100 m² hebben. Een archeologisch onderzoek is daarom noodzakelijk, voordat de nieuwe gebouwen worden opgericht. Voordat een omgevingsvergunning voor het 'bouwen' wordt verleend, moet een verkennend archeologisch onderzoek worden uitgevoerd. In dit bestemmingsplan worden de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologische verwachting 2, 3 en 4' opgenomen volgens de archeologische beleidskaart. Eventueel aanwezige archeologische waarden worden zodoende adequaat beschermd en het tijdig uitvoeren van een onderzoek is gewaarborgd.

Verder is van belang dat het plangebied binnen de Romeinse Limes ligt. Dit is een archeologisch monument. In paragraaf 4.2 onder 'Omgevingsverordening Gelderland' is op dit thema al ingegaan. Hieruit blijkt dat de kernkwaliteiten van dit gebied niet worden aangetast.

Het plangebied behoort niet tot een cultuurhistorisch waardevol gebied (zie ook paragraaf 4.3, onderdeel 'Toekomstvisie+ 2020 Overbetuwe verbindt..').

5.13 Verkeer en parkeren

Parkeren
Ten behoeve van de bedrijfswoning en de boomkwekerij moeten op eigen terrein voldoende parkeerplaatsen aanwezig zijn. Hierbij moet worden voldaan aan de Nota Parkeernormen Overbetuwe 2016. Dit betekent dat er bij de bedrijfswoning ten minste 2 parkeerplaatsen aanwezig moeten zijn. Hiervoor is op het toekomstige erf voldoende ruimte aanwezig.

Voor een boomkwekerij zijn in de Nota geen specifieke normen opgenomen en deze functie valt ook niet goed onder de opgenomen categorieën te plaatsen. De initiatiefnemer heeft een eigen onderneming. Er is in bepaalde periodes sprake van extra personeel, namelijk twee personen bij de aanplant van de bomen. Daarnaast worden twee personen ingeschakeld bij het verkrijgen en leveren van hele orders. Er is niet tot incidenteel sprake van bezoekers op het bedrijf. Het voorgaande betekent, dat de parkeerbehoefte van het bedrijf in principe circa drie parkeerplaatsen zal bedragen. Hiervoor is op het erf, nabij de bedrijfsloods, ruim voldoende ruimte beschikbaar. Groter materieel wordt in de loods gestald.

Het aspect parkeren zorgt gezien het voorgaande niet voor belemmeringen.

Verkeer
In de huidige situatie is er in het plangebied sprake van een agrarisch bedrijf, namelijk een boomkwekerij. Dit blijft in de toekomstige situatie het geval, maar er zal sprake zijn van een intensiever gebruik vanwege het toevoegen van bedrijfsbebouwing en een bedrijfswoning. Dit maakt het mogelijk om jaarrond te kunnen leveren. Naar verwachting leidt het plan tot een beperkte toename van verkeer ten opzichte van de huidige situatie. De Hel betreft een lokale weg. Het beperkte extra verkeer levert geen belemmeringen op ten aanzien van de verkeersafwikkeling. De bestaande ontsluiting op deze weg moet worden verbreed, zodat grotere voertuigen het terrein kunnen betreden. Voor het overige zijn er geen wijzigingen benodigd. Voor wat betreft de verkeersafwikkeling zijn er geen belemmeringen voor de toekomstige functies te verwachten.

Hoofdstuk 6 Juridische planopzet

6.1 Algemene opzet

Inleiding
Dit hoofdstuk bevat de concrete vertaling van het beleidsgedeelte (voorafgaande hoofdstukken) in het juridisch gedeelte van het bestemmingsplan (de verbeelding en regels).

Het bestemmingsplan 'Buitengebied, De Hel ongenummerd (ten oosten van 4e), Randwijk' bestaat uit de volgende onderdelen:

De toelichting
In de toelichting is de ontwikkeling verantwoord, zowel op basis van het beleid, als op basis van milieu-hygiënische aspecten, aangevuld met een toelichting op de juridische opzet.

De bestemmingsregels
De bouw- en gebruiksregels zijn binnen de verschillende bestemmingen opgenomen. Daarnaast zijn waar nodig afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden opgenomen, om het plan de benodigde flexibiliteit te geven.

De verbeelding
Op de verbeelding zijn de bestemmingen 'Agrarisch', 'Water', 'Leiding - Hoogspanningsverbinding', 'Leiding - Hoogspanning' en 'Waarde - Archeologische verwachting 2, 3 en 4' opgenomen. Binnen de bestemming 'Agrarisch' is een bouwvlak opgenomen. Het bouwvlak kent de functieaanduiding 'bedrijfswoning'. De gehele agrarische bestemming heeft de functieaanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - verbod houden dieren'. Daarnaast zijn de gebiedsaanduidingen 'milieuzone - boringsvrije zone, intrekgebied en KWO-vrije zone' opgenomen.

De opzet van het plan
Het bestemmingsplan is een juridisch plan, dat bindend is voor de burgers en voor de overheid. Qua systematiek is zoveel mogelijk aangesloten bij het huidige bestemmingsplan 'Buitengebied Overbetuwe'.

Bouwplan
Als een aanvraag om omgevingsvergunning ingediend wordt, zijn in eerste instantie de bestemming met bijhorende regels van belang. Als het nieuwe en het beoogde gebruik past binnen de toegekende bestemming dan kan de omgevingsvergunning worden verleend.

6.2 Toelichting op de verbeelding en regels

Op de verbeelding zijn de bestemmingen onderscheiden. De bestemmingen zijn afgeleid uit het gebruik (de aanwezige functies). De bestemmingen vormen het zogenaamde casco van het plan, waarvan in beginsel niet mag worden afgeweken.

Agrarisch
Vrijwel het volledige plangebied behoudt de bestemming 'Agrarisch'. Op deze gronden is, in tegenstelling tot in de huidige situatie, een bouwvlak opgenomen. De gronden met de bestemming 'Agrarisch' zijn bestemd voor grondgebonden agrarische bedrijfsvoering (ter plaatse van de functieaanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - verbod houden dieren' is het houden van dieren niet toegestaan), hobbymatig agrarisch grondgebruik, extensieve dagrecreatie, het behoud, de bescherming en het herstel van kleinschalige landschapselementen, alsmede voor water en waterhuishoudkundige voorzieningen. Een glastuinbouwbedrijf of ander niet-grondgebonden agrarisch bedrijf is niet toegestaan.

Er zijn buiten het bouwvlak uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, van maximaal 1 meter hoogte toegestaan. Binnen het bouwvlak mogen bedrijfsgebouwen en maximaal één bedrijfswoning worden opgericht, op voorwaarde dat de gronden landschappelijk worden ingericht volgens het inrichtingsplan en dat een natuurvriendelijke oever binnen de bestemming 'Water' wordt aangelegd. Daarnaast is een bedrijfswoning pas toegestaan als er een bedrijfsgebouw is opgericht. Er moet immers sprake zijn van een volwaardig en reëel agrarisch bedrijf ter plaatse.

Water
De watergang aan de oostkant van het plangebied moet worden voorzien van een natuurvriendelijke oever. De watergang inclusief oever is bestemd als 'Water'. De gronden zijn bedoeld voor
waterhuishoudkundige doeleinden, waterberging en waterlopen, extensieve dagrecreatie, groenvoorzieningen en voor de aanleg, het behoud en de versterking van de natuurlijke en/of ecologische waarden in het algemeen en van een natuurvriendelijke oever in het bijzonder.

Waarde - Archeologische verwachting 2, 3 en 4
In het plan is de archeologische beleidskaart vertaald in drie dubbelbestemmingen, ten behoeve het behoud en de bescherming van archeologische waarden in of nabij het plangebied. Zie hierover ook paragraaf 5.11. Naast de betreffende dubbelbestemming hebben de betrokken gronden altijd nog de betreffende hoofdbestemming. De regels van de hoofdbestemming en de dubbelbestemming zijn beide van toepassing, maar bij strijd tussen deze bepalingen prevaleren de bepalingen van de dubbelbestemming. De reden hiervoor is dat de belangen van de dubbelbestemming zwaarder wegen dan die van de hoofdbestemming. De dubbelbestemmingen bevatten een omgevingsvergunningplicht en plicht tot het doen van verkennend archeologisch onderzoek voor bodemingrepen dieper dan 0,3 meter onder het maaiveld en groter dan 100, 500 danwel 2.500 m². Voordat een omgevingsvergunning voor het 'bouwen' wordt verleend, zal een verkennend archeologisch onderzoek moeten worden uitgevoerd wanneer deze drempelwaarden worden overschreden.

Algemene regels
Anti-dubbeltelregel
Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.

Algemene bouwregels
In dit artikel is een regeling voor het ondergronds bouwen opgenomen.

Algemene gebruiksregels
Deze bepaling bevat de vormen van gebruik, die in ieder geval strijdig zijn met de regels van het bestemmingsplan voor alle opgenomen bestemmingen.

Algemene aanduidingsregels
In dit artikel zijn regels opgenomen met betrekking tot het intrekgebied, de boringsvrije zone en koude-warmteopslagvrije zone, waarin het plangebied ligt. Ter plaatse van deze gebiedsaanduidingen zijn regels gesteld met het oog op de provinciale Omgevingsverordening. Handelingen en bouwwerken, die de belangen van deze gebieden zouden kunnen schaden, zijn verboden.

Algemene afwijkingsregels
In dit artikel wordt een opsomming gegeven van de regels waarvan door middel van een omgevingsvergunning afgeweken kan worden van het bestemmingsplan. Het gaat hierbij om de bevoegdheid om door middel van een omgevingsvergunning af te kunnen wijken van de regels die gelden voor alle bestemmingen in het plan. De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven. Opgenomen zijn bevoegdheden voor kleine afwijkingen in maatvoeringen en bouwgrenzen, voor tijdelijk kamperen en voor een grotere inhoud van de bedrijfswoning.

Algemene wijzigingsregels
In dit artikel wordt een opsomming gegeven van de regels waarvan door middel van een wijzigingsplan afgeweken kan worden van het bestemmingsplan. Dit betreft kleine wijzigingen van de bestemmingsgrenzen.

Algemene procedureregels
In dit artikel wordt aangegeven op welke wijze de uitvoerbaarheid van een wijzigingsplan, waarbij gebruik wordt gemaakt van een in het plan opgenomen wijzigingsbevoegdheid, in ieder geval moet worden aangetoond.

Overgangs- en slotregels
Overgangsrecht
Het voor alle bestemmingsplannen verplichte overgangsrecht is opgenomen. Bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een omgevingsvergunning voor het bouwen is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bebouwingsregels. De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen kan worden verleend. Burgemeester en wethouders kunnen in beginsel dus nog gewoon gebruik maken van hun handhavingbevoegdheid. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan mag eveneens worden voortgezet.

Slotregel
Dit artikel geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald.

Hoofdstuk 7 Financiële toelichting

Uitgangspunt voor de ontwikkeling is dat deze voor de gemeente budgetneutraal worden ontwikkeld. Op grond van artikel 6.12 lid 1 Wet ruimtelijke ordening (Wro) is de gemeenteraad van Overbetuwe verplicht om, als sprake is van een bouwplan, de gemeentelijke kosten te verhalen. Dit bestemmingsplan voorziet in een bouwplan, omdat er een nieuwe woning kan worden opgericht.

De kosten worden verhaald door een met de initiatiefnemer afgesloten anterieure overeenkomst. Met de ontwikkelende eigenaar van de gronden in het plangebied, is tevens een planschadeovereenkomst gesloten. In deze overeenkomst zijn afspraken gemaakt over het verhaal van kosten. Dit is daarin op afdoende wijze vastgelegd. Middels de afgesloten overeenkomsten is het kostenverhaal voldoende verzekerd en is de financiële haalbaarheid in voldoende mate aangetoond.

 

Hoofdstuk 8 Overleg en inspraak

8.1 Inleiding

De procedures voor vaststelling van een bestemmingsplan zijn door de wetgever geregeld. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties waar nodig overleg over het plan moet worden gevoerd, voordat een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Bovendien kan het noodzakelijk zijn om belanghebbenden de gelegenheid te bieden om hun visie over het plan te kunnen geven. Dit is afhankelijk van de inspraakverordening van de gemeente. Pas daarna kan de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van het plan van start gaan.

8.2 Inspraak

De Wro zelf bevat geen bepalingen over inspraak. Dat neemt niet weg dat het de gemeente vrijstaat toch inspraak te verlenen op grond van de gemeentelijke inspraakverordening. In relatie daarmee bepaalt artikel 150 van de Gemeentewet onder meer dat in een gemeentelijke inspraakverordening moet worden geregeld op welke wijze personen en rechtspersonen hun mening kenbaar kunnen maken. Voor dit bestemmingsplan heeft, gezien de aard van het initiatief, geen inspraak plaatsgevonden. Initiatiefnemer heeft omwonenden van het plangebied voorafgaande aan de wettelijke procedure op de hoogte gesteld van het voornemen.

8.3 Overleg

Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) geeft aan dat het bestuursorgaan, dat belast is met de voorbereiding van een ruimtelijk plan, overleg pleegt met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen. Ook moet overleg worden gepleegd met die diensten van provincie en Rijk, die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of die belast zijn met de behartiging van belangen, welke in het plan in het geding zijn. De initatiefnemer heeft bij het opstellen van het inrichtingsplan overleg gevoerd met het waterschap Rivierenland. Het initiatief is door de gemeente met de provincie Gelderland besproken tijdens periodiek overleg.

8.4 Vaststellingsprocedure

De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan heeft plaatsgevonden volgens artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening. Het ontwerpbestemmingsplan is in dit kader gedurende zes weken ter inzage gelegd vanaf 18 juli 2019. Gedurende deze periode kon een ieder zijn zienswijzen kenbaar maken tegen het plan. Er zijn twee zienswijzen ingediend. De zienswijzen zijn samengevat en van een reactie voorzien in het rapport zienswijzen (Bijlage 7). De zienswijzen hebben geleid tot aanpassingen in de regels, op de verbeelding en in de toelichting van het plan. Daarnaast zijn er enkele ambtshalve aanpassingen doorgevoerd. In de bijlage zijn de aanpassingen beschreven.

Het plan is op 3 december 2019 met inachtneming van de wijzigingen vastgesteld door de gemeenteraad van Overbetuwe.

8.5 Beroep

Na vaststelling wordt het bestemmingsplan voor de tweede maal zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking.