direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Buitengebied, Aamsepad 2, Elst
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1734.0322BUITaamsepad2-VSG1

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Initiatiefnemer heeft een varkenshouderij met een bedrijfswoning op de locatie Aamsepad 2 te Elst en wil de bestaande bedrijfsgebouwen uitbreiden met circa 375 m². Het oprichten van de nieuwe bedrijfsbebouwing is in strijd met het huidige bestemmingsplan op deze locatie, omdat de bebouwing buiten het bouwvlak wordt opgericht. Daarom is een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk. De gemeente wil onder voorwaarden medewerking aan het initiatief verlenen. Dit bestemmingsplan 'Buitengebied, Aamsepad 2, Elst' voorziet in een planologisch-juridisch kader om de ontwikkeling mogelijk te maken en geeft de voorwaarden daarbij aan.

1.2 Ligging en beschrijving plangebied

Het plangebied ligt in het buitengebied van de gemeente Overbetuwe, aan de oostzijde van de kern Elst. Het plangebied ligt aan de straat Aamsepad, een lokale weg met enkele woon- en agrarische percelen. Aan de oostzijde van het plangebied loopt de A325. In het westen ligt de kern Elst. Op afbeelding 1 is de ligging van het plangebied weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0322BUITaamsepad2-VSG1_0001.png"  
afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0322BUITaamsepad2-VSG1_0002.png"  
Afbeelding 1: ligging van het plangebied (bron: Google Maps)  

1.3 Huidig bestemmingsplan

In het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Elst, Schil Westeraam A325' (d.d. 11 juni 2013). Een uitsnede van de verbeelding van dit bestemmingsplan is weergegeven in afbeelding 2.

In dit bestemmingsplan is voor het plangebied de bestemming 'Agrarisch' opgenomen met een bouwvlak en twee bedrijfswoningen (Aamsepad 2 en Landaspad 10). Daarnaast gelden verschillende dubbelbestemmingen m.b.t. de archeologische verwachting. Voor de huidige bebouwing op het terrein is een bouwvlak opgenomen, waarover tevens de functieaanduiding 'agrarisch - veehouderij' ligt. Aangezien het voornemen bestaat om een uitbouw te realiseren buiten het bouwvlak moet afgeweken worden van het huidige bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan voorziet in een planologisch-juridisch kader om de ontwikkeling mogelijk te maken en geeft de voorwaarden daarbij aan.

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0322BUITaamsepad2-VSG1_0003.png"  
Afbeelding 2: uitsnede huidig bestemmingsplan 'Elst, Schil Westeraam A325' (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)  

1.4 Leeswijzer

Deze toelichting is als volgt opgebouwd. Na dit inleidende hoofdstuk, worden in hoofdstukken 2 en 3 respectievelijk de bestaande en de toekomstige situatie in het plangebied beschreven. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op het voor dit bestemmingsplan van toepassing zijnde rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid. In hoofdstuk 5 komen de relevante milieu- en omgevingsaspecten aan de orde. Daarmee wordt inzichtelijk gemaakt of de ontwikkeling in ruimtelijk en milieuhygiënisch opzicht aanvaardbaar en haalbaar is en voldoet aan het vereiste van een goede ruimtelijke ordening. In hoofdstuk 6 is de juridische planopzet beschreven en in hoofdstuk 7 is de financiële toelichting opgenomen. Hoofdstuk 8 gaat in op enkele procedurele aspecten, zoals overleg en inspraak.

Hoofdstuk 2 Bestaande situatie

Het plangebied ligt aan het Aamsepad 2 in Elst. Kadastraal staat het plangebied bekend als de gemeente Elst, sectie N en perceelnummers 1240, 2173, 2174, 4330 en 4331. Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 2,4 hectare. Het plangebied wordt aan de noord- en westzijde begrensd door de naastgelegen wegen (Aamsepad en Landaspad). Aan de zuid- en oostzijde worden de plangrenzen gevormd door de naastgelegen agrarische percelen. In het noordoosten komt tevens een woonbestemming voor. In afbeelding 3 is een luchtfoto van het plangebied in de huidige situatie weergegeven.

Aan het Aamsepad 2 bevindt zich in de huidige situatie een varkenshouderij. Overeenkomstig de vigerende vergunning kunnen er binnen de inrichting 84 kraamzeugen, 276 guste/dragende zeugen, 2 dekberen, 1.344 gespeende biggen, 10 vleesvarkens en 34 schapen worden gehuisvest. De inrichting bestaat momenteel uit een tweetal bedrijfswoningen (Aamsepad 2, eigendom van de initiatiefnemer en Landaspad 10, eigendom van diens broer), diverse stallen en opslagruimte. Het bouwvlak heeft in de huidige situatie een oppervlakte van circa 3.800 m2. Het perceel kan zowel bereikt worden via het Aamsepad als het Landaspad.

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0322BUITaamsepad2-VSG1_0004.png"  
Afbeelding 3: luchtfoto van de bestaande situatie en globale begrenzing van het plangebied (bron: Bing Maps)  

Hoofdstuk 3 Toekomstige situatie

Initiatiefnemer wil de veehouderij aan het Aamsepad 2 te Elst wijzigen. De wens is namelijk om aan de achterzijde van de meest oostelijke stal op het perceel een aanbouw te realiseren. De vormverandering van het pand vindt plaats ten behoeve van een duurzame, milieu- en welzijnsvriendelijke ontwikkeling van het huidige agarische bedrijf ter plaatse. In de veehouderij worden in de toekomstige situatie de volgende diersoorten gehuisvest.

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0322BUITaamsepad2-VSG1_0005.png"  

In afbeelding 4 is de ligging van deze aanbouw weergegeven. De uitbouw krijgt een oppervlakte van circa 450 m2, een goothoogte van circa 2,3 meter en een nokhoogte van circa 6,6 meter. Een doorsnede van de uitbouw is in afbeelding 5 opgenomen. Om de ontwikkeling landschappelijk in te passen wordt ten oosten van de uitbreiding een boomgaard gerealiseerd op het huidige braakliggende terrein. In paragraaf 4.3 wordt hier nader op ingegaan. Een tekening van de landschappelijke inpassing is opgenomen in Bijlage 1 bij de regels.

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0322BUITaamsepad2-VSG1_0006.png"  
Afbeelding 4: toekomstige situatie en bouwvlak (bron: Geling Advies)  

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0322BUITaamsepad2-VSG1_0007.png"  
Afbeelding 5: doorsnede toekomstige uitbreiding (bron: Geling Advies)  

Hoofdstuk 4 Beleidskader

4.1 Rijksbeleid

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR)
In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte staan de plannen van de Rijksoverheid voor ruimte en mobiliteit. Het Rijk streeft naar een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland. Om dit te bereiken, laat het Rijk de ruimtelijke ordening meer over aan de decentrale overheden (provincie en gemeenten) en komt de gebruiker centraal te staan. Het Rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 13 nationale belangen. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid.

Beoordeling en conclusie
Met dit bestemmingsplan wordt de uitbreiding van een bestaande veehouderij mogelijk gemaakt. Het gaat hier om een lokale ontwikkeling, die gezien de aard en omvang van het plan geen relatie met het ruimtelijke ordeningsbeleid op rijksniveau heeft. Er zijn geen nationale belangen in het geding. Het initiatief conflicteert niet met het nationaal ruimtelijke ordeningsbeleid, zoals vastgelegd in de SVIR.

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)
Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft richtlijnen voor de inhoud van ruimtelijke plannen, voor zover het gaat om ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang. De normering uit het Barro werkt zoveel mogelijk direct door op het niveau van de lokale besluitvorming. Bij besluitvorming over ruimtelijke plannen moeten de regels van het Barro worden gerespecteerd.

Beoordeling en conclusie
Het initiatief is een lokale ontwikkeling. Er zijn geen nationale belangen in het geding. Het Barro heeft geen doorwerking naar dit plan.

Ladder voor duurzame verstedelijking
Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen, is per 1 oktober 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening. De ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De ladder is een motiveringsinstrument dat moet worden toegepast bij elk ruimtelijk besluit dat een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling' mogelijk maakt. Wat onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan, is in artikel 1.1.1 Bro bepaald: 'De ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.” Uit de jurisprudentie komt naar voren dat het wel een nieuwe stedelijke ontwikkeling van enige omvang moet zijn (ECLI:NL:RVS:2016:1503).

In een bestemmingsplan moet worden aangegeven dat de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte plus een motivering als de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd: 'De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien”.

Beoordeling en conclusie
Met dit bestemmingsplan wordt de uitbreiding van een bestaande veehouderij mogelijk gemaakt. De uitbreiding vindt plaats binnen de huidige agrarische bestemming en heeft een oppervlakte van slechts 450 m2. Het bestemmingsplan maakt daarmee geen nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk. De Ladder voor duurzame verstedelijking behoeft in het kader van dit bestemmingsplan daarom niet doorlopen te worden.

4.2 Provinciaal beleid

Omgevingsvisie Gaaf Gelderland
Provinciale Staten hebben op 19 december 2018 de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland (hierna: de Omgevingsvisie) vastgesteld. Deze is in werking getreden op 1 maart 2019. Het doel van de Omgevingsvisie is: een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland, vanuit het verleden én met het oog op de toekomst. De provincie is als middenbestuur een belangrijke schakel bij het bereiken van deze doelstellingen en wil op een aantal manieren waarde toevoegen:

  • met een brede blik kijken naar de inrichting en kwaliteit van de Gelderse leefomgeving;
  • stimuleren van ontwikkelingen enerzijds en beschermen van waarden anderzijds;
  • focussen op duurzaamheid, onderlinge verbondenheid en een economisch krachtig Gelderland;
  • door middel van 7 ambities verder verdiepen van de focus.

De 7 ambitities van de provincie zien op de volgende thema's: energietransitie, klimaatadaptatie, circulaire economie, biodiversiteit, bereikbaarheid, vestigingsklimaat en de woon- en leefomgeving. Per ambitie is de provinciale aanpak beschreven.

Beoordeling en conclusie
De Omgevingsvisie is concreet uitgewerkt in de hierna beschreven Omgevingsverordening Gelderland. Deze verordening bevat concrete regels, waaraan het initiatief wordt getoetst. De Omgevingsvisie zelf bevat geen regels, die voor dit bestemmingsplan direct van belang zijn. Het plan is ook te kleinschalig van aard om een wezenlijke bijdrage aan de provinciale ambities uit de Omgevingsvisie bij te dragen. Wel is er bij de planuitwerking naar gestreefd om waar mogelijk bij te dragen aan duurzaamheid, klimaatadaptatie. Het plan is dan ook in overeenstemming met de Omgevingsvisie.

Omgevingsverordening Gelderland
Provinciale Staten hebben de Omgevingsverordening Gelderland (hierna: de Omgevingsverordening of verordening) vastgesteld op 24 september 2014. De verordening wordt geregeld geactualiseerd. De meest recente actualisatie van de Omgevingsverordening dateert van 19 december 2018.

De regels in de verordening kunnen betrekking hebben op het hele provinciale grondgebied, op delen of op gebiedsgerichte thema's. Gemeenten moeten binnen een bepaalde termijn hun bestemmingsplan afstemmen op de in de verordening opgenomen regels. De regels in de verordening zijn gebaseerd op de provinciale omgevingsvisie en hebben de status van algemeen verbindende voorschriften.

Beoordeling
Het plangebied ligt binnen de volgende aanduidingen:

  • plussenbeleid
  • tijdelijk verbod nieuwvestiging, uitbreiding en hervestiging glastuinbouw;
  • intrekgebied;


Dit bestemmingsplan maakt de uitbreiding van circa 450 m2 van een veehouderij mogelijk in het buitengebied van Overbetuwe. De bovengenoemde aanduidingen met betrekking tot glastuinbouw en intrekgebieden zorgen niet voor belemmeringen. Het plan maakt geen nieuwvestiging, uitbreiding of hervestiging van een glastuinbouwbedrijf mogelijk. Daarnaast wordt winning van fossiele energie binnen het intrekgebied niet mogelijk gemaakt. Het plussenbeleid is wel van belang voor onderhavig plan.

Plussenbeleid
Nieuwvestiging van een niet-grondgebonden veehouderijbedrijf is op basis van de Omgevingsverordening Gelderland niet toegestaan. Onder 'nieuwvestiging' wordt verstaan: vestiging van of het planologisch mogelijk maken van een veehouderijbedrijf op een nieuw agrarisch bouwvlak. Dit verbod ziet niet op uitbreiding van bestaande niet- grondgebonden bedrijven. Deze krijgen wel ruimte om te groeien door middel van een vergroting van het bestaande agrarisch bouwvlak. Aan deze groei zijn eisen verbonden. De voorwaarden hiervoor worden in het bestemmingsplan vastgelegd. De groei moeten ondernemers 'verdienen.' De groeipotentie van een bedrijf is afhankelijk van de plek waar het bedrijf ligt. In geval van uitbreiding moet de ondernemer extra stappen zetten voor maatschappelijk verantwoord ondernemen en rekening houden met een duurzame ontwikkeling. De provincie noemt dit het plussenbeleid. Het plussenbeleid is uitgewerkt in de Omgevingsvisie Gelderland en is op 1 maart 2017 vastgesteld.

In de Omgevingsverordening Gelderland wordt door middel van een instructieregel voorgeschreven dat uitbreiding van niet-grondgebonden veehouderijbedrijven en -takken alleen mogelijk is als de uitbreiding voldoet aan de gemeentelijke beleidsregels voor het plussenbeleid. Deze gemeentelijke beleidsregels moeten in overeenstemming zijn met de kaders in de Handreiking Plussenbeleid van de Provincie Gelderland.

In dit geval is er geen sprake van nieuwvestiging van een niet-grondgebonden veehouderij, maar slechts van een uitbreiding ervan. Deze uitbreiding is mogelijk mits deze voldoet aan de gemeentelijke beleidsregels voor het plussenbeleid. In paragraaf 4.3 wordt ingegaan op dit beleid. Hier wordt dan ook naar verwezen.

Conclusie
Het bestemmingsplan is in overeenstemming met de Omgevingsverordening Gelderland.

4.3 Gemeentelijk beleid

Omgevingsvisie Overbetuwe 2040
Op 1 oktober 2019 heeft de gemeenteraad van Overbetuwe de Omgevingsvisie Overbetuwe 2040 (hierna: Omgevingsvisie) vastgesteld. De Omgevingsvisie geeft de integrale koers en ambities van de gemeente Overbetuwe voor de fysieke leefomgeving voor de periode tot en met 2040 aan. De Omgevingsvisie is er primair op gericht om de kwalitiet van het leefmilieu te behouden en waar mogelijk te versterken. Samenwerking tussen verschillende partijen staat centraal en is noodzakelijk om deze doelen te bereiken. De visie is opgesteld vanuit een brede blik, waarbij ruimtelijke ordening, milieu, economie en bereikbaarheid met elkaar worden verbonden.

De gemeente onderscheidt een aantal kernwaarden die als vertrekpunt en inspiratiebron voor nieuwe ontwikkelingen dienen. Deze kernwaarden zijn ontstaat in het cultuurhistorisch gegroeide Betuwse rivierenlandschap. Kernwaarden zijn beschreven op het gebied van bodem en landschap, netwerk en infrastructuur en occupatie. De verschillende kernen in de gemeente kennen elk een eigen karakteristieke identiteit en waarden. Deze worden eveneens als leidraad voor nieuwe ontwikkelingen gehanteerd. Behoud van de karakteristiek en (specifieke) kwaliteiten van deze kernen en het buitengebied is een speerpunt in het beleid.

In de Omgevingsvisie wordt de focus gelegd op zes opgaven:

  • Vitaal buitengebied in beweging;
  • Innovatieruimte voor ondernemerschap;
  • Samen werken aan energietransitie;
  • Gevarieerde dorpse woonomgeving;
  • Netwerk verbonden met samenleving;
  • Voorzieningen geclusterd.

Per thema wordt de toekomstige ontwikkeling van de Overbetuwse leefomgeving beschreven.

Beoordeling
Een belangrijke opgave is het is het behouden van een vitaal buitengebied. De gemeente wil dit met differentiatie bereiken. In het buitengebied worden zeven deelgebieden onderscheiden, met specifieke ambities per deelgebied, die op concrete situaties worden toegepast. Het plangebied ligt op de grens tussen de dorpsrandzone en het agrarisch gebied. Het plangebied ligt in het stroomruggen- en oeverwallenlandschap, dat verdicht en kleinschalig is, met een afwisselend landgebruik in onregelmatige blokverkaveling. Kenmerkend is verder de veelheid aan landelijke wegen met clusters aan vrijstaande woningen en (voormalige) boerderijen. De oeverwallen zijn in de afgelopen 60 jaar grootschaliger en opener geworden. De kwaliteit van het karakteristieke landschap wordt hierdoor bedreigd. Belangrijk is dat de kleinschaligheid van het landschap behouden blijft. Ook de contrasten tussen de open agrarische landschappen en de verdichte bebouwingsclusters zoals buurtschappen, moeten worden behouden of versterkt.

Het plangebied ligt aan één van de karakteristieke landelijke wegen met verspreide woningen en (voormalige) agrarische bedrijven aan weerszijden van de weg. Het contrast tussen het omliggende waardevolle open landschap en de bebouwingsclusters is hier duidelijk herkenbaar en het is belangrijk dat dit contrast ten minste wordt behouden.

Dit plan maakt de uitbreiding van een bestaande veehouderij mogelijk. Vergroting van niet-grondgebonden agrarische functies is op de oeverwallen mogelijk binnen en aansluitend op het bestaande bouwblok. De uitbreiding in het plan bevindt zich aan de achterzijde van het perceel, in het verlengde van een bestaande schuur en heeft een oppervlakte van slechts circa 450 m2. Dit is in overeenstemming met de randvoorwaarde uit de Omgevingsvisie. De locatie van de uitbreiding is bovendien vanaf de straat niet tot nauwelijks zichtbaar en ligt in de huidige situatie braak. De uitbreiding heeft geen directe invloed op het kleinschalige landschap rondom het plangebied. Dit past in het streefbeeld voor het stroomruggen- en oeverwallenlandschap.

Uit de analyses in hoofdstuk 5 blijkt daarnaast dat het plan geen negatieve effecten heeft op het woon- en leefklimaat ter plaatse van omliggende woningen of andere milieugevoelige objecten.

Het plan is hiermee in lijn met de uitgangspunten van de Omgevingsvisie.

Conclusie
Het bestemmingsplan is in overeenstemming met de Omgevingsvisie.

Landschapsontwikkelingsplan Overbetuwe (LOP)
In het Landschapsontwikkelingsplan (LOP) uit 2009 zijn de (algemene) doelstellingen en gebiedsspecifieke opgaven voor Overbetuwe geformuleerd. De hoofddoelstelling is het ontwikkelen van een sterke samenhangende landschappelijke structuur met een eigen Betuwse identiteit, die tegenwicht biedt aan de verstedelijking en waarbij belangrijke landschappelijke waarden duurzaam in stand worden gehouden. Per deelgebied zijn daarnaast gebiedsspecifieke opgaven opgenomen.

Beoordeling
Het plangebied behoort tot het deelgebied 'Elst' (deelgebied 16). Dit stroomruggenlanschap ligt onder druk van verstedelijking gezien de ligging tussen Arnhem en Nijmegen. Versterken van het kleinschalige karakter van de hogere oeverwal hoort bij dit deelgebied. Onderstaande uitgangspunten worden benoemd in het LOP bij dit deelgebied:

  • Gradiënten behouden en versterken
  • Openheid versus kleinschaligheid
  • Cultuurhistorie herkenbaarder
  • Benutten kansen ecologie met watersysteem
  • Verbeteren van de recreatieve verbinding

Dit plan maakt de uitbreiding van een bestaande veehouderij mogelijk. Deze uitbreiding bevindt zich aan de achterzijde van het perceel, in het verlengde van een bestaande schuur en heeft een oppervlakte van slechts circa 450 m2. De locatie van de uitbreiding is vanaf de straat niet tot nauwelijks zichtbaar en ligt in de huidige situatie braak. Om de uitbreiding mogelijk te maken moet sprake zijn van goede landschappelijke inpassing. Er is daarom een inrichtingsplan opgesteld (zie Bijlage 1 bij de regels), waarbij het LOP als belangrijk kader is gebruikt.

Om de openheid van het gebied te behouden, worden geen forse beplantingselementen toegevoegd. Aan het oosten van het plangebied wordt een boomgaard aangelegd met enkele verschillende soorten. Het zicht vanuit het oosten op de huidige en toekomstige bebouwing wordt hiermee voor een deel beperkt, terwijl anderzijds door het gebruik van vooral lage landschapselementen de openheid en het zicht richting de omgeving wordt versterkt. De toekomstige inrichting draagt op deze manier bij aan meerdere doelstellingen voor het deelgebied.

Conclusie
Na realisatie van de beoogde ontwikkeling, inclusief landschappelijke inpassing, blijven de kwaliteiten van het huidige landschap behouden. Het LOP zorgt daarom niet voor belemmeringen.

Plussenbeleid niet-grondgebonden veehouderij Overbetuwe (april 2019)
In maart 2017 heeft de Provincie Gelderland het beleid voor niet-grondgebonden veehouderij gewijzigd door middel van het Gelderse Plussenbeleid. Doel van het beleid is om meer kwaliteit bij de ontwikkeling van niet-grondgebonden veehouderijen te waarborgen. Het plussenbeleid is verankerd in de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland en de Omgevingsverordening Gelderland.

De gemeente Overbetuwe moet het plussenbeleid voor 1 januari 2027 in haar bestemmingsplan(nen) voor het buitengebied of, na inwerkingtreding van de Omgevingswet, in het gemeentelijk omgevingsplan implementeren. Zodra het plussenbeleid is geïmplementeerd in een vastgesteld bestemmingsplan of een omgevingsplan (gebieds- of locatiegericht), is deze overgangsbepaling niet meer van toepassing. Tot die tijd kan het provinciaal plussenbeleid worden toegepast op uitbreidingsinitiatieven van niet-grondgebonden veehouderijen die niet mogelijk zijn volgens de huidige bestemmingsplannen en overige ruimtelijke plannen. Voor uitbreidingen binnen de mogelijkheden van de huidige ruimtelijke plannen, betekent dit dat het plussenbeleid niet toegepast hoeft te worden. Dit geldt ook voor het benutten van afwijkings- en wijzigingsbevoegdeheden uit de geldende plannen.

De gemeenteraad van Overbetuwe stelt op korte termijn gemeentelijk beleid vast over de manier waarop de gemeente het provinciaal plussenbeleid wil toepassen (beleidsnota 'Plussenbeleid niet-grondgebonden veehouderij Overbetuwe'). De gemeente kiest er voor om het plussenbeleid niet alleen toe te passen op initiatieven, die niet passen binnen de huidige rechtstreekse planologische mogelijkheden, maar ook bij initiatieven, die gebruik maken van in de huidige plannen opgenomen afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden voor uitbreiding van niet-grondgebonden veehouderijen. Er wordt voor de juridische waarborging van het gemeentelijk plussenbeleid ook een paraplubestemmingsplan voor vrijwel het gehele buitengebied vastgesteld, parallel aan de beleidsnota en aan dit bestemmingsplan. In het paraplubestemmingsplan worden aanvullende regels gesteld aan toepassing van afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden die uitbreiding van een niet-grondgebonden agrarische bedrijven mogelijk maken. Het gemeentelijk plussenbeleid is in dat geval van toepassing.

Beoordeling
Het plan voorziet in uitbreiding van een niet-grondgebonden agrarisch bedrijf. Omdat dit plan gelijk oploopt met de vaststelling van het gemeentelijk plussenbeleid, zijn de voorwaarden van dit (toekomstige) beleid op het initiatief toegepast.

Bestaande niet-grondgebonden veehouderijen kunnen op basis van het plussenbeleid groeiruimte verdienen door maatschappelijke tegenprestaties (plussen) welke leiden tot een betere kwaliteit voor de leefomgeving en verduurzaming van de niet-grondgebonden veehouderij. Het voeren van een omgevingsdialoog speelt bij hierbij een belangrijke rol. De plus-maatregelen zijn extra (bovenwettelijke) fysieke maatregelen binnen minimaal één van de volgende thema's:

  • 1. wensen uit de omgeving;
  • 2. landschap;
  • 3. milieu;
  • 4. dierenwelzijn;
  • 5. duurzame energie,

onder de voorwaarde dat wensen van de omgeving altijd moeten worden afgewogen. Dit wordt gedaan middels een omgevingsdialoog.

Het plussenbeleid mag niet onnodig belemmerend werken voor beperkte aanpassingen van een niet-grondgebonden veehouderij die niet of nauwelijks leiden tot een verandering van de impact van dat bedrijf op de omgeving. Per niet-grondgebonden veehouderij(tak) kan daarom elke 5 jaar éénmaal een uitbreiding van 500 m2 of minder mogelijk worden gemaakt zonder dat de spelregels van het plussenbeleid (plus-maatregelen) toegepast moeten worden. Om deze uitzondering toe te kunnen passen moet het plussenbeleid door de gemeenteraad zijn vastgesteld. Bij vaststelling van dit plan is het gemeentelijk plussenbeleid vastgesteld. Bovendien is er sprake van een uitbreiding van slechts circa 450 m2. Daarom kan gebruik worden gemaakt van de mogelijkheid voor kleinschalige uitbreiding. Het plussenbeleid is daarom niet van toepassing op het initiatief initiatief. Wel moet - ook wanneer deze regeling niet van toepassing is - een omgevingsdialoog door de initiatiefnemer gevoerd worden.

De initiatiefnemer heeft voorafgaand aan de procedure tot herziening van het bestemmingsplan een omgevingsdialoog gevoerd. Uit deze dialoog zijn geen bezwaren tegen het plan vanuit de omgeving naar voren gekomen.

Conclusie
Het toekomstige plussenbeleid zorgt niet voor belemmeringen voor onderhavige ontwikkeling.

Hoofdstuk 5 Milieu- en omgevingsaspecten

5.1 Milieueffectrapportage

Gemeenten en provincies moeten ook bij kleine bouwprojecten beoordelen of een m.e.r.-beoordeling nodig is. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een m.e.r.-procedure nodig is. Een m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te beoordelen of bij een project belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Wanneer uit de toets blijkt dat er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden moet er een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Met andere woorden dan is het opstellen van een MER nodig.

Beoordeling en conclusie
Onderzocht is of er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. De aanmeldingsnotitie met vormvrije m.e.r.-beoordeling is opgenomen als separate Bijlage. In de navolgende paragrafen wordt enkele keren verwezen naar deze m.e.r.-beoordeling en de bijbehorende onderzoeken die in de bijlagen van die beoordeling zijn opgenomen.

Geconcludeerd is dat er, rekening houdend met:

  • 1. de kenmerken van het project;
  • 2. de plaats van het project; en
  • 3. de kenmerken van het potentiële effect;

sprake is van een wezenlijk ander schaalniveau en een activiteit die vele malen kleinschaliger is. Bij elk plan is sprake van invloed op het milieu, maar deze is niet zodanig dat normen worden overschreden. De potentiële effecten van het plan, in relatie tot de kenmerken en de plaats van het plan, zijn dusdanig beperkt van aard en omvang dat dit geen belangrijk nadelige milieugevolgen tot gevolg heeft die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken.

5.2 Geluid

Op basis van de Wet geluidhinder (artikel 77 Wgh) moet bij een plan een akoestisch onderzoek worden uitgevoerd als het plan mogelijkheden biedt voor:

  • de toevoeging van een nieuwe woning of andere geluidsgevoelige functie binnen de zone van een weg;
  • de aanleg van een nieuwe weg;
  • de reconstructie van een bestaande weg.

De breedte van de zone van een weg is afhankelijk van het aantal rijstroken, het stedelijk gebied en de maximumsnelheid. Alle wegen hebben geluidzones, met uitzondering van wegen die in een als 'woonerf' aangeduid gebied liggen en wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt.

Beoordeling
Met onderhavig bestemmingsplan wordt geen geluidsgevoelige functie mogelijk gemaakt. Het uitvoeren van een akoestisch onderzoek is dan ook niet noodzakelijk.

De wijziging in de dieraantallen leidt daarnaast niet tot een toename van verkeersbewegingen, ten opzichte van de vigerende vergunning is er zelfs sprake van een afname in het totaal aantal te houden dieren. Daarnaast is de luchtwasser inpandig gesitueerd, waardoor de ventilatie ook niet zal leiden tot overlast van geluidsemissie. Tot slot wordt een gedeelte van de bestaande stal enkel nog gebruikt als ziekenboeg en calamiteitenstal. De ventilatoren op deze stal zullen dus niet meer continue draaien.

Conclusie
Het aspect 'geluid' zorgt niet voor belemmeringen.

5.3 Luchtkwaliteit

De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen zijn opgenomen in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Hierin zijn grenswaarden opgenomen voor luchtvervuilende stoffen. Voor ruimtelijke projecten zijn fijn stof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) de belangrijkste stoffen.

Een project is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;
  • het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;
  • het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging;
  • het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen.

Om te bepalen of een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtkwaliteit, is een algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels zijn vastgelegd. Een project kan in twee situaties NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit:

  • het project behoort tot de lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) die is opgenomen in de Regeling NIBM;
  • het project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO2 en PM10 (1,2ìg/m3).


Beoordeling
In de landbouwsector is voornamelijk de emissie van fijn stof bepalend voor de luchtkwaliteit op de omgeving. Emissies van de overige stoffen, waaraan volgens de Wet luchtkwaliteit getoetst moet worden, zijn verwaarloosbaar en voldoen aan de Wet luchtkwaliteit. Stikstofdioxide komt normaliter vrij bij grootschalige verbrandingsprocessen of vervoersbewegingen, hetgeen in onderhavige situatie niet het geval is. Dus wordt er alleen inzichtelijk gemaakt of de emissie van fijn stof voldoet aan de Wet luchtkwaliteit. In de aanmeldnotitie m.e.r. / vormvrije m.e.r.-beoordeling in de bijlagen is uiteengezet wat de emissie van onderhavig bedrijf is en of deze niet in betekende mate bijdraagt aan de totale emissie (NIBM). Geconcludeerd wordt dat de toekomstige emissies (117.016 gr.) lager zijn dan de huidige emissies (120.635 gr.). De emissie dient vervolgens wel getoetst te worden aan de grenswaarde van onderstaande tabel.

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0322BUITaamsepad2-VSG1_0008.png"  
Getallen op basis van berekening Stacks, versie 2008 (bron: ECN)  

De totale fijn stof emissie in de gewenste situatie bedraagt 117.016 gr PM10/jaar. Ten opzichte van de vigerende situatie betreft dit een afname van 3.619 gr PM10/jaar. De beoogde uitstoot overschrijdt de grenswaarde niet (toets afstand is 65 meter, woning Aamsepad 4, waarde van 300.857 gr). Geconcludeerd kan worden dat de toekomstige inrichting met haar totale emissie NIBM bijdraagt aan de luchtkwaliteit.

Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit is geen belemmering voor het voorgenomen initiatief.

5.4 Bedrijven en milieuzonering

Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies, zoals woningen. Bij de planontwikkeling moet rekening worden gehouden met milieuzonering om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren.

Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'. In de publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd. Als bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden).

De richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit, zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype. Een rustige woonwijk of een rustig buitengebied, is ingericht volgens het principe van functiescheiding.

Beoordeling
Met dit bestemmingsplan wordt de uitbreiding van een bestaande intensieve varkenshouderij mogelijk gemaakt. Volgens de VNG-brochure met richtafstanden geldt voor een dergelijk bedrijf de milieucategorie 4.1 en onderstaande richtafstanden:

  • geur: 200 meter
  • stof: 30 meter
  • geluid: 50 meter
  • gevaar: 0 meter

Milieugevoelige objecten in de omgeving zijn gelegen buiten de richtafstanden m.b.t. stof, geluid en gevaar. Wel liggen er verschillende milieugevoelige objecten binnen de 200 meter richtafstand vanwege het aspect geur. Om aan te tonen dat na onderhavige ontwikkeling nog steeds sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van deze objecten, is een geuronderzoek uitgevoerd. Hiervoor wordt verwezen naar paragraaf 5.5 'Geurhinder'.

Conclusie
Het aspect bedrijven en milieuzonering is geen belemmering voor het voorgenomen initiatief.

5.5 Geurhinder

Voor veehouderijen is de regelgeving ten aanzien van het specifieke aspect geur vastgelegd in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden gekeken naar de aanvaardbaarheid van deze plannen in verband met omliggende geurbronnen, de zogenaamde omgekeerde werking.

Beoordeling
Omdat voor varkens en schapen een geuremissiefactor is vastgesteld, moet het bedrijf aan de vastgestelde geurnormen voldoen. Daarnaast moeten de gevels van de dierenverblijven op minimaal 25 meter afstand staan van een geurgevoelig object. De gemeente Overbetuwe heeft op dit moment nog geen vastgestelde Verordening geurhinder en veehouderij. De landelijke geurnormen moeten daarom aangehouden worden. In de omgeving zijn diverse geurgevoelige objecten gelegen. De inrichting alsmede de meeste geurgevoelige objecten zijn buiten de bebouwde kom gelegen, maar de bebouwde kom ligt op redelijk korte afstand. De planlocatie ligt buiten een concentratiegebied. De geurbelasting op woningen buiten de bebouwde kom mag niet meer dan 8,0 ouE bedragen, voor woningen binnen de bebouwde kom geldt de norm van 2,0 ouE. Voor de beoogde situatie is een geurberekening uitgevoerd middels V-Stacks. Deze berekening is in Bijlage 2 opgenomen. De berekening is naar aanleiding van zienswijzen opnieuw uitgevoerd. De uitkomst is in de onderstaande tabel verwerkt.

Adres   Geurnorm   Geurbelasting  
Sluiswachter 21   2,0 ouE   1,9 ouE  
Sluiswachter 41   2,0 ouE   1,4 ouE  
Sluiswachter 57   2,0 ouE   1,2 ouE  
Aamsepad 1   8,0 ouE   1,7 ouE  
Aamsepad 3   8,0 ouE   3,4 ouE  
Aamsepad 4   8,0 ouE   3,8 ouE  
Landaspad 1   8,0 ouE   1,7 ouE  
Landaspad 2   8,0 ouE   2,3 ouE  
Landaspad 3/5   8,0 ouE   2,3 ouE  
Landaspad 6   8,0 ouE   3,7 ouE  
Boogschutter 21   2,0 ouE   1,4 ouE  
Boogschutter 23   2,0 ouE   1,5 ouE  
Boogschutter 25   2,0 ouE   1,3 ouE  

Resultaten geurberekening vergeleken met geurnorm.

Uit de tabel blijkt dat de beoogde situatie niet leidt tot een overschrijding van de normen. De volledige V-stacks berekening is bijgevoegd als bijlage. Het aspect geur is geen belemmering, de gevels van de stallen staan daarnaast op ruime afstand van geurgevoelige objecten (65 meter).

Conclusie
Er zijn vanuit het aspect geurhinder geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.6 Bodem

De bodemkwaliteit vormt een belangrijk aspect bij bouwontwikkelingen. In het kader van functiewijziging en herinrichting vormt de bodemkwaliteit bij ontwikkeling van ruimtelijke functies een belangrijke afweging. De Bouwverordening bevat een verbod voor het bouwen van woningen op verontreinigde grond.

Beoordeling
Met onderhavig plan wordt de uitbreiding (van circa 450 m2) van een bestaande veehouderij mogelijk gemaakt. Deze uitbreiding vindt plaats binnen de huidige agrarische bestemming. De bestemming in (dit deel van) het plangebied zal door onderhavig bestemmingsplan dan ook niet wijzigen. Dit bestemmingsplan zorgt niet voor een 'gevoeligere functie' anders dan al mogelijk is op deze locatie. De bodemkwaliteit zal dan ook niet voor belemmeringen zorgen voor het toekomstige gebruik, aangezien dit gebruik al is toegestaan. Het uitvoeren van een bodemonderzoek wordt niet noodzakelijk geacht.

Conclusie
De milieuhygiënische kwaliteit van de bodem vormt geen belemmering voor het toekomstige gebruik.

5.7 Externe veiligheid

Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de veiligheidsrisico's in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze externe veiligheidsrisico's moeten worden beoordeeld voor twee risiconormen, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Voor beide risiconormen geldt dat hoe groter de afstand tussen planontwikkeling en risicobron is, des te kleiner zal de impact van het plan zijn op de hoogte van het risico.

Plaatsgebonden risico
Het plaatsgebonden risico (PR) heeft tot doel om hetzelfde minimale beschermingsniveau te bieden voor iedere burger in Nederland. Het PR beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het PR wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn, etc.), waarbij de 10-6-contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde is.

Groepsrisico
Het groepsrisico (GR) is een afwegingsinstrument dat tot doel heeft een bewuste afweging te stimuleren over het risico op een ongeval met een groot aantal slachtoffers. Het GR beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het GR geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het GR wordt uitgedrukt in een grafiek, waarin de kans op overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1.000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het GR geldt een oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm).

Voor elke verandering van het GR (af- of toename) in het invloedsgebied moet verantwoording worden afgelegd over de wijze waarop de toelaatbaarheid van deze verandering in de besluitvorming is betrokken.

Samen met de hoogte van het GR moeten andere kwalitatieve aspecten worden meegenomen in de beoordeling van het GR. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer.

Beoordeling
Het plan betreft de realisatie van een uitbouw van een bestaande veehouderij. Hiermee wordt in theorie een nieuw kwetsbaar object mogelijk gemaakt. Op basis van de risicokaart is daarom een inventarisatie gemaakt van de risicobronnen in en rondom de planlocatie, die een extern veiligheidsrisico kunnen veroorzaken. In afbeelding 7 is een uitsnede opgenomen van de risicokaart.

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0322BUITaamsepad2-VSG1_0009.png"  
Afbeelding 7: uitsnede risicokaart (bron: http://www.risicokaart.nl), geraadpleegd op 3 juni 2019, met ligging plangebied  

Het plangebied is gelegen buiten alle PR-contouren van risicovolle inrichtingen en transportroutes in de omgeving. Wel ligt het plangebied binnen het invloedsgebied van het groepsrisico van de spoorlijn Nijmegen-Arnhem (trajectnummer 62E.2), de Betuweroute en de rijksweg A325 (knp. Ressen - Arnhem Nijmeegseplein). De spoorlijn Nijmegen-Arnhem en de Betuweroute hebben namelijk een invloedsgebied van > 4 kilometer (vanwege de stofcategorie D4) en de A325 een invloedsgebied van 355 meter (vanwege de stofcategorie GF3). Om deze reden is een beperkte verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk.

Verantwoording groepsrisico
Het plan ligt in het invloedsgebied van twee risicobronnen. Volgens de huidige wetgeving moet de gemeente hierdoor het groepsrisico verantwoorden. Meer specifiek gaat het om de wettelijke verplichting op grond van artikel 7 en 9 van het Bevt vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over de Betuweroute, de spoorlijn Nijmegen-Arnhem en de snelweg A325. Omdat het plan op meer dan 200 meter van deze transportroutes ligt, hoeft enkel ingegaan te worden op de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Hierop dient de Veiligheids- en Gezondheidsregio Gelderland Midden (VGGM) te advisreren. Dit advies wordt opgenomen in de bijlagen. Hieronder volgt een beschouwing van de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid.

Bestrijdbaarheid
Bij een calamiteit zal de brandweer zich inzetten om de effecten ten gevolge van het incident te beperken. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden dichtbij de bron. De mate van bestrijdbaarheid wordt vooral bepaald door de veiligheidsvoorzieningen en het aantal aanwezigen dichtbij de risicobron. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen.

Zelfredzaamheid
Bij een calamiteit is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij een incident. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS palen) en NL-Alert. Bij een scenario waarin toxische stoffen vrijkomen, is het advies om te schuilen in een gebouw, waarvan ramen, deuren en ventilatie gesloten kunnen worden. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid zijn voldoende.

Conclusie
De planlocatie ligt buiten de plaatsgebonden risicocontour 10-6 van een inrichting, buisleiding en transportroute met een extern veiligheidsrisico. De plaatsgebonden risicocontour van de diverse risicobronnen vormt geen belemmering voor de realisatie van het plan.

Ten aanzien van het groepsrisico ligt het plan in het invloedsgebied van de Betuweroute, de spoorlijn Nijmegen-Arnhem en de snelweg A325. Op basis van de beperkte verantwoording groepsrisico (zie hierboven) kan worden geconcludeerd dat het ruimtelijke initiatief geen significant effect heeft op het groepsrisico en op de mogelijkheden voor de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Daarmee is het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de realisatie van het plan.

5.8 Kabels en leidingen

Het verrichten van werkzaamheden in de nabijheid van hoogspanningsmasten en -kabels en dergelijke, kan gevaar met zich meebrengen. Om dit gevaar zoveel mogelijk te beperken, moet de (leiding)beheerder aangeven onder welke voorwaarden de werkzaamheden veilig plaats kunnen vinden.

Beoordeling en conclusie
In het plangebied en de directe omgeving zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig. Dit aspect levert dan ook geen belemmeringen op voor de realisatie van het plan.

5.9 Waterparagraaf

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder b) moet inzicht worden gegeven in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Daarbij zijn de hierna beschreven beleidsstukken van belang.

Rijksbeleid
Nationaal waterplan
In december 2015 stelde het kabinet het Nationaal Waterplan vast. Dit plan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016-2021 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water, en diverse vormen van gebruik van water. Ook worden de maatregelen genoemd die hiertoe worden genomen.

Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie.

Provinciaal beleid
Provinciaal Waterplan
In het Waterplan Gelderland is het waterbeleid beschreven aan de hand van een aantal thema's, zoals landbouw, wateroverlast, watertekort, natte natuur, grondwaterbescherming en hoogwaterbescherming. Voor deze thema's is beschreven welke doelstellingen voor 2027 en 2015 er liggen. Daarbij is beschreven hoe de provincie voor de planperiode de uitvoering van acties ziet om die doelstellingen te bereiken. Bij sommige thema's gelden aanvullende waterdoelstellingen voor specifieke waterhuishoudkundige functies.

Waterschap Rivierenland
Waterbeheerplan 2016-2021
Dit plan, vastgesteld op 27 november 2015, gaat over het waterbeheer in het hele rivierengebied en het omvat alle watertaken van het waterschap: waterkwantiteit, waterkwaliteit, waterkering en waterketen. In het Waterbeheerplan staat wat Waterschap Rivierenland de komende periode gaat doen om inwoners van het rivierengebied veiligheid en voldoende schoon en mooi water in sloten en plassen te kunnen blijven bieden. Het plan is in samenwerking met onder meer de gemeente Overbetuwe opgesteld.

Keur Waterschap Rivierenland 2014
Voor waterhuishoudkundige ingrepen is de 'Keur Waterschap Rivierenland 2014' van toepassing. De Keur is een waterschapsverordening die gebods- en verbodsbepalingen bevat met betrekking tot ingrepen, die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. Zo is het onder andere verboden om handelingen te verrichten waardoor het onderhoud, aanvoer, afvoer en/of berging van water kan worden belemmerd, zonder een ontheffing van het Waterschap. De wateren en waterkeringen waarop de keur van toepassing is, zijn vastgelegd in de legger wateren.

Realisatie van nieuwe bebouwing en/of verhard oppervlak moet hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. Bij het toevoegen van bebouwing of verharding geldt een compensatieplicht. Er geldt een eenmalige vrijstelling van de compensatieplicht wanneer minder verharding dan 500 m² in stedelijk gebied of minder dan 1.500 m² in landelijk gebied wordt toegevoegd.

Gemeente Overbetuwe
Waterplan Overbetuwe
In 2008 stelde de gemeente Overbetuwe in samenwerking met het Waterschap Rivierenland het Waterplan Overbetuwe vast. Het waterbeheerplan van het waterschap is later geactualiseerd (zie hierboven), ook in samenwerking met onder meer de gemeente Overbetuwe. Beide plannen gelden naast elkaar.

In het Waterplan Overbetuwe wordt het beleidskader geschetst en worden concrete maatregelen voor het watersysteem uitgewerkt. Naast het waterplan wordt parallel een Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) opgesteld waarin de maatregelen voor de riolering (waterketen) worden uitgewerkt.

Met het opstellen van een waterplan wordt inzicht gegeven in de relevante wateropgaven voor de gemeente Overbetuwe, zoals:

  • wateroverlast, het zoeken van oplossingen om wateroverlast tegen te gaan;
  • waterkwaliteit, het onderzoeken van mogelijkheden voor het verbeteren van de waterkwaliteit;
  • grondwater, het inventariseren van grondwateroverlast;
  • beleving van water, burgers betrekken bij water;
  • afspraken en taken van waterschap en gemeente.


Beoordeling (watertoets)
In de huidige situatie is op het perceel Aamsepad 2 met twee woningen en enkele stallen, overkappingen en terreinverharding ruim 6.000 m2 verhard oppervlak aanwezig. Met onderhavig plan wordt hier circa 450 m2 aan verharding toegevoegd. Deze beperkte toename blijft ruim onder de vrijstellingsgrens voor de compensatieplicht voor waterberging van het Waterschap. Het realiseren van watercompenserende maatregelen wordt dan ook niet noodzakelijk geacht.

Op de planlocatie is geen oppervlaktewater aanwezig. De ontwikkeling heeft geen invloed op watergangen in de omgeving. Er worden daarnaast geen ingrepen in de bodem gedaan die het grondwatersysteem kunnen veranderen. De bestaande gebouwen zijn, voor zover bekend, aangesloten op het gemeentelijk rioolstelsel. Afvalwater wordt via het gemeentelijk rioolstelsel getransporteerd. Negatieve effecten op oppervlaktewater of op de veiligheid van een waterkering zijn uitgesloten. Bij de uitwerking van het initiatief voor de bouw van het nieuwe woongebouw, moeten schoon hemelwater en vuilwater gescheiden worden afgevoerd.

Conclusie
Waterhuishoudkundig zijn er geen bezwaren verbonden aan dit bestemmingsplan. Het plan heeft een positief effect op de waterhuishouding.

5.10 Flora en fauna

De bescherming van de natuur is sinds 1 januari 2017 vastgelegd in de Wet Natuurbescherming (Wnb). Deze heeft de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet vervangen. De Wnb geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan moet worden onderzocht of de Wnb de uitvoering van het plan niet in de weg staat in verband met de bescherming van gebieden en dier- en plantsoorten. De provincies zijn het bevoegd gezag voor zowel de gebieds- als de soortenbescherming.

Gebiedsbescherming
In de Wnb is de bescherming opgenomen van Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan moet worden onderzocht of dit plan, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan alleen worden vastgesteld als uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Als deze zekerheid er niet is, kan het plan worden vastgesteld als wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:

  • alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden;
  • het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en
  • de noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.

Het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen: Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones. Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime. Het NNN is op provinciaal niveau uitgewerkt in het Gelders Natuurnetwerk (GNN) met de bijbehorende Groene Ontwikkelingszones (GO). Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen.

Soortenbescherming
In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen:

  • 1. soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn;
  • 2. soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn;
  • 3. de bescherming van overige soorten.

Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag.

Beoordeling
Soortenbescherming
Het plan betreft de realisatie van een uitbreiding van een bestaande stal van een veehouderij. Volgens de soorten effectenindicator, die in de bijlagen bij m.e.r.-beoordeling is opgenomen, komen er binnen het plangebied geen beschermde soorten voor. De indicator is bijgevoegd als bijlage. Daarnaast is ter plaatse van de aanbouw reeds verharding aanwezig. Er is geen sprake van de aanwezigheid van beschermde fauna.

Gebiedsbescherming - Natura 2000
Het plangebied ligt niet in de buurt van een Natura 2000-gebied. Het dichtst bij gelegen Natura2000-gebied betreft de 'Rijntakken'. Dit gebied ligt op ongeveer 3.800 meter afstand van de inrichting. Gezien de afstand tot het Natura 2000-gebied is alleen stikstofdepositie als gevolg van de inrichting mogelijk aan de orde. Overige externe effecten, zoals geluidsoverlast, stofhinder en dergelijke, zijn gezien de afstand tot de inrichting niet aan de orde.

Het bedrijf beschikt over een Natuurbeschermingswetvergunning die door de provincie Gelderland is verleend. De huidige vergunning is verleend op 23 juli 2014 voor het houden van:

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0322BUITaamsepad2-VSG1_0010.png"  

Ten opzichte van de huidige Wnb vergunning is er sprake van een wijziging in dieraantallen en stalsystemen. Onderstaand is de beoogde ammoniak-emissie weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0322BUITaamsepad2-VSG1_0011.png"  

De ammoniak-emissie zal ten opzichte van de huidige vergunning dus aanzienlijk afnemen. Er is een AERIUS berekening voor zowel de huidige als de toekomstige situatie uitgevoerd. Deze berekeningen zijn in respectievelijk Bijlage 3 en Bijlage 4 opgenomen. Uit deze berekening blijkt dat de beoogde situatie niet leidt tot een toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Het initiatief zal dus niet leiden tot significant negatieve effecten op omliggende Natura 2000-gebieden.

Gebiedsbescherming - Gelders Natuurnetwerk (GNN)
De GNN ligt op een afstand van circa 400 meter. Het beoogde plan zal niet leiden tot negatieve effecten op de GNN. Er is geen sprake van oppervlakteverlies of versnippering.

Conclusie
Het aspect flora en fauna vormt geen belemmering voor het plan.

5.11 Archeologie en cultuurhistorie

De bescherming van archeologisch en cultureel erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening moet in het plan rekening worden gehouden met cultuurhistorische waarden.

De gemeente Overbetuwe heeft voor haar gemeentelijk grondgebied een erfgoedplan en een archeologische beleidsadvieskaart gemaakt. Het erfgoedplan beoogt versterking van de plaats en betekenis van cultuurhistorie als factor in het ruimtelijk beleidsproces.

Beoordeling en conclusie
Met betrekking archeologie is ter plaatse van de aanbouw de dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie' van toepassing, dit conform het bestemmingsplan 'Elst, Schil Westeraam A325'. Op de archeologische verwachtingswaardenkaart van de gemeente Overbetuwe is het plangebied tevens aangeduid als 'terrein met een (hoge) archeologische waarde rondom attentiezone van 50 meter'. Hierbinnen geldt dat bij bodemingrepen dieper dan 30 cm-mv, ongeacht de oppervlakte van de ingreep, archeologisch onderzoek verplicht is. Om deze reden zal een archeologisch onderzoek uitgevoerd worden in het kader van de omgevingsvergunning voor het onderdeel 'bouwen'. De huidige dubbelbestemming in het plangebied blijft gehandhaafd.

5.12 Verkeer en parkeren

Het aantal verkeersbewegingen van en naar de inrichting zal niet toenemen ten opzichte van de huidige situatie. Er is geen toename in het totaal aantal te houden dieren. Daarnaast zal er ook niet meer personeel werken op de locatie. Negatieve effecten van dit plan op de verkeers- en parkeerdrukte is dan ook niet van toepassing.

Het aspect verkeer en parkeren zal niet leiden tot negatieve effecten in de omgeving.

Hoofdstuk 6 Juridische planopzet

6.1 Algemene opzet

Inleiding
Dit hoofdstuk bevat de concrete vertaling van het beleidsgedeelte (voorafgaande hoofdstukken) in het juridisch gedeelte van het bestemmingsplan (de verbeelding en regels).

Het bestemmingsplan 'Buitengebied, Aamsepad 2, Elst' bestaat uit de volgende onderdelen:

De toelichting
In de toelichting is de ontwikkeling verantwoord, zowel op basis van het beleid, als op basis van milieu-hygiënische aspecten, aangevuld met een toelichting op de juridische opzet.

De bestemmingsregels
De bouw- en gebruiksregels zijn binnen de verschillende bestemmingen opgenomen. Daarnaast zijn waar nodig afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden opgenomen, om het plan de benodigde flexibiliteit te geven.

De verbeelding
Op de verbeelding zijn de bestemmingen 'Agrarisch', 'Waarde - Archeologie' en 'Waarde - Archeologische verwachting 1 en 2' opgenomen met de daarbij behorende aanduidingen en een bouwvlak, dat afgestemd is op de toekomstige bebouwing.

De opzet van het plan
Het bestemmingsplan is een juridisch plan, dat bindend is voor de burgers en voor de overheid. Qua systematiek is zoveel mogelijk aangesloten bij het huidige bestemmingsplan 'Elst, Schil Westeraam A325' en het bestemmingsplan 'Buitengebied Overbetuwe'.

Bouwplan
Als een aanvraag om omgevingsvergunning ingediend wordt, zijn in eerste instantie de bestemming met bijhorende regels van belang. Als het nieuwe en het beoogde gebruik past binnen de toegekende bestemming, dan kan de omgevingsvergunning worden verleend.

6.2 Toelichting op de verbeelding en regels

Op de verbeelding zijn de bestemmingen onderscheiden. De bestemmingen zijn afgeleid uit het gebruik (de aanwezige functies). De bestemmingen vormen het zogenaamde casco van het plan, waarvan in beginsel niet mag worden afgeweken.

Agrarisch
In het gehele plangebied blijft de bestemming 'Agrarisch' van toepassing. Het bouwvlak is aangepast op basis van het initiatief. Daarnaast is de aanduiding 'intensieve veehouderij' opgenomen. De gronden zijn bestemd voor agrarische bedrijfsuitoefening, waarbij op deze locatie een intensieve veehouderij is teoegestaan. Verder zijn twee bedrijfswoningen toegestaan, alsmede hobbymatig agrarisch grondgebruik en bijbehorende voorzieningen, zoals groen, water, parkeervoorzieningen en toegangswegen.

In principe mag uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd, dit met uitzondering van erf- en terreinafscheidingen. In de bouwregels zijn regels opgenomen ten aanzien van de specifieke soort bebouwing (bedrijfsgebouwen, bedrijfswoningen, bijgebouwen/overkappingen bij bedrijfswoningen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde). Nieuwe bedrijfsgebouwen mogen uitsluitend worden opgericht op voorwaarde dat de landschappelijke inpassing conform het inrichtingsplan in de bijlage is gerealiseerd. Deze landschappelijke inpassing moet na realisatie in stand worden gehouden.

Waarde - Archeologie en Waarde - Archeologische verwachting 1 en 2
In het plan is de archeologische beleidskaart vertaald in drie dubbelbestemmingen, ten behoeve het behoud en de bescherming van archeologische waarden in of nabij het plangebied. Zie hierover ook paragraaf 5.11. Naast de betreffende dubbelbestemming hebben de betrokken gronden altijd nog de betreffende hoofdbestemming. De regels van de hoofdbestemming en de dubbelbestemming zijn beide van toepassing, maar bij strijd tussen deze bepalingen prevaleren de bepalingen van de dubbelbestemming. De reden hiervoor is dat de belangen van de dubbelbestemming zwaarder wegen dan die van de hoofdbestemming. De dubbelbestemmingen bevatten een omgevingsvergunningplicht en plicht tot het doen van archeologisch onderzoek voor bodemingrepen dieper dan 0,3 meter onder het maaiveld en, voor zover het de bestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 1 en 2' betreft, met een omvang groter dan 50 respectievelijk 100 m². Voordat een omgevingsvergunning voor het 'bouwen' wordt verleend, zal een archeologisch onderzoek moeten worden uitgevoerd, wanneer deze drempelwaarde(n) wordt/worden overschreden.

Algemene regels
Anti-dubbeltelregel
Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.

Algemene bouwregels
In dit artikel is een regeling voor het ondergronds bouwen opgenomen, alsmede voor bestaande afwijkende maatvoeringen. Ook is een regeling voor geringe overschrijding van bouwgrenzen door ondergeschikte bouwdelen opgenomen.

Algemene gebruiksregels
Deze bepaling bevat de vormen van gebruik, die in ieder geval strijdig zijn met de regels van het bestemmingsplan voor alle opgenomen bestemmingen.

Algemene afwijkingsregels
In dit artikel wordt een opsomming gegeven van de regels waarvan door middel van een omgevingsvergunning afgeweken kan worden van het bestemmingsplan. De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven. Opgenomen zijn bevoegdheden voor onder meer kleine afwijkingen in maatvoeringen, bouwen van schuilgelegenheden, grotere inhoud van bedrijfswoningen en voor tijdelijk kampereren.

Algemene wijzigingsregels
In dit artikel wordt een opsomming gegeven van de regels waarvan door middel van een wijzigingsplan afgeweken kan worden van het bestemmingsplan. Dit betreft kleine wijzigingen van de bestemmingsgrenzen.

Algemene procedureregels
In dit artikel wordt aangegeven op welke wijze de uitvoerbaarheid van een wijzigingsplan, waarbij gebruik wordt gemaakt van een in het plan opgenomen wijzigingsbevoegdheid, in ieder geval moet worden aangetoond.

Overgangs- en slotregels
Overgangsrecht
Het voor alle bestemmingsplannen verplichte overgangsrecht is opgenomen. Bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een omgevingsvergunning voor het bouwen is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bebouwingsregels. De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen kan worden verleend. Burgemeester en wethouders kunnen in beginsel dus nog gewoon gebruik maken van hun handhavingsbevoegdheid. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan mag eveneens worden voortgezet.

Slotregel
Dit artikel geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald.

Hoofdstuk 7 Financiële toelichting

Kostenverhaal
Uitgangspunt voor de beoogde ontwikkelingen is dat deze voor de gemeente budgetneutraal worden ontwikkeld. Op grond van artikel 6.12 lid 1 Wet ruimtelijke ordening (Wro) is de gemeenteraad van Overbetuwe verplicht om, als sprake is van een bouwplan, de gemeentelijke kosten te verhalen. In dit geval is er sprake van een bouwplan. Met de initiatiefnemer is daarom een anterieure overeenkomst afgesloten, waarin het kostenverhaal in voldoende mate gewaarborgd is. Ook is met de initiatiefnemer een planschadeovereenkomst afgesloten.

Financiële haalbaarheid
Er zijn geen onvoorziene hoge kosten te verwachten. Ook is er geen sprake van onzekere financiële bijdragen van anderen. De financieel-economische haalbaarheid is hiermee in voldoende mate aangetoond.

Hoofdstuk 8 Overleg en inspraak

8.1 Inleiding

De procedures voor vaststelling van een bestemmingsplan zijn door de wetgever geregeld. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties waar nodig overleg over het plan moet worden gevoerd, voordat een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Bovendien kan het noodzakelijk zijn om belanghebbenden de gelegenheid te bieden om hun visie over het plan te kunnen geven. Dit is afhankelijk van de inspraakverordening van de gemeente. Pas daarna kan de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van het plan van start gaan.

8.2 Inspraak

De Wro zelf bevat geen bepalingen over inspraak. Dat neemt niet weg dat het de gemeente vrij staat toch inspraak te verlenen op grond van de gemeentelijke inspraakverordening. In relatie daarmee bepaalt artikel 150 van de Gemeentewet onder meer dat in een gemeentelijke inspraakverordening moet worden geregeld op welke wijze personen en rechtspersonen hun mening kenbaar kunnen maken. Voor dit bestemmingsplan heeft, gezien de aard en kleinschalige omvang van de wijziging, geen inspraak plaatsgevonden. Wel heeft de initiatiefnemer een omgevingsdialoog met de omwonenden gevoerd. Zie hierover paragraaf 4.3.

8.3 Overleg

Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) geeft aan dat het bestuursorgaan, dat belast is met de voorbereiding van een ruimtelijk plan, overleg pleegt met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen. Ook moet overleg worden gepleegd met die diensten van provincie en Rijk, die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of die belast zijn met de behartiging van belangen, welke in het plan in het geding zijn. Er heeft vooroverleg plaatsgevonden met de provincie Gelderland. In verband met de ligging van het plangebied binnen het grondwaterbeschermingsgebied, heeft de gemeente tijdens de zienswijzenperiode (zie hierna onder 8.4) overleg gevoerd met Vitens.

8.4 Vaststellingsprocedure

De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan heeft plaatsgevonden volgens artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening. Het ontwerpbestemmingsplan is gedurende zes weken ter inzage gelegd vanaf 18 juli 2019. Binnen deze periode kon eenieder een zienswijze op het plan indienen. Er zijn in totaal vijf zienswijzen ingediend. Deze zijn samengevat en van een reactie voorzien in de nota zienswijzen en ambtshalve wijzigingen. De zienswijzen hebben geleid tot enkele aanpassingen aan de toelichting van het bestemmingsplan en de daarbij behorende bijlagen. Er zijn enkele tekstuele wijzigingen doorgevoerd. Daarnaast zijn nieuwe geurberekeningen en stikstofdepositieberekeningen uitgevoerd. De resultaten hiervan zijn in het plan verwerkt.

Het plan is vervolgens door de gemeenteraad gewijzigd vastgesteld op 7 januari 2020.

8.5 Beroep

Na vaststelling wordt het bestemmingsplan voor de tweede maal zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking.